-A +A

Bezitsvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wat is bezit?

Art. 2228. Bezit is het houden of het genieten van een zaak die wij in onze macht hebben of vaneen recht dat wij uitoefenen, hetzij in persoon, hetzij door een ander die in onze naam de zaak in zijn macht heeft of het recht uitoefent.

 

De complainte is de zuivere bezitsvordering, die voorbehouden is aan een deugdelijke bezitter van een onroerend goed.
De reïntegranda kan door elke detentor worden uitgeoefend, wanneer er sprake is van feitelijkheden of geweld bij de bezitsstoornis.

 

Middels een bezitsvordering of complainte kan een persoon die in rustig regelmatig bezit verstoord wordt een einde maken aan deze stoornis of ontzetting.

De bezitsvordering is een bestuurshandeling waarmee een persoon die uit het bezit werd gesteld van een recht bij de rechter een maatregel van burgerlijke politie vordert die erop gericht is het verstoorde bezit te herstellen in zijn oorspronkelijke staat, vóór het gerechtelijk onderzoek van de grond van het conflict.
De eiser op bezitsvordering kan in de loop van het proces zijn vordering niet veranderen in een eigendomsvordering. De verweerder op bezitsvordering kan geen eigendomsvordering instellen vooraleer de beslissing van de rechter over de bezitsvordering in kracht van gewijsde is gegaan.

zie Vred. Grâce-Hollogne 16 april 2004, J.L.M.B. 2006, afl. 16, 708 en noot LECOCQ, P.  De l'interdiction de cumuler possessoire et pétitoire: quelques notes judiciaires

 Artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« Bezitsvorderingen worden slechts toegelaten onder de volgende voorwaarden :
1° mits het gaat om onroerende goederen of onroerende rechten die verkregen kunnen worden door verjaring;
2° mits de eiser bewijst gedurende ten minste een jaar in het bezit ervan te zijn geweest;
3° mits het bezit alle eigenschappen heeft, vereist bij de artikelen 2228 tot 2235 van het Burgerlijk Wetboek;
4° mits minder dan een jaar verlopen is sinds de stoornis of de ontzetting van bezit.
Er moet niet worden voldaan aan de voorwaarden die onder 2° en 3° zijn gesteld, wanneer de stoornis of de ontzetting van bezit veroorzaakt is door geweld of feitelijkheden ».

Wettelijke bepalingen: art. 1370 en volgende Ger. W.
Art. 591,5° voorziet in de bevoegdheid van de Vrederechter voor de bzitsvorderingen. 

Art. 1370. Bezitsvorderingen worden slechts toegelaten onder de volgende voorwaarden:
1° ,mits het gaat om onroerende goederen of onroerende rechten die verkregen kunnen worden door verjaring;
2° mits de eiser bewijst gedurende ten minste een jaar in het bezit ervan te zijn geweest;
3° mits het bezit alle eigenschappen heeft, vereist bij de artikelen 2228 tot 2235 van het Burgerlijk Wetboek;
4° mits minder dan een jaar verlopen is sinds de stoornis of de ontzetting van bezit.
Er moet niet worden voldaan aan de voorwaarden die onder 2° en 3° zijn gesteld, wanneer de stoornis of ontzetting van bezit veroorzaakt is door geweld of feitelijkheden.

Artikel 1371. De bezitsvordering en de eigendomsvordering mogen niet samen worden ingesteld.

De eiser in het eigendomsproces mag niet meer toegelaten worden tot het instellen van de bezitsvordering.

De verweerder in het bezitsproces kan geen eigendomsvordering instellen, alvorens de beslissing van de rechter over de bezitsvordering in kracht van gewijsde is gegaan; indien hij in het ongelijk is gesteld, kan hij die vordering pas instellen nadat hij aan de tegen hem uitgesproken veroordelingen voldaan heeft. Evenwel, indien de partij die de veroordelingen heeft verkregen, deze te laat doet uitvoeren, kan de rechter over de eigendomsvordering voor deze uitvoering een termijn stellen, waarna de eigendomsvordering toegelaten is; hij kan zelfs in dat geval machtiging verlenen om die rechtsvordering onmiddellijk in te stellen, ten einde een naderende verjaring te stuiten.

 

Bij onroerend goed gaat het bezit bij inbezitnemling door een ander verloren na één jaar, onder voorbehoud van behoud ervan door middel van een bezitsvordering. cfr. art. 2243 BW en 1370, 4° ger.W.

Rechtspraak:

Vred. Antwerpen VIII, 10/08/2004, Tijdschrift van de Vrederechters (T. Vred.), Jaargang 2006, Volgnummer 3-4, Pagina 122

Samenvatting:

Een gemeente plaatst op de eigendom van een bewoner paaltjes zodat deze op zijn grond zijn voertuig niet meer kan plaatsen. De gemeente doet dit daar de bewoner zich weigert te schikken naar de voorschriften die stellen dat deze strook grond enkel als tuin mag worden gebruikt. De bewoner neemt deze feitelijkheid niet en stelt met succes voor de vrederechter de bezitsvordering in:

Tekst van het vonnis

Uit de feitelijke gegevens blijkt onomstootbaar dat eisende partij bij herhaling werd verzocht zich te gedragen naar de door verwerende partij voorgeschreven en opgelegde bepalingen inzake stedenbouwkundige vergunningen en bouwverordeningen. Deze voorzien dat het onbebouwde deel van het perceel, links van het gebouw, als tuinruimte dient ingericht en gehandhaafd te worden.

Daar blijkbaar eisende partij volgens de uitleggingen van verwerende partij al deze bepalingen niet naleefde, werden er na enige tijd op de openbare weg door verwerende partij een vijftal paaltjes geplaatst (zie proces-verbaal plaatsbeschrijving d.d. 13 juli 2004), dewelke het voor eisende partij verder onmogelijk maakten genot te hebben van de door haar beweerde overtredingen, namelijk parkeren op de bewuste zijstrook naast haar eigendom. In de bezitsvordering kunnen wij niet nagaan of al dan niet overtredingen zijn gemaakt tegen bedoelde vergunningen en bouwverordeningen: het zal de rechter bij wie deze zaak uiteindelijk aanhangig wordt gemaakt, toekomen terzake uitspraak te doen. Wij noteren enkel dat er door verwerende partij inmiddels klacht werd ingediend bij de procureur des Konings.

De handelingen begaan door de stad Mortsel zijn echter onmiskenbaar bedoeld om zichzelf recht te verschaffen en dit is precies wat onder meer de bezitsvordering zoals uitgedrukt in artikel 1370 Gerechtelijk Wetboek wenst te verhinderen. Het komt de administratie niet toe beweerde schendingen van door haar opgelegde reglementeringen onmogelijk te maken door feitelijkheden te plegen zoals in casu gebeurde. Er anders over denken zou de weg openen naar willekeur en mogelijke misbruiken: elke in strijd met bepaalde voorschriften gebouwde garage zou de toegang kunnen afgesneden worden via het plaatsen van hindernissen op de openbare weg. Geen enkel openbaar bestuur heeft het recht zulks te doen en uitsluitend de rechter kan terzake tussenkomen.

Overigens weet de stad Mortsel dit zeer goed zo niet is het onverklaarbaar waarom ondertussen klacht werd ingediend. Vruchteloos wordt opgeworpen dat eisende partij niet de eigenaar zou zijn maar hoogstens een gebruiker of een mede-eigenaar: de bezitsvordering is in wezen een bescherming van de feitelijke heerschappij over een onroerend goed of een deel ervan. Verwerende partij kan onmogelijk ontkennen dat het enkel eisende partij is die deze feitelijke heerschappij heeft uitgeoefend totdat bewuste paaltjes werden geplaatst. Het optreden van verwerende partij kan evenmin gerechtvaardigd worden door elementen van hoogdringende veiligheid: het plaatsbezoek maakte het duidelijk dat verderop vele bewoners een uitrit hebben via voet- en fietspad op de openbare rijweg.

