-A +A

Burgerlijke vordering volgend op een misdrijf kan niet verjaren voor de verjaring van de strafvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering:

De burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering”.

Deze bepaling, die zowel van toepassing is voor de strafrechter als voor de burgerlijke rechter, vereist voor de toepassing ervan niet dat er daadwerkelijk een strafvordering is ingesteld. Derhalve kan de rechter de toepassing van art. 26 Voorafgaande Titel Sv. niet uitsluiten op de loutere overweging dat  «er in casu geen strafvordering is ingesteld» en «eveneens [...] vast[staat] dat een partij zich voor een burgerlijke rechter niet kan beroepen op verjaringstermijnen uit het strafrecht» (Cass. 02/06/2017, RW 2017-2018, 1455)

zie ook:

artikel 2262 bis :
§1.“Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 10 jaar”.

In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van 20 jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

§2 : “Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende 20 jaar na de uitspraak”.
Verder voorziet de wet een aantal technische aanpassingen.

onderscheid aldus:
- zakelijke rechtsvorderingen verjaren in beginsel door verloop van 30 jaar ;
- persoonlijke rechtsvorderingen verjaren in beginsel door verloop van 10 jaar.
Tien jaar mag beschouwd worden als de suppletieve gemeenrechtelijke verjaringstermijn.

Voor schade uit buitencontractuele aansprakelijkheid geldt een termijn van 5 jaar nadat de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of de verzwaring ervan en de identiteit van de aansprakelijke. De vordering verjaart evenwel in ieder geval maximum 20 jaar na de datum van het schadeverwekkend feit.
 

Nog dit: 

Hof van Cassatie, 2e Kamer – 16 maart 2010, RW 2012-2013, 300

abstract:

Krachtens art. 26 Voorafgaande Titel Sv. verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering.

Art. 2244 BW bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen.

Uit die bepalingen volgt dat wanneer de burgerlijke rechtsvordering tijdig voor de strafrechter is ingesteld, de verjaring ervan niet meer loopt totdat een in kracht van gewijsde gegane beslissing het geding beëindigd heeft. Ongeacht de verjaring van de strafvordering blijft de strafrechter bevoegd om de burgerlijke rechtsvordering te beoordelen.

Tekst arrest

AR nr. P.09.1519.N

L.V. t/ L.E.V.C. en L.P.L.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 september 2009.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Tweede middel

1. Het middel voert schending aan van art. 26 Voorafgaande Titel Sv. en art. 2262 BW: daar de eiser tijdig, vóór de verjaring van de strafvordering, zijn burgerlijke rechtsvordering tot teruggave van de inbeslaggenomen gelden aan de faillissementsboedel voor de strafrechter had ingesteld, oordelen de appelrechters onterecht niet bevoegd te zijn om deze vordering te beoordelen.

2. Krachtens art. 4, eerste lid Voorafgaande Titel Sv. kan de burgerlijke rechtsvordering tezelfdertijd en voor dezelfde rechters worden vervolgd als de strafvordering.

Krachtens art. 26 Voorafgaande Titel Sv. verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering.

Art. 2244 BW bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen.

Uit die bepalingen volgt dat wanneer de burgerlijke rechtsvordering tijdig voor de strafrechter is ingesteld, de verjaring ervan niet meer loopt totdat een in kracht van gewijsde gegane beslissing het geding beëindigd heeft. Ongeacht de verjaring van de strafvordering blijft de strafrechter bevoegd om de burgerlijke rechtsvordering te beoordelen.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

– de eiser op de terechtzitting van 20 november 2002 voor de eerste rechter een akte van vrijwillige tussenkomst heeft neergelegd waarin hij verzocht “te zeggen voor recht dat de gelden die in het raam van huidige procedure werden in beslag genomen, (...) toekomen aan verzoeker q.q. in zijn hoedanigheid van curator van de gefailleerde vennootschap (...) en dienen te worden overgemaakt op de faillissementsrekening (...)”;

– bij vonnis van 22 januari 2003 de eerste rechter besliste de strafzaak ten laste van de verweerders af te splitsen en de behandeling ervan onbepaald uit te stellen; tevens stelde de rechtbank vast dat de vordering van de eiser, vrijwillig tussengekomen partij, niet beoordeeld kon worden en dat de behandeling ervan onbepaald diende te worden uitgesteld om deze samen met de strafvordering ten laste van de eerste verweerder te beoordelen;

– het beroepen vonnis van 17 januari 2007 oordeelde dat de strafvordering ten aanzien van de eerste verweerder voor de feiten AI, AII, AIII, AIV, BI en BII was vervallen ingevolge verjaring op 17 januari 2004, en ten aanzien van de tweede verweerder voor de feiten AII en BII vervallen was ingevolge verjaring op 19 mei 2003.

Het bestreden arrest oordeelt “dat de strafvordering vervallen was door verjaring vooraleer de eerste rechter geadieerd werd, zodat deze geen rechtsmacht meer had om nog te beslissen over de vordering van de [eiser] tot teruggave, ingesteld nadat de verjaring van de strafvordering reeds was ingetreden”. Aldus verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 05/05/2018 - 12:29
Laatst aangepast op: wo, 09/05/2018 - 21:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.