-A +A

bewijsregels in het huwelijksvermogensrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtspraak:

•• Cass. (3e k.) AR C.03.0582.N, 17 september 2007  NjW 2007, afl. 170, 797, noot DE MAESENEIRE, G, Verrekening van de eigen vermogens en het gemeenschappelijk vermogen; R.W. 2007-08, afl. 13, 534 , noot DU MONGH, J., DECLERCK, C, De rechts(on)geldigheid van het beding waarbij de vergoedingsrekeningen worden geacht van dag tot dag te zijn opgesteld.

Samenvatting

In een stelsel van gemeenschap zijn de drie vermogens, dat van elke echtgenoot en het gemeenschappelijk vermogen, en de verrekeningen tussen die stelsels, essentieel.

De echtgenoten kunnen in hun huwelijksvoorwaarden het bewijs regelen van die verrekening tussen de vermogens in die zin dat de verrekeningen geacht worden van dag tot dag te zijn opgesteld. Indien echter wordt overeengekomen dat het tegenbewijs daarvan niet zal mogen worden geleverd of dat er bij de ontbinding van het stelsel geen vergoedingsrekeningen mogen worden opgemaakt, tast dit de essentie van het gemeenschapsstelsel, dat de belangen van de beide partijen in het huwelijk beschermt, aan. Dergelijk beding is strijdig met het dwingend recht van elke echtgenoot op verrekening.

De echtgenoten kunnen in het huwelijkscontract of bij de wijziging ervan tijdens het huwelijk, geen afstand doen van het opstellen van een vergoedingsrekening.

zie ook Cassatie 19 maart 2007

•• Gent (11e k.) nr. 2001/AR/1627, 24 april 2003, NjW 2004, afl. 62, 273, noot BOONE, K. Bedingen inzake de vergoedingsrekening; , Not. Fisc. M. 2006, afl. 5, 132, noot CASMAN, H.. Hoe en wanneer wordt over vergoedingen afgerekend?

Een beding in een huwelijksovereenkomst waarin bepaald wordt dat de vergoedingen worden vermoed van dag tot dag te zijn geregeld houdt de verzaking in aan elke mogelijke vergoeding. Dergelijk beding is onverenigbaar met de essentiële kenmerken van het gemeenschapsstelsel en is strijdig met de openbare orde, en dus nietig. Deze nietigheid tast de geldigheid van het huwelijkscontract niet aan.

Echtscheiding en tegenbrief

•• Cass. (1e k.) 15 mei 2006, Div. Act. 2007, afl. 4, 65, noot MOSSELMANS, Les contre-lettres dans le divorce par consentement mutuel ; T.B.B.R. 2007, afl. 1, 23

Geheime afspraken tussen de echtgenoten tijdens de echtscheidingsprocedure door onderlinge toestemming, met miskenning van de strikte regels tot wijziging van de aan de procedure voorafgaande overeenkomsten (Art. 1293 Ger.W.), zijn absoluut nietig en komen derhalve niet voor bevestiging in aanmerking, ook niet nadat de echtscheiding definitief is.

•• Cass. (1e k.) AR C.98.0236.F, 15 oktober 1999 (Cliniques Universitaires Sint-Luc V.Z.W. / Castelli) Arr. Cass. 1999, 1269; , Bull. 1999, 1323; , Div. Act. 2000, 18, noot DE WILDE D'ESTMAEL, E. Les dettes de soins de santé engagées par un époux marié sous le régime légal, à la lumière d'un deuxième arrêt de la Cour de cassation ; J.L.M.B. 1999, 1724 en; , Juristenkrant 1999 afl. 9, 5;  R.C.J.B. 2001, 73, noot LELEU, Y.Le ménage apparent des époux séparés; R.W. 2000-01, 836  noot APS, F. De invloed van de feitelijke scheiding van de echtgenoten op het karakter van de huishoudelijke schulden opnieuw onderzocht door het Hof van Cassatie; , Rev. not. b. 2000, 167; , Rev. trim. dr. fam. 2000, 357.

De betaling van de schulden die een van de echtgenoten heeft aangegaan ten behoeve van de huishouding, kan van de beide feitelijk gescheiden echtgenoten niet hoofdelijk gevorderd worden indien de schuldeiser van die toestand op de hoogte was bij het ontstaan van de schulden.

•• Cass. AR 8271, 8 april 1994 , Arr. Cass. 1994, 351; , Bull. 1994 (verkort), 348; , J.T.T. 1994, 475, noot; Pas. 1994, I, 348; , R. Cass. 1994, 227, noot VERBEKE, A. Vergoeding wegens arbeidsongeschiktheid in stelsels van gemeenschap van goederen. Het Hof van Cassatie onwrikbaar ; R.W. 1994-95, 434; , T. Not. 1995, 138; Verkeersrecht 1994, 236.

