-A +A

Bezit van staat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het begrip 'bezit van staat' wijst op een geheel van feiten die erop duiden dat men zich steeds als ouder heeft gedragen, en dat ook de buitenwereld de betreffende persoon steeds als ouder heeft beschouwd.

Art. 331nonies Burgerlijk wetboek

"Het bezit van staat moet voortdurend zijn.
Het wordt bewezen door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van <afstamming> aantonen.
Die feiten zijn onder meer :
- dat het kind altijd de naam heeft gedragen van degene van wie wordt gezegd dat het afstamt;
- dat laatstgenoemde het als zijn kind heeft behandeld;
- dat die persoon als vader of moeder in zijn onderhoud en opvoeding heeft voorzien;
- dat het kind die persoon heeft behandeld als zijn vader of moeder;
- dat het kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij;
- dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt."

Het bezit van staat is een grond van onontvankelijkheid in elke procedure tot betwisting van het ouderschap. Als men zich steeds als ouder ten aanzien van het kind heeft gedragen en men werd door de omgeving steeds beschouwd als ouder van het kind, kan de vastgestelde afstammingsband niet betwist worden.
Deze bepaling werd strijdig geacht met de grondwet en met de internationale verdragen Thans is het bezit van staat slechts een relatieve grond van ontvankelijkheid bij een vordering tot betwisting vaderschap.

Het bezit van staat betreft, in het algemeen, het genieten of het houden van (i.e. “het bezit”) een persoonsrechtelijke stand of familierechtelijke verhouding waarin iemand zich bevindt (i.e. “een staat”), alsof die staat hem ook juridisch toebehoort. Het bezit van staat, toegespitst op het afstammingsrecht, van een bepaalde vader of moeder bestaat in de feitelijke uitoefening van rechten en de vervulling van plichten die uitsluitend voortvloeien uit de ouder-kindrelatie, en dit ongeacht of het bedoelde kind een wettelijk gevestigde afstammingsband heeft ten aanzien van die vader of moeder.

Het bezit van staat impliceert zodoende een behandeling van de persoon en de feitelijke gedragingen van een andere betrokkene die wijzen in de richting van de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten inherent verbonden aan de staat in de familie, meer bepaald de afstammingsband, ongeacht de vraag of tussen die persoon en de betrokkene een juridische afstammingsband bestaat.

Art. 331nonies BW bevat een opsomming van elementen die in aanmerking komen om de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten voortvloeiend uit de ouder-kindrelatie vast te stellen. Deze opsomming heeft echter geen limitatief karakter. Het moet gaan om (naar aantal en belang) voldoende betekenisvolle feiten. De feitenconstellatie moet in haar geheel worden bekeken, zonder bepaalde feiten te kunnen isoleren. Het betekenisvolle karakter van de feiten onderstelt dat de gedragingen van de vader of moeder niet kunnen worden verklaard vanuit een andere hoedanigheid dan die van vader of moeder. Het bezit van staat moet voortdurend zijn, terwijl de diverse aanwijzingen daartoe convergerend moeten zijn. Dit betekent dat het bezit van staat niet mag worden tegengesproken door andere aanwijzingen die het bezit van staat dubbelzinnig zouden maken.

6. Aangezien het om een exceptie gaat en meer precies een uitzondering op de in de regel ontvankelijke vordering tot betwisting van het vaderschap, berust het bewijsrisico bij de verweerder die de exceptie opwerpt (G. Verschelden, “De moederlijke en de vaderlijke erkenning” in P. Senaeve, F. Swennen en G. Verschelden (eds.), De hervorming van het afstammingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 191-192, nr. 350). De eiser in de procedure tot betwisting van het vaderschap moet derhalve niet bewijzen dat er geen bezit van staat is met het oog op de ontvankelijkheid van zijn vordering. Het is daarentegen de verweerder die moet aantonen dat er een afdoende bezit van staat is. In geval van betwisting over het ontvankelijkheidsvereiste van afwezigheid van het bezit van staat, berust het bewijsrisico bij de verweerder.