De hoofdvordering is dan ook gegrond en de gevraagde maatregel tot afbraak van de bedoelde paaltjes dient krachtdadig met een uitvoerbaar vonnis te worden bevolen. Conform artikel 1371 Gerechtelijk Wetboek is de tegenvordering ontoelaatbaar doch daarenboven zijn wij niet bevoegd om uitspraak te doen over schendingen inzake stedenbouwkundige verordeningen en aanverwanten. Ten slotte is er het gegeven dat ondertussen verwerende partij inmiddels bedoelde zaak aanhangig maakte bij het parket, zodat alleszins het verloop van deze klacht dient te worden afgewacht.

OM DEZE REDENEN, […] Veroordelen verwerende partij tot wegname van de vijf paaltjes zoals deze werden geplaatst voor de tuinstrook van eisende partij aan de linkerzijde van het pand gelegen aan de ...steenweg 2 te Mortsel, kadastraal gekend als afdeling 2, sectie B, nr. 298f3 en dit binnen de veertien dagen na betekening van dit vonnis. Leggen verwerende partij een dwangsom op van 1.000 EUR per dag vertraging in de uitvoering van dit vonnis.

 

Verband met de eigendomsvordering: art. 1371 al. 2 Ger. W

Art. 1371. De bezitsvordering en de eigendomsvordering mogen niet samen worden ingesteld.
De eiser in het eigendomsproces mag niet meer toegelaten worden tot het instellen van de bezitsvordering.
De verweerder in het bezitsproces kan geen eigendomsvordering instellen, alvorens de beslissing van de rechter over de bezitsvordering in kracht van gewijsde is gegaan; indien hij in het ongelijk is gesteld, kan hij die vordering pas instellen nadat hij aan de tegen hem uitgesproken veroordelingen voldaan heeft. Evenwel, indien de partij die de veroordelingen heeft verkregen, deze te laat doet uitvoeren, kan de rechter over de eigendomsvordering voor deze uitvoering een termijn stellen, waarna de eigendomsvordering toegelaten is; hij kan zelfs in dat geval machtiging verlenen om die rechtsvordering onmiddellijk in te stellen ten einde een naderende verjaring te stuiten.

Wanneer een eisende partij een eigendomsvordering en een bezitsvordering ter zelfdertijd, weze het bij afzonderlijk exploot instelt dan impliceert het instellen van de eigendomsvordering de afstand van de bezitsvordering hetgeen dus leidt tot de onontvankelijkheid van de bezitsvordering. Vred. Herstal 13/12/2002, T. Vred. 2006, 3-4, 124.

Geen bezitsvordering met betrekking tot een wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg: Cassatie arrest van 22 maart 2002

De eigenaars van een erf dat via een gemeentelijke weg van één meter breed met de openbare weg was verbonden, beweerden een erfdienstbaarheid van uitweg te hebben over een totale breedte van 3 meter aan weerskanten van de weg en dit over het erf dat hun erf van de openbare weg scheidde. Zij beklaagden zich voor de rechter over het feit dat de eigenaars van het zogenaamde dienstbare erf hen in de uitoefening van deze erfdienstbaarheid hinderden.

Na het bestaan van een conventionele erfdienstbaarheid of een erfdienstbaarheid door ‘bestemming door de huisvader’ te hebben uitgesloten, lieten de eisers gelden dat hun erf onvoldoende toegang tot de openbare weg had. Bijgevolg hielden zij voor een erfdienstbaarheid van uitweg te hebben in de zin van artikel 682 B.W. Zij kwalificeerden hun vordering als een ‘bezitsvordering’ die ertoe strekte de hindernissen weg te nemen die de uitoefening van de erfdienstbaarheid van uitweg zouden kunnen belemmeren.

Krachtens artikel 1370, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, worden bezitsvorderingen slechts toegelaten op voorwaarde dat het gaat om onroerende goederen of onroerende rechten die verkregen kunnen worden door verjaring. De verweerders hadden, op die grond, besloten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Enerzijds kan men krachtens artikel 684, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 1 maart 1978 betreffende het recht van uitweg, zich op geen verjaring beroepen, hoelang de uitweg ten behoeve van het ingesloten erf ook moge bestaan. Anderzijds bepaalt artikel 691 van hetzelfde wetboek dat niet voortdurende erfdienstbaarheden slechts door een titel kunnen worden gevestigd. Niettemin verklaarden de appelrechters de vordering ontvankelijk. Daartoe wezen zij erop dat de eisers voorhielden sinds onheuglijke tijden over een erfdienstbaarheid van uitweg te beschikken. Bijgevolg dienden de regels van vóór de wet van 1 maart 1978 te worden toegepast. Deze regels, in de interpretatie die de rechtspraak eraan gaf, lieten toe dat het voorwerp van uitoefening van de erfdienstbaarheid van uitweg en de wijze van uitoefening ervan, in tegenstelling tot de erfdienstbaarheid zelf, door verjaring konden worden verkregen. Na te hebben vastgesteld dat de wet de titel vormt waarop de erfdienstbaarheid steunt, hadden de appelrechters aanvaard dat de eisers het voorwerp van uitoefening van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening ervan door verjaring konden verkrijgen, met name door de uitoefening van de erfdienstbaarheid gedurende dertig jaar vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 maart 1978. Zij beslisten dat dit door een bezitsvordering (reïntegrande) kon worden beschermd. (La "Réintégrande" est le nom donné à l' action possessoire intentée par celui qui a été dépossédé d'un bien immobilier par une voie de fait).

Het arrest van 22 maart 2002 verklaart de voorziening tegen deze beslissing gegrond. Aangezien krachtens artikel 684 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 1 maart 1978, men zich inzake de wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg niet meer op de verjaring kan beroepen, kan een bezitsvordering met betrekking tot zo een erfdienstbaarheid niet meer worden toegelaten. Op basis van de uitdrukkelijke tekst van artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek en de bedoeling van de wetgever, zoals die duidelijk blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 maart 1978, om een einde te stellen aan het onderscheid tussen het recht en de wijze van uitoefening ervan dat voorheen in de rechtsleer en rechtspraak werd gemaakt, bevestigt het Hof bijgevolg zijn vroegere rechtspraak [8] . Het Hof doet dit ook al maakt een belangrijk gedeelte van de rechtsleer voorbehoud bij de uitsluiting van de mogelijkheid om voor een wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg een reïntegrande in te stellen. De rechtsleer steunt zich hiervoor op de vaststelling dat in dat geval de wet een titel vormt die elke vorm van gedogen uitsluit.

• Vred. Mol 7 juni 1988, R.W. 1988-89, 1409.

Ontoelaatbaar zijn de bezitsvordering, de vordering tot opmeting en afpaling en de eigendomsvordering die samen worden ingesteld.

• Vred. Menen 9 januari 1985, T. Vred. 1987, 234.

De verweerder in een bezitsproces kan bij tegeneis geen eigendomsvordering inleiden.

• Vred. Aarlen 20 november 1981, J.L. 1982, 232, noot HANSENNE, J.

Indien bezits- en eigendomsvordering samen voor de rechter gebracht zijn mogen deze niet worden gecumuleerd. De rechter dient vooraf de bezitsvordering te beslechten.
De bezitsvordering is mogelijk voor de wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg.


