-A +A

Collectief misdrijf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het collectief misdrijf (ook voortgezet misdrijf genoemd), is het misdrijf waarbij verscheidene strafbare feiten de herhaalde en voortgezette uitdrukking zijn van eenzelfde misdadig opzet, zodat ze uiteindelijk als één geheel te beschouwen zijn.

Voor het collectief misdrijf is het vertrekpunt van de verjaring, de dag waarop het laatste strafbaar feit van de reeks zich heeft voorgedaan. Zo is, voor wat betreft de misdrijven bestaande in het gebruik van valse stukken met het oog op het begaan van een overtreding van de bepalingen van dit Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, het vertrekpunt van de verjaringstermijn de laatste daad van gebruik van het vals stuk.

Bij een collectief misdrijf begint de verjaring van de strafvordering te lopen op het ogenblik van het laatste feit dat met eenzelfde misdadig opzet is gepleegd en mits tussen geen van de feiten de verjaringstermijn is.

uittreksel uit :het strafwetboek:

Art. 65. Wanneer een zelfde feit verscheidende misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken.
Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan.

Art.
 65 maakt een voor de beklaargde betere regeling uit dan de standaard regeling bij samenloop:

----------

Art. 60.Bij samenloop van verscheidene wanbedrijven worden alle straffen samen opgelegd, zonder dat zij evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste straf te boven mogen gaan.  De uitgesproken straf mag niet hetzij twintig jaar gevangenisstraf, hetzij de zwaarste gevangenisstraf als deze meer dan twintig jaar gevangenis is, te boven gaan. In geen geval mag de uitgesproken straf één jaar straf onder elektronisch toezicht, driehonderd uren werkstraf of twee jaar autonome probatiestraf te boven gaan.

Art. 61. Bij samenloop van een misdaad met een of meer wanbedrijven of met een of meer overtredingen, wordt alleen de op de misdaad gestelde straf uitgesproken.

Art. 62. Bij samenloop van verscheidene misdaden wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken. Die straf kan zelfs tot vijf jaar boven het maximum worden verhoogd, indien zij bestaat in (tijdelijke opsluiting of hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar, respectievelijk gedurende een kortere termijn). 

Art. 63. De zwaarste straf is de langstdurende. Zijn de straffen van gelijke duur, dan wordt opsluiting beschouwd als een zwaardere straf dan hechtenis.

Art. 64. De straffen van bijzondere verbeurdverklaring wegens verscheidene misdaden, wanbedrijven of overtredingen, worden altijd samen opgelegd.

Rechtsleer:

• C. Van Deuren, «Eén plus één is niet altijd twee. De regels van de samenloop besproken, vergeleken en empirisch onderzocht», NC 2012, 358-376;

• C. Van den Wyngaert en S. Vandromme, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2014, 496-505)  

Nog dit: 

• Cassatie 15 maart 2016, AR, P.15.1435.N, RW 2017-2018, 277, met noot S. Raats De toepassing van art. 65, tweede lid Sw. en het bewijs van hoger beroep (met talrijke verwijzingen naar de rechtspraak)

Samenvatting

De rechter is verplicht artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, toe te passen indien hij vaststelt dat de voorwaarden daartoe zijn vervuld

Indien een beklaagde met verwijzing naar een rechterlijke beslissing op geloofwaardige wijze aanvoert dat er gelet op die beslissing grond is om artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen, kan de rechter die aanvoering niet verwerpen om de enkele reden dat die beklaagde geen bewijs van niet-verhaal overlegt

Tekst arrest

P.15.1435.N
H N O, alias ( ... ),
beklaagde, aangehouden,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 14 oktober 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest bevestigt de door de eerste rechter voor de feiten der telastlegging J gedeeltelijk verleende vrijspraak.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 56, tweede lid, Strafwetboek: het arrest stelt ten onrechte de staat van wettelijke herhaling vast; het Grondwettelijk Hof oordeelde met het arrest nr. 185/2014 van 18 december 2014 dat het vaststellen van de wettelijke herhaling bij gecorrectionaliseerde misdaden ongrondwettig is wegens een miskenning van het gelijkheidsbeginsel en dat die ongrondwettigheid rechtstreeks voortvloeit uit artikel 56, tweede lid, Strafwetboek; het arrest kon dan ook niet oordelen dat de vast-gestelde discriminatie niet enkel de uitwerking is van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek of dat die ten gepaste tijde moet worden aangevoerd voor de straf-uitvoeringsrechtbank; de handhaving door het Grondwettelijk Hof van de gevol-gen van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek nam een einde op 31 juli 2015 en het bestreden arrest werd na die datum gewezen.