Ingeval de echtgenoten onder het wettelijk stelsel zijn gehuwd, behoort de vergoeding van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte arbeidsongeschiktheid jegens de vrouw door de man en medische kosten tot het eigen vermogen van de echtgenoot (art. 1382 en 1401, 3 B.W.).

•• Antwerpen (3e k.) 30 november 2005, NjW 2006, afl. 153, 948, noot VERSCHELDEN, G, Vergoeding voor meerwaarde van eigen handelszaak mede gerealiseerd door echtgenoot; , R.W. 2006-07, afl. 21, 882 en T. Not. 2006, afl. 5, 247, noot TORFS, N Samenwerkende echtgenoot onder stelsel van scheiding van goederen. Ruimte voor de leer van de verrijking zonder oorzaak?

In een stelsel van scheiding van goederen heeft de echtgenoot die meewerkt in de handelszaak die persoonlijke eigendom is van de andere echtgenoot, geen automatisch recht op vergoeding of recht op deelname in de tijdens het huwelijk verwezenlijkte meerwaarde van de handelszaak. Die situatie is eigen aan het stelsel van scheiding van goederen dat de echtgenoten hebben gekozen.

Een vordering die steunt op vermogensverschuiving zonder oorzaak kan niet slagen, omdat deze vordering een subsidiaire rechtsfiguur is die niet kan worden toegepast in een contractuele relatie. Het stelsel van scheiding van goederen die vrijwillig werd aangegaan door de echtgenoten spreekt de afwezigheid van oorzaak tussen de voorgehouden verarming en verrijking tegen.

De beoordeling in verband met de afwezigheid van oorzaak van de vermogenverschuiving houdt mede verband met de prestaties van de echtgenoot in het raam van zijn hulpverplichting.

•• Antwerpen 16 juni 2004, NjW 2005, afl. 120, 924, noot VERSCHELDEN, G.

Wanneer één van de onder scheiding van goederen gehuwde echtgenoten in de aankoopakte als uitsluitende eigenaar is opgetreden, kunnen de eigendomsaanspraken niet doorkruist worden door de vraag naar de oorsprong van het geld dat tot betaling van de aankoopprijs werd aangewend. Dit belet niet dat derden, zoals in casu de fiscus, zich op veinzing kunnen beroepen. Deze derden dragen evenwel de bewijslast van de simulatie die door alle middelen van recht kan worden bewezen maar die wel zeker en volledig moet blijken.

Het bewijs dat de echtgenoot die enige eigenaar is, niet in staat was om de afbetalingen voor het onroerend goed te verrichten of dit niet gedaan heeft, kan een element zijn waaruit simulatie zou kunnen blijken, maar volstaat op zichzelf niet. Aangetoond moet worden dat één echtgenoot in werkelijkheid kocht voor beide echtgenoten, terwijl naar buiten toe de schijn werd gewekt dat hij exclusief voor eigen rekening kocht.

•• Antwerpen 12 november 2003, E.J. 2004, afl. 4, 65, noot -; , NjW 2004 (verkort), afl. 64, 340, noot BW; , T. Not. 2005, afl. 7-8, 440, noot DE BUSSCHERE, C.De informatieverplichting van de notaris betreffende het bestaan en de draagwijdte van artikel 1278, lid 4 en 5 Ger.W. beperkte facultatieve terugwerkende kracht van de ontbinding

De bijzondere rol die de wetgever aan de boedelnotaris heeft toevertrouwd in het kader van de procedure van gerechtelijke verdeling, impliceert dat de notaris in zijn staat van vereffening, als eerste rechter, zowel in feite als in rechte moet oordelen over alle betwistingen tussen partijen. Aldus moet de notaris stelling innemen over de vraag tot preferentiële toewijzing van de gezinswoning, en dit zowel wat de waarde van de goederen betreft als wat betreft het principe van de toewijzing.

Evenzo moet de notaris standpunt innemen of het wegens uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak billijk is om bij de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap geen rekening te houden met goederen die zijn verworven of schulden die zijn aangegaan sedert de feitelijke scheiding (art. 1278 lid 4 Ger.W.). Er is evenmin aanleiding om tijdens de verrichtingen van de boedelnotaris beroep te doen op de rechtbank voor de aanstelling van een deskundige om de waarde van de preferentiële goederen te ramen. De opdracht van de notaris is immers een algemene opdracht die eveneens de schatting van de goederen omvat. De notaris, die beter dan wie ook de immobiliënmarkt kent, is uitstekend geplaatst om de waarderaming van een onroerend goed te doen.

•• Gent 5 juni 2003, NjW 2004, afl. 58, 125, noot RDC.