Soorten bezitsvorderingen:

Complainte (klachte) en de reïntegranda.(De complainte is de eigenlijke bezitsvordering, die enkel door een deugdelijke bezitter van een onroerend goed kan worden uitgeoefend, terwijl de reïntegranda door elke detentor kan worden uitgeoefend, zij het enkel wanneer er sprake is van feitelijkheden of geweld bij de bezitsstoornis)

Complainte kan worden toegelaten wanneer voldaan is aan 4 voorwaarden:
1. Onroerende goederen of minstens onroerende rechten die door verjaring kunnen worden verkregen
2. Gestoorde bezit moet minstens gedurende 1 jaar uitgeoefend zijn
3. Bezit moet alle eigenschappen vertonen van deugdelijk bezit
4. Stoornis of ontzetting mag nog geen 1 jaar bestaan

Reïntegranda kan worden ingesteld bij een stoornis door geweld of een feitelijkheid en in dit geval moet niet worden voldaan aan 2 en 3. De reintegranda of bezitsvordering betreft een persoonlijke vordering om een schade te herstellen die voortvloeit uit misdrijven en oneigenlijke misdrijven gepleegd naar aanleiding van het bezit. Zij staat open voor de eenvoudige bezitter, zij het dat het bezit onwettig of ter bede is.
De reintegranda is een maatregel van openbare orde en rust, bestemd om de feitelijkheden, wie ook de daders ervan zijn, te straffen en gaat uit van het beginsel dat niemand zichzelf recht kan aandoen.


Bezitsvorderingen worden ingesteld bij vrederechter

Rechtspraak reïntegranda:

• Vred. Nazareth, 10 mei 1926, Belg.Jud., 1927, 30-31.


De eisers in deze procedure bouwden een villa in St. Martens Latem en maakten gebruik van een weg om toegang te bekomen tot hun woning. De verweerder in de procedure had deze weg belemmerd door  een put in deze weg te graven. De vrederechter staat de reïntegranda toe nadat deze vaststelde dat aaan de 4 voorwaarden was voldaan:

1. Het handelt om een zakelijk recht dat door verjaring kan verworven worden.
2. Eisers gebruikten de doorgang vòòr de hinder ontstond.
3. Er was sprake van een verhinderen van de doorgang.
4. De vordering werd binnen het jaar na de feiten ingesteld.

De vrederechter veroordeelde de verweerder (de buurman) op basis van de reïntegranda tot het dichten van de put die hij gegraven heeft en tot het herstel van de plaats in de vorige staat onder verbeurte van een dwangsom per dag vertraging, te betalen aan eisers.

• Cass. 29 mei 1997, Arr. Cass. 1997, 585; , Bull. 1997, 607; , J.L.M.B. 1998, 671, noot LECOCQ, P.; , P.&B. 1998, 162;  R.W. 1998-99 (verkort), 270.

De bezitsvordering, 'reïntegrande' genaamd, kan worden ingesteld door elke houder van een onroerend goed en door elke titularis van een zakelijk onroerend recht, wiens genot door geweld of door een feitelijkheid wordt gestoord, inzonderheid degene die een onroerend goed onder zich had dat kon worden verkregen door verjaring krachtens een regelmatige titel van houderschap, maar aan wie die titel werd ontnomen (art. 1370 Ger.W.).

• Rb. Brugge 20 juni 1997, T. Not. 2000 (verkort), 82, noot LUST, A. .

Opdat een reïntegranda, zoals de klacht trouwens, ontvankelijk zou zijn, is vooreerst dat de vordering onroerende goederen of onroerende rechten betreft die verkregen kunnen worden door verjaring. Een erfdienstbaarheid non aedificandi, die een niet-zichtbare voortdurende erfdienstbaarheid uitmaakt, kan nooit door verjaring verkregen worden (art. 690 en 691 B.W.) zodat zij ook geen bezitsbescherming kan genieten.
De vordering in zoverre zij bij wege van een reïntegranda de bezitsbescherming beoogt van de bedongen erfdienstbaarheid non aedificandi is zodoende niet ontvankelijk, nu niet voldaan is aan één der belangrijkste ontvankelijkheidsvereisten van de bezitsvordering.

• Rb. Brugge 7 april 1977, T. Not. 1982, 179, noot C.D.B.

Voor de uitoefening van de reintegranda vertoont het geen belang dat tussen partijen een eventueel contract bestaat, zodat zowel de huurder als de houder van de zaak, de reintegranda kan instellen tegen de verpachter, die hem uit zijn bezit zou ontzetten.

• Vred. St.-Truiden 9 april 2002, T. Agr. R. 2003, afl. 1, 49.

Eisers die stelden gedurende meerdere jaren gronden in gebruik gehad te hebben ingevolge beweerde gebruiksruil. Na het overlijden van diegene die het gebruik toestond werden zij van de gronden gezet door diegene die stelt na het genoemde overlijden pachter geworden te zijn met toestemming van de eigenares, de Kerkfabriek.
Eisers stellen een bezitsvordering in, nl. de 'reïntegranda'. Voor deze eis dient o.a. de voorwaarde van art. 1370, lid 4 Ger. W. aangetoond. Lid 4 vereist onder meer een stoornis of ontzetting van bezit, veroorzaakt door geweld of feitelijkheden. Bij de beoordeling van de aard van de feitelijkheid volstaat het dat de gestelde handelingen het verzet van een houder uitlokt. Zodra deze handelingen een zelfverweer kunnen rechtvaardigen, met stoornis van de openbare rust, bestaat er een feitelijkheid.

• Vred. Ieper 28 mei 1998, T. Agr. R. 1998, 275.

De reïntegranda die het herstel van het bezit beoogt indien dit door geweld of feitelijkheden wordt verstoord of verloren is gegaan, staat los van een eventueel pachtrecht, vermits eiser zijn rechten niet put uit de pachtovereenkomst maar uit de materiële detentie die hij over het onroerend goed heeft. Een voorafgaandelijke verzoeningspoging is dan ook niet vereist.

• Vred. Sint-Truiden 7 december 1976, R.W. 1976-77, 1706.

De reintegranda kan worden uitgeoefend door de bezitter of door de houder, die door gewelddaden of dwang van het goed wordt beroofd of in het bezit ervan wordt gestoord. Ze kan worden ingesteld door de pachter tegen degene die geweld of feitelijkheden pleegt, ook al is hij de verpachter.
 

• Vred. Wolvertem 4 september 1997, R.W. 1998-99 (verkort), 55

De reïntegranda kan ingesteld bij een gestoord bezit ingevolge feitelijkheden. Het dichtgooien van een gracht of het ophogen van een terrein in strijd met een bouwvergunning maakt een dergelijke feitelijkheid uit.
Een reïntegranda kan worden ingesteld door een detentor, een houder van een zakelijk recht, een precair bezitter of een partij die ingevolge een overeenkomst met iemand anders een onroerend goed of een onroerend zakelijk recht onder zich heeft.

• Vred. Westerlo 26 januari 1996, R.W. 1998-99, 99 en http://www.rwe.be (12 juli 2006); , T. Vred. 1998, 345.

De niet-voortdurende erfdienstbaarheid van doorgang komt niet in aanmerking voor de bezitsbescherming, omdat deze niet door verjaring kan worden verkregen.
Als mede-eigendom komt de losweg wel in aanmerking voor de bezitsvordering. In het voorliggend geval werd niet bewezen dat het gaat om een losweg. Een nader onderzoek was in het raam van een bezitsproces onmogelijk, omdat de rechter zich in het bezitsproces niet mag uitspreken over de grond van het recht.

Vred. La Roche 12 februari 1980, J.L. 1980, 269, noot P.H.; , J.T. 1980, 296; , T. Vred. 1980, 112.

De erfdienstbaarheid van doorgang kan niet door verjaring verkregen worden, ze kan dus het voorwerp niet uitmaken van de reintegranda.

• Vred. Kontich 29 juni 1979, Res Jur. Imm. 1980, 143.

Een reintegranda kan tegen de overheid worden ingesteld, zelfs wanneer de bezitter niet animo domini bezit. Behoudens tegenbewijs mag het onroerend goed geacht worden tot het privaat domein te behoren.

• Cass. 10 maart 2005 (L.H., G.M.-F. / L.P.); , J.T. 2005, afl. 6185, 416; , Pas. 2005, afl. 3, 565; , Rev. not. b. 2005, afl. 2986, 298, noot -
De bezitsvordering tot herstel van een wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg is onontvankelijk. (art. 684 B.W.; art. 1370 Ger.W.)