7. Mede in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (zie vooral: GwH 3 februari 2011, RW 2010-11, 1200), geldt het bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW, gelezen in samenhang met art. 22 Gw. en art. 8 EVRM niet als absolute maar wel als relatieve grond van niet-ontvankelijkheid van een procedure tot betwisting van het vaderschap (F. Swennen, “Afstamming en Grondwettelijk Hof”, RW 2011-12, p. 1106-1107, nr. 10 en Hof van Beroep Gent, 19/03/2015, 1146.

De ouders van en kind worden aangeduid, enerzijds op grond van de biologische band tussen het kind en de betrokken vrouw of man (la vérité du sang) en  anderzijds op grond van het bezit van staat (la vérité du coeur).

Tot voor kort was het bezit van staat ten aanzien van de echtgenoot van de moeder een algemene grond van ontoelaatbaarheid bij de betwisting van vaderschap. Deze stelling is op de helling komen te staan door het baanbrekend arrest van 03/02/11 van het grondwettelijk Hof waardoor zelfs het bezit van staat niet meer als beletsel geldt voor de vordering tot betwisting van vaderschap. Klik hier voor dit arrest

Het bezit van staat (de waarheid van het hart) wordt bewezen door een aantal feiten die bij wijze van voorbeeld in de wet werden opgenomen::

Art. 331nonies B.W.
 
Het bezit van staat moet voortdurend zijn.
Het wordt bewezen door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen.
Die feiten zijn onder meer:
– dat het kind altijd de naam heeft gedragen van degene van wie wordt gezegd dat het afstamt;
– dat laatstgenoemde het als zijn kind heeft behandeld;
– dat die persoon als vader of moeder in zijn onderhoud en opvoeding heeft voorzien;
– dat het kind die persoon heeft behandeld als zijn vader of moeder;
– dat het als zijn kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij;
– dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt.

Een en ander wordt duidelijk wanneer men kennis neemt met een aantal voorbeelden uit de rechtspraak:

Rechtspraak:

•• Cass., 9 juni 1938, Pas., 1938, I, 207.

De voorwaarden voor bezit van staat, opgesomd in artikel [331nonies] B.W., zijn niet limitatief. Of de aangevoerde feiten al dan niet bezit van staat bewijzen is een feitenkwestie waarover de bodemrechter soeverein oordeelt
 

•• Antwerpen 3 maart 2004, NjW 2004, afl. 92, 1350, noot VERSCHELDEN, G.

Deugdelijk bezit van staat is slechts aanwezig wanneer er voldoende vooraf bestaande en uiterlijk waarneembare feiten voorhanden zijn die wijzen op die staat en die niet worden tegengesproken door enig ander feit. Voldoende betekenisvolle elementen moeten worden aangevoerd die allen convergerend zijn; geen enkel positief feit mag met andere woorden de voorgehouden staat tegenspreken.
Wanneer blijkt dat de biologische vader van meet af aan zijn vaderschap heeft willen opnemen en een erkenning door de huidige partner van de moeder plaatsvond vijf dagen vóór de geboorten, is het bezit van staat geenszins ondubbelzinnig en bovendien onvoldoende langdurig.
Wanneer bij de geboorte reeds blijkt dat het kind een andere huidskleur heeft dan de erkenner en de moeder, spreekt dit op zich reeds de staat die de erkenner voorhoudt tegen.
De beslissing tot vernietiging van de erkenning op vordering van de verwekker houdt in geen enkel opzicht een oordeel in over de geschiktheid van de erkenner of de verwekker als vader.

•• Brussel 30 januari 2003, NjW 2003, afl. 35, 709, noot RDC.