Derden die met (één van) de echtgenoten contracteren worden geacht op de hoogte te zijn van de wettelijke bestuursregeling; zij moeten de nodige voorzorgsmaatregelen nemen, inlichtingen inwinnen over het huwelijksvermogensstelsel van een gehuwde contractant en er zich van verzekeren dat een handeling niet verricht wordt in het kader van het gezamenlijk bestuur, maar in het kader van het gelijktijdig of alleenbestuur. Om het vermoeden van kwade trouw te weerleggen moet de derde bewijzen dat hij, ondanks de redelijke voorzorgsmaatregelen die hij genomen heeft, gehandeld heeft zonder te weten dat de echtgenoot bij de betwiste handeling moest betrokken worden.

Wanneer de moeder en de stiefvader van één echtgenoot na het inleiden van de echtscheidingsprocedure aan hun (stief) zoon leningen hebben toegekend waarvoor de toestemming van diens echtgenote noodzakelijk was, en zij gelet op de familiale banden ongetwijfeld op de hoogte waren van het huwelijksstelsel, van de feitelijke scheiding en van de grote schuldenlast, falen zij in de bewijslast van hun goede trouw. Deze echtgenote leidt bovendien materiële schade in de mate dat de terugbetaling van de leningen waarvoor niet de vereiste toestemming werd gegeven invloed heeft op de hoegrootheid van het gemeenschappelijk vermogen. Deze leningen worden dan ook nietig verklaard.

•• Gent 25 september 1997, A.J.T. 1998-99 (verkort), 114; , T.G.R. 1998, 213.

Klassiek wordt in de rechtspraak aanvaard dat het onderhoudsgeld dat hangende de procedure in uitvoering van een voorlopige maatregel werd betaald, moet aangerekend worden op het aandeel van de alimentatiegerechtigde in de inkomsten van de huwelijksgemeenschap.

Het onderhoudsgeld wordt alsdan aangezien als een voorschot op het aandeel van de onderhoudsgerechtigde in de vruchten.

De vraag rijst of dit klassieke uitgangspunt: - verzoenbaar is met het vigerend rechtssysteem, doordat het meer rechten toekent aan een (schuldige) echtgenoot in echtscheidingsprocedure, dan aan eenzelfde, staande het huwelijk (want in dat geval wordt het recht op onderhoud en bijstand afhankelijk gemaakt van de samenleving of van de afwezigheid van schuld aan de feitelijke scheiding en het verderduren ervan); - op zich geen aanleiding geeft tot misbruik van procesrecht, in die zin dat de onderhoudsgerechtigde, afgezien dat hij weet dat de echtscheiding (ook) in zijn nadeel zal worden uitgesproken, in bepaalde omstandigheden - wanneer zijn aandeel in de vruchten nihil is of minder dan het betaalde onderhoudsgeld - wordt aangezet tot het rekken van de procedure.

Daarom moet de gevestigde rechtspraak afgewezen worden en de integraliteit van de door de appellante (lastens wie de echtscheiding eveneens werd uitgesproken) ontvangen onderhoudsgelden moeten in mindering gebracht worden van haar aandeel (zowel kapitaal als vruchten) in de huwelijksgemeenschap. zie ook aanrekening onderhoudsgelden bij de vereffening verdeling

Vermogensregeling bij echtscheiding in geval van scheiding van goederen

• Hof van beroep Gent 25/02/2016, RW 2018-2018, 1142

Samenvatting:

Bij een stelsel tot scheiding van goederen wordt de vermogensrechtelijke situatie van de echtgenoten in de eerste plaats beheerst door hun huwelijkscontract, de artt. 1466-1469 BW en het primaire stelsel. Subsidiair speelt het gemene recht.

Een stelsel van zuivere scheiding van goederen kent als zodanig geen gemeenschap. Dit belet de echtgenoten echter niet een onverdeeldheid tot stand te brengen. Bij (de betwistingen aangaande) de vereffening-verdeling van deze onverdeeldheid, zoals in casu, spelen aldus het huwelijkscontract, de artt. 1466-1469 BW, het primaire stelsel (i.h.b. art. 221 BW) en subsidiair het gemene recht (i.h.b. art. 577-2 BW). De vergoedingsregelingen van het wettelijke (gemeenschaps)stelsel spelen in de regel niet.

Elke gehuwde persoon is krachtens art. 221 BW verplicht tot proportionele bijdrage in de lasten van het huwelijk. Een huwelijkscontract (tot scheiding van goederen) kan aan deze verplichte huwelijkse solidariteit als zodanig geen afbreuk doen. Deze bijdrageplicht blijft in de regel bestaan tot de ontbinding van het huwelijk tussen de partijen (door het in kracht van gewijsde gaan van de echtscheidingsuitspraak, in casu op 15 november 2011).

