-A +A

Bindende derdenbeslissing onaantastbaarheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De bindende derdenbeslissing strekt de partijen tot wet.

De rechter kan deze beslissing niet hervormen en slechts zeer marginaal toetsen, door slechts na te gaan of de bindende derdenbeslissing tot stand kwam met naleving van de regels en vormen zoals de partijen die uitwerkten in hun overeenkomst, of de aangestelde deskundige binnen zijn bevoegdheid bleef, of er geen sprake was van wilsgebreken bij de totstandkoming van de akte van benoeming van de schatters, of de deskundige objectief en onpartijdig handelde en of het recht van verdediging werd gerespecteerd.

De bindende derdenbeslissing ontleent haar obligatoire kracht aan de bindende kracht van overeenkomsten; bijgevolg kan aan de derdenbeslissing geen bindende kracht worden verleend wanneer de derde zijn opdracht niet heeft uitgevoerd overeenkomstig hetgeen door de partijen was overeengekomen. (Zie Cass. 28/10/2016, RW 2017-2018, 1135 en juridat).

In een overeenkomst kunnen partijen gelasten geschillen te beslechten of vaststellingen te verrichten, waarbij zij zich op voorhand verklaren zich te zullen schikken naar deze beslissing. Zij beslissen aldus een deel of het geheel van hun bestaande of toekomstige geschillen niet door de rechter te laten beslissen maar door een derde partij (vaak een door beiden gekozen advocaat of expert). De clausule waarbij partijen zich hiertoe verbinden heeft een vaststellingsovereenkomst. Tegen de beslissing van de derde die ingevolge een vaststellingsovereenkomst een bindende beslissing heeft genomen, is geen verder verhaal mogelijk bij de rechtbank. Een bindende derdenbeslissing is definitief.

Een dergelijke derdenbeslissing is gesteund op art. 1134 BW. Het is onderscheiden van een deskundigenonderzoek dat in tegenstelling tot de derdenbeslissing niet bindend is.

Rechtsleer M. Storme De bindende derdenbeslissing of het bindend advies ter voorkoming van geschillen, TPR 1984, 1264,42 en T.Vred. mei-juni 2006/5-6,206.

Deze derdenbeslissing wordt veelal toegepast inzake medische expertises, schattingen bij vereffeningen-verdeling en huurgeschillen inzake de vaststelling van de huurschade. De regels van het deskundigenonderzoek zijn er niet op,toepasselijk. Zie Vred. Sint Genesius-Rode 09-11-2004, T. Vred. mei-juni 2006, 206.

Rechtspraak:

•• Hof van Beroep te Antwerpen, RW 2008-2009, 2e Kamer – 7 juni 2006, RW 2008-2009, 1471 met noot De bindende derdenbeslissing: toch niet zo bindend? lees deze noot met het paswoord van RW

samenvatting

Een akkoord tot benoeming van deskundigen, met opdracht hebben buiten de de tussenkomst van de rechter om, specifieke feiten vast te stellen en te beslissen mbt periodes en de procenten van volledige en gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit, en waarbij hun verslag door de partijen onherroepelijk dient te worden aanvaard, is een overeenkomst die, voor zover geldig gesloten, de partijen tot wet strekt en als een bindende derdenbeslissing dient te worden beschouwd.

De verbindende kracht van een dergelijke overeenkomst reikt niet verder dan wat door de partijen was overeengekomen.

tekst van het arrest

Feiten en voorafgaande procedure

1. M.H. sloot op 20 november 1997 een contract «leven» af met NV A.B.I. (hierna kort: A.B.I.) waarbij in het geval van een arbeidsongeschiktheid van minstens 25% vóór 1 november 2020 werd voorzien in een aanvullende waarborg, namelijk dat de verzekeraar (i) een terugstorting doet van de premies die vóór de periode van invaliditeit betaalbaar zijn en (ii) een jaarlijkse rente uitbetaalt van 300.000 fr., d.i. 7.436,81 euro, op basis van 100% invaliditeit.

M.H. voert aan dat zij sinds juli 2000 lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (C.V.S.), met als gevolg een arbeidsongeschiktheid van meer dan 25%. A.B.I. keerde voor de periode van 21 augustus 2000 tot 2 oktober 2000 een bedrag van 2.056,65 euro (82.965 fr.) uit.

Op 26 oktober 2000 deelde A.B.I. aan M.H. mede dat vanaf 2 oktober 2000 de invaliditeitsgraad minder dan 25% bedroeg.

Op 16 februari 2001 zijn partijen conform art. 39 van hoofdstuk II van de polisvoorwaarden overgegaan tot de ondertekening van het document «akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen», waarbij dr. Van N. door M.H. werd aangesteld, dr. M. optrad voor A.B.I., en waarbij als derde deskundige dr. V. werd aangesteld, die enkel in geval van niet-akkoord tussen deze deskundigen gelast zou worden tot het opstellen van een gemotiveerd en definitief verslag dat onherroepelijk aanvaard diende te worden door de overige partijen. Het minnelijk medisch expertiseverslag van 23 juli 2002, gezamenlijk opgesteld door dr. Van N. en dr. M., besluit dat M.H. lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom en dat dit niet aanwezig was vóór 1 november 1997.

2. M.H. heeft op 30 april 2003 A.B.I. gedagvaard voor de Rechtbank van Eerste Aanleg van Hasselt (i) tot betaling van een provisioneel bedrag van 17.279,06 euro; (ii) tot de terugbetaling van de door haar vóór haar periode van invaliditeit betaalde premies, begroot op 1,00 euro provisioneel; (iii) tot betaling voor de toekomst van een jaarlijkse rente van 4.833,93 euro, maandelijks betaalbaar en (iv) tot betaling van de verwijlinteresten vanaf de respectieve vervaldata, minstens vanaf de datum van ingebrekestelling, de gerechtelijke interesten en de gedingkosten.

De tegeneis van A.B.I. strekte tot (i) nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst, (ii) terugbetaling van 2.056,65 euro, vermeerderd met de renten vanaf 7 november 2000, (iii) de ontbinding van de overeenkomst van minnelijke expertise van 16 februari 2001 en van de minnelijke medische expertise van 23 juli 2003 en (iv) de aanstelling van een gerechtelijke deskundige.

Na tussenvonnis van 18 november 2004 waarin verzocht werd om bijkomende documenten, werd in het vonnis van 17 februari 2005 de eis van M.H. ontvankelijk verklaard en de tegenvordering van A.B.I. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De overeenkomst tot minnelijke expertise van 16 februari 2001 werd ontbonden ten laste van beide partijen en gerechtsdeskundige K. werd aangesteld.

3. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 9 maart 2005 heeft M.H., hierna genoemd appellante, een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 februari 2005 tegen A.B.I., hierna genoemd geïntimeerde.

Eisen in hoger beroep

4. Appellante verzoekt, na eisuitbreiding in hoger beroep, om geïntimeerde te veroordelen tot (i) betaling van 65% van 7.436,81 euro, zijnde 4.833,33 euro per jaar, en dit vanaf juli 2000 tot op de datum van de uitspraak; (ii) terugbetaling van de door haar betaalde premies, begroot op 1,00 euro provisioneel; (iii) betaling voor de toekomst van een jaarlijkse rente van 4.833,93 euro, maandelijks betaalbaar; (iv) betaling van de verwijlinteresten vanaf de respectieve vervaldata, minstens vanaf de datum van ingebrekestelling, de gerechtelijke interesten en de gedingkosten. Zij verzoekt aan haar voorbehoud te verlenen om haar eis verder uit te breiden nl. in zoverre de uiteindelijke invaliditeitsgraad boven de 65% zou zijn.

5. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij stelt incidenteel beroep in en verzoekt te zeggen voor recht dat de verzekeringsovereenkomst «Leven» met contractnummer 4399670, gesloten tussen haar en haar verzekerde, nietig is.

Subsidiair verzoekt zij het bestreden vonnis te bevestigen in zoverre het de overeenkomst van minnelijke medische expertise van 16 februari 2001 ontbonden heeft verklaard, en nog meer subsidiair, in zoverre de verzekeringsovereenkomst niet zou nietig worden verklaard, een gerechtsdeskundige aan te stellen.

Beoordeling in hoger beroep

6. Appellante vraagt de betaling van renten op basis van de bepalingen van de polis (aanvullende waarborgen, bijzondere voorwaarden, p. 2 contract leven nr. 4399670) alsook op basis van de besluitvorming van de geneesheren-deskundigen in het minnelijk medisch expertiseverslag van 23 juli 2002, die in hun besluit schrijven dat M.H. lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom, dat dit niet aanwezig was vóór 1 november 1997 en dat hiervoor een graad van gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit volgens polisvoorwaarden geraamd kan worden op 65% vanaf de datum van de aanvraag.

Geïntimeerde betwist het besluit van de deskundigen op basis van een beweerde tegenstrijdigheid in het verslag en op basis van tekortkomingen van de deskundigen, omdat zij hun opdracht, zoals gegeven in het document «akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen» van 16 februari 2001 niet correct en volledig zouden hebben uitgevoerd. Zij vraagt dat de overeenkomst tot benoeming van geneesheren- deskundigen, alsook het op basis hiervan opgesteld verslag van 23 juli 2002, wordt ontbonden.

De eerste rechter oordeelde dat in het medisch deskundigenverslag er tegenstrijdige elementen zijn opgenomen, dat de geneesheren-deskundigen geen motivering opgeven hoe zij tot hun besluit zijn gekomen en dat zij de opdracht die aan hen werd toevertrouwd niet correct hebben uitgevoerd. De eerste rechter is om deze redenen overgegaan tot de ontbinding van de overeenkomst tot minnelijke medische expertise van 16 februari 2001 ten laste van beide partijen en oordeelt bijgevolg dat partijen, alsook de rechtbank, niet meer gebonden zijn door deze overeenkomst. De eerste rechter is alsdan overgegaan tot de aanstelling van een geneesheer-deskundige, zoals door A.B.I. gevraagd, waarbij hij overweegt dat M.H. zich tegen deze aanstelling noch tegen diens opdracht verzet.

7. Partijen hebben via een overeenkomst van 16 februari 2001, genaamd «akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen», zonder de tussenkomst van de rechter, geneesheren-deskundigen aangesteld om bepaalde feiten vast te stellen en om een beslissing te nemen aangaande de periodes en de procenten van volledige en gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit.

In casu regelt art. 39 van hoofdstuk II van de algemene voorwaarden van de polis (waarvan de toepasselijkheid niet door partijen wordt betwist) op welke wijze een geschil m.b.t. de vaststelling van de echtheid, de graad en de duur van de invaliditeit, dient te worden beslecht. Dit artikel vermeldt dat bij meningsverschil tussen de verzekeraar en de verzekerde, de verzekerde een minnelijke medische expertise kan aanvragen, waarbij dan elk van de partijen een geneesheer aanduidt die als expert optreedt en, zo ze het niet eens kunnen worden, beide experten een derde aanduiden. Er werd zodoende in de polis geopteerd om in geval van betwisting dit te laten beslechten door derden, geneesheren-deskundigen. Deze clausule vermeldt uitdrukkelijk dat deze expertise de rechten en excepties van de verzekeraar in geen geval enig nadeel kan berokkenen.

In uitvoering van deze overeenkomst is het «minnelijk medisch expertiseverslag» van 23 juli 2002 opgesteld, gezamenlijk door dr. M. en door dr. Van N.

8. Geïntimeerde vraagt zowel de ontbinding van het document «akkoord tot benoeming van geneesheren- deskundigen» van 16 februari 2001 als van het «minnelijk medisch expertiseverslag» van 23 juli 2002, en dit op grond van de beweerde onvolledige en niet-correcte uitvoering die door de geneesheren M. en Van N. is gegeven aan hun zending.

Appellante verweert zich hiertegen door aan te voeren dat de overeenkomst tot aanstelling van de deskundigen en de daaruit voortvloeiende gezamenlijke besluiten van deze deskundigen op grond van art. 1134, eerste lid, B.W. bindend zijn voor de partijen, omdat een overeenkomst partijen tot wet strekt. In tegenstelling tot haar in eerste aanleg subsidiair geuite akkoord m.b.t. de aanstelling van een gerechtsdeskundige, stelt zij thans dat naderhand geen gerechtelijke expert meer kan worden aangesteld, zoals de eerste rechter heeft gedaan. Zij herhaalt haar oorspronkelijke eis gebaseerd op de besluitvorming in het minnelijk medisch expertiseverslag.

Het «akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen»

9. Zoals hierboven vermeld, betreft dit document een overeenkomst tussen partijen waarbij zij akkoord gaan met een minnelijke medische expertise betreffende tussen hen bestaande geschilpunten.

Art. 1108 B.W. bepaalt de voorwaarden die tot de geldigheid van een overeenkomst vereist zijn, namelijk de toestemming van de partijen die zich verbinden, hun bekwaamheid om contracten aan te gaan, een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenissen en een geoorloofde oorzaak van de verbintenis.

Geïntimeerde brengt noch vormelijk, noch inhoudelijk, enig element aan m.b.t. de ongeldigheid van het «akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen». Er blijkt geen betwisting te bestaan dat dit akkoord is genomen in uitvoering van art. 39 van hoofdstuk II van de algemene voorwaarden van de polis, en er blijken ook geen specifieke vormvereisten gesteld te zijn aan deze overeenkomst, minstens wordt dit niet ingeroepen door partijen.

Het hof dient zodoende te besluiten dat de overeenkomst rechtsgeldig is gesloten en zodoende partijen strekt tot wet (art. 1134, eerste lid, B.W.).

10. Geïntimeerde baseert zich op de beweerde onvolledige en niet-correcte uitvoering van deze overeenkomst door de deskundigen om de ontbinding ervan te vragen.

Krachtens art. 1184, tweede lid, B.W. kan de ontbinding van een overeenkomst worden gevorderd in het geval dat één van beide partijen in een wederkerig contract haar verbintenis niet nakomt. In casu blijken zowel appellante als geïntimeerde uitvoering te hebben gegeven aan deze overeenkomst: de derde deskundigen zijn aangesteld en hun aanstelling heeft geleid tot het expertiseverslag van 23 juli 2002.

De beweerde fouten op basis waarvan de ontbinding van de overeenkomst tot aanstelling van de geneesheren-deskundigen wordt gevraagd, betreffen geen fouten van de partijen aan deze overeenkomst, zijnde de verzekerde (appellante) en de verzekeraar (geïntimeerde), maar een beweerde fout van de derden (geneesheren-deskundigen) die in deze overeenkomst zijn aangesteld.

