-A +A

bijstand van een advocaat bij verhoor

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat de bijstand van een advocaat bij het eerste verhoor een garantie is voor het zwijgrecht dat gegarandeerd wordt door artikel 6 EVRM. Wanneer een veroordeling gebaseerd is op een verhoor waarbij de verdachte bekentenissen heeft afgelegd zonder bijstand is volgens het Europees Hof sprake van een onherstelbare aantasting van de rechten van verdediging («the rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced»).

Bron : NjW 2009, nr. 194, 24

De Belgische wetgeving verleent op heden geen recht op bijstand van een advocaat bij verhoor.

De kans bestaat dan ook dat ook België in de toekomst een verordening oploopt, terwijl  voor de rechtbanken kan worden opgeworpen dat de rechten van de mens geschonden worden bij elk verhoor waarbij geen advocaat aanwezig is, zeker wanneer de persoon die verhoord wordt verklaart bijgestaan te willen worden door een advocaat.

Dit recht van bijstand door een advocaat bij verhoor geldt voor elk verhoor, dus ook bijvoorbeeld voor  tuchtrechterlijk verhoren of bij een verhoor door de sociale inspectie. De vraag is en blijft natuurlijk hoe een en ander in de praktijk zal worden ingevuld.

Wij raden daarom aan dat u bij elk verhoor eist dat een advocaat aanwezig. Wellicht zal dit worden geweigerd. Maar laat deze weigering onmiddellijk vaststellen in het proces-verbaal.

U heeft het recht dat elke verklaring van u wordt opgenomen in het proces-verbaal en heeft het recht te weigeren het proces-verbaal te ondertekenen wanneer dit niet overeenkomt met uw verklaring en dus niet al uw verzoeken  of verklaringen werden genoteerd.

En van deze weigering kan dan later gebruik worden gemaakt om het volledige verhoren te laten nietig verklaren met inbegrip van de bekentenissen en de vaststellingen die tijdens het verhoor zijn gebeurd

VERBODEN PRESSIE BIJ VERHOOR

Het is verkeerd te veronderstellen dat geen enkele pressie bij verhoor mag plaatsvinden. Zijn nochtans verboden:

- illegaal geweld (art. 392 SWB, juncto 257 en 266) zie ook art. 62 lid 3 bijlage bij KB 10/05/2006 van de deontologische code politiediensten. Zie ook gebruik van geweld door politie
- psychisch geweld en alle technieken met de bedoeling de weerstand van de ondervraagde te breken (art. 417 bis tot 417 quinquies Strafwetboek).
- bedreigingen.
- het meenemen voor verhoor op kantoor en de ondervraagde aldaar vasthouden zonder vaststelling op heterdaad, toestemming of mandaat van de procureur of de onderzoeksrechter. Dit zou neerkomen op willekeurige en wederrechtelijke vrijheidsberoving (147 SWB);
- verklaringen ontlokt door gegevens die ingewonnen werden met een schending van een strafrechtelijk beschermd beroepsgeheim
- verklaringen uitgelokt tijdens een illegale huiszoeking
- het nodeloos rekken van de ondervragingen
- valse beloftes en leugens van de ondervragers
- gebruik van audiovisuele middelen in omstandigheden strijdig met de wet (voor het gebruik van audio visuele middelen in het kader van het onderzoek, zie : F. Goossens, Politiebevoegdheden en mensenrechten, 462)

zie ook F. Goossens, Politiebevoegdheden en mensenrechten, 439.

HET VERTELLEN VAN ONWAARHEDEN

Elke verdachte heeft een absoluut zwijgrecht. Daarnaast is het afleggen van een leugenachtige verklaring principieel niet strafbaar.

Wanneer er daadwerkelijk overweldigend ander bewijs is op grond waarvan de strafrechter een veroordeling kan uitspreken, is de weigering tot "oprechte" medewerking aan het onderzoek misschien geen aangewezen techniek, gezien de medewerking aan het onderzoek vaak gepleit wordt als een verzachtende omstandigheid en de weigering tot de oprechte medewerking vaak een element uitmaakt om tot een zwaardere bestraffing te komen gezien één en ander volgens de rechter kan wijzen op een afkeurenswaardige instelling ten aanzien van de feiten.