Het kind dat samen met zijn moeder en de erkenner meer dan twintig jaar een gezin heeft gevormd heeft geen voortdurend en ondubbelzinnig bezit van staat ten aanzien van zijn erkenner wanneer uit talrijke stukken die werden overgelegd door de familieleden, vrienden, buren en leerkrachten van het kind blijkt dat, hoewel de erkenner had ingestaan voor het onderhoud en de opvoeding van het erkende kind, hij het geenszins als het zijne heeft behandeld, hij niet wou dat het kind hem 'papa' noemde en zei 'je ne suis pas ton père, appelle moi [voornaam erkenner]', zijn erkende zoon van kindsbeen af verschillend behandelde van zijn bloedeigen dochter die hij 'ma fille' noemde, terwijl hij over het erkende kind sprak als 'mon beau fils', de familie van de erkenner het erkende kind ook nooit beschouwd heeft als zoon van de erkenner, noch als dusdanig behandeld en de erkenner zich niet interesseerde voor de scholing en de opleiding van dit kind, in tegenstelling tot die van zijn eigen dochter.

•• Gent (1e k.) 15 maart 2001, Juristenkrant 2001 (weergave VERSCHELDEN, G.), afl. 39, 5.

De vaststelling dat een man samenwoont met een vrouw en haar dochter en een feitelijk gezin met hen vormt, is onvoldoende om te besluiten dat de dochter t.o.v. hem 'bezit van staat' heeft. De afstamming wordt verder bewezen met alle middelen van recht. De rechter kan zelfs ambtshalve overgaan tot het bevelen van een bloedonderzoek of enig ander onderzoek volgens beproefde wetenschappelijke methodes.

•• Rb. Gent 18 december 1997, T.B.B.R. 1999, 508, noot COUQUELET, C. .

Het vaderschap is bewezen op grond van bezit van staat wanneer de vermeende vader tijdens zijn leven het kind als het zijne beschouwd en behandeld heeft, zij het in de mate dat zijn priesterschap het hem toeliet, en wanneer het kind hem als zijn vader behandeld heeft.
 

• • Gent (1e k.) 8 november 2001, T.G.R. 2002, afl. 3, 143.

Het louter aanslepen van de procedure, waaraan beide partijen fout hebben, doet het kind nog geen bezit van staat verkrijgen t.a.v. de ontkennende vader. Het dragen van de naam vestigt evenmin een bezit van staat. Hiertoe is minstens vereist het bijdragen in onderhoud en opvoeding, het ervaren van een kind-vader relatie, het als dusdanig erkend zijn door de familie, de maatschappij.
 

• • Luik 31 maart 1999, J.L.M.B. 1999, 1531 .

Art. 331nonies B.W. somt een aantal voorbeelden op van elementen die het bezit van staat kunnen uitmaken. Zelfs indien deze wettelijke tekst tegenstrijdig lijkt, moet worden aangenomen dat in principe één van deze feiten niet kan volstaan en dat er een samenloop van indiciën moet zijn of dat er hieruit minstens een algemene indruk moet blijken.

• • Luik 16 maart 1999, J.L.M.B. 1999, 1529 , noot.

De vordering tot vernietiging van de erkenning moet worden verworpen wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de erkenner. Het enkele feit een kind op te voeden is onvoldoende om het bezit van staat aan te tonen. Wanneer de erkenning betwist wordt op grond van art. 330, par. 2 B.W. moet de rechter geen rekening houden met het belang van het kind wanneer hij beslist de erkenning al dan niet te vernietigen.
Het enkele feit dat een erkenning leugenachtig zou zijn, kan niet de veroordeling meebrengen tot betaling van een schadevergoeding door de erkenner. Aangezien elke man de mogelijkheid heeft om een kind waarvan hij niet de biologische vader is als het zijne te erkennen. Dit is des te meer het geval wanneer de erkenner sedert meer dan twee jaar met de moeder samenwoonde en de biologische vader tijdens die periode geen enkele stap heeft ondernomen.