Het akkoord tot minnelijke medische expertise heeft als voorwerp de aanstelling van deskundigen. Er werd door de partijen uitvoering gegeven aan dit akkoord. Er wordt door geïntimeerde geen enkel element aangebracht dat appellante een fout heeft begaan bij de uitvoering van de overeenkomst, namelijk bij de aanstelling van de deskundigen.

De wijze waarop de in een overeenkomst aangestelde deskundigen zich van hun opdracht kwijten, is vreemd aan het consensualisme dat de wilsovereenstemming tussen de partijen aan deze overeenkomst schraagt en kan niet tot de ontbinding van deze overeenkomst leiden op basis van art. 1184 B.W., maar in voorkomend geval wel tot de gebeurlijke niet-bindendverklaring van het besluit van de geneesheren-deskundigen t.o.v. deze partijen.

Het Hof besluit dat bij gebrek aan bewijs van enig wilsgebrek of enige andere fout van de partijen er geen aanleiding bestaat om de eis van geïntimeerde tot ontbinding van het document «akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen» van 16 februari 2001 ten laste van appellante gegrond te verklaren.

De geldigheid van deze overeenkomst wordt zodoende door het hof aanvaard, en het eerste vonnis dient wat dit onderdeel betreft hervormd te worden. De partijbeslissing tussen appellante en geïntimeerde tot aanstelling van geneesheren-deskundigen om hun geschil te beslechten strekt deze partijen tot wet.

Minnelijk medisch expertiseverslag

11. Hoewel tussen partijen geen betwisting bestaat dat de op 16 februari 2001 gesloten overeenkomst tot minnelijke medische expertise hen tot wet strekt overeenkomstig art. 1134, eerste lid, B.W., strekt deze bindende kracht weliswaar niet verder dan tot wat door de consensus van partijen wordt gedragen.

Partijen hebben, op grond van hun wilsautonomie, hun beslissingsrecht overgedragen aan de geneesheren- deskundigen M. en Van N. en gebeurlijk aan een derde geneesheer in geval van niet-akkoord van beiden. Deze derdenbeslissing komt in de plaats van hun eigen beslissingsrecht, maar weliswaar enkel m.b.t. die elementen die door de partijen in hun opdracht aan deze deskundigen is gegeven.

In casu was de zending van de deskundigen tweeledig, namelijk (i) een onderzoek en een analyse van de pathologische antecedenten van appellante en (ii) de kwantificatie van de periode en de procenten van volledige en gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit van appellante.

Ongeacht de al dan niet bindende kracht die partijen aan de besluitvorming van de door hen aangestelde deskundigen geven, komt het het Hof toe om het minnelijk medisch expertiseverslag, genomen in uitvoering van de overeenkomst van 16 februari 2001, te toetsen aan deze overeenkomst, namelijk of de deskundigen voldaan hebben aan de hen verstrekte opdracht.

De rechterlijke controle betreft de uitvoering van de overeenkomst tot aanstelling van de deskundige. Het minnelijk deskundigenonderzoek is alleen geldig binnen de voorwaarden die partijen zelf gewild hebben hoe dit onderzoek zou verlopen, en de inhoud van de opdracht die de partijen aan de deskundigen hebben gegeven, is hier een wezenlijk onderdeel van.

In casu is de opdracht van de deskundigen in het compromis tot minnelijke medische expertise nauwkeurig omschreven, en de rechter kan het minnelijk medisch expertiseverslag hieraan toetsen.

12. Appellante en geïntimeerde hebben contractueel in «het akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen» vastgelegd wat de opdracht van de deskundigen inhield. Het minnelijk medisch expertiseverslag herneemt in zijn aanvang deze opdracht, namelijk:

«1. De pathologische toestand van de verzekerde te beschrijven en eventueel te zeggen of het slachtoffer vóór 1 november 1997 was aangetast door enige voorafbestaande aandoening; in dat geval te bepalen of en in welke mate deze reeds bestaande aandoening of elke voorafgaande, ziekelijke toestand of ieder andere vreemde oorzaak zelfs van niet-pathologische oorsprong invloed kunnen uitoefenen op de ernst of de ontwikkeling van de letsels.

«2. Na de nodige onderzoeken uitgevoerd te hebben en aan de hand van objectieve gegevens, in gemeen akkoord de perioden en de procenten vast te stellen van de volledige en gedeeltelijke invaliditeit, zich daarbij baserend op de algemene en de bijzondere voorwaarden van het verzekeringscontract «A. Premievrijstelling». Deze invaliditeit zal worden bepaald in evenredigheid met het verlies van de fysieke geschiktheid van de verzekerde tot het uitoefenen van om het even welke beroepsactiviteit die verenigbaar is met zijn kennis, zijn bevoegdheden en zijn sociale rang, echter zonder eventuele complicaties of invaliditeiten of ongeschiktheden vastgesteld uit hoofde van punt 1 van deze opdracht aan te rekenen».

Geïntimeerde voert aan dat de geneesheren-deskundigen het eerste deel van de hen opgelegde opdracht niet hebben uitgevoerd. Zij beweert dat de geneesheren minstens hun bevindingen m.b.t. het niet- bestaan van C.V.S. bij appellante vóór de datum van 1 november 1997 hadden moeten motiveren, temeer daar uit de bevindingen in het verslag van de bijhorende documenten bleek dat appellante sedert 1993 reeds klachten had die wezen op C.V.S.

13. Het hof stelt inderdaad vast dat in de hoofding «doorname van de documenten» wordt verwezen naar «klachten van vermoeidheid begonnen in 1993».

In de opdracht was begrepen onder punt 1 dat de geneesheren-deskundigen dienden te bepalen of en «in welke mate enige voorafbestaande aandoening of elke voorafgaandelijke ziekelijke toestand of iedere andere vreemde oorzaak zelfs van niet-pathologische oorsprong» invloed kunnen uitoefenen op de ernst of de ontwikkeling van de letsels. De omschrijving «reeds bestaande aandoening of elke voorafgaande ziekelijke toestand of ieder andere vreemde oorzaak zelfs van niet-pathologische oorsprong» is zeer ruim, zodat de verwijzing naar «klachten van vermoeidheid begonnen in 1993» aanleiding had dienen te geven tot een onderzoek door de geneesheren-deskundigen of deze klachten een invloed konden uitoefenen op de ernst of de ontwikkeling van de letsels.

Dit onderzoek is ontegensprekelijk niet geschied, minstens toont appellante niet aan dat dit gebeurd is, omdat van dit onderzoek geen melding is gemaakt in het verslag, dat enkel een opsomming (doorname) bevat van de medische documenten.

...

Het eigen onderzoek van appellante en het op basis van dit onderzoek aangebrachte verweer kan niet in de plaats worden gesteld van het onderzoek dat de deskundigen conform de overeenkomst tot hun aanstelling hadden dienen te voeren.

Ten onrechte beperkt appellante ook de rechterlijke controle in casu tot een marginaal toetsingsrecht waarbij zij aanvoert dat het minnelijk expertiseverslag alleen opzijgeschoven kan worden in geval van een grove vergissing of nalatigheid in de medische beoordeling, waarvan de bewijslast op geïntimeerde rust. Ook hierin volgt het hof appellante niet, omdat, zoals hierboven reeds geoordeeld, de rechter het minnelijk deskundigenverslag vermag te toetsen aan de opdracht die in de overeenkomst tot aanstelling van deskundigen is opgegeven. Het betreft zodoende geen inhoudelijke toetsing van de bevindingen van de deskundigen, maar een rechterlijke controle op de uitvoering door de deskundigen van hun opdracht, zoals neergeschreven in de overeenkomst waarin zij zijn aangesteld.

15. Het hof besluit zodoende dat de deskundigen hun opdracht niet conform aan «het akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen» hebben uitgevoerd.

Geïntimeerde vraagt het hof de «ontbinding» van zowel het minnelijk akkoord tot aanstelling van de deskundigen als van het minnelijk expertiseverslag. Geïntimeerde vraagt niet dat het hof zou uitspreken dat de expertise wordt aangevuld of verbeterd.

Hierboven oordeelde het hof reeds dat een en ander niet tot de ontbinding van deze overeenkomst tot aanstelling van deskundigen kan leiden, maar wel in voorkomend geval tot de gebeurlijke niet-bindendverklaring van het besluit van het deskundigenverslag voor deze partijen.

Het hof is van oordeel dat op basis van de hierboven weergegeven overwegingen en gelet op de niet-naleving van de zending door de deskundigen, aan de besluitvorming van het expertiseverslag niet de waarde kan worden gehecht die partijen hebben bedoeld in de overeenkomst tot aanstelling van deskundigen en hen derhalve niet bindt.

16. Daar blijkt dat (i) partijen uitvoering hebben gegeven aan hun conventioneel overeengekomen wijze om hun geschil op te lossen; (ii) deze uitvoering onwerkdadig is gebleven en (iii) derhalve ter oplossing van hun geschil de aanstelling van een gerechtsdeskundige nodig is, bevestigt het hof het eerste vonnis in zoverre daardoor een gerechtsdeskundige werd aangesteld, met de opdracht zoals door de eerste rechter gegeven.

...


Hof van Beroep Antwerpen 25 maart 2015, RW 2015-2016, 1416, met noot Portugaels De beperkte aantastbaarheid van de bindende derdenbeslissing bij verzekeringsgeschillen

NV G.F. t/ NV K.V.

1. De feiten

1.1. De gebouwen van NV G.P., thans NV G.F. (hierna: “NV G.”), gevestigd (...), werden op 9 november 2008 getroffen door een brand.

1.2. NV K.V. is sedert 29 juli 2008 de verzekeraar “speciale risico’s” van de NV G.: haar polis dekt materiële schade en bedrijfsschade.

De materiële schade werd tussen partijen geregeld voor een bedrag van 1.592.424 euro.

M.b.t. de bedrijfsschade bereikten partijen geen overeenkomst: de expert van de NV G. raamde deze op 523.841 euro; de expert aangesteld door NV K. op 68.262,76 euro. Om die reden werd in uitvoering van de polis (art. 37) een derde expert aangesteld. Deze expert heeft de schade op 7 juni 2012 bepaald op 85.000 euro.

1.3. NV K. voert aan dat de totale schade van NV G. 1.676.526,96 euro bedraagt (nl. 1.592.424 euro materiële schade + 85.000 euro bedrijfsschade – 897,04 euro vrijstelling) en dat zij, aangezien zij reeds 1.728.110,52 euro aan NV G. uitkeerde, zij gerechtigd is op terugbetaling van 51.583,56 euro.

1.4. NV G. daarentegen meent op 298.841 euro extra (zijnde bedrijfsschade van 523.841 euro - 225.000 euro voorschot betaald op 24 december 2008) aanspraak te kunnen maken, evenals op 88.416,40 euro geblokkeerde schade voor outillering en materiaal.

NV G. betwist de wijze waarop de expertise verlopen is, evenals de bevindingen van expert M. De B.

2. Procedurele antecedenten

2.1. NV G. dagvaardde NV K. op 29 november 2012 voor de Rechtbank van Koophandel te Tongeren in betaling van 298.841 euro, vermeerderd met de interesten en de kosten (subsidiair: 85.000 euro provisioneel) en 88.416,40 euro.

Subsidiair drong zij ook aan op de aanstelling van een deskundige teneinde de omvang van de bedrijfsschade te begroten.

In conclusie vroeg zij bijkomend “te zeggen voor recht dat de expertise van deskundige De B. nietig is.”

2.2. NV K. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering om reden dat partijen op grond van art. 1134, eerste lid BW gebonden zijn door art. 37 van de polis en het (hierin opgenomen) bindende advies van de derde deskundige. In conclusie stelde zij een tegeneis tot betaling van 51.583,56 euro, vermeerderd met de interesten en de kosten.

2.3. In het bestreden en bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van 1 oktober 2013 verklaarde de Rechtbank van Koophandel te Tongeren de vordering van NV G. tegen NV K. ontvankelijk maar ongegrond. De tegeneis van de NV K. tegen de NV G. werd ontvankelijk en gegrond verklaard.

De eerste rechter was in essentie van oordeel dat de minnelijke expertise De B. een bindende derdenbeslissing was, zodat hij nog slechts een marginaal toetsingsrecht kon uitoefenen, waarbij hij uiteindelijk oordeelde dat het verslag “niet kennelijk onredelijk” was en bijgevolg op basis van dit verslag de hoofdeis werd afgewezen en de tegeneis werd toegekend.

2.4. NV G. heeft bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 14 november 2013 een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

3. Standpunten in hoger beroep

3.1. NV G. vordert, bij hervorming van het bestreden vonnis, haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en de tegeneis van de NV K. ongegrond te verklaren.

3.2. NV K. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4. Beoordeling

4.1. Er bestaat geen betwisting tussen partijen over het feit dat de eigen expert van NV G., cvba bedrijfsrevisoren V., de bedrijfsschade van NV G. raamde op 523.841 euro en dat de eigen expert van NV K., bedrijfsrevisor D. De V., deze raamde op 68.262,76 euro.

Partijen betwisten evenmin dat deze experten, gelet op de discrepantie tussen hun ramingen en in uitvoering van art. 37 A, tweede lid van de polis speciale risico’s die NV G. bij NV K. afsloot, een derde expert hebben aangeduid “met wie ze een college vormen dat bij meerderheid van stemmen beslist. Bij gebrek aan een meerderheid is de mening van de derde expert doorslaggevend. De schattingen zijn soeverein en onherroepelijk”.

Deze derde expert werd bij akte van benoeming van schatters van 31 januari 2011 aangeduid in de persoon van bedrijfsrevisor M. De B., op voorstel van NV G.

In deze akte werd uitdrukkelijk verwezen naar art. 37 A en C (betreffende de verdeling van de kosten en de honoraria van de experten) van de polis en werd tevens bepaald: “Het is uitdrukkelijk bepaald dat de schatters ontslagen zijn van het afleggen van de eed en van alle gerechtelijke formaliteiten, dat zij de meest uitgebreide macht hebben om de schade vast te stellen en de schadevergoeding te bepalen; dat hun beslissing afdoend en onwederroepelijk zal zijn en dat geen beroep daartegen zal kunnen uitgeoefend worden”.

4.2. Uit de stukken van partijen blijkt dat het management van NV G. de bedrijfsschade van deze laatste in een eigen document van 30 november 2009 raamde op 523.841 euro en dat de expert van de NV G. deze bedrijfsschadeclaim zonder meer overnam en doormailde naar expert De V. van NV K.

Expert De V. was in een eerste berekening van januari 2010 van mening dat er geen vergoedbare bedrijfsschade was, in een tweede berekening nam hij uiteindelijk een bedrag van 68.262,76 euro in aanmerking.