3. De vaststelling van de staat van wettelijke herhaling door het arrest is niet enkel gesteund op gecorrectionaliseerde misdaden waaraan de eiser is schuldig verklaard (telastleggingen A, B, C1, C2, C3, D, E1, E2 en E3), maar ook op wan-bedrijven waaraan hij is schuldig verklaard (telastleggingen F1, F2, G1, G2, G3, G4, H1, H2, H3, I en J (beperkt)). Het onderdeel bekritiseert niet eisers schuldig-verklaring aan die wanbedrijven en de vaststelling van de staat van wettelijke her-haling op basis van die wanbedrijven.

Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, ar-tikel 56, tweede lid, Strafwetboek en artikel 187, eerste en vijfde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt voor de feiten der telastleggingen A, C1, C2, C3, D, E1, E2, E3, F1, F2, G1, G2, G3, H2, I en J (voor zover betrekking hebbend op de periode van 28 december 2013 tot 12 juni 2014) ten onrechte de staat van wettelijke herhaling vast; het arrest oordeelt ten onrechte dat die staat kan worden vastgesteld voor de feiten gepleegd vanaf 18 december 2013 en verwerpt ten onrechte eisers stelling dat aangezien dit een verstekvonnis betrof, de wettelijke herhaling alleen kan worden vastgesteld voor feiten gepleegd na 12 juni 2014, dit is na het verstrijken van de gewone termijn van verzet die is ingegaan ingevolge de betekening op 27 mei 2014 van het verstekvonnis van 12 december 2013; de vaststelling van de wettelijke herhaling vereist immers een voorafgaande veroordeling waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan.

5. De vaststelling van de staat van wettelijke herhaling door het arrest is niet enkel gesteund op vóór 12 juni 2014 gepleegde feiten waaraan de eiser is schuldig verklaard (telastleggingen B, E1, E2, E4, F2, G2, G4, H1, H3, I en J (voor zover gepleegd vóór 12 juni 2014)), maar ook op feiten gepleegd na die datum waaraan de eiser is schuldig verklaard (telastleggingen A, C1, C2, C3, D, E3, F1, G1, G3, H2 en J (voor zover gepleegd vanaf 12 juni 2014)). Het onderdeel bekritiseert niet de schuldigverklaring van de eiser aan de vanaf 12 juni 2014 gepleegde feiten en de vaststelling van de staat van wettelijke herhaling op basis van die feiten.

Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verzoek om met verwijzing naar het vonnis van de correctionele rechtbank Luxemburg, afdeling Neufchâteau, van 7 oktober 2014, waarvan een afschrift werd overgelegd, artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen; dit verzoek kan niet worden afgewezen op de enkele grond dat geen attest van niet-verhaal wordt overgelegd; het arrest had de eiser of het openbaar ministerie in de gelegenheid moeten stellen alsnog aan te tonen dat de beslissing definitief was; het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord.

7. De rechter is verplicht artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, toe te passen in-dien hij vaststelt dat de voorwaarden daartoe zijn vervuld.

Indien een beklaagde met verwijzing naar een rechterlijke beslissing op geloof-waardige wijze aanvoert dat er gelet op die beslissing grond is om artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen, kan de rechter die aanvoering niet verwer-pen om de enkele reden dat die beklaagde geen bewijs van niet-verhaal overlegt.

8. Het arrest verwerpt eisers verzoek om gelet op het vonnis van de correctio-nele rechtbank Luxemburg, afdeling Neufchâteau, van 7 oktober 2014 artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe te passen op de enkele grond dat: "Er wordt door de beklaagde geen attest van geen verhaal voorgelegd, zodat het op vandaag niet zeker voorkomt dat het vonnis in kracht van gewijsde is getreden. Dit vonnis komt derhalve niet in aanmerking voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Straf-wetboek". Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Omvang van de cassatie

9. De vastgestelde onwettigheid leidt tot de cassatie van de aan de eiser opge-legde bestraffing met inbegrip van de veroordeling tot de bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar laat eisers schuldigverklaring onaangetast.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser tot straffen en tot een bijdra-ge aan het Slachtofferfonds veroordeelt.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten en houdt de beslissing over de overige kosten aan waarover de verwijzingsrechter zal dienen te beslissen.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Bepaalt de kosten in het geheel op 209,28 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer  en op de openbare rechtszitting van 15 maart 2016 uitgesproken

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 07:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.