• • Luik 11 februari 1997, J.L.M.B. 1997, 1030 ; , J.T. 1997, 521; , Pas. 1996, II, 22.

Een erkenning van vaderschap wordt teniet gedaan indien is bewezen dat de auteur ervan niet de vader is. De vordering tot betwisting van de erkenning dient evenwel te worden verworpen indien het kind het bezit van staat heeft ten overstaan van degene die het heeft erkend.
Het bezit van staat moet worden afgeleid uit een samenloop van aanwijzingen waarvan de voornaamste worden opgesomd in art. 331 nonies B.W. Het feit alleen dat de echtgenoot van de moeder het kind gedurende zekere tijd opvoedt alsof het het zijne was volstaat niet om het bezit van staat van vader ten overstaan van dat kind te bewijzen.
Bovendien moet het bezit van staat bepaalde hoedanigheden in zich hebben: het dient bestendig en ondubbelzinnig te zijn. In casu wordt het bezit van staat dat wordt ingeroepen door de echtgenoot van de moeder, dubbelzinnig gemaakt door het feit dat de biologische vader in de maatschappij als de vader van het kind werd beschouwd en dat het kind niet onwetend is van zijn bestaan.
 

•• Luik 7 februari 1995, Rev. trim. dr. fam. 1995, 655.

Wanneer de echtgenoot van de moeder van een kind zijn vrouw heeft bijgestaan tijdens haar zwangerschap, aan de zijde van zijn echtgenote stond tijdens de arbeid en de bevalling, van bij de geboorte toegewijd heeft gezorgd voor dat kind en dit laatste door de familieleden werd beschouwd als zijn zoon, bestaat er een voortdurend en ondubbelzinnig bezit van staat.

•• Luik 22 januari 1991, Rev. trim. dr. fam. 1991, 385.

Het bezit van staat moet voortdurend en ondubbelzinnig zijn, criteria waaraan de loutere opvoeding van een kind niet voldoet. De erkenner beroept zich ten onrechte op het bezit van staat om de betwisting van de erkenning door de biologische vader van het kind tegen te gaan.

•• Rb. Namen (3e k.) 26 mei 2004, Rev. trim. dr. fam. 2004, afl. 4, 1136.

Art. 331nonies B.W. geeft een enuntiatieve, niet-limitatieve opsomming van de gegevens die een bezit van staat kunnen vormen die overigens voortdurend en ondubbelzinnig moet zijn. Gewoon het feit dat men een kind opvoedt, volstaat niet om het bezit van staat aan te tonen . Het bezit van staat is dubbelzinnig wanneer uit de talrijke en tegenstrijdige uitlatingen van de moeder blijkt dat eiser niet de vader van het kind is. Men kan hem bijgevolg niet verwijten dat hij met de jaren is gaan twijfelen aan zijn vaderschap en geleidelijk geen interesse meer heeft betoond voor het kind dat hij altijd als het zijne had beschouwd.

• • Rb. Nijvel (7e k.) 25 november 2003, Rev. trim. dr. fam. 2005, afl. 3, 837.

Zelfs indien de man die een kind heeft erkend nadat hij de moeder heeft gehuwd, door sommigen als de vader van het kind wordt beschouwd en zich aldus voordoet, onder meer in de school van het kind, blijft het toch een feit dat dit bezit van staat niet voortdurend is aangezien de erkenner pas met het kind heeft kennisgemaakt toen het ongeveer 7 jaar oud was en het bijgevolg onduidelijk is of de biologische vader van het kind zich altijd heeft gedragen als zijn vader en met het kind geregelde contacten heeft onderhouden. (Art. 330 en 331nonies B.W.).

•• Rb. Nijvel (7e k.) 20 november 2003, Rev. trim. dr. fam. 2005, afl. 2, 539.