• Cass. 7 september 2001  Arr. Cass. 2001, afl. 7, 1399; , Cah. dr. immo 2002, afl. 4, 22; , Pas. 2001, afl. 9-10, 1347; , Rev. not. b. 2002 (verkort), 33, noot -.
Het bezit dat steunt op de wijdverbreide overtuiging dat het litigieuze perceel onlosmakelijk behoorde tot de door de nieuwe bewoners verworven eigendom, is niet dubbelzinning (art. 2229 B.W.).

• Cass. 20 oktober 2000 Arr. Cass. 2000, 1623; , Bull. 2000, 1589.

Het wettelijk verbod de bezitsvordering en de eigendomsvordering samen in te stellen en de eiser in het eigendomsproces toe te laten tot een bezitsvordering, belet niet dat, wanneer een bezitsvordering in hoofdorde is gesteld, een eigendomsvordering in ondergeschikte orde wordt gesteld (art. 1371, lid 1 Ger.W.).

• Cass. 23 februari 1995 Arr. Cass. 1995, 202; , Bull. 1995, 203; , Pas. 1995, I, 203; , R. Cass. 1995, 213, noot VUYE, H..

Niet ontvankelijk is de vordering tot herstel in het bezit, wanneer ze betrekking heeft op een wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg (art. 684 B.W.; art. 1370 Ger.W.).

Aangezien de bezitsvordering niet samen met de eigendomsvordering mag worden ingesteld, impliceert het instellen van een eigendomsvordering dat afstand wordt gedaan van de bezitsvordering (art. 1371 Ger. W.).

• Cass. Arr. Cass. 1980-81, 754; , Bull. 1981, 738; , J.T. 1982, 42; , Pas. 1981, I, 738; , R.W. 1981-82, 1988.

De bezitsvordering wordt met een eigendomsvordering vermengd door de rechter die beslist dat degene die een recht van overgang heeft, geen belang heeft bij het instellen van een bezitsvordering, op grond dat hij niet aantoont dat het recht van overgang gestoord is (art. 1371 Ger.W.).

• Cass. 11 februari 1977, Arr. Cass. 1977, 654, noot; , R.W. 1976-77, 2420.

Wanneer de bezitsvordering gegrond is op een bezitsstoornis ten gevolge van feitelijkheden, moet de eiser niet bewijzen dat de bij de art. 2228 tot 2235 B.W. bepaalde kenmerken van het bezit aanwezig zijn. Hij moet echter het bezit zelf bewijzen.

• Rb. Verviers nr. 00/51/A, 3 maart 2004, T.B.B.R. 2004, afl. 5, 294.

Uit de rechtspraak blijkt dat de bepaling van het artikel 862 § 1, 4º van het Gerechtelijk Wetboek, dat een volstrekte nietigheid van de proceshandeling voorziet, beperkend moet worden toegepast en niet kan worden uitgebreid tot het geval waarin de aanwijzing van de rechter in beroep wel voorkomt in het verzoekschrift van hoger beroep, maar deze ratione loci onbevoegd is, ook al is dit krachtens een regel van openbare orde.
De bezitsvordering wordt maar toegelaten, overeenkomstig wat het artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet, wanneer onroerende rechten moeten worden beschermd die door verjaring kunnen worden verkregen, wat niet het geval is voor een erfdienstbaarheid van doorgang die, aangezien die niet voortdurend en niet zichtbaar is, overeenkomstig het artikel 691 van het Burgerlijk Wetboek niet op die manier kan worden verkregen.
In het kader van een eigendomsvordering (artikel 1371 van het Gerechtelijk Wetboek) die ertoe strekt de erkenning van een beweerde erfdienstbaarheid te bekomen, komt het de eiser toe het bewijs van het bestaan en van de omvang van de beweerde erfdienstbaarheid te leveren.
In dit geval beperken de eisers er zich toe de veroordeling van de verweerders te vorderen tot het doen ophouden van een feitelijke stoornis die voortspruit uit het oprichten van een afsluiting dwars over de uitweg waarvan ze overtuigd zijn het genot te hebben verworven. Door zo’n aanspraak staande te houden is het overduidelijk dat ze elk debat ten gronde over het bestaan en de omvang van de beweerde erfdienstbaarheid uit de weg gaan en niets anders doen dan terug te vallen op de bezitsvordering die de eerste rechter evenwel onontvankelijk heeft verklaard.
 

• Rb. Leuven 14 juni 2000, T.B.B.R. 2001 (verkort), 109.

De vordering die ertoe strekt de omvang van de erfdienstbaarheid te bepalen zoals die in de titel vastgelegd is en in functie daarvan na te gaan of er sprake is van een inbreuk op art. 701 B.W., is geen bezitsvordering.
Het gaat om een eigendomsvordering, het horen erkennen van een zakelijk recht, en niet enkel om in het bezit hersteld te worden.

Een erfdienstbaarheid heeft wel degelijk nog nut voor een erf zelfs al zou er aan de andere zijde van het perceel een tweede toegang zijn. Dergelijke tweede toegang verhoogt immers de waarde en exploitatiemogelijkheden.

• Vred. Tienen 6 juli 1998, T.B.B.R. 1999 (verkort), 154.


Degene die zich op de bezitsvorderingen van de art. 1370 en 1371 Ger.W. beroept moet ook bewijzen dat aan de toelatingsvoorwaarden voor deze vorderingen is voldaan. Zulks is des te waarachtiger nu, inzake bezitsvorderingen, de toelaatbaarheid/ontvankelijkheid van de vordering per definitie ook de gegrondheid van de vordering met zich meebrengt.

De reïntegrande kan zowel ingesteld worden door de bezitter, als door elke loutere houder/detentor. De animus domini of de wil/inzicht van de bezitter om eigenaar te worden is dus niet vereist. De noodzakelijke kenmerken van het bezit om uiteindelijk te kunnen resulteren in eigendom (eigenschappen voorzien bij de art. 2228 tot 2235 B.W.) dienen aldus niet bewezen te zijn.
Uiteraard dient dan wel minimum de detentie, namelijk het feit dat men de litigieuse goederen onder zich heeft, bewezen te worden.

De voorwaarde van art. 1370, 1º Ger.W. (onroerende goederen of onroerende rechten die verkregen kunnen worden door verjaring) heeft duidelijk betrekking op de natuur zelf van het onroerend goed, namelijk het al dan niet vatbaar zijn voor verjaring (los van de hoedanigheid van degene die er de feitelijke macht over uitoefent), terwijl art. 1370, 3º Ger.W. enkel de hoedanigheid betreft waaraan dit bezit moet voldoen.

• Cass. 18 november 1977, Arr. Cass. 1978, 320.

De rechter over de bezitsvordering, bij wie een vordering aanhangig is om in het bezit te blijven van een door een titel gevestigde erfdienstbaarheid van overgang, miskent niet de regel dat de bezitsvordering en de eigendomsvordering niet samen mogen worden ingesteld, als hij de door de eiser aangevoerde titel onderzoekt om na te gaan of deze tot grondslag kan dienen voor bezit overeenkomstig de wettelijke vereisten (art. 1371 Ger. W.).

• Rb. Doornik (3e k.) 21 december 2004, J.L.M.B. 2006, afl. 16, 705 en

De vordering die erop gericht is feitelijkheden te doen ophouden teneinde een bezit of een vreedzaam houderschap terug in te voeren, is een bezitsvordering. Het enkele feit de oorsprong van het bezit of van het houderschap in te roepen, volstaat niet om te besluiten dat de ingediende vordering een eigendomsvordering zou zijn.
 

• Rb. Luik (4e k.) 23 juni 1999, Cah. dr. immo 2002, afl. 1, 13.

De vraag of de inbezitneming en de uitbating van een weide voortvloeit uit een overeenkomst inzake grondruil of een pachtovereenkomst raakt de grond zelf van het recht en valt onder de eigendomsvordering. Zij kan dus niet worden beslecht in het kader van de bezitsvordering overeenkomstig de art. 1370 en 1371 Ger.W.