In bepaalde gevallen kunnen bepaalde verklaringen, leugenachtige verklaringen, foute voorstellingen of houdingen tijdens het verhoor wel strafbaar zijn en dit o.m. volgende gevallen :

- smaad;
- valse inlichtingen m.b.t. ernstige aanslagen;
- laster en eerroof;
- valse getuigenissen onder eed;
- verklaringen die een element van oplichting uitmaken.

VERHOORTECHNIEKEN

1. DE KLASSIEKE VERHOORTECHNIEK

Bij deze techniek wordt voorafgaand aan het verhoor een grondig onderzoek gevoerd aan de plaats van het misdrijf, de aanwijzingen van het misdrijf, het voorwerp van het misdrijf, de feiten zelf en de persoon van de verdachte.

Door het gebruik van communicatietechnieken wordt de weerstand van de verdachte verminderd waarbij hij dan geconfronteerd wordt met tal van aanwijzingen. In een omsingelende beweging wordt de verdachte met deze bewijzen geconfronteerd waardoor hem wordt duidelijk gemaakt dat ontkennen zinloos is. Bij deze techniek wordt de verdachte vaak geconfronteerd met foto’s van het slachtoffer, de plaats van de feiten, sporen, de aanwijzingen, de geschriften.

2. DE NEGEN FASEN TECHNIEK

Eerste fase: de melding

De mededeling aan de verdachte van de feiten waarover het onderzoek loopt. Hierna pauzeert de ondervrager en observeert hij de verdachte. Na deze pauze herhaalt de ondervrager de verdenking. Wanneer na deze tweede herhaling geen ontkenning volgt, gaat bij deze techniek de ondervrager uit dat de ondervraagde vermoedelijk schuldig is.

Tweede fase: Zalven, rationaliseren en verzachten

In deze tweede fase worden de feiten begrijpbaar voorgesteld of gerelativeerd door bvb. te stellen :

- anderen zouden wellicht ook zo gereageerd hebben;
- er zijn heel wat ergere zaken;
- de strafmaat zal wellicht meevallen;
- wellicht zijn ook anderen medeschuldig;
- wellicht heeft het slachtoffer ook een aandeel in de feiten.

De bedoeling hiervan is de bekentenis te vergemakkelijken.

Slaagt men niet in een bekentenis in deze fase, dan wordt de verdachte vaak gewezen op een aantal leugens die verteld werden of door de blote melding dat ontkennen zinloos is gezien alle bewijzen tegen hem spreken.

Derde fase: Het hanteren van de ontkenningen van de verdachte

Hierbij wordt uitgegaan van de (soms verkeerde) stelling dat in de regel onschuldigen louter ontkennen terwijl schuldigen op zeer gedetailleerde wijze in een lang betoog hun onschuld trachten te bewijzen. De ondervrager gaat ook uit van zijn ervaring dat schuldigen in dergelijke gevallen informatie van de ondervragen trachten te bekomen (wat weet hij al van de feiten).

Vierde fase: weerlegging

Weerlegging van de argumenten van de verdachte of aantonen dat zijn argumenten niet relevant zijn.

Vijfde fase: contact

Benadrukken van de oprechte bedoelingen van de ondervrager aan de verdachte :

door aandacht en respect voor de verdachte te onderlijnen;

door dichter bij de verdachte te komen zitten, hem fysisch aan te raken;

door hem met zijn titel of juist met zijn voornaam te noemen;

door oogcontact te houden.

Zesde fase: over de brug

De ondervrager tracht met alle mogelijke middelen de verdachte over de brug te halen. Hierbij wordt ingespeeld op de morele waarden van de verdachte en op hun emoties.

Zevende fase: herformuleren motief

Poging om de verdachte te overtuigen middels een schijnbaar beter motief :

je was misschien dronken;

je zag het misschien niet zitten en werd uitgelokt;

je bent misschien aangezet door anderen;

je werd misschien onder druk gezet.

Een positief antwoord hierop, ook al is dit antwoord onjuist, is voor de ondervrager een aanzet tot een volledige bekentenis, waarbij dan in een latere fase het schijnmotief wordt ontkracht.