Het bezit van staat van vader ten opzichte van twee kinderen dat de man zou kunnen hebben die ze heeft erkend, kan worden beschouwd als dubbelzinnig wanneer deze man gedurende verscheidene jaren ten onrechte geloofde de echte vader van deze kinderen te zijn, omdat zijn levensgezellin het hem had laten geloven terwijl zij hem in werkelijkheid ontrouw was (art. 330, par. 1, lid 2 en par. 2, lid 2 en art. 331nonies B.W.).

•• Rb. Nijvel (7e k.) 2 september 2003, Rev. trim. dr. fam. 2005, afl. 3, 834.

Er wordt geen bezit van staat weerhouden ten aanzien van de erkenner daar dit bezit geen voortdurend en ondubbelzinnig karakter heeft, al was het maar omdat bij de erkenning het kind reeds 7 jaar oud was. (Art. 330, 331nonies en 332bis B.W.).
 

• • Rb. Aarlen (1e k.) 21 maart 2003, Rev. trim. dr. fam. 2005, afl. 2, 536.

Hoewel de erkenning van het vaderschap van een kind kan worden vernietigd op verzoek van elke betrokken persoon, onder meer van de grootmoeder langs vaderszijde, moet de vordering ongegrond worden verklaard indien het kind ten opzichte van diegene die het heeft erkend, het bezit van staat heeft. Dit is het geval wanneer de 16-jarige dochter na door de erkenner als zijn kind te zijn behandeld en nadat zij door de openbare overheid en de samenleving als zijn dochter werd erkend, hem altijd als haar vader heeft beschouwd en hem nog altijd als dusdanig beschouwt (Art. 330, par. 2, lid 2 en 331 nonies B.W.).

•• Rb. Mechelen (3e k.) 13 maart 2003, R.W. 2004-05, afl. 31, 1228.

Het bezit van staat ten opzichte van de erkenner is dubbelzinnig als de biologische vader na de geboorte aan de buitenwereld als vader is voorgesteld en ook getracht heeft zijn rechten als vader op te eisen.

•• Rb. Brussel 12 januari 1993, J.T. 1993, 842, noot LELEU, Y. ; , Rev. not. b. 1994, 55, noot MASSAGE, N. .

Volgens art. 331nonies B.W. wordt het bezit van staat bewezen door een samenloop van voldoende feiten en moet het voortdurend zijn, zodanig dat hieruit een ondubbelzinnig vermoeden van afstamming ontstaat, meer bepaald inzake de vaststelling van vaderschap, dit overeenkomstig art. 324 B.W.

•• Rb. Brussel 19 mei 1992, Rev. trim. dr. fam. 1995, 665.

Er is geen bezit van staat in hoofde van een man die, toen het kind vijf jaar oud was, een paar maanden heeft samengeleefd met de moeder en het kind uit welwillendheid heeft erkend.
De vordering tot betwisting van die erkenning, ingediend door de grootouders van het kind van moederszijde, die daartoe een gewettigd moreel belang hebben, is ontvankelijk. Er kan worden aanvaard dat de kosten van de procedure uitsluitend ten laste vallen van de moeder voor zover de man die het kind heeft erkend, dat heeft gedaan uit welwillendheid jegens de moeder.

•• Rb. Bergen 13 maart 1991, J.L.M.B. 1995, 187 e; , T. Deskundige 1995, afl. 139, 14.

Eiseres geniet in het kader van een vordering tot onderzoek naar het vaderschap het voordeel van 2 vermoedens, waarbij het ene berust op het bezit van staat en het andere op de betrekkingen van de vermeende vader met de moeder op het tijdstip van de verwekking.
Wanneer het bezit van staat is bewezen, kan verweerder dat vermoeden alleen nog maar omkeren door zijn vaderschap te betwisten door middel van een deskundig bloedonderzoek.
Wanneer noch het bezit van staat, noch het bestaan van betrekkingen tot genoege van recht zijn bewezen, berust de bewijslast op de moeder-eiseres en kan dit bewijs worden geleverd door middel van een deskundig bloedonderzoek, ertoe strekkende met alle wettelijke middelen de biologische afstamming van de vader-verweerder vast te stellen.
Wanneer verweerder het door het bezit van staat gevestigde vermoeden wil omkeren bij wege van een deskundig onderzoek, is het aan hem om het voorschot te betalen aan de deskundige. Omgekeerd is het aan eiseres om dat voorschot te betalen wanneer zij het vaderschap wil laten vaststellen door het deskundig onderzoek.