Dit verhindert de echtgenoten niet om door middel van hun huwelijkscontract het bewijs inzonderheid van deze wettelijke bijdrageplicht en/of algemeen, mogelijk afwijkend van het in het Burgerlijk Wetboek bepaalde (algemeen) bewijsrecht, contractueel te regelen. Zo kunnen de echtgenoten tot het bewijs van verrekeningen/schuldvorderingen tussen hen het algemeen bewijsrecht (volgens de artt. 1341 e.v. BW) conventioneel moduleren.

Tekst arrest

D. t/ V.

...

B. Ten gronde

B.1. Vergoeding/verrekening voor investering

1. Het enige tussentijdse bezwaar behelst de door D. beoogde vergoeding/verrekening voor de boven «zijn aandeel» geïnvesteerde bedragen eensdeels bij de aankoop van de bouwgrond en anderdeels bij de navolgende oprichting van de gezinswoning.

2. Het staat buiten discussie dat de partijen gehuwd zijn onder een stelsel tot scheiding van goederen ingevolge het op 7 mei 1984 voor notaris D. verleden huwelijkscontract.

Bij een stelsel tot scheiding van goederen wordt de vermogensrechtelijke situatie van de echtgenoten in de eerste plaats beheerst door hun huwelijkscontract, de artt. 1466-1469 BW en het primaire stelsel. Subsidiair speelt het gemene recht.

Een stelsel van zuivere scheiding van goederen kent als zodanig geen gemeenschap. Dit belet de echtgenoten echter niet een onverdeeldheid tot stand te brengen. Bij (de betwistingen aangaande) de vereffening-verdeling van deze onverdeeldheid, zoals in casu, spelen aldus het huwelijkscontract, de artt. 1466-1469 BW, het primaire stelsel (i.h.b. art. 221 BW) en subsidiair het gemene recht (i.h.b. art. 577-2 BW). De vergoedingsregelingen van het wettelijke (gemeenschaps)stelsel spelen in de regel niet.

Elke gehuwde persoon is krachtens art. 221 BW verplicht tot proportionele bijdrage in de lasten van het huwelijk. Een huwelijkscontract (tot scheiding van goederen) kan aan deze verplichte huwelijkse solidariteit als zodanig geen afbreuk doen. Deze bijdrageplicht blijft in de regel bestaan tot de ontbinding van het huwelijk tussen de partijen (door het in kracht van gewijsde gaan van de echtscheidingsuitspraak, in casu op 15 november 2011).

Dit verhindert de echtgenoten niet om door middel van hun huwelijkscontract het bewijs inzonderheid van deze wettelijke bijdrageplicht en/of algemeen, mogelijk afwijkend van het in het Burgerlijk Wetboek bepaalde (algemeen) bewijsrecht, contractueel te regelen. Zo kunnen de echtgenoten tot het bewijs van verrekeningen/schuldvorderingen tussen hen het algemeen bewijsrecht (volgens de artt. 1341 e.v. BW) conventioneel moduleren.

Ook in dit geval hebben de partijen in hun huwelijkscontract het stelsel van zuivere scheiding van goederen op verschillende punten (al dan niet afwijkend van het in het Burgerlijk Wetboek bepaalde (algemeen) (bewijs)recht) gemodaliseerd:

«...Art. 2 – Bijdragen in de lasten van het huwelijk. Ieder echtgenoot zal in de lasten van het huwelijk bijdragen naar zijn vermogen. Hij zal worden geacht dag voor dag zijn bijdrage te hebben geleverd.

«... Art. 6 – Rekeningen tussen echtgenoten. De echtgenoten kunnen onderling om het even welke rekening opmaken of contract sluiten, behalve de beperkingen door de wet opgelegd. De echtgenoten kunnen onderling gewone of bijzonder geregelde onverdeeldheden tot stand brengen. (...) Bij gebreke van geschreven rekeningen zullen de echtgenoten vermoed worden de rekeningen die zij wederzijds verschuldigd zijn dag voor dag te hebben vereffend, met inbegrip van die rekeningen die betrekking hebben op de bijdragen in de lasten van het huwelijk, en op de vergoeding voor het familiaal, het huishoudelijk of sociaal werk van ieder van hen. De verdeling van de gedurende het huwelijk verwezenlijkte besparingen, evenals de vaststelling van de rechten van iedere echtgenoot bij de verwerving in onverdeeldheid, zullen vermoed worden gedaan te zijn ter vereffening der rekeningen die de echtgenoten wederzijds verschuldigd zijn (...).»

Zoals in nagenoeg alle huwelijkscontracten van scheiding van goederen hebben de (toekomstige) echtgenoten ook in casu (in art. 2), na herhaling van de primaire huwelijksplicht tot bijdrage in de lasten van het huwelijk volgens hun vermogen, tot bewijs ervan, een vermoeden van bijdrage van dag tot dag bedongen. Dit is een weerlegbaar vermoeden.