Het feit dat de eigenaar van een weide die geëxploiteerd wordt, de haag verwijdert, de omheining wegneemt of het betwiste perceel maait, vormt een feitelijkheid die leidt tot de ontzetting van bezit in de zin van art. 1370 Ger. W.

De schadevergoeding die kan worden toegekend in het kader van de bezitsvordering is beperkt tot de kosten en vergoedingen, die noodzakelijk zijn om de plaats in de vorige staat te herstellen. De eventuele schadeloosstelling voor de winstderving tengevolge van de ontzetting van bezit hangt af van de bepaling van het recht dat de bezitters al dan niet op het goed kunnen doen gelden en kan niet worden beslecht in het kader van een bezitsvordering.


De vordering tot herstel in bezit kan worden ingesteld door de bezitter die het slachtoffer is van feitelijkheden of van geweld, zelfs indien de titel krachtens welke hij bezitter was hem werd ontnomen.
 

• Vred. Fontaine-l'Evêque 26 mei 2005, Rev. Dr. ULg. 2007, afl. 2, 273, noot BOUFFLETTE, S


Noot BOUFFLETTE, S., L'article 710bis du Code civil et la suppression partielle des servitudes du fait de l'homme


Het voorafgaand onderzoek van de titel tot vestiging van een erfdienstbaarheid van doorgang in het kader van een bezitsvordering maakt geen inbreuk uit op het wettelijk verbod op cumul van de bezitsvordering en de eigendomsvordering wanneer het gaat om de aard en de omvang van het bezit te bepalen.


Art. 710bis B.W. moet restrictief worden geïnterpreteerd: een door de mens gevestigde erfdienstbaarheid kan niet worden afgeschaft als ze een actueel, toekomstig of potentieel nut behoudt, hoe klein ook, zowel vanuit een economisch standpunt als louter voor het genoegen.
Het bestaan van een muur die de toegang tot het heersende erf verhindert, heeft niet voor gevolg dat de erfdienstbaarheid van doorgang al haar nut verliest, in de mate dat deze muur op elk ogenblik kan worden doorboord of afgebroken om toegang te verstrekken tot het heersende erf.

Een ketting die door de eigenaars van het dienstbare erf aan de ingang van de doorgang wordt gehangen, verhindert de uitoefening van de erfdienstbaarheid niet, wanneer deze ketting enkel dient om de doorgang symbolisch te sluiten en gemakkelijk kan worden losgemaakt.
De erfdienstbaarheid van doorgang en het recht om zijn erf af te sluiten zijn niet onverenigbaar: de eigenaars van het dienstbare erf mogen een automatische poort of een bareel plaatsen aan de ingang van de erfdienstbaarheid van doorgang voor zover de begunstigde ervan over een sleutel of over een afstandsbediening beschikt waarmee deze kan worden geopend.

•• Cassatie 19 oktober 2007:

De bezitsvordering, actio reïntegranda genaamd, strekt tot handhaving van de openbare rust en kan worden ingesteld door elke houder, uit welken hoofde ook, van een onroerend goed of onroerend zakelijk recht die in het genot daarvan wordt gestoord door geweld of feitelijkheid (1) (2). (1) Zie Cass., 29 mei 1997, AR C.95.0455.F, A.C., 1997, nr 245. (2) Het O.M. was van mening dat de door de rechtbank bevolen heropening van het debat aldus kon worden uitgelegd dat ze betrekking had op de bepaling van de aard van het recht waarop de actio reïntegranda berustte en niet op de titel uit hoofde waarvan het bezit werd uitgeoefend. Het bestreden arrest dat overweegt dat het in de huidige stand van het dossier alleen mogelijk is met zekerheid aan te tonen dat de eisers daden hadden verricht die overeenkwamen met de uitoefening van een recht van overgang, en dat dus niet door verjaring kon worden verkregen en niet de grondslag kon vormen van een actio reïntegranda, biedt het bestreden vonnis de eisers inderdaad de gelegenheid het bestaan aan te tonen van "daden waaruit zou blijken dat zij zich als eigenaars hadden gedragen" of die "overeenkwamen" met het geclaimde recht, teneinde dat recht als al dan niet vatbaar voor verjaring te omschrijven.

Rechtsleer:

• H. Vuye, Bezit en bezitsbescherming van onroerende goederen en onroerende rechten, Brugge, die Keure, 1994, 1087 p.;
• P. Lecocq, Actions possessoires et référé, Luik, Faculté de Droit de Liège, 1995.


 

Nog dit: 

Rb. Antwerpen 31 maart 2014, T. Vred. 2015, 565

Bezitsvorderingen laten toe dat de bezitter of de houder van een onroerend goed of van een onroerend zakelijk recht opkomt tegen derden die dit bezit of deze detentie storen, teneinde een einde te laten stellen aan deze stoornis of hun bezit te handhaven, zonder dat het geschil ten gronde beslecht wordt (in deze zin
S. SNAET, “Art. 1370” in Comm.Ger., 1 en V. SAGAERT, “Reïntegranda en erfdienstbaarheid van uitweg: een gedwongen huwelijk?”, RW 2011-12, 1804).

Er zijn twee soorten bezitsvorderingen.
Artikel 1370, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek regelt de zogenaamde ‘klachte’ of ‘complainte’, terwijl artikel 1370, tweede lid van het Gerechtelijk
Wetboek handelt over de zogenaamde ‘reïntegranda’. Beide bezitsvorderingen kunnen enkel worden ingesteld met betrekking tot onroerende goederen of
onroerende rechten die door verjaring kunnen worden verkregen (artikel 1370, eerste lid, 1° van het Gerechtelijk Wetboek).

De reïntegranda is geen bezitsvordering in de strikte zin van het woord, nu zij ook kan worden ingesteld door de loutere houder of detentor van een onroerend goed of recht (in deze zin Cass. 29 mei 1997, Pas. 1997, 607 en Cass. 19 oktober 2007, Pas. 2007, 1830). Deze vordering strekt ertoe de openbare rust te handhaven.