Derde expert De B. heeft, na kennisname van deze stukken en na overleg met zijn mede-experten (onder meer op 12, 19 en 20 december 2011, 17 en 19 januari 2012) en met partijen zelf (onder meer op een vergadering van 16 mei 2011), op 7 juni 2012 een gemotiveerde bedrijfsschadebepaling opgemaakt voor een bedrag van 85.000 euro.

Dit zeven bladzijden tellende document werd door expert De B. bezorgd aan zijn mede-experten V. en De V., maar met een e-mail van 12 juni 2012 heeft V., om redenen hem eigen, aan NV G. enkel het bijhorende “P.V. vaststelling van schade” toegezonden (waarin louter sprake van de door de drie schatters in aanmerking genomen bedrijfsschade van 85.000 euro, zonder enige motivering of verduidelijking).

NV G. heeft per kerende e-mail aan V. “duidelijke feedback” gevraagd en zich uitdrukkelijk beklaagd over het feit dat het “een vel papier betrof zonder verdere argumentaties en motivaties”, maar V. heeft hier zelfs nooit op geantwoord.

Na zelf op 28 februari 2013 in gebreke te zijn gesteld door de raadsman van NV G., heeft K.V. uitdrukkelijk erkend destijds (op 7 juni 2012) van expert De B. wel degelijk ook een gemotiveerd verslag te hebben ontvangen en niet louter het proces-verbaal van vaststelling van de schade.

V. en De V. hebben het proces-verbaal van vaststelling van de schade voor een bedrag van 85.000 euro nooit voor akkoord ondertekend, maar evenmin ooit enige opmerking geformuleerd op het gemotiveerde advies van expert De B. van 7 juni 2012.

4.3. Het hof is op basis van deze elementen van oordeel dat partijen tot tweemaal toe, nl. eerst in de polisvoorwaarden (art. 37) en een tweede keer in de akte van benoeming van schatters van 31 januari 2011, uitdrukkelijk overeenkwamen dat er in geval van onenigheid tussen hen over het bedrag van de (materiële en bedrijfs)schade, de bevoegdheid tot het nemen van een onherroepelijke beslissing op dit punt toevertrouwden aan een met name genoemde of objectief bepaalde derde: in eerste instantie aan het college van de drie experten, in tweede instantie aan de meerderheid van dit college en in derde instantie aan de derde expert alleen.

Partijen zijn gebonden door wat zij overeenkomen (art. 1134, eerste lid BW) en zij hebben, op grond van hun partijautonomie, hun beslissingsrecht wat de omvang van de bedrijfsschade betreft in dezen wetens en willens overgedragen aan (uiteindelijk, in de hiervoor beschreven cascade) expert De B., met als gevolg dat zijn derdenbeslissing – zijn gemotiveerd advies van 7 juni 2012, waarop door geen van zijn beide co-experten V. en De V. ooit enige opmerking werd geformuleerd – in de plaats komt van hun partijenbeslissing.

De beslissing van expert De B. vormt dan ook de “wet van partijen” en de eerste rechter heeft zeer terecht gemotiveerd dat ook hij gebonden was door deze bindende derdenbeslissing en desbetreffend enkel over een marginaal toetsingsrecht beschikte, d.w.z. enkel kon toetsen of de genomen beslissing niet kennelijk onredelijk of onbillijk was.

Meer concreet heeft de eerste rechter nagegaan of de bindende derdenbeslissing tot stand kwam met naleving van de regels en vormen zoals partijen die uitwerkten in hun overeenkomst, of de aangestelde deskundige binnen zijn bevoegdheid bleef, of er geen sprake was van wilsgebreken bij het tot stand komen van de akte van benoeming van de schatters, of de deskundige objectief en onpartijdig handelde en of het recht van verdediging werd gerespecteerd. Het hof sluit zich aan bij de terechte, oordeelkundige, volledige en correcte aftoetsing door de eerste rechter van al deze punten.

4.4. NV K. voert pertinent aan dat de argumentatie van NV G., ertoe strekkende de bindende derdenbeslissing nietig te horen verklaren, eigenlijk toe te schrijven is aan een probleem van (non) communicatie tussen NV G. en haar eigen expert, bedrijfsrevisor V., omdat deze haar (NV G.) enkel het proces-verbaal en niet het gemotiveerde advies zelf bezorgde.

Op basis daarvan argumenteert NV G. immers dat haar recht van verdediging werden geschonden, het verslag niet op tegenspraak tot stand kwam, het verslag niet gemotiveerd werd en De B. naliet aan NV G. zijn laattijdig (voor)verslag te bezorgen, zodat zij hierop geen opmerkingen kon formuleren.

Het hof is van oordeel dat deze klachten en kritieken van NV G. onterecht zijn, minstens juridisch geen weerslag hebben en uitsluitend terug te voeren zijn tot de essentie/inhoud van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomsten (art. 37 polis en de akte van benoeming van schatters van 31 januari 2011) enerzijds en anderzijds de handelwijze van de eigen expert van NV G., K.V.

Het hof beantwoordt, binnen het kader van zijn marginaal toetsingsrecht, de grieven van NV G. als volgt.

4.5. Uit de voorliggende stukken blijkt met zekerheid dat het gemotiveerde advies van 7 juni 2012 op tegenspraak is tot stand gekomen en dat het recht van verdediging van partijen werd gerespecteerd. Niet alleen werd expert De B. in het bezit gesteld van een duidelijke opdracht, binnen de perken waarvan hij handelde én van de oorspronkelijke schaderamingen van de twee andere experten, maar bovendien vond tussen de experten overleg plaats nadat expert De B. deze documenten doornam én heeft expert De B. ook met NV G. zelf vergaderd (zie punt 4.2 van dit arrest).

De drie experten waren bijgevolg terdege op de hoogte van de (ver uiteenliggende) standpunten van partijen en het loutere feit dat uiteindelijk tot een advies/beslissing gekomen wordt die (ver afwijkt) van de schaderaming van één partij, betekent op zich niet dat de beslissing niet op correcte, niet op tegenspraak of op kennelijk onredelijke wijze zou genomen zijn. NV G. verliest trouwens uit het oog dat zij instemde met de wijze van schadevaststelling omschreven in beide vaststellingsovereenkomsten.

Telkenmale werd immers conventioneel niet bepaald dat de regels van het gerechtelijk deskundigenonderzoek, zoals omschreven in het Gerechtelijk Wetboek, in dezen ook van toepassing zouden zijn. Partijen kwamen met andere woorden uitdrukkelijk overeen dat niet gewerkt zou worden met een voorverslag waarop opmerkingen zouden kunnen worden geformuleerd door partijen, vervolgens antwoorden van de deskundige zouden volgen en ten slotte een eindverslag.

De bewering van NV G. dat “had V. haar meteen het volledige advies De B. bezorgd, dit uiteindelijk tot een ander eindadvies zou hebben geleid”, is onjuist en, meer nog, zelfs niet ter zake dienend. Er was contractueel immers niet in de mogelijkheid voorzien om opmerkingen op een (niet bestaand) voorverslag te formuleren.

Bovendien stelt het hof vast dat de (mogelijke) opmerkingen van NV G. in essentie niet erg veel verschillen van haar oorspronkelijke bemerkingen waarvan M. De B. en D. De V. wel kennis hadden – beide documenten gaan immers uit van onrealistische veronderstellingen/verwachtingen – én zouden deze opmerkingen dus met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet hebben geleid tot een aanpassing van de standpunten van deze twee experten, waarbij V., gelet op art. 37 A in fine van de polis, toch minstens M. De B. ervan diende te overtuigen om de bedrijfsschade anders begroot te zien.

Ook voor wat betreft de mededeling van de bindende derdenbeslissing aan partijen of betreffende het al dan niet (verplicht) ondertekenen van de uiteindelijke beslissing door de experten, waren er conventioneel geen vormvereisten bedongen. Het feit dat expert De B. zijn beslissing heeft ondertekend en vervolgens enkel aan D. De V. en K.V. heeft bezorgd, die de beslissing (al dan niet volledig) vervolgens communiceerden aan hun opdrachtgevers, is derhalve niet in strijd met wat bepaald is in art. 37 van de polis en de akte van benoeming van de schatters, zodat dit niet kan leiden tot de nietigheid van de bindende derdenbeslissing.

4.6. Uit niets blijkt dat partijen overeenkwamen dat expert De B. het verslag diende mee te delen aan NV K. en NV G. Het staat wel vast dat M. De B. het verslag op 7 juni 2012 bezorgde aan K.V. in zijn hoedanigheid van expert voor NV G. en D. De V. in zijn hoedanigheid van expert voor NV K., dat beide bedrijfsrevisoren dit document ontvangen hebben en er nooit opmerkingen op gemaakt hebben.

Of dit stilzwijgen en stilzitten van K.V. en D. De V. moet worden geïnterpreteerd als een instemmen met het voorliggende verslag, dan wel als een betwisting ervan, wordt door beide partijen – uiteraard – verschillend uitgelegd, maar dit is in se niet relevant nu contractueel uitdrukkelijk bepaald is (art. 37 A, in fine van de polis) dat zelfs indien het college niet tot stemming overging/er geen meerderheid gevormd werd om te beslissen “de mening van de derde expert doorslaggevend” is.

Wat de mening van derde expert De B. is, blijkt duidelijk uit zijn brief van 7 juni 2012. Het kan expert De B. niet euvel worden geduid dat K.V., om redenen hem eigen, dit verslag nooit meedeelde aan NV G., zelfs niet na daartoe schriftelijk geïnterpelleerd te zijn door NV G.

NV G. heeft overigens ook nooit op een onverdacht tijdstip én gelet op het absolute stilzitten en stilzwijgen van K.V. gedurende verschillende maanden, M. De B. in gebreke gesteld of zelfs maar rechtstreeks aangeschreven met de vraag naar (enige) motivering.

Conventioneel werd overigens geen sanctie bepaald in geval van niet (tijdige) toezending van het verslag.

4.7. Contractueel werd evenmin een termijn bepaald waarbinnen het college zijn beslissing diende te nemen en uit niets blijkt dat de redelijke termijn in dezen overschreden werd, gelet op de datum van benoeming enerzijds en de diverse besprekingen en contacten die er sedertdien en tot juni 2012 waren en zoals geschetst in punt 4.2.

NV G. heeft overigens wel (tevergeefs) aangedrongen bij K.V., maar toont niet aan ooit M. De B. (en D. De V.) te hebben aangemaand, wat toch zou mogen verwacht worden gezien haar huidige stelling dat M. De B. verantwoordelijk was voor het college.

4.8. Het hof is ook van oordeel dat zelfs geen begin van bewijs wordt geleverd van de beweerde aantasting van de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van expert De B.

Het hof merkt op dat uit de van een onverdacht tijdstip daterende stukken – en dit element werd ook nooit tegengesproken door NV G. – uitdrukkelijk blijkt dat M. De B. zelfs werd voorgesteld door NV G. als derde expert en vervolgens aanvaard werd door NV K.

Het loutere feit dat de overeenkomst tot benoeming van de schatters op briefpapier van NV K. werd opgesteld, is niet verdacht of doet geen afbreuk aan de geldigheid van deze overeenkomst, noch aan de onafhankelijkheid van de derde expert, zoals op overtuigende wijze wordt aangetoond door NV K. Het hof sluit zich bij deze terechte argumentatie aan.

4.9. Art. 37 D van de polis houdt hoegenaamd geen onevenwicht in tussen (de prestaties van) partijen en tast geenszins de geldigheid van de bindende derdenbeslissing aan. Deze bepaling betekent immers enkel dat NV K. gebonden is door de cijfermatige conclusie van de expertise De B., maar dat dit los staat van een (eventuele) discussie tussen partijen of NV K. op basis van de polisvoorwaarden gehouden is tot dekking.

4.10. Het hof kan, gelet op de voorliggende bindende derdenbeslissing, zijn marginaal toetsingsrecht en nu geoordeeld werd dat deze beslissing niet kennelijk onredelijk of onbillijk voorkomt, niet overgaan tot een inhoudelijke puntsgewijze controle van deze derdenbeslissing versus het stuk 15 van NV G., noch tot het gelasten van een gerechtelijk deskundigenonderzoek.

4.11. Het hof ziet bijgevolg geen enkele reden om de oorspronkelijke vordering van NV G. toe te kennen, gezien de voorliggende bindende, kennelijk redelijke en billijke derdenbeslissing. Op basis daarvan werd de bedrijfsschade van NV G. definitief en onherroepelijk begroot op 85.000 euro.

Er bestaat geen betwisting tussen partijen dat de NV K., rekening houdende met deze bedrijfsschade, de materiële schade en de contractuele vrijstelling, intussen 51.583,56 euro te veel uitkeerde aan NV G., zodat de eerste rechter terecht de tegeneis van de NV K. in terugbetaling van dit bedrag gegrond verklaarde.

NV G. heeft recht op vergoeding van de door haar geleden materiële schade en bedrijfsschade – zoals vastgelegd door de experten – maar niet meer dan dat.

Het voorschot dat NV K. betaalde was een onbenoemde, maximale provisie die zij uitdrukkelijk “onder alle voorbehoud” uitkeerde en dus geenszins een voorschot uitsluitend op de bedrijfsschade zoals NV G. – tegen de stukken in – blijft beweren.

Het bestreden vonnis wordt bijgevolg integraal bevestigd.

  

Nog dit: 

• Hof van Beroep te Antwerpen , 5e Kamer – 24 februari 2012, RW 2012-2013,, 1149

C. J. en J.J. t/ BVBA M. en W.H.

1. De antecedenten en de vorderingen

De heren C.J. en J.J. lieten de BVBA M. en de heer W.H. dagvaarden voor de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, rechtsprekend in kort geding.

In het gedinginleidend exploot zetten zij uiteen dat tussen partijen op 26 juni 2006 een overeenkomst werd gesloten waarbij zij hun aandelen in de NV M.T.C. verkochten en dat zij als verkopers een aantal garanties hebben verstrekt aan de kopers waarbij een procedure werd afgesproken betreffende de procedure die moest worden gevolgd opdat de kopers aanspraak konden maken op de naleving van die garanties.

Zo werd onder meer overeengekomen dat in geval van betwisting het geschil zou worden beslecht door een bindende derdenbeslissing van bedrijfsrevisoren, aangesteld volgens afspraak.

Op basis van een dergelijke beslissing hebben BVBA M. en W.H. een vordering in rechte gesteld tegen C.J. en J.J. tot betaling van bepaalde sommen.

In een arrest van dit hof van 30 september 2010 werd deze vordering afgewezen op grond van de vaststelling dat de “beslissing” van de aangestelde bedrijfsrevisoren niet kon dienen als grondslag voor de gevorderde veroordeling.