De partijen beschikten hier evenwel verder en breder: bij ontstentenis van geschreven rekeningen zal worden vermoed dat zij de rekeningen die zij elkaar verschuldigd zijn, van dag tot dag hebben vereffend, inclusief de rekeningen betreffende de vergoeding van het familiale, huishoudelijke of sociale werk van elk van hen (zie: N. Baugniet, «Le renversement de la présomption de «comptes au jour le jour» entre époux séparés de biens», RTDF 2011, 751-756; D. Pignolet, «Kan het beding van dag tot dag uitsluitend als een weerlegbaar vermoeden worden geredigeerd/begrepen?» in W. Pintens en C. Declerck (eds.), Patrimonium 2012, Antwerpen, Intersentia, 2012, 181-192; V. Wyart, «Du contractualisme du contrat de mariage et de ses conséquences sur la preuve des créances entre (ex-)époux», RNB 2013, 7-22).

Deze bepaling reikt veel verder dan het enkele vermoeden (volgens art. 2) dat de bijdrage in de gezinslasten dagelijks is geleverd. Dit art. 6 gaat ook buiten de perken van de interpretatie van het Hof van Cassatie in zijn arrest van 22 april 1976, dat nog steeds navolging kent. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de geldelijke bijdrage van de echtgenoot (met zijn inkomsten) bij de verwerving op beide namen en het onderhoud van de gezinswoning (in overeenstemming met de sociale situatie van de echtgenote), als zijn bijdrage in de lasten van het huwelijk opweegt tegen de huishoudelijke activiteit van de echtgenote. De feitenrechter kan beslissen dat dientengevolge het bewijs van een onrechtstreekse schenking, die de echtgenoot wil herroepen, niet is geleverd. (Cass. 22 april 1976, RW 1976-77, 993, noot H. Casman; zie: H. Casman, «Actualia huwelijksvermogensrecht», NFM 2015, 238-270).

Ook het vermoeden (van art. 6) dat alle rekeningen tussen de partijen (inclusief (dus niet enkel) de rekeningen betreffende de vergoeding van het familiale, huishoudelijke of sociale werk van elk van hen) van dag tot dag worden vereffend, is weerlegbaar. Zodoende verwijst D. tevergeefs naar het cassatiearrest van 17 september 2007 waarin een dergelijk onweerlegbaar vermoeden (daarenboven bij een gemeenschapsstelsel) werd gehekeld.

De partijen hebben echter zelf contractueel de beperking ingebouwd dat dit vermoeden slechts weerlegbaar is door middel van «geschreven rekeningen». Zoals reeds aangegeven, is een dergelijke contractuele modulering van het algemeen bewijsrecht geldig.

3. Het staat buiten kijf dat de bedoelde bouwgrond, krachtens de notariële aankoopakte van 27 augustus 1996 op naam van beide echtgenoten en zonder bijzondere bepaling van het breukdeel, hen in onverdeeldheid elk voor de helft toebehoort (art. 577-2, § 2 BW). Het staat evenzeer buiten kijf dat de daarop in 1997-1999 gebouwde gezinswoning ingevolge natrekking hen eveneens in onverdeeldheid elk voor de helft toebehoort (artt. 546 e.v. BW). Het zakenrechtelijke statuut van deze onroerende goederen staat buiten discussie.

4. Aan de hand van de overgelegde stukken stoffeert D. afdoende dat hij zowel bij de aankoop van de bouwgrond als bij de oprichting van de gezinswoning meer dan V. heeft geïnvesteerd door middel van hoofdzakelijk familiekapitaal (o.m. schenkingen en opbrengsten van belegde eigen waardepapieren).

Met verwijzing naar de bepalingen van hun huwelijkscontract is volgens V. aan D. hiervoor evenwel geen vergoeding verschuldigd.

5. Met V., de notaris-vereffenaar en de eerste rechter is ook het hof van oordeel dat geen van de door D. aangevoerde rechtsgronden en meer concreet in essentie (1) een herroepbare schenking; (2) een ongegronde vermogensverschuiving of (3) het verval van huwelijksvoordelen, zijn vordering tot vergoeding kunnen schragen.

D. ziet bij het aanvoeren van deze rechtsgronden (en de daarbij vermelde rechtspraak) over het hoofd dat zijn huwelijkscontract hier onverkort speelt. Zo kan het cassatiearrest van 27 september 2012 (T.Fam. 2013, 177, met noot) hem niet dienen. Aldaar was de schuldvordering op zich niet betwist, maar enkel de hoegrootheid van het bedrag. Bovendien betrof het, anders dan in onderhavig geval, investeringen in een onverdeeldheid na echtscheiding. De aangevoerde rechtspraak van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel (Rb. Nijvel 20 juni 2013, RNB 2014, 729) volgt het hof niet.