Zij vormt een bijzondere toepassing van het verbod van eigenrichting (in deze zin V. SAGAERT, “Reïntegranda en erfdienstbaarheid van uitweg: een gedwongen huwelijk?”, RW 2011-12, 1805).
De reïntegranda kan enkel worden ingesteld wanneer de stoornis of de ontzetting van bezit veroorzaakt is door geweld of feitelijkheden (artikel 1370, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek) (in deze zin Cass. 29 mei 1997, Pas. 1997, 607 en Cass. 19 oktober 2007, Pas. 2007, 1830).
In dit geschil is er geen sprake van geweld of feitelijkheden, zodat de eis van appellant geen reïntegranda is, maar een klachte of complainte.
De klachte of complainte is de bezitsvordering die strekt tot handhaving van het bezit (in deze zin S. SNAET, “Art. 1370” in Comm.Ger., 2). Deze bezitsvordering strekt ertoe het deugdelijk bezit, het bezit dat tot verkrijgende verjaring kan leiden, te beschermen tegen stoornissen door derden (in deze zin V. SAGAERT, “Reïntegranda en erfdienstbaarheid van uitweg: een gedwongen huwelijk?”, RW 2011-12, 1805).
Hieruit volgt dat artikel 1370, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek een aantal voorwaarden koppelt aan de uitoefening van een klachte of complainte. In de eerste plaats moet het gaan om onroerende goederen of rechten die door verjaring kunnen worden verkregen (artikel 1370, eerste lid, 1° van het Gerechtelijk Wetboek)
(in deze zin Cass. 17 maart 1983, Pas. 1983, 785). In de tweede plaats moet dit bezit minstens 1 jaar oud zijn (artikel 1370, eerste lid, 2° van het Gerechtelijk Wetboek). Dit is een feitenkwestie, waarvan het bewijs door alle middelen van recht geleverd kan worden en die soeverein door de feitenrechter wordt beoordeeld (in deze zin S. SNAET, “Art. 1370” in Comm.Ger., 8).
Er wordt ook enige diligentie verwacht van de titularis van dit vorderingsrecht, in die zin dat de stoornis of ontzetting uit het onroerend goed of recht minder dan 1 jaar vóór het instellen van de bezitsvordering moet hebben aangevangen of plaatsgevonden (artikel 1370, eerste lid, 4° van het Gerechtelijk Wetboek). Het betreft een vervaltermijn. Deze termijn kan niet gestuit of geschorst worden (in deze zin S. SNAET, “Art. 1370” in Comm. Ger., 10).
Geïntimeerden hebben naar deze vervaltermijn verwezen op pagina 14, onder randnummer 17, van hun syntheseconclusie in hoger beroep.
In dit geschil houdt appellant voor dat de verschillende bezwaarschriften en administratieve beroepschriften van geïntimeerden zijn bezit storen. Uit de voorgelegde stukken en de conclusies van partijen blijkt dat het eerste bezwaarschrift van geïntimeerden werd
ingediend in het kader van het openbaar onderzoek gevoerd van 17 december 2009 tot en met 16 januari 2010. Volgens appellant vormen de 2 bezwaarschriften en de 2 beroepschriften van een geïntimeerde een stoornis in rechte van het bezit van appellant.
De bezitsvordering van appellant die pas werd ingesteld bij dagvaarding van 30 mei 2012 werd dan ook manifest buiten de voormelde vervaltermijn van 1 jaar voorzien in artikel 1370, eerste lid, 4° van het Gerechtelijk Wetboek ingesteld, aangezien de vermeende bezitsstoornis uiterlijk op 16 januari 2010 heeft aangevangen, zodat de eis van appellant om deze enkele reden reeds ontoelaatbaar is.
Bovendien moet de aangeklaagde bezitsstoornis bestaan uit materiële of rechtshandelingen waaruit blijkt dat het bezit betwist wordt (in deze zin S. SNAET, “Art. 1370” in Comm.Ger., 16). Er is sprake van bezitsstoornis wanneer een derde door zijn feitelijke gedragingen of handelingen het bezit stoort (stoornis in feite), dan wel uitdrukkelijk aanspraak maakt op dit bezit (stoornis in rechte) (in deze zin H. VUYE, Bezit en bezitsbescherming van onroerende goederen en rechten, Brugge, die Keure, 1995, nr. 686). De bezitsstoornis is niet noodzakelijk een onrechtmatige handeling en zij veroorzaakt niet noodzakelijk schade (in deze zin S. SNAET, “Art. 1370” in Comm.Ger., 17).
Geïntimeerden hebben geen enkele feitelijke gedraging of handeling gesteld, maar wel rechtshandelingen (bezwaren en administratieve beroepen), zodat er geen sprake kan zijn van een stoornis in feite. In dit geschil kan er evenmin sprake zijn van een stoornis in rechte aangezien geïntimeerden geen enkele juridische aanspraak maken op het bezit van appellant. Er is dus sprake van enige bezitsstoornis en de eis strekt dan ook niet tot vrijwaring van enig bezit, zodat ook om deze reden de eis ontoelaatbaar is.
Eiser beroept zich in werkelijkheid niet op een feitelijke toestand (zijn bezit animus domini), maar op een recht (zijn eigendomsrecht).
Ten overvloede wijst de rechtbank dan ook op wat volgt.
Ter zake bepaalt artikel 1371 van het Gerechtelijk Wetboek dat bezitsvorderingen en eigendomsvorderingen niet samen mogen worden ingesteld en dat de eiser in het eigendomsproces niet meer wordt toegelaten tot het instellen van een bezitsvordering.

Deze wetsbepaling strekt ertoe het rechtsgeschil over de eigendom en het bezit duidelijk van elkaar te scheiden (in deze zin Cass. 6 maart 1981, Pas. 1981, I, 738). Een eigendomsvordering strekt tot handhaving, teruggave, erkenning of ontkenning van de eigendom of van een ander zakelijk recht zoals een erfdienstbaarheid (in deze zin S. SNAET, “Art. 1371 Ger.W.” in Comm.Ger., 2).
De eiser in een eigendomsgeschil baseert zijn eis op een recht, terwijl de eiser in een bezitsprocedure zijn aanspraak steunt op een feitelijke toestand (in deze zin S. SNAET, “Art. 1371 Ger.W.” in Comm.Ger., 4).

Beide rechtsgedingen mogen niet samen ingesteld worden. Eens een eigendomsvordering werd ingesteld kan geen bezitsvordering zoals bedoeld in artikel 1370 van het Gerechtelijk Wetboek meer worden ingesteld.
Ten slotte moet het resultaat van de bezitsprocedure afgewacht worden en moet een maatregel die in de bezitsprocedure werd opgelegd om de bezitsstoornis te herstellen of te voorkomen in principe eerst uitgevoerd worden, alvorens een eigendomsvordering wordt toegelaten.

Aldus tracht de wetgever een kluwen aan procedures, die niet noodzakelijk tot de bevoegdheid van dezelfde rechter behoren, te voorkomen.

Zo behoort de belangrijkste van de eigendomsvorderingen, de revendicatie (behoudens met betrekking tot erfdienstbaarheden), tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, terwijl de bezitsvordering met betrekking tot onroerende goederen en rechten behoren tot de bevoegdheid van de vrederechter. Gelet op de waarde of kennelijke waarde die onroerende zakelijke rechten doorgaans hebben, is het hoogst onwaarschijnlijk dat de vrederechter krachtens zijn algemene bevoegdheid, zoals bepaald in artikel 590 en 592 van het Gerechtelijk Wetboek, bevoegd zal zijn om kennis te nemen van een eigendomsvordering.

Krachtens artikel 1371, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek leidt de eerder ingestelde eigendomsvordering tot de ontoelaatbaarheid van de bezitsvordering.

In dit geschil heeft appellant eerst een eigendomsvordering (ontkenning van het bestaan van een erfdienstbaarheid ten gunste van het erf van geïntimeerden; actio negatoria) ingesteld voor de eerste rechter bij dagvaarding van 1 juli 2010.

De eerste rechter heeft deze eigendomsvordering reeds definitief beslecht en dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

5. Rechtsplegingsvergoeding

De eis betreft een niet in geld waardeerbare zaak zodat de desbetreffende tarieven van toepassing zijn.

Partijen verzoeken de rechtbank niet af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding

6. Uitspraak

De rechtbank stelt vast dat de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in rechtszaken nageleefd is en doet uitspraak op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen: Wijst het verzoek tot heropening der debatten af.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, maar ongegrond.

Verklaart het incidenteel hoger beroep toelaatbaar en in de volgende mate gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet in zoverre de eerste rechter zich deels zonder rechtsmacht heeft verklaard en de eis voor het overige ongegrond heeft verklaard en opnieuw recht sprekende.

Verklaart de eis van appellant ontoelaatbaar.

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot en door de rechtbank vereffend op 1.320 euro (rechtsplegingsvergoeding). (...)

• Arrondissementsrechtbank Oost-Vlaanderen, 17 oktober 2016 RW 2016-2017, 1355

M.-C.V. e.a. t/ K.L.

Eisers zijn eigenaar van een perceel bos en een tuin gelegen te Oudenaarde, (...). Zij kregen een verkavelingsvergunning om daar diverse werken uit te voeren, zoals de afbraak van een kippenloods. Zij legden daar ook een oprit aan.

Verweerder maakte zich schuldig aan het opbreken van deze oprit en stortte daar grond. De verwijdering ervan werd reeds in kort geding bevolen.

Er wordt thans door eisers, bij dagvaarding van 29 oktober 2015, aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, gevraagd verwerende partij verbod op te leggen tot elke stoornis met betrekking tot het toegang nemen tot voormelde percelen of er werken uit te voeren.

Bij verwijzingsvonnis van 28 juni 2016 stelt de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, aan de arrondissementsrechtbank Oost-Vlaanderen de vraag of de vordering die wordt gesteld al dan niet een bezitsvordering is waarvoor de vrederechter bevoegd is.