Nog dit: 

Zie ook het baanbrekend arrest van 03/02/11 van het grondwettelijk Hof waardoor zelfs het bezit van staat niet meer als beletsel geldt voor de vordering tot betwisting van vaderschap. Klik hier voor dit arrest

Uittreksel uit dit arrest:

Artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek schendt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de vordering tot betwisting van vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van de moeder.

Immers:

Artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek regelt de mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder van het kind. Het vermoeden van vaderschap is ingesteld in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek. Binnen de in paragraaf 2 van artikel 318 bepaalde termijnen - die verschillen naar gelang van de vorderingsgerechtigden - staat de vordering enkel open voor de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

De mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is evenwel onderworpen aan een beperking : de vordering is - voor alle vorderingsgerechtigden - onontvankelijk wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat aanvankelijk geen eensgezindheid leek te bestaan over de vraag of het bezit van staat elke betwisting van de afstamming onmogelijk diende te maken, onder meer omdat dit begrip niet noodzakelijk samenvalt met het begrip « belang van het kind », en omdat de opvattingen over de familievrede, die het wil beschermen, snel evolueren (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/024, pp. 60-62). Na uitvoerig overleg binnen de subcommissie Familierecht van de Commissie voor de Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de wetgever gemeend het « bezit van staat » als grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te moeten invoeren.

Het daartoe strekkende amendement, dat aan de basis ligt van de in het geding zijnde bepaling, werd als volgt verantwoord :

« Ten eerste beoogt het voorgestelde amendement degenen die een vordering mogen instellen te beperken tot de personen die daadwerkelijk belanghebbenden zijn, namelijk de echtgenoot, de moeder, het kind en de persoon die het vaderschap of het moederschap van het kind opeist.
Vervolgens lijkt het ons nodig de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen door eensdeels het bezit van staat te behouden die overeenstemt met de situatie van een kind dat door iedereen werkelijk als het kind van zijn ouders wordt beschouwd, ook al strookt dat niet met de biologische afstamming, en anderdeels door termijnen te bepalen voor het instellen van de vordering » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, p. 6, en DOC 51-0597/032, p. 31).

Het was derhalve de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de afstammingsband beter te beschermen, enerzijds, door het bezit van staat te behouden en anderzijds, andere derden, zoals grootouders, te beletten om op te treden (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3- 1402/7, p. 4). Nadat binnen de Senaatscommissie voor de Justitie bij die uitgangspunten vraagtekens werden geplaatst, onder meer met betrekking tot de interpretatieproblemen waartoe het begrip « bezit van staat » aanleiding kon geven, bevestigde de minister van Justitie dat de Kamer niet heeft overwogen de regels inzake het « bezit van staat » te wijzigen :

« Het ontwerp wijzigt reeds een groot aantal regels, en ook al rijzen er bij de toepassing van het begrip soms problemen, toch hoeft dit niet te worden aangepast.

De wetgever heeft er in 1987 voor gekozen het begrip te behouden om ervoor te zorgen dat de biologische waarheid het niet altijd wint van de sociaal-affectieve realiteit. Deze keuze moet behouden blijven en het bezit van staat hoeft dus niet te worden aangepast » (Parl. St., Senaat, 2005- 2006, nr. 3-1402/7, p. 9).

Artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek dient evenwel getoetst aan artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

De wettelijke regeling van de relatie van de vader tot het kind dat is geboren binnen het huwelijk, raakt het privéleven van de vader (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102). De uitdrukking « eenieder » in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens slaat zowel op het kind als op zijn vermoedelijke vader (EHRM, 6 juli 2010, Grönmark t. Finland, § 48).