Los van het concrete antwoord op de vraag of de investering in de gezinswoning met «eigen kapitaal» wel, zoals de investering met eigen beroepsinkomsten, als een proportionele bijdrage in de huwelijkslasten kan worden beschouwd (in de zin van het hierboven vermelde cassatiearrest van 22 april 1976), blijft art. 6 van het huwelijkscontract steeds overeind.

Ook de (door D. beweerde) beperkte(re) bijdrage van V. in (1) het huishouden en de zorg voor de kinderen; (2) de gezamenlijke dagelijkse kosten en/of (3) het uitbouwen van de carrière van D., haalt art. 6 van het huwelijkscontract niet onderuit.

6. Het is zeker mogelijk dat de toepassing van (vooral) dit art. 6 van het huwelijkscontract bij de vereffening-verdeling van de onverdeeldheden door de (ex-)echtgenoot die de bedoelde goederen, grotendeels of zelfs exclusief, met «familiekapitaal» financierde als (zeer) onbillijk wordt aangevoeld. Maar hier geldt: «dura lex sed lex»: de echtgenoten hebben in hun huwelijkscontract hun eigen wet ingevoerd (art. 1134, eerste lid BW) (zie: H. Casman, «Actualia huwelijksvermogensrecht», NFM 2015, 238-270). Het hof kan met billijkheid of interpretatie niet voorbij aan een duidelijk contract. De echtgenoten hebben zelf vrijwillig de gevolgen van een zuivere scheiding van goederen of de zogeheten «koude uitsluiting» getemperd. Ook de mogelijke vaststelling dat een investerende (ex-)echtgenoot, gehuwd (geweest) onder een gemeenschapsstelsel, er met de wettelijke bepaalde vergoedingsregelingen in een «vergelijkbaar» geval veel beter vanaf komt, verhelpt niet.

De investerende echtgenoot mag echter niet vergeten dat bij een stelsel tot scheiding van goederen vermogensoverdracht tijdens het huwelijk vaak ook de realisatie van een faire balans tussen de solidariteit die een huwelijk meebrengt en de autonomie van de echtgenoten beoogt (Antwerpen 3 december 2014, T.Not. 2015, 128). Uiteindelijk heeft de investerende echtgenoot, in casu D., vrijwillig en met kennis van zaken gekozen om (mede) met zijn «familiekapitaal» de bedoelde onroerende goederen in onverdeeldheid te financieren. Mogelijk wilde hij op die wijze volgens zijn (groter) vermogen bijdragen in de lasten van het huwelijk. In ieder geval, indien hij dienaangaande in de aankoopakte geen expliciete verklaring, schulderkentenis of nadien geen geschreven (ver)rekening bepaalt, laat hij voormelde vermoedens van zijn eigen huwelijkscontract onverkort gelden. Deze bewuste keuze met de gevolgen van het huwelijkscontract vandien, later gewoon afdoen als een (steeds te) herroepen schenking, lukt niet.

7. D. concretiseert noch de vereiste animus donandi noch de vereiste aanvaarde traditio om de bedoelde vermogenstransfert als (onrechtstreekse) schenking te kwalificeren. Bij gebrek aan bewezen schenking kan er logischerwijze van een herroeping geen sprake zijn.

8. Even tevergeefs grijpt D. naar art. 1348 BW. Toepassing van dit artikel, door rechtspraak en rechtsleer tussen echtgenoten sowieso al heel restrictief aanvaard, is door de bepalingen van het huwelijkscontract evenzeer uitgesloten. Een echtgenoot kan zich bezwaarlijk beroepen op de morele onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen als zijn eigen huwelijkscontract tot scheiding van goederen nu net schriftelijke bewijzen vereist om tot afrekening en verrekening over te gaan.

9. Terwijl het huwelijksvermogensstelsel tot scheiding van goederen als zodanig de toepassing van de leer van de vermogensverschuiving zonder oorzaak niet uitsluit, hebben de echtgenoten in casu door dit vermoeden (van art. 6 van hun huwelijkscontract) en de beperking van de wijze waarop het kan worden weerlegd, contractueel de toepassing van de vermogensverschuiving zonder oorzaak uitgesloten. De vermogensverschuiving zonder oorzaak kan niet worden ingeroepen tegen de voorwaarden van het huwelijkscontract die bij gebrek aan een geschrift alle afrekeningen uitsluiten. Dit contractuele beding dat bij gebrek aan een geschrift geen «nieuwe» afrekening toelaat, is de oorzaak van een gebeurlijke geldoverdracht tussen de echtgenoten (Bergen 8 juni 2010, Act.dr.fam. 2011, 15; Rb. Brussel 27 januari 2012, RNB 2012, 638, noot). Dit geldt a fortiori nu het bedoelde art. 6 in fine bepaalt: «... de vaststelling van de rechten van ieder echtgenoot bij de verwerving in onverdeeldheid, zullen vermoed worden gedaan te zijn ter vereffening der rekeningen die de echtgenoten wederzijds verschuldigd zijn».