Achtste fase: uitwerken

Het uitwerken van een gedeeltelijke bekentenis tot een volledige bekentenis waarin alle details aan het licht komen.

Negende fase: PV

Het verwerken van de mondelinge bekentenis tot een schriftelijke ondertekende bekentenis.

TRUCS DIE DOOR ONDERVRAGERS BIJ ONDERVRAGING WORDEN GEBRUIKT

Propping (staging)

Met dit soort verhoor wordt het verhoor zelfs in scène gezet. De bedoeling is om de ondervraagde onder de indruk te brengen. Er wordt vaak gewezen op een voortdurend contact met de onderzoeksrechter of het parket waarmee de ondervragers in verbinding zou staan. Hiertoe verlaten zij af en toe het lokaal om bijkomende instructies te vragen alsof bvb. ergere dingen zoals onmiddellijke aanhouding op het spel staat; Ook het gebruik van imposante lokalen of juist zeer kleine nauw bemeten lokalen worden gebruik om ofwel een overdreven gewicht of juist tegenovergesteld een gevoel van onbenul te wekken.

DE VIEZE FLIK EN DE VRIENDELIJKE FLIK

Bij deze techniek is het de bedoeling dat de onvriendelijke, norse ondervrager de verdachte onder druk zet teneinde de verdachte steun te laten zoeken bij de vriendelijke ondervrager, die dan de bekentenis bekomt. Soms wordt deze techniek gebruikt door één en dezelfde ondervragen die zich wisselend vriendelijk en onvriendelijk opstelt.

OVERIGE VAAK GEBRUIKTE TRUCS

de ondervrager toont aan de verdachte dat hij overtuigd is van zijn schuld (zelfs wanneer hij dit niet is);

de ondervrager stelt de oprechtheid van de verdachte in vraag;

de ondervrager stelt aan de verdachte dat ontkennen geen zin heeft;

de ondervrager stelt dat ontkennen niet zal helpen;

de ondervrager blijft en blijft de feiten herhalen;

de ondervrager spreekt de verdachte voortdurend tegen en valt in de rede;

langdurig verhoor;

de ondervrager spreekt luider, roept, komt bedreigend over, maakt zich kwaad;

de ondervrager stelt zich bijzonder medelevend en rustig op zelfs bij zeer ernstige feiten;

beweren dat verder onderzoek bijkomend bewijs zal opleveren (niettegenstaande hij hierover niet de minste zekerheid heeft);

de ondervrager beweert dat er een zeer uitvoerig onderzoek is gevoerd tegen de verdachte (daar waar dit niet zo is);

de ondervrager doet bijzonder geheimzinnig waarbij de indruk wordt gewekt dat hij nog veel meer weet, doch dit achter houdt of waarbij het de ondervraagde niet duidelijk wordt wat hem allemaal boven het hoofd hangt of waarbij (wellicht ongewild) de ondervraagde niet onmiddellijk duidelijkheid heeft welke macht de ondervrager heeft;

de ondervrager blijft door ondervragen zelfs wanneer hij duidelijk ziet dat de verdachte oververmoeid is;

de verdachte laten ophalen aan zijn woning, op zijn werk of op een andere plaats met de bedoeling dat ook anderen geconfronteerd worden met het feit dat hij "opgepakt" is;

de verdacht met uitermate respect aanspreken;

het verhoor met meerdere personen tegelijkertijd die mekaar voortdurend afwisselen om de druk aan te houden;

zich kwaad maken over de niet-samenwerking van de verdachte met het onderzoek;

de verdachte verhoren op zeer comfortabele of juist niet comfortabele omstandigheden;

beloftes doen bij bekentenissen;

observatie op ongemerkte wijze (bvb. door spiegelwand buiten de verhoorkamer);

beweren dat er belastend bewijsmateriaal is daar waar dit niet zo is;

plots onaangekondigd overgaan tot een zeer uitvoerig verhoor;

niet melden bij een uitnodiging tot ondervraging waarover de ondervraging gaat;

beroep doen op het eergevoel van de ondervraagde;

beweren dat een bekentenis een eerste stap is naar een betere toekomst;