Volgens wat C.J. en J.J. in het gedinginleidend exploot uiteenzetten, zijn partijen het oneens gebleven over hoe zij verder moesten handelen om hun geschil op te lossen en welke procedure zij daarbij moesten volgen. BVBA M. en W.H. wilden blijkbaar dat dezelfde bedrijfsrevisoren hun opdracht zouden hernemen, waartegen C.J. en J.J. zich verzetten.

Daarom vorderden C.J. en J.J. dat BVBA M. en W.H. zouden worden veroordeeld tot aanstelling binnen vijf dagen van een andere deskundige-bedrijfsrevisor teneinde als college met de zelf aangestelde deskundige op te treden en een verslag op te stellen conform de bepalingen opgenomen in de overeenkomsten van 26 juni 2006, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per dag vertraging. Subsidiair vorderden zij dat de voorzitter in kort geding een deskundige zou aanstellen om samen met de door C.J. en J.J. aangeduide deskundige college te vormen.

BVBA M. en W.H. hebben een tegeneis gesteld. Zij vorderden de veroordeling van C.J. en J.J. om binnen vijf dagen na de beschikking de eerder aangestelde bedrijfsrevisoren opnieuw in werking te stellen en de overeenkomst uit te voeren zoals bepaald en dit op verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per dag vertraging.

In de bestreden beschikking van 30 mei 2011 heeft de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de eis van C.J. en J.J. ongegrond verklaard. Hij verklaarde de tegeneis gegrond door C.J. en J.J. te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van de beschikking aan VGD-Bedrijfsrevisoren schriftelijk opdracht te geven om samen met LMD & Partners bedrijfsrevisoren de opdracht verder uit te voeren zoals bepaald in de overeenkomst van 26 juni 2006, rekening houdend met de kennisgeving van de vordering van 4 april 2007, met het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 30 september 2010 tussen partijen gewezen en met het verslag van het college van deskundigen van 18 juli 2007, en dit op verbeurte van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging.

Met een verzoekschrift neergelegd op 9 juni 2011 tekenden C.J. en J.J. hoger beroep aan. Zij vorderen dat BVBA M. en W.H. veroordeeld zouden worden tot aanstelling van een andere deskundige dan de bedrijfsrevisoren LMD & Partners of PKF Bedrijfsrevisoren of enige andere bedrijfsrevisor die daaraan verbonden is om samen met de door hen aangestelde bedrijfsrevisor een college te vormen om als deskundige op te treden en een verslag op te stellen conform de bepalingen van de overeenkomst van 26 juni 2006 en dit op verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per dag vertraging. Subsidiair vorderen zij dat het hof een deskundige zou aanstellen in vervanging van LMD & Partners met opdracht de overeenkomst van 26 juni 2006 uit te voeren. Tevens vragen zij dat rechtens zou worden gezegd dat zij gerechtigd zijn om in de plaats van en ter vervanging van VGD-Bedrijfsrevisoren gelijk welke andere bedrijfsrevisor/lasthebber aan te stellen om de opdracht van de overeenkomst van 26 juni 2006 uit te voeren.

BVBA M. en W.H. concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

2. Beoordeling

1. In het arrest van 30 september 2010 heeft het hof in randnrs. 7 e.v. geoordeeld dat partijen de door hun gekozen bedrijfsrevisoren, die als college een bindende derdenbeslissing moesten nemen, in werking hebben gesteld en aldus uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst.

2. In hetzelfde arrest, in randnrs. 12 e.v., heeft het hof geoordeeld dat de deskundigen hun opdracht beperkt hebben opgevat en hun opdracht niet hebben uitgevoerd (randnr. 14 van het arrest).

3. De contractpartijen hebben in hun overeenkomst verwezen naar art. 1592 BW. In die wetsbepaling is wel het geval geregeld dat de derde de waardering niet wil of niet kan doen, maar niet het geval dat de derde de waarderingsopdracht niet uitvoert conform wat de contractpartijen daarover zijn overeengekomen.

4. De bedrijfsrevisoren die partijen hebben aangeduid om als college een bindende derdenbeslissing te nemen, hebben hun opdracht als volledig beëindigd beschouwd en ook als zodanig kenbaar gemaakt aan partijen. BVBA M. en W.H. hebben dit ook zo begrepen, aangezien zij op basis van de “beslissing” van het college C.J. en J.J. in rechte hebben aangesproken tot betaling, welke procedure aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 30 september 2010.

5. De partijen hebben in hun contract niets afgesproken voor het hiervoor beschreven geval dat de derden wel een beslissing hebben genomen, maar deze beslissing niet blijkt te beantwoorden aan wat tussen partijen daarover was overeengekomen en aldus niet kan dienen voor het doel dat partijen voor ogen hadden conform art. 1592 BW. Geen wetsbepaling kan ter zake worden ingeroepen ter aanvulling van de overeenkomst.

6. De aanstelling van de bedrijfsrevisoren die als college de derdenbeslissing moeten nemen, is krachtens de overeenkomst gebaseerd op de vrije keuze van de contractpartijen, waarbij iedere partij een bedrijfsrevisor kan aanstellen. Slechts in geval van onenigheid tussen de bedrijfsrevisoren onderling is de aanstelling van een bijkomende bedrijfsrevisor bedongen via het Instituut voor Bedrijfsrevisoren, wat zich niet heeft voorgedaan, zodat hierop ook geen beroep kan worden gedaan ter oplossing van huidig probleem.

7. Zo in beginsel de rechter geen bepaalde bedrijfsrevisor kan opdringen aan de partijen, kan hun vrije keuze nochtans worden beperkt door algemene regelen van behoorlijke rechtsbedeling, gelet op het bindend karakter van de beslissing.

8. Tot die algemene regelen behoort ook dat ten aanzien van de aangestelde personen die de bindende beslissing moeten nemen geen schijn bestaat niet (meer) objectief en onafhankelijk te kunnen oordelen.

9. In randnr. 12 van het arrest van 30 september 2010 heeft het hof geoordeeld dat de aangestelde bedrijfsrevisoren hun opdracht beperkt hebben opgevat en verkeerdelijk (zonder kennelijk onderzoek ter zake en alleszins zonder motivering daarover) hebben aangenomen dat er schade bestond. C.J. en J.J. hadden nochtans uitdrukkelijk ook het bestaan van schade betwist (randnr. 11 van het arrest van 30 september 2010).

De vrees van C.J. en J.J. dat die bedrijfsrevisoren niet meer objectief en onafhankelijk het bestaan van schade zullen willen onderzoeken en daarom op hun eerder oordeel zullen terugkomen, is terecht. Daarbij dient te worden beklemtoond dat de rechter niet kan ingrijpen in het verloop van de procedure die moet leiden naar de bindende beslissing en derhalve geen opdracht kan geven aan de aangestelde bedrijfsrevisoren om hun onderzoek op bepaalde punten te herdoen of hun verslag en motiveringen aan te vullen of te verduidelijken. Het behoorde aan partijen zelf daarover in gemeen akkoord instructies te geven aan de aangestelde bedrijfsrevisoren. Omdat BVBA M. en W.H. de opdracht van de aangestelde bedrijfsrevisoren als volbracht beschouwden, terwijl C.J. en J.J. zich verzetten tegen de verdere aanstelling van die bedrijfsrevisoren, bestond daarover geen akkoord tussen partijen.

10. In die omstandigheden kan niet meer in redelijkheid de aanstelling van dezelfde bedrijfsrevisoren worden gevraagd en dient de vrije keuze van de partijen te worden beperkt.

11. Geen van de partijen heeft m.b.t. de aanstelling van de bedrijfsrevisoren die als college de bindende derdenbeslissing moesten nemen een schending begaan van de contractuele verplichtingen.

Alle partijen hebben belang bij de beslissing in kwestie, zodat er alsnog geen behoefte bestaat aan het opleggen van een dwangsom bij de hierna bevolen maatregel.

...

3. Beslissing

...

Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en wijzigt de bestreden beschikking.

Het hof zegt rechtens dat in uitvoering van de overeenkomst van 26 juni 2006 partijen ertoe gehouden zijn nieuwe bedrijfsrevisoren naar hun keuze aan te stellen, anderen dan die welke voorheen waren aangesteld, teneinde als college de bindende beslissing te nemen in uitvoering van wat de contractpartijen waren overeengekomen.

...

• Hof van Beroep te Brussel, 5e Kamer – 16 februari 2011, RW 2012-2013, 1420

J.S. en S.B. t/ NV A.X.

De procedure in eerste aanleg

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 24 maart 2005 hebben J.S. en S.B. een inleidende vordering ingesteld tegen de NV W.-E.V. teneinde deze laatste te horen veroordelen tot betaling van het bedrag van 23.734 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan 7% vanaf 24 januari 2004 tot op de datum van betaling, en van een provisioneel bedrag van 1.500 euro als terugbetaling van hun advocatenkosten.

Blijkens de inleidende dagvaarding is deze vordering gebaseerd op de hierna volgende motieven:

– J.S. is de weduwe en S.B. is het enig kind van wijlen de heer R.B., overleden te Tienen op 24 januari 2004;

– wijlen R.B. heeft op 26 februari 1981 een polis “persoonlijke verzekering ongevallen” afgesloten bij de NV W.-E.V.;

– R.B. werd op 22 januari 2004 betrokken in een ongeval waardoor hij zwaar werd gewond, waarop hij onmiddellijk naar het ziekenhuis te Tienen werd overgebracht, waar hij op 24 januari 2004 is overleden;

– ten onrechte weigert de NV W.-E.V. het kapitaal uit te keren om reden dat R.B. zou zijn overleden ingevolge een hartstilstand en het overlijden dus niet het rechtstreeks en uitsluitend gevolg zou zijn van voormeld ongeval van 22 januari 2004.

De NV W.-E.V. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

Bij conclusie van 4 juli 2008 heeft de NV A.B. het geding voor de NV W.-E.V. hervat.

In het bestreden vonnis van 22 januari 2009 heeft de eerste rechter de vordering ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

De procedure in hoger beroep

Tegen voormeld vonnis hebben J.S. en S.B., hierna ook genoemd “appellanten”, bij verzoekschrift van 2 april 2009 principaal hoger beroep ingesteld dat ertoe strekt om hun oorspronkelijke vordering gegrond te horen verklaren.

De NV A.B., hierna ook genoemd “geïntimeerde”, concludeert tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep.

...

De beoordeling

...

3. Subsidiair vorderen appellanten de aanstelling van een deskundige met als opdracht aan de hand van het medisch dossier van wijlen R.B., overleden op 24 januari 2004, na te gaan welke oorzaak van zijn overlijden redelijkerwijze kan worden bepaald, deze oorzaak te omschrijven en daarbij advies te verlenen over de kwestie of de oorzaak van het overlijden het gevolg is van het ongeval waarvan de heer B. op 22 januari 2004 het slachtoffer is geworden.

Appellanten zijn ervan overtuigd dat een grondiger nazicht van het volledig medisch dossier, eventueel in combinatie met een diepgaand onderhoud met de toenmalige behandelende geneesheer, een preciezer beeld zou kunnen bieden van de toestand waarin wijlen R.B. ingevolge het ongeval verkeerde.

Terecht verwijst geïntimeerde evenwel naar art. 11 van de gemeenschappelijke polisvoorwaarden, luidend als volgt:

“De medische geschillen zullen worden voorgelegd aan twee scheidsrechters, de ene door de begunstigde, de andere door de maatschappij aangesteld.

“Bij meningsverschil zullen de scheidsrechters zich een derde toevoegen om gezamenlijk te beslissen. Bij gebreke van meerderheid, zal het advies van de derde scheidsrechter beslissend zijn.

“De scheidsrechters oordelen in laatste aanleg volgens de rechtsnormen: zij mogen, op straf van nietigheid van hun uitspraak, niet afwijken van de voorwaarden van huidig contract en zijn van gerechtelijke pleegvormen ontslagen.

“Iedere partij zal het ereloon van haar scheidsrechter dragen, deze van de derde en al de andere bijkomende kosten zullen gezamenlijk gedragen worden”.

Niettegenstaande de gebruikte bewoordingen van “scheidsrechter” kan de voormelde contractbepaling niet worden beschouwd als een clausule van arbitrage. De scheidsrechter in de zin van deel VI van het Gerechtelijk Wetboek heeft tot taak om recht te spreken in een geschil dat reeds is ontstaan of nog kan ontstaan uit een bepaalde rechtsbetrekking. De scheidsrechter moet een juridisch geschil oplossen (art. 1676 Ger.W.). Zijn beslissing heeft gezag van gewijsde en kan een uitvoerbare titel worden door middel van een exequatur.

Te dezen bestaat volgens voormeld art. 11 de opdracht van de “scheidsrechters”, in feite door partijen aangeduide geneesheren, er uitsluitend in een tussen partijen gerezen betwisting van louter medische, d.w.z. feitelijk-technische (in tegenstelling tot juridische) aard op te lossen. Uit deze polisbepaling blijkt niet dat het “oordeel van de scheidsrechter” gezag van gewijsde zou kunnen verkrijgen en door middel van een exequatur een uitvoerbare titel zou kunnen vormen. Voor deze “scheidsrechters” kunnen geen rechtsvorderingen worden ingesteld. Aan hen moeten slechts de tussen partijen gerezen medische geschillen worden voorgelegd.

De voormelde polisbepaling is evenmin een overeenkomst van (alleen maar) minnelijke expertise. Het verslag van een gerechtelijk of minnelijk aangestelde deskundige is in beginsel slechts een advies, waarvan de bewijswaarde vrij door de rechter kan worden beoordeeld.

Te dezen blijkt evenwel uit de bewoordingen van voormeld art. 11 van de gemeenschappelijke polisvoorwaarden, meer bepaald dat “bij gebrek aan meerderheid het advies van de derde scheidsrechter beslissend zal zijn” en dat “de scheidsrechters in laatste aanleg oordelen”, dat partijen zich vooraf hebben verbonden om de besluittrekkingen van de aan te stellen artsen te aanvaarden.

Een dergelijke contractbepaling moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot bindende derdenbeslissing (M.L. Storme en M.E. Storme, “De bindende derdenbeslissing naar Belgisch recht”, TPR 1985, 713-740). Een bindende derdenbeslissing is geen proceshandeling maar een bewijsmiddel nopens een kwestie van feitelijke aard, waarover tussen partijen betwisting bestond.

Derhalve is vast te stellen dat in de verzekeringsovereenkomst, die tussen partijen verbindende kracht heeft, voorgeschreven werd dat zij hun medische geschillen moeten onderwerpen aan een bindende derdenbeslissing volgens de formaliteiten die in de polis werden bepaald.