10. D. kan er niet omheen dat hij geen geschreven rekeningen voorlegt waaruit moet blijken dat V. hem ingevolge zijn in de bedoelde onverdeeldheden gedane investeringen nog iets is verschuldigd.

Anders dan D. wil voordoen, behoeft het op zich duidelijke huwelijkscontract geen verdere interpretatie overeenkomstig de artt. 1156 e.v. BW.

In tegenstelling tot wat D. beweert, bevat deze bepaling van art. 6 van het huwelijkscontract geen beperking tot loutere dagelijkse kosten en inkomsten derwijze dat ze eenmalige investeringen met geërfde of geschonken gelden uitsluit. Dat art. 6 in fine verder ook een vermoeden aangaande de besparingen bepaalt, verandert hieraan niets.

In tegenstelling tot wat D. aanvoert, bevat art. 6 geen met geschreven rekeningen te weerleggen vermoeden van loutere betaling, maar wel van verrekening of schuldvordering.

11. Tot slot beoogt D. tevergeefs toepassing van art. 299 BW dat, behoudens overeenkomst in tegenovergestelde zin, het verval dicteert van de voordelen die de echtgenoten elkaar bij huwelijksovereenkomst en sinds het aangegaan van het huwelijk hebben toegekend. Artikel 299 BW kan hier geen toepassing vinden, omdat de litigieuze bepaling van art. 6 van het huwelijkscontract geen huwelijksvoordeel (in de zin van art. 299 BW) uitmaakt.

Een huwelijksvoordeel kan worden omschreven als een voordeel dat voor een van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling van het stelsel, waarop de regels van de schenking niet van toepassing zijn. Het begrip huwelijksvoordeel is niet gelijk aan het begrip overlevingsrecht. Overlevingsrechten zijn onder voorwaarde van overleving tussen echtgenoten overeengekomen rechten, hetzij in het huwelijkscontract, hetzij tijdens het huwelijk (W. Pintens e.a., Familiaal Vermogensrecht, 2010, Intersentia, p. 354-355, nrs. 646-647).

In zijn arrest van 23 november 2001 omschrijft het Hof van Cassatie de voordelen die ingevolge art. 299 BW vervallen als eensdeels alle schenkingen tussen de echtgenoten en anderdeels de voordelen die tegelijk overlevingsrechten zijn, met name de bedingen van vooruitmaking en de bedingen van ongelijke verdeling van de huwelijksgemeenschap.

De voordelen die betrekking hebben op de samenstelling van de vermogens, zoals de inbrengen of de voordelen die voortvloeien uit de werking van het stelsel, blijven derhalve behouden (Cass. 23 november 2001, RW 2001-02, 1008; Gent 2 maart 2006, Div.Act. 2007, p. 64, nr. 16).

Het blijkt de bedoeling van de wetgever te zijn geweest om het begrip «voordelen» in art. 299 BW te beperken tot enkel die voordelen die als overlevingsrechten kunnen worden gekwalificeerd. Zodoende vervallen niet de voordelen die betrekking hebben op de samenstelling van de vermogens of die voortvloeien uit de werking van het stelsel (Parl.St. Kamer 2006-07, nr. 51-2341/018, p. 32).

In de lijn hiervan oordeelt het hof met de notaris-vereffenaar en de eerste rechter dat de bepaling van art. 6 van het huwelijkscontract geen schenking/huwelijksvoordeel bevat dat met toepassing van art. 299 BW vervalt ingevolge de echtscheiding. Bovendien wijst de notaris-vereffenaar er terecht op dat, anders dan D. blijft beweren, art. 6 de vergoeding bij vermogensverschuivingen als zodanig niet uitsluit, maar enkel dienaangaande een beperking van de bewijslast inhoudt.

12. Geen van de door D. aangevoerde rechtsgronden slaagt.

In de lijn van voormelde (enigszins andersluidende) redengeving besluit het hof met de notaris-vereffenaar en de eerste rechter dat D. geen aanspraak kan maken op enige vergoeding of verrekening voor zijn investering (met o.m. familiekapitaal) in de bouwgrond en de daarop gebouwde gezinswoning (...).

13. Nu het hof niet ingaat op de door D. beoogde vergoeding of verrekening, komt het door V. ter zake subsidiair en voorwaardelijk ingestelde incidenteel hoger beroep niet aan de orde. Zodoende moeten de pro en contra argumenten dienaangaande niet worden ontmoet.