begrip tonen voor de feiten (daar waar men in feite geen begrip heeft voor de feiten);

de techniek van de zwakste schakel : eerst de zwakste persoon uit een groep verdachten ondervragen en deze verklaring dan uitspelen tegen de anderen;

toelaten tot roken of het juist verbieden;

water of koffie aanbieden;

zeer familiair of juist zeer afstandelijk ondervragen;

bij de ondervraging zoveel mogelijk persoonlijke informatie van de verdachte inwinnen inzake zijn psychologische ingesteldheid, milieu … om dit te gebruiken bij de verdere ondervraging;

gebruik maken van foto’s van het misdrijf, van slachtoffers maar soms ook van familieleden van de verdachte om aldus morele druk uit te oefenen;

WETTELIJKHEID VAN DE TRUCS

Bewijsmiddelen mogen niet strijdig zijn met de wet en dienen op een loyale wijze verzameld. Deze principes liggen vastgelegd in de artikelen 28bis §3, laatste lid en 56 §1, 2° lid van het Wetboek van Strafvordering.

Ondervragingstechnieken waarbij fysisch of psychisch geweld gebruikt wordt, zijn strijdig met artikel 3 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit artikel stelt dat niemand mag onderworpen worden aan folteringen, noch aan onmenselijke of vernederende behandeling en straffen. Geweld om bekentenissen af te dwingen is ontoelaatbaar. Meer zelf, dit soort geweld valt onder misbruik van gezag hetgeen strafbaar is conform artikel 257 van het Strafwetboek.

Bij elke ondervraging heeft men het recht om het verhoor woordelijk te laten vaststellen. Wanneer u meent geconfronteerd te worden met ongeoorloofde druk, is het aanbevelenswaardig om van dit recht gebruik te maken. Herhaal dan bij uw verklaring telkens hetgeen door de ondervrager wordt gesteld. In de zin van : "u zegt mij … " of "alvorens op deze vraag te antwoorden wil ik melden op welke wijze ik deze ondervraging ervaar en met welke ondervragingsomstandigheden ik geconfronteerd wordt …".

Bij een verhoor heeft u niet het recht om bijgestaan te worden door een advocaat. Het kan echter bijzonder nuttig zijn om voorafgaand aan een verhoor uw advocaat te raadplegen.

Als verdachte kan u door de politionele diensten 24 uur worden vastgehouden. Tijdens deze 24 uur kan u opgesloten worden in een weinig comfortabele cel waarvan de omstandigheden vaak mensonwaardig zijn. Hiervan wordt ook gebruik gemaakt om druk uit te oefenen teneinde bekentenissen te bekomen. Slechts de onderzoeksrechter kan een aanhoudingsmandaat verlenen dat deze 24 uur overstijgt. Tijdens deze voorlopige hechtenis wordt u dan overgebracht naar de gevangenis in afwachting van de behandeling voor de raadkamer die binnen de 5 dagen plaatsvindt. U heeft in deze fase recht op bijstand van uw advocaat. De raadkamer kan dan de aanhouding bevestigen voor een periode van 1 maand die verlengbaar is.

Let wel, het vasthouden in een politiecel en de voorlopige hechtenis wordt slechts in uitzonderlijke zwaarwichtige omstandigheden gebruikt. Vaak wordt hiermee impliciet gedreigd tijdens een verhoor.

Anderzijds heeft elke verdachte bij het vaststaan van onomstotelijk bewijs belang om samen te werken met het onderzoek teneinde aldus een voorlopige hechtenis te vermijden.

 

Rechtspraak:

EUROPEAN COURT OF HUMAN RIGHTS

846

27.11.2008

Press release issued by the Registrar

GRAND CHAMBER JUDGMENT
SALDUZ v. TURKEY

The European Court of Human Rights has today delivered at a public hearing its Grand Chamber judgment1 in the case of Salduz v. Turkey (application no. 36391/02).

The Court held unanimously that there had been:

· a violation of Article 6 § 3 (c) (right to legal assistance) of the European Convention on Human Rights in conjunction with Article 6 § 1 (right to a fair trial) on account of the applicant’s lack of legal assistance while he was in police custody;

· a violation of Article 6 § 1 (right to a fair trial) in respect of the non-communication to the applicant of the written opinion of the Principal Public Prosecutor at the Court of Cassation.