...

Art. 591, 5o Ger.W. bepaalt dat, ongeacht het bedrag van de vordering, de vrederechter kennisneemt van bezitsvorderingen.

De ingestelde vordering die erop gericht is feitelijkheden te doen ophouden teneinde een bezit of een vreedzaam houderschap terug in te voeren, is wel degelijk een bezitsvordering.

Het enkele feit de oorsprong van het bezit of van het houderschap in te roepen, volstaat niet om te besluiten dat de ingediende vordering een eigendomsvordering zou zijn (vgl: Vred. Wervik 22 september 1998, RW 1990-2000, 621).

Derhalve is het de vrederechter van het kanton Oudenaarde/Kruishoutem, afdeling Oudenaarde, die de bevoegde rechter is.

 

Franse term: 
action possessoire, complainte
Nuttige tips: 

Hof van Beroep Brussel, 03/04/2012 jura

Samenwatting

Een bezitsvordering wordt slechts toegelaten, onder andere onder de voorwaarde dat minder dan een jaar verkopen is sinds de stoornis of de ontzetting van bezit (artikel 1370, 4° Ger. W.).

Bij toepassing van artikel 1398, tweede lid Ger. W. geschiedt de door de rechter toegestande voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis alleen op risico van de partij die daartoe last geeft en onverminderd de regels inzake kantonnement.

Tekst arrest

 

Rep. Nr. 2012/
A.R. nr.  2009/AR/1860
 
 
INZAKE VAN :
 
 
1) De heer T. A., en zijn echtgenote
2) Mevrouw D.  B. , 
samenwonende te 
appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 23 februari 2009,
 
1ste kamer          
                           TEGEN :
 
 
De naamloze vennootschap C & F S., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is 
geïntimeerde, 
 
 
Een bezitsvordering wordt slechts toegelaten, onder andere onder de voorwaarde dat minder dan een jaar verkopen is sinds de stoornis of de ontzetting van bezit (artikel 1370, 4° Ger. W.).
 
Bij toepassing van artikel 1398, tweede lid Ger. W. geschiedt de door de rechter toegestande voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis alleen op risico van de partij die daartoe last geeft en onverminderd de regels inzake kantonnement.
 
 
 
 
Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:
 
-het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (10de kamer), na tegenspraak uitgesproken op 23 februari 2009, bij exploot van 5 juni 2009 aan appellanten betekend;
-het verzoekschrift tot hoger beroep, op 3 juli 2009 ter griffie neergelegd;
-de syntheseconclusie van appellanten;
-de syntheseconclusie van geïntimeerde.
 
 
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 5 maart 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.
 
 
I. Procedure
 
 
1. Appellanten stellen hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat hun oorspronkelijke vordering, ingesteld bij dagvaarding van 15 april 2008, ongegrond verklaart en hen veroordeelt tot betaling van de gerechtskosten.
 
2. Appellanten vorderen met de hervorming van het bestreden vonnis, om hun oorspronkelijke vordering in te willigen, met veroordeling van geïntimeerde tot betaling van 16.000 euro plus de kosten.
 
3. Geïntimeerde besluit tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert veroordeling van appellanten tot de gerechtskosten van het hoger beroep.
 
 
Zij vraagt de conclusie van appellanten d.d. 15 oktober 2009 uit de debatten te weren.
 
II. Relevante feitelijke gegevens
 
4. Het hof verwijst naar de omstandige uiteenzetting van de antecedenten in het bestreden vonnis (p. 3-4).
 
5. Appellanten hebben bij (niet voorgelegde) notariële akte van 14 november 2002 een pand gekocht, gelegen te Lot, Pastoriestraat nummer 11. De verkoper was huidige geïntimeerde, die tevens eigenaar was en bleef van het naastgelegen pand, Pastoriestraat nummer 9.
 
 
Een betwisting rees tussen appellanten en de voormalige huurder van geïntimeerde m.b.t. het gebruik van hun tuin en garage. Na het vertrek van de huurder hebben huidige appellanten in de loop van de maand mei 2003 bezit genomen van deze tuin en garage en hebben zij werken ondernomen teneinde de twee panden duidelijk te individualiseren en elke toegang tot hun pand te ontzeggen.
 
6. Huidige appellante stelde een bezitsvordering voor de vrederechter van het kanton Halle in die, bij vonnis van 7 december 2005? de vordering ontvankelijk en gegrond verklaarde en huidige appellanten veroordeelde "de werken die zij uitgevoerd hebben aan de Pastoriestraat nummer 9, nl. het dichtmetselen van de deuropening en het afsluiten van de toegangsdeur van de binnenkoer, ongedaan te maken en dit binnen de 14 dagen na de betekening van huidig vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag vertraging." De vrederechter gaf huidige appellante bovendien voorbehoud voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding en veroordeelde huidige appellanten tot de kosten. De vrederechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
 
Het vonnis werd aan huidige appellanten betekend op 5 januari 2006.
 
Op 30 juni 2006 heeft geïntimeerde een bevel laten betekenen .
 
7. Appellanten stellen dat zij dan ook zijn overgegaan tot het uitvoeren van de bevolen werken, ondanks het hoger beroep dat zij op 13 januari 2006 hadden ingesteld.
 
 
8. Bij vonnis van 23 januari 2007 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (21ste kamer), zetelend in graad van beroep, het hoger beroep van appellanten gegrond verklaard en de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde onontvankelijk verklaard. Geïntimeerde werd veroordeeld tot de gerechtskosten van beide aanleggen. De rechtbank oordeelde immers dat geïntimeerde niet haar bezitsvordering had ingesteld binnen de termijn van een jaar "sinds de stoornis of de ontzetting van bezit" zoals bepaald bij artikel 1370, 4° van het Gerechtelijk Wetboek.
 
9. Appellanten hebben bij dagvaarding van 15 april 2008 huidige vordering voor de eerste rechter ingesteld om vergoeding te vorderen van de schade die zij beweren te hebben geleden doordat geïntimeerde onterecht het vonnis van de vrederechter hebben laten uitvoeren.
 
Appellanten vorderden bij dagvaarding 500 euro voor de evacuatie van de verschillende aan geïntimeerde toebehorende voorwerpen, 250 euro per maand gedurende 36 maanden wegens het niet-genot van het goed (totaal 9.000 euro) en 2.500 euro wegens morele schade. Zoals hierboven uiteengezet wordt hun totale schade thans begroot op 16.000 euro.
 
III. Bespreking
 
 
10. De eerste rechter stelde vast dat appellanten geen enkel bewijsstuk neerlegden waaruit zou blijken dat zij zijn overgegaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van het vonnis van de vrederechter en dat zij zelfs de vonnissen niet voorlegden noch uitleg geven welke werken zij hebben uitgevoerd noch op basis van welke documenten dit gebeurde. Hun vordering werd dan ook ongegrond verklaard.
 
1°. Verzoek tot wering uit de debatten
 
11. Geïntimeerde vraagt de eerste conclusie van appellanten uit de debatten te weren.
 
Bij beschikking van 11 augustus 2009 heeft het hof op grond van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek de conclusietermijnen vastgelegd voor appellanten op 15 oktober 2009 en 15 februari 2010 en voor geïntimeerde op 15 december 2009 en 15 april 2010.
 
Appellanten hebben hun eerste conclusie neergelegd op 15 oktober 2009 en hun syntheseconclusie neergelegd op 15 februari 2010.
 
Geïntimeerde laat gelden dat de brief van 15 oktober 2009 waarbij de raadsman van appellanten zijn eerste conclusie meedeelde in de Franse taal is opgesteld. Deze brief zou als akte van de rechtspleging nietig zijn in de zin van artikel 745 van het Gerechtelijk Wetboek met het gevolg dat de conclusie niet rechtsgeldig werd meegedeeld en uit de debatten moet geweerd worden.
 