B.2. Provisie

1. V. vraagt een (periodieke) provisie op de vereffening-verdeling en meer concreet een maandelijkse provisie ten bedrage van 625 euro vanaf 15 november 2011 tot de datum van de definitieve vereffening-verdeling.

2. Het staat buiten kijf dat V. deze aanspraak pas voor het eerst in conclusie voor de rechtbank maakt en niet vooraf voor de notaris-vereffenaar in het raam van de tussentijdse bezwaren heeft gemaakt.

Anders dan de eerste rechter oordeelt het hof dat (ter beoordeling van de ontvankelijkheid van deze vordering) deze aanspraak niet zomaar kan worden gelijkgesteld met een (tussentijds) bezwaar aangaande een beoogde woonvergoeding, dat hier dan wegens laattijdigheid onontvankelijk is.

Niettegenstaande het wetsartikel niet expliciet is vermeld, is duidelijk dat V. hier een voorlopige maatregel met toepassing van het art. 19, tweede lid Ger.W. (thans sedert de wet van 28 februari 2014: derde lid) beoogt.

De wet van 26 april 2007 «tot wijziging van het Gerechtelijke Wetboek met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand» heeft de draagwijdte van art. 19 Ger.W. in die zin verruimd dat de rechter, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel tot onderzoek van de vordering kan bevelen (of een tussengeschil daaromtrent kan regelen), dan wel de toestand van de partijen voorlopig kan regelen. Het is niet uitgesloten om bij wijze van conclusie een vordering tot het verkrijgen van een voorschot in te leiden (art. 808 Ger.W.) (zie: J. Laenens e.a., Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 90, nr. 163).

3. Aldus is de vordering tot provisie ontvankelijk.

4. Het verruimde art. 19 Ger.W. verlaagt voor de partijen de drempel om hun verzoek tot voorlopige maatregelen (sneller) aan de rechtbank voor te leggen. Dit betekent evenwel niet dat de rechtbank elk verzoek krachtens art. 19 Ger.W. zal honoreren. Evident mag de (beoogde) voorlopige maatregel geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf. Voorts moet de rechter ten gronde, hoewel hij in tegenstelling tot de kortgedingrechter strikt gezien niet gebonden is door het urgentievereiste, op grond van een bondig prima facie-onderzoek nog steeds nagaan of de toestand van de partijen zo’n tussentijdse en voorlopige beslissing wel vereist (Brussel 17 november 2011, RTDF 2013, 1014).

Dat een voorlopige maatregel bij uitstek de nadelige gevolgen (zoals de lange duur) van een proces voor een partij kan beperken, impliceert niet dat art. 19 Ger.W. mag worden gebruikt door een partij die zelf (als de meest gerede partij) in gebreke blijft de procedure ten gronde te activeren en proceseconomisch te voeren. Zo gaat het bijvoorbeeld niet op om wars van de regels betreffende een gerechtelijke vereffening-verdeling rechtstreeks voor de rechtbank en zonder voldoende voorafgaande gerechtelijke werkzaamheden van de notaris-vereffenaar, een verkapte vereffening-verdeling te voeren onder het mom van een voorlopige maatregel in de zin van art. 19 Ger.W. (zie: S. Voet, «Het nieuwe art. 19, tweede lid, Ger.W. (versus kort geding)» (noot onder Rb. Gent 2 december 2008), RW 2009-10, 1318-1322).

V. verduidelijkt zelf dat de beoogde provisie is berekend als een vergoeding die overeenstemt met de woonvergoeding die D. volgens haar sowieso is verschuldigd. Zij vervolgt zelf dat de woonvergoeding nog niet is gevorderd voor de notaris-vereffenaar, evenmin als andere elementen van de beheersrekening, omdat de notaris-vereffenaar eerst het statuut van de woning beoordeelt.

Ten gronde schraagt V. haar voorlopige maatregel aldus met de woonvergoeding waarop zij meent recht te hebben. De woonvergoeding is een item bij uitstek dat in het raam van de beheersrekeningen van de staat van vereffening-verdeling door de notaris-vereffenaar wordt beoordeeld. V. legt zelf uit dat de notaris-vereffenaar hiertoe nog niet de kans heeft gehad. De woonvergoeding is voor de notaris-vereffenaar nog niet eens ter sprake gekomen, aldus V.

In de gegeven specifieke omstandigheden en in de lijn van voormelde redengeving gaat het niet op dat V. langs deze (om)weg poogt rechtstreeks voor de rechtbank en zonder voldoende voorafgaande notariële werkzaamheden, een verkapte vereffening-verdeling te voeren onder het mom van een voorlopige maatregel in de zin van art.19 Ger.W.

5. De vordering tot provisie kan ten gronde niet slagen.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: za, 10/03/2018 - 19:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.