Een bindende derdenbeslissing is in beginsel geldig naar Belgisch recht. De geldigheid van voormeld art. 11 wordt overigens door appellanten niet betwist.

Om die redenen kan bijgevolg evenmin worden ingegaan op het subsidiair geformuleerde verzoek van appellanten tot aanstelling van een gerechtelijke deskundige.

...

• Kh. Tongeren 1 oktober 2013, NjW 2015, 164

samenvatting

Een bindende expertise of onherroepelijk deskundigenonderzoeken is een bindende derden beslissing, in gevolge een vaststellingsovereenkomst, waarin een derde gelast werd een beslissing te nemen die de partijen tot wet strekt en die niet meer in rechte kan worden aangevochten.

uittreksel vonnis

Gebo Parket NV, thans Gebo Flooring NV,[ ... ]

aanleggende partij op hoofdeis, verwerende partij op tegeneis, [ ... ]

tegen

KBC Verzekeringen NV, [ ... ] verwerende partij op hoofdeis, aanleggende partij op tegeneis,

[ ... ]

2.1 De vaag om de expertise DE BREMME nietig te verklaren

2.1.1

Zoals hoger (punt 1.2) uiteengezet bestond er onenigheid tussen de door elk van de partijen aangestelde deskundigen, zodat in toepassing van art. 37 van de polisvoorwaarden, een derde expert werd aangesteld.

Dit artikel bepaalt onder meer: "Ingeval van onenigheid over het bedrag van de door één van beide verzekeringen gedekte schade wijzen de betrokken experts een derde expert aan, met wie ze een college vormen dat bij meerderheid van stemmen beslist. Bij gebrek aan meerderheid is de mening van de derde expert doorslaggevend. De schattingen zijn soeverein en onherroepelijk."

De NV KBC argumenteert dat een overeenkomst partijen tot wet strekt (art. 1134 BW) en dat partijen overeen gekomen zijn (in art. 37 polisvoorwaarden) dat de beslissing van de derde expert, in voorliggend geval dhr. DE BREMME, onherroepelijk zou zijn. De NV KBC stelt dat het verslag van dhr. DE BREMME moet aanzien worden als een bindende derdenbeslissing.

De NV GEBO FLOORING legt uit dat ze aanvankelijk van haar expert, dhr. VANDELANOTTE, slechts het proces ~ verbaal van vaststelling van schade mocht ontvangen, en slechts nadien het bijhorend verslag van zeven pagina's.

De NV GEBO FLOORING is van oordeel dat het verslag DE BREMME nietig is omdat:

uit de akte van benoeming van schatters niet zou blijken welke de opdracht van de derde expert was, en hierdoor het principe van tegensprekelijkheid en rechten van verdediging zou geschonden zijn;

het verslag, bedoeld wordt het proces ~ verbaal van vaststelling van schade (zonder de motivering van het verslag), niet gemotiveerd zou zijn en daardoor elke ernst zou missen;

het verslag laattijdig zou zijn neergelegd (bijeenkomst met alle betrokkenen op 16 mei 2011 en verslag op 7 juni 2012); er collusie zou (kunnen) zijn tussen de expert van de NV KBC en dhr. DE BREMME, gezien de akte van benoeming op briefpapier van de NV KBC werd afgedrukt;

er een onevenwicht zou zijn tussen partijen ingevolge artikel 37 D van de polisvoorwaarden omdat de verzekeraar niet verplicht zou zijn door de expertise om de verzekerde te vergoeden, terwijl de verzekerde zogezegd geen rechten kan doen gelden tegen de expertise.

De NV GEBO FLOORING besluit hieruit dat de rechtbank zich niet op het verslag DE BREMME kan steunen, maar dient uit te gaan van het verslag van expert VANDELANOTTE ''gesteund op het zeer gedetailleerd schadedossier dat werd opgesteld door concluante (de NV GEBO FLOORING)".

2.1.2

De vraag stelt zich of de rechtbank nog rechtsmacht heeft om in te gaan op de vraag naar nietigverklaring van het verslag DE BREMME.

In de polisvoorwaarden werd, zoals gezegd, in art. 37 bepaald: "Ingeval van onenigheid over het bedrag van de door één van beide verzekeringen gedekte schade wijzen de betrokken experts een derde expert aan, met wie ze een college vormen dat bij meerderheid van stemmen beslist. Bij gebrek aan meerderheid is de mening van de derde expert doorslaggevend. De schattingen zijn soeverein en onherroepelijk."

In de "akte van benoeming van schatters" werd verwezen naar art. 37 van de polis, waarvan de tekst trouwens ook werd aangehaald in die akte, en waarin verder onder meer werd gesteld: "Het is uitdrukkelijk bepaald dat de schatters ontslagen zijn van het afleggen van de eed en van alle gerechtelijke formaliteiten, ... dat hun beslissing afdoend en onwederroepelijk zal zijn en dat geen beroep daartegen zal kunnen uitgeoefend worden ... ".

De beslissing zou bijgevolg in college (de twee eenzijdige experten samen met de derde expert) genomen worden en zou definitief zijn, zo werd tot tweemaal toe ~ in de polisvoorwaarden en in de akte van benoeming van schatters~ overeengekomen tussen partijen.

De NV KBC argumenteert dat het hier een geldige overeenkomst betreft, die zowel partijen als de rechtbank tot wet strekt, gelet op art. 1134 BW, met verwijzing naar volgende rechtspraak: Bergen, 31 oktober 1985, De Verz. 1985, 789; Cass. 24 oktober 12991, De Verz. 1991, 391 en Brussel 16 februari 2011, RW 2012-2013, 1420. In dit laatste arrest, waar het ging om een gelijkaardig systeem als het voorliggende, zij het in een medische kwestie, stelde het Hof dat dit systeem "moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot bindende derdenbeslissing, aangezien de opdracht van de scheidsrechters er uitsluitend in bestaat een tussen partijen gerezen betwisting van louter medische, feitelijk ~ technische aard op te lossen."

2.1.3 De juridische principes

(a) De aard van een minnelijk deskundigenonderzoek in bepaalde situaties

Bepaalde minnelijke deskundigenonderzoeken, de zogenaamde onherroepelijke deskundigenonderzoeken, zijn in feite bijzondere vormen van vaststellingsovereenkomsten. Wanneer volgens de vaststellingsovereenkomst de bevoegdheid tot het nemen van een beslissing toekomt aan een met name genoemde of objectief bepaalbare derde, spreekt men van een bindende derdenbeslissing. (K. VANDERPER, Minnelijke medische expertise, in: Expertise, IUS, Kluwer 1987, p. 53 e.v., p.57 nr. 64; B. TILLEMAN, Het minnelijk deskundigenonderzoek, in: Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent, G. De Leval en B. Tilleman eds., Die Keure 2003, p. 151 e.v., nr. 2, p. 154).

Een bekende toepassing van het onherroepelijk minnelijk deskundigenonderzoek is de schatting van schade aan personen of goederen, bijv. bij brand of een ongeval. (B. TILLEMAN, o.c., p. 155, nr. 2, in fine).

(b) De draagwijdte van het minnelijk deskundigenonderzoek als bindende derdenbeslissing en de gevolgen daarvan

De vraag stelt zich dan welke de draagwijdte is van een dergelijk compromis, waarbij een onherroepelijk deskundigenonderzoek werd overeengekomen.

K. VANDERPER stelt desbetreffend:

"Wanneer partijen in het compromis voorzien dat zij zich zullen neerleggen bij de beslissingen van de deskundigen, dan betekent dit dat deze beslissing hen tot wet zal strekken. Vanaf het moment dat partijen zich verbinden kunnen zij bijgevolg aan de rechter niet meer de aanstelling van een gerechtsdeskundige vragen. Ook de rechter is gebonden door de bindende derdenbeslissing. Hij mag zijn beslissing niet in de plaats stellen en kan evenmin een andere deskundige aanstellen. Het is aan de rechter niet toegelaten de derdenbeslissing te wijzigen, zo niet zou aan de overeenkomst een ander gevolg gegeven worden dan de partijen hebben gewild." (K. VANDERPER, Minnelijke medische expertise, in: Expertise, IUS, Kluwer 1987, p. 53 e.v., p.58 nr. 65; art. 1134 B.W.). B. TILLEMAN onderschrijft deze mening en besluit eveneens dat in dergelijke situatie geen gerechtelijk deskundigenonderzoek kan bevolen worden. (B. TILLEMAN, o.c., p. 167, nr. 24-25 en de talrijke referenties in voetnoot 73).

Specifiek voor de aanstelling van een deskundige in der minne is dus dat partijen er zich toe verbinden om de besluiten van de deskundige onherroepelijk te aanvaarden (M. STORME, De bindende derden beslissing of het binden advies als middel ter voorkoming van geschillen, TPR 1984/4, p. 1267, nr.49 en p. 1271, nr. 57; P. VANLERSBERGHE, De beslissing tot aanstelling van een deskundige, in: E. GULDIX, Deskundigenonderzoek in privaatrechtelijke geschillen, Intersentia 1999, p. 22 nr. 28; D. STRUYVEN, Is er nog ruimte voor deskundigenonderzoek bij arbitrage, in:

E. GULDIX, Deskundigenonderzoek in privaatrechtelijke geschillen, Intersentia 1999, p. 127, nr. 27; M. CASTERMANS, Gerechtelijk Privaatrecht, Story Publishers, 2009, p. 513, nr. 785, in fine)

(c) De mogelijkheid tot rechterlijke controle

Het beginsel dat ook de rechter gebonden is door de bindende deskundigenbeslissing sluit niet elke rechterlijke controle uit.

Ten eerste kan de beslissing getoetst worden aan de regels en vormen, zoals door de partijen uitgewerkt in het compromis. De partijen kunnen op grond van de partijautonomie de vormvereisten bepalen die nageleefd dienen te worden en de wijze waarop de verrichtingen dienen te gebeuren. (K. VANDERPER, o.c., p. 61 nr. 70; B. TILLEMAN, o.c., nr. 26 p. 168 en de referenties aldaar).

De rechter gaat ook na of de deskundige binnen zijn bevoegdheidsgrenzen bleef, voor zover deze werden afgelijnd. Naargelang de bevoegdheid van de deskundige nauwkeurig dan wel vaag werd bepaald zal de bevoegdheid van de deskundige gebonden of discretionair zijn. Zelfs indien de deskundige een discretionaire bevoegdheid heeft behoudt de rechter een marginaal toetsingsrecht aan de goede trouw. (K. VANDERPER, o.c., p. 61 nr.71; B. TILLEMAN, o.c., p. 168, nr. 27).

Als overeenkomst dient het minnelijk deskundigenonderzoek ook te voldoen aan de geldigheidsvoorwaarden van de overeenkomst. Zij is vatbaar voor nietigverklaring op grond van wilsgebreken. (B. TILLEMAN, o.c., p. 169 nr. 28; K. VANDERPER, o.c., p. 61 nr. 70).

Verder beoordeelt de bodemrechter soeverein de objectiviteit van een buitengerechtelijk deskundige. De onafhankelijkheid van de deskundige kan aanzien worden als een constitutief bestanddeel van het deskundigenonderzoek. (B. TILLEMAN, o.c., nr. 31 p. 170).

De rechter mag de juistheid, de nauwkeurigheid en volmaaktheid van de door de experts vastgestelde schatting niet nagaan oflaten nagaan omdat hij anders de bindende kracht van de overeenkomst, waardoor partijen overeengekomen zijn dat de beslissing van de experts soeverein en onherroepelijk is, zou schenden. Inhoudelijk kan de rechter de vaststelling van de deskundigen echter wel marginaal toetsen, d.w.z. toetsen of hun beslissing niet kennelijk onredelijk is. De partijen hebben zich immers niet verbonden tot een vaststelling die arbitrair is. (B. TILLEMAN, o.c., nr. 32-33, p. 171).

De minnelijke deskundigen moeten de rechten van verdediging respecteren. De rechten van verdediging zijn als algemeen rechtsbeginsel van toepassing telkens de morele of materiële belangen van een persoon overgelaten worden aan de beslissing van een ander en de rechter kan bij miskenning van de rechten van verdediging weigeren om enige bewijswaarde te hechten aan een minnelijk deskundigenonderzoek, dan wel het nietig verklaren, dan wel enkel de feitelijke elementen als vermoeden weerhouden. (B. TILLEMAN, o.c., p. 164-165, nr. 19-20).

Volgens sommige rechtspraak en rechtsleer moet de rechter toetsen of partijen gehoord werden bij de verrichtingen. Anderen gaan ervan uit dat de tegensprekelijkheid niet essentieel is bij ene minnelijk deskundigenonderzoek. (B. TILLEMAN, o.c., p. 166, nr. 23, en de referenties aldaar).

Over de motiveringsplicht bestaat er geen eensgezindheid. Volgens sommigen moet het minnelijk deskundigenonderzoek op straffe van nietigheid gemotiveerd zijn, wat de rechter toelaat controle uit te oefenen op het goede verloop van het minnelijk deskundigenonderzoek. Anderen stellen dat de motiveringsplicht enkel geldt voor het gerechtelijk deskundigenonderzoek. Nog anderen stellen dat de motiveringsplicht enkel niet geldt wanneer zij uitdrukkelijk werd uitgesloten door partijen. (B. TILLEMAN, o.c., nr. 22 p. 165).

Tenslotte zij verwezen naar de terechte waarschuwing van K. VANDERPER stelt "dat de rechter er zich vooral voor zal moeten hoeden dat partijen zich, onder het mom van een onregelmatigheid of schending van een algemeen rechtsbeginsel, willen onttrekken aan de besluiten van de deskundige en een nieuwe (meer gunstige) beslissing willen uitlokken." (K. VANDERPER, o.c. p. 61 nr. 70)

2.1.4 De toepassing van de juridische principes

Zoals hoger aangehaald beschikt de rechtbank over een beperkt toetsingsrecht en zijn partijen in principe gebonden door het verslag van de door hun overeengekomen bindende derdenbeslissing.

De rechtbank dient in voorliggend geval vast te stellen dat er geen problemen zijn voor wat betreft het naleven van de vormvereisten en de wijze waarop de schatters, ingevolge de akte van benoeming van schatters, te werk dienden te gaan. De schatters werden uitdrukkelijk ontslagen van het afleggen van de eed en van alle gerechtelijke formaliteiten. Verder werd, zoals bepaald, gehandeld volgens art. 37 van de polisvoorwaarden.