Under Article 41 (just satisfaction) of the Convention, the Court considered that the most appropriate form of redress, provided the applicant so requested, would be a retrial in compliance with the requirements of Article 6 § 1. As to the remainder, it awarded the applicant 2,000 euros (EUR) in respect of non-pecuniary damage. EUR 1,000 was awarded for costs and expenses. (The judgment is available in English and French.)

1. Principal facts

The applicant, Yusuf Salduz, is a Turkish national who was born in 1984 and lives in İzmir (Turkey).

He complained that he had been denied legal assistance while in police custody and that he had not had access to the written opinion of the Principal Public Prosecutor at the Court of Cassation.

On 29 May 2001 the applicant was arrested on suspicion of having participated in an illegal demonstration in support of the imprisoned leader of the PKK (the Kurdistan Workers’ Party, an illegal organisation). He was also accused of hanging an illegal banner from a bridge.

On 30 May 2001 the police took a statement from the applicant, without a lawyer being present, in which he admitted having taken part in the demonstration and having written the words on the banner. The applicant subsequently denied the content of his police statement, alleging that it had been extracted from him under duress. The investigating judge remanded the applicant in custody, at which point he was allowed to see a lawyer.

Before the İzmir State Security Court, the applicant again denied the content of his police statement, alleging that it had been extracted from him under duress.

On 5 December 2001 the State Security Court convicted the applicant for aiding and abetting the PKK and sentenced him to four years and six months’ imprisonment. His sentence was later reduced to two and a half years’ imprisonment as he had been under 18 at the time of the offence.

In giving its decision the State Security Court relied on the statements the applicant had given to the police, to the public prosecutor and to the investigating judge. It also took into account the statements made by his co-accused to the public prosecutor and two other pieces of evidence. It concluded that the applicant’s confession to the police had been authentic.

On 27 March 2002 the Principal Public Prosecutor at the Court of Cassation submitted his written opinion to that court, calling for the judgment of the İzmir State Security Court to be upheld. Neither the applicant nor his representative were given access to that opinion. On 10 June 2002 the Court of Cassation dismissed an appeal by the applicant.

2. Procedure and composition of the Court

The application was lodged with the European Court of Human Rights on 8 August 2002 and declared partly inadmissible on 28 March 2006.

In a Chamber judgment of 26 April 2007 the Court held unanimously that there had been a violation of Article 6 § 1 of the Convention on account of the non-communication to the applicant of the Principal Public Prosecutor’s written opinion and, by five votes to two, that there had been no violation of Article 6 § 3 (c) on account of the applicant’s lack of legal assistance while in police custody.

On 20 July 2007 the applicant requested that the case be referred to the Grand Chamber (Article 432 of the Convention). On 24 September 2007 a panel of the Grand Chamber decided to accept his request.

A hearing took place in public in the Human Rights Building, Strasbourg, on 19 March 2008.

Judgment was given by the Grand Chamber of 17 judges, composed as follows:

Nicolas Bratza (British), President,
Christos Rozakis (Greek),
Josep Casadevall (Andorran),
Rıza Türmen (Turkish),
Rait Maruste (Estonian),
Vladimiro Zagrebelsky (Italian),
Stanislav Pavlovschi (Moldovan)
Alvina Gyulumyan (Armenian),
Ljiljana Mijović (citizen of Bosnia and Herzegovina),
Dean Spielmann (Luxemburger),
Renate Jaeger (German),
David Thór Björgvinsson (Icelandic),
Ján Šikuta (Slovak),
Ineta Ziemele (Latvian),
Mark Villiger (Swiss),
Luis López Guerra (Spanish),
Mirjana Lazarova Trajkovska (citizen of “the former Yugoslav Republic of Macedonia”), judges,

and also Vincent Berger, Jurisconsult.

3. Summary of the judgment3

Complaints

Mr Salduz complained that, in connection with criminal proceedings against him, he had been denied access to a lawyer while in police custody and had not obtained, at the final stage of the proceedings before the Court of Cassation, a copy of the written opinion of the Principal Public Prosecutor at that court. He relied on Article 6 §§ 1 and 3 (c).