De in het geding zijnde regeling van betwisting van het vermoeden van vaderschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet sluit, evenmin als artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereist dat erin is voorzien in een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden bovendien de positieve verplichting in voor de overheid om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen van individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e. a. t. Nederland, § 31).

De wetgever beschikt over een appreciatiemarge om bij de uitwerking van een wettelijke regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn.

Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen. Die belangenafweging moet ertoe leiden dat de biologische en sociale werkelijkheid primeert op een wettelijk vermoeden indien dit laatste frontaal ingaat tegen de vastgestelde feiten en de wensen van de betrokkenen, zonder dat het iemand een tastbaar voordeel oplevert (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e. a. t. Nederland, § 40; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 44; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 113).

Het mogelijk belang van het kind om het « bezit van staat » te genieten van kind van de echtgenoot van de moeder, mag het niet halen op het legitieme recht van deze laatste om ten minste één gelegenheid te krijgen om het vaderschap te betwisten van een kind dat op grond van wetenschappelijke bewijzen, niet van hem is.

Het geval waarin een wettelijk vermoeden voorrang krijgt op de biologische werkelijkheid is niet bestaanbaar met de verplichting een daadwerkelijk respect voor het privé- en gezinsleven te waarborgen, zelfs rekening houdend met de appreciatiemarge waarover de wetgever beschikt (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, §§ 112 en 113).

Het feit dat iemand nooit werd toegelaten zijn vaderschap te betwisten ten aanzien van zijn kind, werd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet evenredig geacht met de nagestreefde doelstellingen, omdat aldus geen billijk evenwicht tot stand is gebracht tussen het algemeen belang van de bescherming van de rechtszekerheid van de familiale banden en het recht van de betrokkene om een heronderzoek te verkrijgen van het wettelijk vermoeden van vaderschap in het licht van de biologische bewijzen (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 114).

De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

Door het « bezit van staat » als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de echtgenoot van de moeder die te goeder trouw het socio-affectieve vaderschap heeft opgenomen, op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om zijn vaderschap te betwisten omdat zijn handelen te goeder trouw precies heeft bijgedragen tot de totstandkoming van de feiten die de criteria uitmaken van het bezit van staat.

 

Commentaar: 

Arrest GwH, 09/07/2013 AR 96/20132, RABG 2014/4, 207 en 211; GwH 17/10/2013, RABG/4, 218, noot B. Lambersy en C. Vergauwen, Bezit van Staat of een verva&ltermijn? De ene afweging is de andere niet wanneer het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven in het gedrang komt, RABG 2014/4, 225

Samenvatting arrest 09/07/2013

Het Hof zegt voor recht :
Artikel 330, § 1, eerste lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek schendt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap door de man die het vaderschap van het kind opeist, niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend.

Het Hof
- vernietigt artikel 80 van de wet van 8 januari 2012 « tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen », in zoverre het artikel 15/9bis, §§ 1, 2 en 4, in de voormelde wet van 12 april 1965 invoegt en in zoverre die bepalingen van toepassing zijn op de gesloten industriële netten die binnen het territoriaal bevoegdheidsgebied van de gewesten gelegen zijn;
- vernietigt de artikelen 8, 2°, 31, 1°, 65, 6°, en 84, 1° en 2°, van de voormelde wet van 8 januari 2012 in zoverre zij verplichtingen opleggen - of de Koning machtigen verplichtingen op te leggen - inzake nieuwe energiebronnen, rationeel energieverbruik en milieubescherming, behoudens wanneer die verplichtingen betrekking hebben op de kernenergie of op de mariene gebieden die buiten het territoriaal bevoegdheidsgebied van de gewesten gelegen zijn;
- verwerpt het beroep voor het overige.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 11/08/2017 - 09:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.