De schatters zijn ook binnen de grenzen van de hun toegekende opdracht gebleven. De bedrijfsschade diende geraamd en dat is ook gebeurd. De opmerking van de NV GEBO FLOORING als zou de opdracht onvoldoende omschreven zijn kan niet gevolgd worden nu in de akte van schatting duidelijk werd omschreven wat de bedoeling en de opdracht van de schatters zou zijn, onder verwijzing naar art. 37 van de polisvoorwaarden. Hieraan zij toegevoegd dat de akte namens de NV GEBO FLOORING zonder enig voorbehoud werd ondertekend.

Er wordt niet beweerd dat de akte van benoeming van schatters ingevolge wilsgebreken tot stand zou gekomen zijn, en hiervan lijkt in voorliggende situatie ook geen sprake te zijn geweest.

De NV GEBO FLOORING trekt de objectiviteit en onafhankelijkheid van schatter DE BREMME in twijfel omdat de akte van benoeming van schatters werd afgedrukt op papier met briefhoofd van de

NV KBC. Niet alleen werd hiervoor voordien geen voorbehoud gemaakt door de NV GEBO FLOORING, bovendien is het niet abnormaal dat de NV KBC een model van akte van benoeming van schatters in haar bezit heeft en dit voorstelde als model. Tenslotte is het feit dat het briefhoofd van de NV KBC voorkomt op deze akte geen bewijs dat er sprake zou zijn van subjectiviteit of afhankelijkheid. Hieraan zij toegevoegd dat de door de NV GEBO FLOORING aangestelde expert geen opmerkingen in die zin formuleerde.

De beslissing die genomen werd ingevolge de akte van benoeming van schatters komt niet kennelijk onredelijk voor. Het dient opgemerkt dat er bij deze voorwaarde geen sprake is van onredelijkheid, maar van kennelijke onredelijkheid, om een dergelijk verslag opzij te kunnen schuiven. Uit het verslag blijkt dat rekening werd gehouden met de wederzijdse standpunten van partijen, verdedigd door de beide eenzijdige experten die door partijen waren aangeduid. De vraag stelt zich eerder of de schade ~ eisen van de NV GEBO FLOORING niet kennelijk onredelijk zijn, gelet op de standpunten van de experten DEVOOGT en DE BREMME en de andere voorliggende elementen.

De rechten van verdediging en het recht op tegensprekelijke behandeling lijken eveneens nageleefd. Het wordt niet betwist dat de expert, aangeduid door de NV GEBO FLOORING, aanwezig is geweest bij de behandeling en de beraadslaging van de schatters en dat hij een volledig exemplaar van het verslag kreeg toegestuurd. Het kan enkel expert VANDELANOTTE, lasthebber van de NV GEBO FLOORING, verweten worden dat hij aanvankelijk geen volledig exemplaar bezorgde aan de NV GEBO FLOORING. Dit laatste kan moeilijk een element zijn om het verslag nietig te verklaren, gezien het een element is dat louter en alleen bij expert VANDELANOTTE ligt en geen afbreuk doet aan de tegensprekelijke behandeling, dan wel aan het recht van verdediging.

Ook het gegeven dat expert VANDELANOTTE het niet eens zou geweest zijn met de besluiten van de schatters raakt niet aan de geldigheid van het verslag, gezien, aldus art. 37 van de polisvoorwaarden, de beslissing bij meerderheid van stemmen (en niet bij unanimiteit) diende te worden genomen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat niet voorzien was in de akte van benoeming van schatters dat een voorverslag zou worden overgemaakt. De regels inzake het gerechtelijk deskundigenonderzoek, vervat in het Gerechtelijk Wetboek, zijn in beginsel niet van toepassing op het minnelijk deskundigenonderzoek, tenzij partijen die regels conventioneel van toepassing hebben verklaard. (B. TILLEMAN, Het minnelijk deskundigenonderzoek, in: Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent, G. De Leval en B. Tilleman eds., Die Keure 2003, p. 164, nr. 18).

Er is ook geen gebrek aan motivering in het verslag van de schatters, nu dit argument gesteund was op het feit dat de NV GEBO FLOORING aanvankelijk van haar expert slechts het besluit, en dus niet de motivering, van het verslag kreeg toegestuurd.

De beweerde laattijdigheid waarmee het verslag zou zijn afgewerkt is geen reden om dit verslag nietig te verklaren, te meer daar de akte van benoeming van schatters geen termijn voor het nemen van een beslissing voorziet en de NV GEBO FLOORING blijkbaar geen ingebrekestelling verstuurde om het verslag sneller af te werken.

Het argument als zou er een onevenwicht zijn in art. 37 van de polisvoorwaarden steunt op de WMPC, die niet toepasselijk is op handelaars, terwijl hieraan volledigheidshalve zij toegevoegd dat er voor wat de schatting zelfbetreft zeker geen onevenwicht tussen partijen bestaat. Het feit dat de NV KBC het recht voorbehield om bepaalde excepties te kunnen blijven inroepen maakt op zich geen onevenwicht uit.

In deze omstandigheden besluit de rechtbank dat er geen reden toe bestaat om het verslag van schatting, het zogenoemde verslag DE BREMME, nietig te verklaren. Er zij tevens verwezen naar de waarschuwing van K. VANDERPER, die hoger in fine van punt 2.1.3 werd aangehaald.

2.2 De inhoudelijke kritiek op het verslag DE BREMME

Voor zover de rechtbank het verslag DE BREMME niet nietig zou verklaren bekritiseert de NV GEBO FLOORING het verslag inhoudelijk, onder verwijzing naar het feit dat expert VANDELANOTTE zou geweigerd hebben dit verslag te ondertekenen. Voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn, zo vervolgt de NV GEBO FLOORING, dat het verslag DE BREMME in overweging dient of kan genomen worden, dringt de NV GEBO FLOORING aan op een gerechtelijke expertise.

De opmerkingen van de NV GEBO FLOORING van na het verslag werden uitvoerig bekritiseerd door expert DEVOOGT.

Zoals hoger aangehaald heeft de rechtbank, ingevolge de uitdrukkelijke overeenkomst tussen partijen, geen rechtsmacht om het verslag DE BREMME inhoudelijk te beoordelen. Hoger werd reeds aangehaald dat het verslag, naar het oordeel van de rechtbank, niet kennelijk onredelijk is.

2.3 De NV GEBO FLOORING argumenteert verder dat expert VANDELANOTTE niet haar bedrijfsrevisor is, maar wel een expert die haar heeft bijgestaan.

De rechtbank neemt hiervan akte.

3. Tegeneis

De NV KBC stelde bij besluiten een tegeneis, waarbij ze het beweerd teveel betaalde terugvordert.

Ze legt uit dat de schade werd begroot op 1 676 526,96 EUR (zie hoger punt 1.2.c).

De NV KBC betaalde in het totaal een bedrag van 1 728 110,52 EUR en is dus van oordeel dat ze in het totaal (1 728 110,52 EUR - 1 676 526,96 EUR =) 51 583,56 EUR teveel betaalde en ze vordert dit bedrag terug bij tegeneis.

De NV GEBO FLOORING betwist deze tegeneis en stelt dat de betalingen door de NV KBC gebeurden op vrijwillige basis en zonder voorbehoud, zodat ze geen terugbetaling kan vorderen van hetgeen (beweerdelijk) teveel werd betaald.

Het dient opgemerkt dat de uitbetaling van voorschotten gebeurde in het belang van de verdere bedrijfsactiviteit van de NV GEBO FLOORING, dat de uitbetaling gebeurde onder voorbehoud en dat de NV GEBO uiteraard enkel recht heeft op haar werkelijke, effectieve schade.

De tegeneis komt bijgevolg gegrond voor.

[ ... ]

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

[ ... ]

veroordeelt dienvolgens de NV GEBO FLOORING om aan de NV KBC te betalen de som van 51 583, 56 EUR, bedrag te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de gewone wettelijke rentevoet vanaf 31.5.2013 (datum neerlegging besluiten met tegeneis) tot op datum van betaling;

[ ... ]

verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling.

[ ... ]

Noot Nick Portugaels, Bindende derdenbeslissing in verzekeringsrecht als vaststellingsovereenkomst NJW 2015/317,68

• Hof van Beroep Antwerpen 23/02/2005, juridat 2002AR265

Samenvatting

1. Wanneer partijen in een overeenkomst tot minnelijke medische expertise bedingen dat zij gebonden zullen zijn door de besluiten van de deskundige, dan is er sprake van een bindende derdenbeslissing. Deze rechtsfiguur stoelt zich op art. 1134 B.W.

2. Het bindend deskundigenonderzoek is te onderscheiden van de dading en van de arbitrage.

3. De rechter behoudt de rechtsmacht om na te gaan of de aanstelling van de derde en het voorwerp van de derdenbeslissing rechtsgeldig is, d.i. niet is aangetast door dwaling of bedrog, of ze niet beslist is met bevoegdheidsoverschrijving of met een inbreuk op de plicht op onpartijdigheid. Naar de vorm kan de rechter nagaan of het recht of het recht van verdediging is in acht genomen, en of partijen gelijk behandeld werden en hun recht om gehoord te worden, is gerespecteerd.

Tekst arrest

HET HOF,
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 31 oktober 2001, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 januari 2002, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld.

Appellante streeft, bij hervorming van het bestreden vonnis, in hoofdorde na dat haar vordering, zoals uitgebreid en geactualiseerd, gegrond zou worden verklaard en dat dienvolgens geïntimeerde zou worden veroordeeld tot de som van 40.670,80 EUR, meer de vergoedende interesten zoals aangegeven in het beschikkend gedeelte van het verzoekschrift tot hoger beroep op blz 17 en dat tevens voorbehoud zou worden verleend voor welbepaalde kosten.

In ondergeschikte orde concludeert zij tot de bevestiging van het bestreden vonnis, dat haar dienvolgens akte zou worden verleend om haar schade-eis op te stellen op basis van de besluiten van dokter G. en dat de zaak onbepaald zou worden uitgesteld teneinde de partijen toe te laten de zaak wat deze afrekening betreft in staat te stellen.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

I. VOORWERP VAN DE VORDERING FEITELIJKE GEGEVENS VOORGAANDEN;

Appellante werd op 8 juni 1996 gebeten op de kinderboerderij aan de Lievevrouwkesbosweg te Wilrijk in de rechterborst door een pony.

Op 1 juli 1996 werd een mammografie en echografie-controle verricht, waarbij dokter V. R. van de Dienst Medische Beeldvorming van het A.Z. Sint Jozef te Mortsel, aan Dokter B., zijnde de raadsgeneesheer van appellante, mededeelt als besluit van het onderzoek: "Status na recent ongeval met flink afgetekend hematoom en een globale sterke induratie over de mediale kwadranten van de rechter borst zonder duidelijk nawijsbare omschreven inliggende collecties bij mammografie, echter wel kleine haardjes tot maximum 0,4 cm bij de veralgemeend meergeïndureerd weefsel bij de opname onder echografie".

Appellante ondertekende een protocol van aanwijzing van medische experts waarbij tussen haarzelf en de maatschappij P&V werd overeengekomen dat zij zich naar aanleiding van dit ongeval zullen houden aan de besluiten van dokter B., haar eigen raadsgeneesheer en dokter D'H, zijnde de raadsgeneesheer van geïntimeerde.

De opdracht van beide geneesheren wordt als volgt omschreven:

1) De pathologische toestand van het slachtoffer van het ongeval beschrijven en eventueel zeggen of het, voor het ongeval, door enige kwaal aangetast was. In voorkomend geval bepalen of, en in welke mate, deze vooraf bestaande kwaal of elke vroegere ziektetoestand, of elke vreemde oorzaak, zelfs de pathologische oorsprong, een invloed kan gehad hebben op de ernst of de evolutie van verwondingen veroorzaakt door het ongeval waarvan sprake is

2) alle gevolgen uit geneeskundig oogpunt van voornoemd ongeval beschrijven

3) de termijnen en de percentages van de volledige tijdelijke ongeschiktheid, de gedeeltelijke tijdelijke ongeschiktheid en de gedeeltelijke blijvende ongeschiktheid vaststellen, uit medisch en fysiek oogpunt bekeken.

Verder werd in voormeld protocol van aanwijzing van medische experts bepaald dat, "alvorens die operaties te verrichten, de twee bovengenoemde deskundigen in gemeen overleg een derde expert zullen kiezen wiens eventuele opdracht erin zal bestaan in geval van meningsverschil tussen hen beiden, als scheidsrechter op te treden. In geval men beroep doet op deze tussenkomst, zullen de drie deskundigen een college van deskundigen vormen dat samen beraadslaagt en waarvoor de partijen opnieuw moeten verschijnen, maar in geval van meningsverschil zullen de besluiten van de derde expert doorslaggevend en onherroepelijk zijn.

Hij is niet verplicht de mening van een van de twee deskundigen te aanvaarden".

En verder: "De gekozen geneesheren zullen een enkel verslag opstellen en hun beslissing zal gemotiveerd zijn. In geval de derde deskundige tussen de twee bovengenoemde deskundigen als scheidsrechter optreedt, zal het de derde deskundige zijn die het verslag zal opstellen. Alleen het besluit van de meerderheid of bij ontstentenis hiervan het besluit van de derde deskundige zal in het verslag opgenomen worden".

Tenslotte verklaarden de partijen formeel dat, wat het louter geneeskundig standpunt aangaat, " ze aan dit protocol dezelfde waarde hechten als aan een beschikking van een gerechtelijke expertise en dat ze het als definitief en onherroepelijk beschouwen".

Alvorens hun werkzaamheden te beginnen hebben de door partijen gekozen raadsgeneesheren dokter G. aangesteld als scheidsrechter in geval zij beiden niet tot een akkoord zouden komen.

Dokter B. attesteerde i.v.m. de gevolgen van het ongeval in kwestie dat er "harde kernen aanwezig blijven tengevolge van de bloeduitstorting en dat er blijvende letsels aanwezig zijn, welke in de toekomst niet meer zullen veranderen en wat voor patiënte als pijnlijk en onestetisch ervaren wordt" (cfr verslag dokter B. d.d. 7 augustus 1997 stuk 7 bundel appellante).

Dokter D'H. van zijn kant besloot in zijn consolidatievoorstel als volgt (cfr schrijven d.d. 17 oktober 1997 uitgaande van P&V Verzekeringen aan OMOB, zijnde de verzekeraar B.A. Privé-leven van appellante):
T.W.O.: 35% van 8 juni 1996 t/m 30 juni 1996
10% van 1 juli 1996 t/m 31 augustus 1996
5% van 1 september 1996 t/m 31 december 1996
4% van 1 januari 1997 t/m 7 juni 1997
Consolidatiedatum 8 juni 1997
B.I. 3%, waarvan hij verduidelijkt dat deze invaliditeit geen enkele invloed heeft op het arbeidsvermogen van betrokkene.
Esthetische schade: geen.

