-A +A

bewijs door vermoedens

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Feitelijke vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de rechter, onder de voorwaarden van art. 1349 en 1353 B.W. uit een bekend feit kan afleiden om te besluiten tot een onbekend feit.

Hoewel de rechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij zich baseert en hoewel de gevolgtrekkingen, die hij daaruit als vermoeden afleidt, aan zijn oordeel en beleid worden overgelaten, mag hij het rechtsbegrip feitelijke vermoedens, dat aan het toezicht van het Hof is onderworpen, niet miskennen of denatureren. Hij mag onder meer uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen afleiden die, op grond van die feiten, voor geen enkele verantwoording vatbaar zijn.

Cass.20 december 2007, R.W. 2009-2010, 955, lees dit arrest vian deze link met het paswoord RW

Met vermoedens moet omzichtig omgesprongen worden, omdat zij een uitzondering maken op de klassieke bewijsregels en bijgevolg van strikte en beperkende interpretatie zijn. Overigens is het recht op bewijs een fundamenteel grondrecht, dat een component uitmaakt van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM).

Wettelijke vermoedens (praesumptio iuris tantum, zijnde een weerlegbaar vermoeden) vertrekken van de idee van het quod plerumque fit dat de wetgever voor ogen houdt wanneer de bewijslast moeilijk is

Niets belet de rechter in bijzondere en welbepaalde omstandigheden, de “werkelijkheid" te onderzoeken.

 

Commentaar: 

Naast het vermoeden iurirs tantum, bestaat het vermoeden iuris et de iure, praesumptio juris et de jure (wettelijk vermoeden, waartegen tegenbewijs niet mogelijk is).

Praesumptio iuris et de iure è una locuzione latina che indica la presunzione giuridica che non ammette una prova contraria, mentre la praesumptio iuris tantum stabilisce una inversione dell'onere della prova, ma è vincibile qualora la stessa sia stata fornita.

La Corte costituzionale della Repubblica Italiana tende il più possibile ad evitare il riconoscimento delle presunzioni assolute, perché pur derivando spesso dall id quod plerumque accidit, nei casi estremi appaiono illogiche.

Molto spesso tali presunzioni erano contenute in norme fiscali, dichiarate incostituzionali dalla Corte.

Anche in diritto canonico, secondo l'insegnamento romanistico, valgono gli stessi principi

• Can.1825.
par. 1. Praesumptio est rei incertae probabilis coniectura; eaque alia est iuris, quae ab ipsa lege statuitur; alia hominis, quae a iudice coniicitur.
par. 2. Praesumptio iuris alia est iuris simpliciter, alia iuris et de iure.

• Can. 1826. Contra praesumptionem iuris simpliciter admittitur probatio tum directa tum indirecta; contra praesumptionem iuris et de iure, tantum indirecta, hoc est contra factum quod est praesumptionis fundamentum.

• Can. 1827. Qui habet pro se iuris praesumptionem, liberatur ab onere probandi, quod recidit in partem adversam; qua non probante, sententia ferri debet in favorem partis pro qua stat praesumptio.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 31/01/2010 - 23:23
Laatst aangepast op: za, 21/03/2015 - 16:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.