12. Artikel 745 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat alle conclusies aan de tegenpartij of aan haar advocaat worden gezonden tezelfdertijd als zij ter griffie worden neergelegd. Te dezen gebeurde de neerlegging van de (eerste) conclusie van appellanten gelijktijdig als de materiële mededeling ervan aan de raadsman van geïntimeerden. 
 
 
De conclusie werd niet na het verstrijken van de termijn aan de tegenpartij gezonden zodat er geen reden is om deze uit de debatten te weren overeenkomstig artikel 747 § 2, voorlaatste alinea, van het Gerechtelijk Wetboek.
 
De conclusie zelf is volledig in de Nederlandse taal opgesteld zoals door artikel 38 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken voorgeschreven.
 
Het verzoek tot wering uit de debatten is ongegrond. Ten overvloede benadrukt het hof dat geïntimeerde geen wering uit de debatten vraagt van de syntheseconclusie van appellanten, welke de eerste conclusie van appellanten vervangt (artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek).
 
2°. Ontvankelijkheid van het hoger beroep - Exceptie van nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep
 
13. Geïntimeerde concludeert tot de nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep wegens miskenning van artikel 1057, eerste lid, 1° van het Gerechtelijk Wetboek.
 
14. Appellanten hebben hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 3 juli 2009. Het origineel van het verzoekschrift werd gedateerd op 3 juli 2009.
 
Zoals blijkt uit het dossier van geïntimeerde heeft de griffie bij gerechtsbrief van 6 juli 2009 overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek de raadsman van geïntimeerde ter kennis gebracht van het hoger beroep en een kopie bezorgd van het verzoekschrift tot hoger beroep, welke kopie onderaan geen datum draagt.
 
 
15. Er wordt vooreerst opgemerkt dat de kopie bijgevoegd aan de gerechtsbrief wel de stempel van de griffie draagt met melding dat het verzoekschrift op 3 juli 2009 ter griffie neergelegd werd.
 
Het wordt bovendien niet aangetoond dat de kennisgeving aan geïntimeerde partij zelf ook met een ongedateerde kopie van het verzoekschrift vergezeld was.
 
16. Een onregelmatigheid in de kennisgeving van het hoger beroep tast de regelmatigheid van de akte van hoger beroep niet aan. Te dezen blijkt duidelijk dat het hoger beroep tijdig en regelmatig ingesteld werd en ontvankelijk is. 
 
Het neergelegde verzoekschrift tot hoger beroep dat aan alle voorwaarden van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek voldoet, kan niet nietig verklaard worden om de enige reden dat de door de griffie aan de raadsman van geïntimeerde meegedeelde kopie ervan geen datum draagt.
 
3°. Ten gronde
 
17. De tenuitvoerlegging van het vonnis van de vrederechter van 7 december 2005 geschiedde op risico van de executant, zijnde geïntimeerde. Artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek creëert een geval van risicoaansprakelijkheid in geval het vonnis in hoger beroep wordt hervormd. De executant is dan gehouden tot restitutie en tot vergoeding van de schade zonder dat enige fout, noch kwade trouw moet worden bewezen .
 
Het wordt thans door appellanten aangetoond dat geïntimeerde wel degelijk tot gedwongen tenuitvoerlegging bij voorraad van het vonnis van de vrederechter is overgegaan. Geïntimeerde heeft het vonnis op 5 januari 2006 laten betekenen. Een bevel werd op 30 juni 2006 aan appellanten betekend. Er kan dus geen sprake zijn van vrijwillige uitvoering van het vonnis van 7 december 2005.
 
 
18. Appellanten verstrekken heel weinig nauwkeurige gegevens over de wijze waarop zij concreet zijn overgegaan tot de uitvoering van het vonnis van de vrederechter van 7 december 2005.
 
Zij beweren de werken te hebben uitgevoerd om de litigieuze afsluitingen ongedaan te maken. Zij leggen foto's voor die de uitvoering van deze werken zouden bevestigen.
 
De foto's, neergelegd in de bundel van appellanten onder stuk 4, waarover appellanten zelf geen nadere toelichting in hun conclusie geven, zijn allesbehalve duidelijk. Het betreft heel onduidelijke documenten en het kan niet eens uitgemaakt worden welke werken het voorwerp zouden maken van deze foto's (vόόr of na het vonnis van de vrederechter).
 
19. Appellanten stellen dat de rechtbank van eerste aanleg zetelend in graad van beroep zou hebben vastgesteld dat zij de afsluitingen tussen de panden zouden hebben verwijderd. Het hof houdt echter rekening met de stukken die partijen in huidige procedure voorleggen.
 
Het wordt niet verduidelijkt wanneer appellanten de beweerde werken zouden hebben uitgevoerd. Zij verklaren zonder meer in conclusie dat zij hiertoe zijn overgegaan nadat gerechtsdeurwaarder Tanghe loco Gielen zijn p.v. van vaststelling  heeft opgesteld, dit betekent na 24 maart 2006.
 
 
Appellanten blijken een stedenbouwkundige vergunning m.b.t. het "verbouwen van een bestaande woning tot meergezinswoning" te hebben aangevraagd en leggen hiervoor het verslag van de brandweerdienst van augustus 2006, het ontvangstbewijs van de stedenbouwkundige aanvraag en twee ereloonstaten van architect Goossens voor maar de relevantie van deze stukken gelet op het voorwerp van huidig geschil wordt niet aangetoond.
 
20. Uit het p.v. van vaststelling d.d. 24 maart 2006 en de bijgevoegde foto's kan het hof echter afleiden dat het dichtmetselen van de openingen tussen de panden op deze datum gedeeltelijk verwijderd was maar dat het bouwmateriaal overal over de vloer bleef verspreid en dat de garage zeker niet ontruimd was. Alleszins blijven appellanten in gebreke de kosten m.b.t. deze onafgewerkte werkzaamheden te staven. 
 
Het kan ook aangenomen worden dat appellanten een einde hebben gesteld aan de bezetting van de betwiste garage en een gedeelte van de tuin. De periode tijdens welke appellanten geen bezit meer hadden van de litigieuze ruimten staat niet vast. Ten andere wordt de schatting van de genotsderving niet op objectieve wijze gestaafd. Deze genotsderving is alleszins beperkt gebleven.
 
 
Bij gebrek aan afdoende bewijs van hun materiële schade wordt de vordering van appellanten slechts tot beloop van 250 euro gegrond verklaard.
 
21. Appellanten blijven ten slotte in gebreke aan te tonen dat zij een morele schade hebben geleden ingevolge de onterechte uitvoering van het vonnis van de vrederechter van 7 december 2005.
 
22. Het hoger beroep is dan ook deels gegrond.
 
23. De gerechtskosten:
 
Elke partij wordt verwezen in haar eigen gerechtskosten van beide aanleggen.
 
Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft is er geen reden om af te wijken van het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 2 het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.
 
Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.210 euro.
 
 
 
 
OM DEZE REDENEN,
 
HET HOF,
 
 
Rechtsprekende na tegenspraak,
 
 
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
 
 
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.
 
 
Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de vordering van appellanten ongegrond verklaart en hen veroordeelt tot alle gerechtskosten.
 
 
Opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke vordering van appellanten deels gegrond en veroordeelt bijgevolg de N.V. C & F S. tot betaling aan de heer A. en mevrouw B. samen de som van TWEEHONDERD VIJFTIG EURO (250 euro), te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf de datum van huidig arrest.
 
 
Verklaart het hoger beroep en de oorspronkelijke vordering voor het overige ongegrond.
 
Verwijst elke partij in haar eigen gerechtskosten van beide aanleggen.
 
Begroot de gerechtskosten van het hoger beroep
-in hoofde van appellanten op  euro  1.396 (186 rolrecht + 1;210 rechtsplegingsvergoeding), en
-in hoofde van geïntimeerde op  euro  1.210 rechtsplegingsvergoeding.
 
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer  van het hof van beroep te Brussel, op
03/04/2012
 

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: wo, 10/05/2017 - 11:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.