Appellante stelt dat de besluiten van dokter D'H. door haar raadgevend geneesheer, dokter B. werden geprotesteerd, en dat deze het nodige voorbehoud zou hebben gemaakt voor de esthetische schade en omwille van de duidelijke vervorming van de rechter borst, maar hiervan wordt geen bewijsstuk bijgebracht.

Een feit is dat er kennelijk werd afgesproken dat appellante verder medisch zou worden opgevolgd en jaarlijks een mammografische controle zou ondergaan.

Aldus werd door verdere medische opvolging van het dossier middels mammografie en echografie eind 1998 een kwaadaardig mammacarcinoom gediagnosticeerd op dezelfde lokalisatie als de plaats van de beet.

Appellante diende te worden geopereerd en werd verplicht radiotherapie en chemotherapie te ondergaan.

Dokter D'H. meldde aan geïntimeerde dat hij van oordeel is dat er geen verband kan worden gelegd tussen het kwaadaardig gezwel en het oorspronkelijk hematoom, maar de beide raadsgeneesheren waren het er over eens dat een meer gespecialiseerd deskundige oncoloog diende geraadpleegd te worden

Appellante werd ondertussen door haar eigen verzekeraar OMOB op 5 februari 1999 bericht dat de verzekeraar van de kinderboerderij stad Antwerpen, P&V Verzekeringen, huidige geïntimeerde, slechts tussenkomst wil verlenen op basis van 50% en dit omwille van beweerde risico-aanvaarding.

Het oncologisch onderzoek gebeurde op 22 november 1999 door dokter C. van het oncologisch centrum te Gent, die na kennisname van de diverse echografieën en mammografieën op 20 januari 2000 tot het besluit kwam "dat er toch geen duidelijk oorzakelijk verband vast te stellen is tussen het trauma en het ontstaan van het carcinoom. In de medische wetenschappelijke literatuur wordt een trauma op de borst niet als oorzakelijke factor van het ontstaan van een carcinoom weerhouden."

De raadsman van appellante protesteerde de besluiten van dokter C. bij brief van 28 januari 2000 en stelde dokter C. daaromtrent een aantal bijkomende vragen, welke evenwel volgens appellante onbeantwoord bleven.

Tevens zou haar dossier met de nodige radiografieën "verdwenen" zijn (het dossier zou door het secretariaat van dokter C. teruggestuurd zijn aan de raadsman van appellante, maar daar nooit zijn aangekomen.....).

Kennelijk konden de raadsgeneesheren van partijen het niet eens worden, aangezien zij overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst tot minnelijke medische expertise afgesloten tussen partijen, dokter G.
aanstelden als scheidsrechter.

Het medisch-deskundig onderzoek van Dokter G. had plaats op 25 februari 2000 in aanwezigheid van dokter B. en dokter D'H.. De deskundige G. kwam, na anamnese en na klinisch onderzoek, na inzage van de beschikbare medische documenten en na bespreking met de aanwezige raadsgeneesheren tot het besluit dat er geen duidelijk causaal verband te zien is tussen de beetwonde van het paard in juni 1996 en de vastgestelde carcinoomgroei rechter mammae in december 1998 (cfr verslag op 28 februari 2000).

Dokter G. bepaalde verder de (degressieve) periodes van tijdelijke werkonbekwaamheid en besloot dat de letsels als geconsolideerd kunnen worden beschouwd zonder werkonbekwaamheid, doch met een morele schade gelijk aan de morele componente bij een invaliditeit van één percent. Hij weerhield geen esthetische schade door het ongeval in kwestie.

Het verslag van dokter G., opgesteld op 28 februari 2000, werd aan appellante overgemaakt op 20 april 2000.

Met schrijven d.d. 30 mei 2000 meldde de raadsman van appellante aan deskundige G. dat er, in overleg met appellante, dokter B. en dokter V. N., nog opmerkingen zouden worden geformuleerd op het voorlopig verslag met verzoek de verdere berichten van deze geneesheren te willen afwachten alvorens de expertise af te sluiten.

Hierop antwoordde dokter G. met schrijven d.d. 7 juni 2000, dat zijn opdracht een "arbitrage" betrof in een minnelijke medische expertise tussen dokter B. en dokter D'H. en geen gerechtsdeskundig onderzoek.

Verder stelde hij in voormeld schrijven dat na bespreking een definitief verslag opgesteld werd op 28 februari 2000, dat ook verzonden werd aan alle partijen, zonder verder opmerkingen. Deskundige G. meent dan ook dat zijn taak was beëindigd en verwees verder naar beide raadsgeneesheren.

Appellante verwijt dokter G. dat diens handelwijze onaanvaardbaar is en strijdig met de overeengekomen collegiale uitvoering van de opdracht en met de goede trouw (ex artikel 1382 B.W.) door reeds een verslag op te stellen op 28 februari 2000, daar waar hem uitdrukkelijk zou verzocht zijn te wachten op de verdere berichten en bijkomende medische documenten (die nog dienden te worden opgevraagd bij de dienst oncologie van de K.U.Leuven bij dokter C.) en dat zij aldus niet in de gelegenheid zou geweest zijn om voor haar rechten op te komen en haar middelen voor te dragen.

Meer bepaald is appellante van oordeel dat de vaststellingen van de minnelijke medische deskundige in casu niet dezelfde authentieke bewijswaarde heeft als deze die toekomt aan een gerechtelijk deskundigenonderzoek, omdat o.m. de tegensprekelijkheid niet zou zijn gerespecteerd. Zij meent dan ook niet gebonden te zijn door de besluiten van dokter G.

Zij aanvaardt hoe dan ook geen risico-aanvaarding en meent dan ook gerechtigd te zijn op integrale schadeloosstelling.

Zij begroot haar schade op dit ogenblik op een bedrag van 40.670,80 EUR, meer interesten en kosten + voorbehoud voor een aantal bijkomende kosten... .

Het standpunt van geïntimeerde is eenvoudig: in het kader van de minnelijke expertise, waarbij partijen aanvaard hebben "......dat ze aan dit protocol dezelfde waarde hechten als aan een beschikking van een gerechtelijke expertise en dat ze het als definitief en onherroepelijk beschouwen", werd tot het besluit gekomen dat er geen causaal verband kon worden weerhouden of bewezen tussen het schadegeval en de huidige pathologie, zodat er geen enkele reden bestaat om in te gaan op de eisen zoals gesteld door appellante en dat er geen aanleiding bestaat om een nieuwe expertise te bevelen. Geïntimeerde wenst zich alleen te houden aan de besluiten van de minnelijke medische expertise.

De eerste rechter volgde het standpunt van geïntimeerde, en stelde vast dat de besluiten van dokter G.
correct in overeenstemming zijn met de minnelijke expertiseovereenkomst, dat hij zijn onderzoek correct heeft uitgevoerd dit onafgezien het niet-akkoord van appellante met diens besluiten, zodat zij, alvorens verder recht te doen ten gronde, de zaak naar de bijzondere rol verzonden heeft teneinde appellante toe te laten haar schade-eis op te stellen op basis van de besluiten van dokter G.

II. NIEUWE BEOORDELING IN RECHTE IN HOGER BEROEP.

De betwisting tussen partijen betreft in de eerste plaats de bewijswaarde van de vaststellingen van de minnelijke medische expertise, meer bepaald van dokter G.

Volgens appellante hebben de vaststellingen van een minnelijke medische deskundige niet de authentieke bewijswaarde die toekomt aan een gerechtelijk deskundigenonderzoek en is de rechter daarenboven niet gebonden, noch wat betreft de vaststellingen, noch wat betreft de adviezen en de partijen zijn hierdoor evenmin gebonden in zoverre deze besluiten manifest onjuist zijn, hetgeen althans volgens appellante in casu het geval is.

Zoals reeds aangehaald onder punt I., is appellante van oordeel dat het verslag de nodige bewijskracht mist omdat dokter G. de rechten van verdediging van het slachtoffer niet zou hebben gerespecteerd en dat met andere woorden de tegenspraak niet zou zijn gerespecteerd. Bovendien verwijt appellante dat de zaak wordt afgesloten op basis van het verslag van dokter G., terwijl deze volgens haar "niet bekwaam" is, want niet gespecialiseerd op het vlak van de oncologie.

Geïntimeerde van haar kant meent dat de procedure, zoals voorzien in het protocol voor minnelijke medische expertise rigoureus werd gevolgd en dat derhalve de besluiten van de minnelijke medische expertise moeten worden gerespecteerd.

De minnelijke expertise, waarbij partijen die tegenstrijdige belangen hebben, gezamenlijk beslissen één of meerdere deskundigen met een door hen omschreven opdracht te gelasten, wordt omwille van haar consensueel karakter, geregeld door de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de totstandkoming, uitlegging en uitvoering van contracten.

De overeenkomst tot aanstelling van de deskundige(n) moet door de rechter worden gerespecteerd. Zo kan, als werd overeengekomen een minnelijke medische expertise nopens de lichamelijke schade te organiseren, de rechtbank naderhand geen gerechtelijk expert aanstellen, vermits die aanstelling de overeenkomst tussen partijen zou schenden.

Het volstaat echter niet dat de partijen aan de tussenkomst van de aangezochte derde de naam "deskundigenonderzoek" geven, opdat de rechter hierdoor gebonden zou zijn. De feitenrechter oordeelt immers op soevereine wijze over de ware bedoeling van partijen.

Bij een minnelijke expertise wordt de inhoud van de opdracht van de deskundige evenals de gevolgen die aan diens optreden en het door hem te redigeren verslag zullen worden gehecht door de partijen in onderling overleg bepaald.

Kenmerkend voor deze minnelijke expertise althans in haar klassieke vorm is dat de opdracht van de expertise beperkt blijft tot het verrichten van materiële vaststellingen, al dan niet gekoppeld aan het geven van technisch advies. Om deze reden moet het "klassieke" minnelijk deskundigenonderzoek worden onderscheiden van aanverwante rechtsfiguren, zoals de bindende derdenbeslissing en de arbitrage.

Eén van de meer stringente verschijningsvormen van de minnelijke expertise op tegenspraak is deze waar in de overeenkomst tussen partijen wordt gestipuleerd dat zij gebonden zullen zijn aan de bevindingen en het daarop geënte advies of besluit van de gerechtsdeskundige. Dit is de zogenaamde bindende expertise.

Het optreden van de expert kan dan worden gekwalificeerd als een bindende derdenbeslissing. Deze rechtsfiguur, die stoelt op artikel 1134 B.W. is wezenlijk een contractuele regeling, waarbij partijen zich (vooraf) verbinden door een derde één of meerdere aspecten van hun rechtsverhouding die ter vrije beschikking staat van de partijen een bindende en onherroepelijke invulling, aanvulling of uitlegging te geven.

De aangezochte derde is in deze hypothese noch rechter, noch arbiter.

Deze bindende derdenbeslissing kan echter ruimer zijn dan de bindende minnelijke expertise: ze is niet noodzakelijk beperkt tot het vaststellen van feiten of het geven van een advies van technische aard. De bindende derdenbeslissing wordt ook vaak aangewend als een snelle en efficiënte methode om eventuele geschillen bijvoorbeeld over bepaalde aspecten van de rechtsverhouding van partijen, van de baan te helpen.

Hét typevoorbeeld van een minnelijke expertise met het karakter van een bindende derdenbeslissing is de minnelijke medische expertise. Uit de inhoud van het tussen partijen afgesloten protocol van aanwijzing van medische experts, is zonder meer duidelijk dat het hier een minnelijke medische expertise betreft met het karakter van een bindende derdenbeslissing.

Het bindend deskundigenonderzoek dient wél te worden onderscheiden van een aanverwante rechtsfiguur, te weten de dading. In beginsel komt via de bindende derdenbeslissing immers geen einde aan de betwisting, het geschil tussen partijen, laat staan dat dit einde er zou komen doordat partijen over en weer toegevingen doen met het oog op het bereiken van het akkoord dat een einde maakt aan hun betwisting. Wél kan een dergelijk deskundigenonderzoek gebeurlijk uitlopen in een dading.

Het bindend deskundigenonderzoek dient evenzeer te worden onderscheiden van arbitrage. De derdenbeslisser heeft immers niet tot opdracht zich bij wege van rechtsprekende handeling uit te spreken over de rechten en plichten van partijen. Bij arbitrage daarentegen, zal de deskundige niet enkel optreden om op (bindende wijze) feitelijke vaststellingen te doen, maar tevens om op basis hiervan het tussen partijen gerezen geschil te beslechten, bij wege van een rechtsprekende handeling ("arbitraal vonnis" genaamd).

De bindende derdenbeslissing schakelt, in tegenstelling tot de arbitrage, de tussenkomst van de rechter m.b.t. hetgeen het voorwerp van de bindende derdenbeslissing zelf betreft, niet uit. Immers, de partij die zich niet kan verenigen met de beslissing, kan deze aanvechten voor de rechter, hetzij omdat de beslisser de concrete maatstaven die hem waren meegegeven niet heeft nageleefd en daardoor zijn bevoegdheid heeft overschreden, hetzij wanneer aan de bindende derdenbeslisser geen maatstaf of blanco-maatstaf (bijv.de billijkheid) werd meegegeven omdat de beslissing kennelijk of klaarblijkelijk onredelijk of onjuist is, of genomen in strijd met de goede trouw.

Dit laatste houdt in dat, wat de inhoud van de beslissing betreft, zal dienen nagegaan te worden of de aanstelling van de derde en het voorwerp van de bindende derdenbeslissing rechtsgeldig is, d.i. niet aangetast door dwaling of bedrog, zijn beslissing volledig is, hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan bevoegdheidsoverschrijding of inbreuk op de plicht tot onpartijdigheid. Op het vlak van de vorm betekent dit dat zal worden nagegaan of de derdenbeslisser het recht van verdediging, de gelijke behandeling van partijen en het recht om gehoord te worden, heeft gerespecteerd.

De vraag die zich hier stelt is te weten welke regels dienen te worden gevolgd als de overeenkomst niets bepaalt over de wijze waarop het onderzoek plaatsvindt.
Vaststaat dat bij een minnelijke expertise de regels van het Gerechtelijk Wetboek niet dienen gevolgd te worden. Wél lijkt het respect voor de algemene beginselen van behoorlijke procesvoering noodzakelijk te zijn.

Overeenkomstig het protocol van minnelijke medische expertise, werd door beide partijen, vertegenwoordigd door dokter B. enerzijds en dokter D'H. anderzijds, overeengekomen, voorafgaandelijk aan enige expertiseverrichting, om dokter G. als eventuele scheidsrechter aan te stellen.