Decision of the Court

Access to a lawyer during police custody

The Court found that in order for the right to a fair trial under Article 6 § 1 to remain sufficiently “practical and effective”, access to a lawyer should be provided, as a rule, from the first police interview of a suspect, unless it could be demonstrated in the light of the particular circumstances of a given case that there had been compelling reasons to restrict this right. Even where compelling reasons might exceptionally justify denial of access to a lawyer, such restriction - whatever its justification - must not have unduly prejudiced the rights of the accused under Article 6. The rights of the defence would in principle be irretrievably prejudiced when incriminating statements made during a police interview without access to a lawyer were used as a basis for a conviction.

No justification was given by the Turkish Government for denying the applicant access to a lawyer other than the fact that this was provided for on a systematic basis by the relevant legal provisions. As such, this already fell short of the requirements of Article 6 in this respect.

The Court moreover observed in particular that the State Security Court had used the applicant’s statement to the police as the main evidence on which to convict him, despite his denial of its accuracy. For the Court, the applicant had undoubtedly been personally affected by the restrictions on his access to a lawyer, in that his statement to the police had ultimately been used for his conviction. Neither the assistance provided subsequently by a lawyer nor the adversarial nature of the ensuing proceedings could cure the defects which had occurred during police custody.

The Court lastly noted that one of the specific elements of the instant case was the applicant’s age. Having regard to a significant number of relevant international law materials concerning legal assistance to minors in police custody, the Court stressed the fundamental importance of providing access to a lawyer where the person in police custody was a minor.

In sum, the Court considered that, even though the applicant had had the opportunity to challenge the evidence against him at his trial and subsequently on appeal, the absence of a lawyer during his period in police custody had irretrievably affected his defence rights. There had therefore been a violation of Article 6 § 3 (c) in conjunction with Article 6 § 1.

Non-communication of the written opinion of the Principal Public Prosecutor at the Court of Cassation

The Court considered, for the reasons given by the Chamber in its judgment of 26 April 2007, that the applicant’s right to adversarial proceedings has been breached. There had therefore been a violation of Article 6 § 1.

Judge Bratza expressed a concurring opinion. Judges Rozakis, Spielmann, Ziemele and Lazarova Trajkovska expressed a concurring opinion and Judge Zagrebelsky expressed a concurring opinion joined by Judges Casadevall and Türmen. These are annexed to the judgment.

***

The Court’s judgments are accessible on its Internet site (http://www.echr.coe.int).

Press contacts
Adrien Raif-Meyer (telephone: 00 33 (0)3 88 41 33 37)
Tracey Turner-Tretz (telephone: 00 33 (0)3 88 41 35 30)
Sania Ivedi (telephone: 00 33 (0)3 90 21 59 45)

The European Court of Human Rights was set up in Strasbourg by the Council of Europe Member States in 1959 to deal with alleged violations of the 1950 European Convention on Human Rights.

1 Grand Chamber judgments are final (Article 44 of the Convention).

2 Under Article 43 of the European Convention on Human Rights, within three months from the date of a Chamber judgment, any party to the case may, in exceptional cases, request that the case be referred to the 17-member Grand Chamber of the Court. In that event, a panel of five judges considers whether the case raises a serious question affecting the interpretation or application of the Convention or its protocols, or a serious issue of general importance, in which case the Grand Chamber will deliver a final judgment. If no such question or issue arises, the panel will reject the request, at which point the judgment becomes final. Otherwise Chamber judgments become final on the expiry of the three-month period or earlier if the parties declare that they do not intend to request referral.

3 This summary by the Registry does not bind the Court.



- -

  Maximale duur van aanhouding:

art 12 Grondwet (24 oktober 2017 tot wijziging van de termijn van 24 uur naar 48 uur)
"Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter dat uiterlijk binnen achtenveertig uren te rekenen van de vrijheidsberoving moet worden betekend en enkel tot voorlopige inhechtenisneming kan strekken.".
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:13
Laatst aangepast op: wo, 29/11/2017 - 10:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.