Tijdens de minnelijke expertise, ontwikkelde zich een verwikkeling met name het ontstaan van een borstcarcinoom.

Alsdan werd in overleg tussen dokter B. en dokter D'H. besloten het advies te vragen van dokter C., professor oncologie te Gent, ten einde een antwoord te geven op de vraag of er een oorzakelijk verband kan worden weerhouden tussen het trauma en het ontstaan van het carcinoom., wat volgens deze laatste niet het geval bleek te zijn.

Aangezien appellante (en kennelijk ook dokter B.) zich hierbij niet kon neerleggen, werd de door beide partijen voorafgaandelijk aangestelde scheidsrechter, dokter G., verzocht om een verslag op te stellen, dit alles overeenkomstig de bepalingen van het protocol van minnelijke medische expertise.

Uit het verslag van dokter G. blijkt dat hij zijn besluit heeft genomen nadat hij eerst zelf appellante grondig heeft onderzocht, en op basis van de hem ter beschikking gestelde mammografische en echografische opnamen, van de uitgebreide verslagen van dokter D'H. met protocols en radiografieën, waarbij mammografie van 5 februari 1996 en van 8 februari 2000, en van het uitgebreid verslag van oncoloog dokter C. d.d.
20 januari 2000.

Tijdens de expertise heeft appellante zich laten bijstaan door dokter B., haar behandelend geneesheer.
In tegenstelling tot wat appellante voorhoudt, is het Hof van oordeel dat in casu de algemene beginselen van behoorlijke procesvoering wel degelijk zijn gerespecteerd, weze het dat het respect voor hoor en wederhoor in casu is gebeurd via de technische raadslieden van partijen, met name via de raadsgeneesheren van de partijen, waardoor de tegenspraak tijdens de expertise werd verzekerd.

Het feit dat dokter G. geen oncoloog is, neemt niet weg dat hij wel degelijk als medisch deskundige de hem ter beschikking gestelde radiografieën, mammografieën en verslagen o.m. van professor-oncoloog dokter C. kon evalueren en hieruit de nodige besluiten trekken.

Er is derhalve geen reden om aan het verslag van dokter G. de nodige bewijskracht te ontnemen.

Partijen hebben zich met het protocol tot minnelijke medische expertise uitdrukkelijk akkoord verklaard dat ze de besluiten op medisch vlak "als definitief en onherroepelijk" zullen beschouwen. Zij dienen zich dan ook aan deze besluiten te houden.

Gelet op dit alles, kan dan ook niet worden ingegaan op de eisen van appellante. Haar hoger beroep is dan ook ongegrond.

OM DIE REDENEN
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis doch trekt de zaak aan zich bij toepassing van artikel 1068, 1° Ger.W. en verwijst de zaak naar de bijzondere rol ten einde appellante toe te laten haar schadeeis op te stellen op basis van de besluiten van dokter G.
Houdt de kosten aan.

Commentaar: 

Rechtsleer:

• A. Van Oevelen, “De bepaling van de koopprijs door een derde: een bindende derdenbeslissing” (noot onder Cass. 31 oktober 2008), RW 2009-10, (1258), p. 1260-1261, nr. 6.

Rechtspraak:

• Cassatie 28/10/2016, AR C.15.0528.N

Samenvatting

De bindende derdenbeslissing ontleent haar obligatoire kracht aan de bindende kracht van overeenkomsten; bijgevolg kan aan de derdenbeslissing geen bindende kracht worden verleend wanneer de derde zijn opdracht niet heeft uitgevoerd overeenkomstig hetgeen door de partijen was overeengekomen

Tekst arrest

Nr. C.15.0528.N
1. BUCHEN INDUSTRIAL SERVICES nv, met zetel te 2250 Olen, Hoog-buul 17,
2. HDI-GERLING INDUSTRIE VERSICHERING AG, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 30659 Hannover (Duitsland), HDI-Platz 1,
eiseressen,
tegen
1. AGRO - INVE nv, met zetel te 9130 Verrebroek (Beveren), Kieldrechtse-baan 51/2,
2. AMLIN INSURANCE SE, voorheen Amlin Europe nv, met zetel te EC 34 4AG Londen (Groot-Brittanië), The Leadenhall Building, 122 Leanden Wall Street,
verweersters,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde, van 21 augustus 2015.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee mid-delen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De bindende derdenbeslissing ontleent haar obligatoire kracht aan de bin-dende kracht van overeenkomsten. Bijgevolg kan de derdenbeslissing geen uit-werking krijgen wanneer de derde zijn opdracht niet heeft uitgevoerd overeen-komstig hetgeen door de partijen was overeengekomen.

2. De appelrechters stellen vast dat:
- de partijen bij overeenkomst van 3 mei 2010 de heer Top als deskundige heb-ben aangesteld met als opdracht "de technische oorzaak van de brand te bepa-len" en overeenkwamen om "de conclusie van de deskundige te zullen aan-vaarden";
- de deskundige zich expliciet beperkt heeft tot "een nazicht van de potentiële oorzaken behorend tot het gebouw, namelijk de muren en de nutsvoorzieningen die zich in of op de muren bevonden en wat concreet neerkwam op een onder-zoek van de elektriciteitsinstallatie";
- de deskundige geen rekening heeft gehouden met mogelijke oorzaken beho-rend tot de inboedel van het gebouw.

3. Door op grond van die vaststellingen te oordelen dat de deskundige "zijn opdracht niet volledig heeft uitgevoerd" zodat "zijn conclusies niet bindend dienen te worden verklaard" , verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

4. De appelrechters oordelen dat er twijfel blijft bestaan over de juiste oorzaak van de brand, zodat de eerste eiseres als huurster aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden.

5. De appelrechters geven hiermee te kennen dat niet bewezen is dat de brand is ontstaan buiten de schuld van de eerste eiseres.

6. Door aldus te oordelen, stellen de appelrechters zich niet in de plaats van de derdebeslisser en schenden zij derhalve evenmin artikel 1134 Burgerlijk Wetboek.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

7. De appelrechters oordelen niet alleen dat de clausule van afstand van ver-haal geldig is, maar ook dat er twijfel blijft bestaan over de juiste oorzaak van de brand, zodat de eerste eiseres aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden.

8. Die zelfstandige in het eerste middel tevergeefs bekritiseerde reden, draagt de bestreden beslissing.
Het onderdeel is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseressen tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseressen op 2288,29 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, in openbare rechtszitting van 28 oktober 2016 uitgesproken

C.15.0528.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Eerste eiseres huurde een pand van eerste verweerster. Ingevolge brand ontstond schade aan het pand en aan de goederen van eerste eiseres. Deze schade werd door tweede eiseres, als verzekeraar van eerste eiseres, vergoed.

2. Eiseressen dagvaardden daarna eerste verweerster en haar verzekeraar, tweede verweerster, teneinde vergoeding te bekomen. Deze vordering wordt door de bestreden beslissing afgewezen als ongegrond.

3. Tegen deze beslissing voeren eiseressen twee middelen tot cassatie aan.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.

1. In deze hebben de partijen een deskundige aangesteld met als opdracht de technische oorzaak van de brand te bepalen, en zijn zij overeengekomen dat zij zijn conclusies zullen aanvaarden.

1.2. De vraag rijst dan ook of de appelrechters gebonden zijn door de conclusies van die deskundige, volgens dewelke de oorzaak ligt in het gebouw zelf.

1.3. Krachtens artikel 1733 Burgerlijk Wetboek is de huurder aansprakelijk voor brand, tenzij hij bewijst dat de brand buiten zijn schuld is ontstaan. Uit deze bepaling en artikel 1735 Burgerlijk Wetboek volgt dat de huurder t.a.v. de verhuurder of de in diens rechten getreden persoon dient aan te tonen dat hij zelf noch de personen voor wie hij instaat, enige fout hebben begaan die de brand mede heeft veroorzaakt. De huurder is niet ertoe gehouden om op positieve wijze de oorzaak van de brand aan te tonen, maar het volstaat dat hij op basis van voldoende precieze en overeenstemmende vermoedens de onmogelijkheid aantoont van een dergelijke fout die de brand mede zou hebben veroorzaakt(1).

1.4. De appelrechters onderzoeken of bewezen is dat de brand buiten de schuld van de huurder is ontstaan.

1.5. Door het sluiten van een overeenkomst tot bindende derdenbeslissing gaan partijen akkoord om hun beslissingsmacht over de aan de derdenbeslissing onderworpen feiten over te dragen aan een derde. In die optiek ontleent de derdenbeslissing haar bindende kracht aan de bindende kracht van overeenkomsten (cf. art. 1134 BW).

1.6. In voormelde context rijst derhalve de vraag hoever de toetsingsbevoegdheid reikt van de rechter die wordt verzocht zich te buigen over de rechtsgeldigheid van de bindende derdenbeslissing.

1.7. Aangenomen wordt dat een marginale toetsing van de derdenbeslissing steeds mogelijk is en blijft, omdat partijen zich onmogelijk verbonden kunnen hebben om kennelijk onredelijke of arbitraire beslissingen te aanvaarden(2). Ook materiële of grove vergissingen in de besluitvorming van de derde kunnen ongedaan worden gemaakt door de rechter(3). De rechtspraak acht zich bovendien ook bevoegd te controleren of de overeenkomst correct werd uitgevoerd en de beslissing volledig conform de in de overeenkomst omschreven opdracht werd genomen(4). In wezen betreft het hier een controle op de inhoudelijke (feitelijke) voorwaarden waaraan de derde zijn bevoegdheid - en dus ook de finale beslissing haar verbindende kracht - ontleent.

1.8. In de voorliggende zaak stellen de appelrechters vast dat de deskundige zijn opdracht niet correct heeft uitgevoerd en zijn beslissing niet conform de in de overeenkomst omschreven opdracht heeft genomen, die erin bestond de technische oorzaak van de brand te bepalen. Waar de deskundige zijn opdracht heeft beperkt tot een nazicht van de potentiële oorzaken behorend tot het gebouw en geen rekening heeft gehouden met mogelijke oorzaken die daarbuiten zijn gelegen (zoals bijvoorbeeld een kortsluiting veroorzaakt door de warmwaterboiler van de huurder), heeft hij aldus zijn beslissing derhalve niet met (de nodige) kennis van zaken genomen, zodat deze dan ook niet kan dienen voor het doel dat partijen voor ogen hadden.

1.9. In zoverre de appelrechters op die gronden oordelen dat aan de beslissing van de derde bijgevolg geen bindende kracht kan worden verleend(5), verantwoorden zij m.i. hun beslissing naar recht, en lijkt het eerste middel niet te kunnen aangenomen worden.
(...)

III. CONCLUSIE: VERWERPING.
__________________________
(1) Cass. 30 november 2012, AR C.11.0618.N, AC 2012, nr. 653.
(2) M.E. STORME, "De bindende derdenbeslissing of het bindend advies als middel ter voorkoming van gedingen". TPR 1984, 1260, nr. 36; B. TILLEMAN, "Het minnelijk deskundigenonderzoek" in G. DE LEVAL en B. TILLEMAN (eds.), Gerechtelijk deskundigeonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent, Brugge, die Keure, 2003, (151) 171, nr. 33; B. VAN DEN BERGH, " De bindende derdenbeslissing: toch niet zo bindend?" (noot onder Antwerpen 7 juni 2006), RW 2008-09, (1475) 1478; Antwerpen 9 november 2005, P&B 2006, 163; Antwerpen 18 oktober 2006, RW 2007-08, 829; Antwerpen 11 juni 2012, DAOR 2012, 301; Antwerpen 25 maart 2015, RW 2015-16, 1416.
(3) Cass. 30 juni 1966, AC 1966, 1400; Antwerpen 18 oktober 2006, RW 2007-08, 829.
(4) Antwerpen 9 november 2005, P&B 2006, 163; Antwerpen 7 juni 2006, RW 2008-09, 1471, noot B. VAN DEN BERGH; Antwerpen 18 oktober 2006, RW 2007-08, 829; Brussel 17 maart 2010, T. Verz. 2013, 292; Antwerpen 24 februari 2012, RW 2012-13, 1149; Antwerpen 25 maart 2015, RW 2015-16, 1416; Rb. Brugge 20 juni 1989, Verkeersrecht 1990, 59; Rb. Turnhout 8 november 1994, Turnh. Rechts. 1994-95, 40; Pol. Brugge 27 september 2005, RW 2007-08, 835. Zie ook M.E. STORME, "De bindende derdenbeslissing of het bindend advies als middel ter voorkoming van gedingen", TPR 1984, 1262, nr. 39; P. MEESEN, "Minnelijke of gerechtelijke medische expertise bij lichamelijke schade, een moeilijke keuze!", RW 1997-98, (937) 940, nr. 19; B. TILLEMAN, "Het minnelijk deskundigenonderzoek" in G. DE LEVAL en B. TILLEMAN (eds.), Gerechtelijk deskundigenonderzoek. De rol van de accountant en de belastingconsulent, Brugge, die Keure, 2003, (151) 168, nr. 26; K. VANDERSCHOT, "De bindende derdenbeslissing en de partijbeslissing in België en Nederland" in J. SMITS en S. STIJNS, (eds.), Inhoud en werking van de overeenkomst naar Belgisch en Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia, 2005, 434-435; B. VAN DEN BERGH, "De bindende derdenbeslissing: toch niet zo bindend?" (noot onder Antwerpen 7 juni 2006), RW 2008-09, (1475) 1478; N. PORTUGAELS, "De beperkte aantastbaarheid van de bindende derdenbeslissing bij verzekeringsgeschillen" (noot onder Antwerpen 25 maart 2015), RW 2015-16, (1420) 1422.
(5) In diezelfde zin: K. VANDERSCHOT, "De bindende derdenbeslissing en de partijbeslissing in België en Nederland" in J. SMITS en S. STIJNS, (eds.), Inhoud en werking van de overeenkomst naar Belgisch en Nederlands recht, Antwerpen, Intersentia, 2005, 440; B. VAN DEN BERGH, "De bindende derdenbeslissing: toch niet zo bindend?" (noot onder Antwerpen 7 juni 2006), RW 2008-09, (1475) 1479; Antwerpen 9 november 2005, P&B 2006, 163; Antwerpen 7 juni 2006, RW 2008-09, 1471, noot B. VAN DEN BERGH; Brussel 17 maart 2010, T. Verz. 2013, 292; Pol. Verviers 20 maart 2006, T. Pol. 2007, 28, noot M. EVRARD.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: za, 10/03/2018 - 16:09

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.