-A +A

Bevoegdheidsbedingen in consumentenzaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een bevoegheidsbeding ten voordele van de rechter voor de zetel van de eisende partij is, overeenkomstig artikel 74, ten 23ste en 75ste van de wet van 06 april betreffende de marktpraktijken en de consumentenbescherming, een onrechtmatig en derhalve nietig beding. De bepalingen van de wet op de marktpraktijken zijn thans in zelfde zin overgenomen in het wetboek van economisch recht. Zie art. VI.83, 23° Wetboek van Economisch Recht

 

Rechtspraak:

• Arrondissementsrechtbank te Brussel, 18 november 2013, RW 2014-2015, 549

NV K. t/ G.-G. G.

...

Bij verstekvonnis van 4 september 2013 verzond de Vrederechter van het kanton Grimbergen, overeenkomstig art. 640 Ger.W., de zaak naar de rechtbank alhier omdat voormelde vrederechter ambtshalve zijn bevoegdheid ratione loci in vraag stelde.

De verwerende partij heeft haar woonplaats in Namen, (...), en verscheen niet op de zitting van de Vrederechter te Grimbergen waarop zij gedaagd was. Terecht leidt de vrederechter van het kanton Grimbergen hieruit af dat de verweerder zijn territoriale bevoegdheid betwist en zendt hij de zaak door naar de Arrondissementsrechtbank om hierover uitspraak te doen.

Het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Dendermonde waarnaar eiseres verwijst ontkracht dit pricipe niet en is in casu niet dienstig. Uit de bewoordingen van dit vonnis blijkt immers niet dat verweerders consumenten zijn, noch dat de territoriale bevoegdheid van de geadieerde rechter betwist werd op grond van de wet van 6 april 2010 betreffende de handelspraktijken en de bescherming van de consument. Uit het voorgelegde vonnis kan enkel worden afgeleid dat de geadieerde rechter zich vragen stelde met betrekking tot de tegenwerpelijkheid van een bevoegdheidsclausule waarnaar in de dagvaarding werd verwezen.

In dit vonnis staat alleen te lezen dat wanneer een bevoegdheidsclausule in de dagvaarding is opgenomen, de rechter geen onderzoek ten gronde moet voeren om na te gaan of deze algemene voorwaarden door de verweerder zijn aanvaard en hem tegenwerpbaar zijn. Dit is volledig correct, voor zover de verweerder geen consument is.

Wanneer de verweerder een consument is, is de wet van 6 april 2010 op de marktpraktijken en de bescherming van de consument van toepassing. Deze wet is immers van dwingend recht, zodat de vrederechter ambtshalve zijn territoriale bevoegdheid dient te onderzoeken.

Zelfs wanneer in de dagvaarding verwezen wordt naar een bevoegdheidsclausule, dient hij in voorkomend geval de zaak naar de arrondissementsrechtbank te verzenden wanneer zijn territoriale bevoegdheid niet voortvloeit uit de toepassing van art. 624, 1o, 2o en 4o Ger.W.

Eiseres betwist niet dat verweerder een consument is en betwist evenmin de toepassing van de wet van 6 april 2010 op de marktpraktijken en de bescherming van de consument.

Eiseres voert aan dat de bevoegdheid van de vrederechter van het kanton Grimbergen niet is bepaald op grond van een gedwongen keuze van woonplaats, maar wel op basis van een bevoegdheidsclausule in haar algemene voorwaarden, zodat art. 74, 23o van de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en de consumentenbescherming niet werd miskend.

Zij kan daarin niet gevolgd worden. Overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek zijn schulden haalbaar en niet draagbaar. Art. 4 van de algemene voorwaarden van eiseres bepalen dat, in tegenstelling tot deze bepaling, haar facturen betaalbaar zijn op de hoofdzetel. Bijgevolg dient verweerder, in tegenstelling tot de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, de factuur van eiseres op haar zetel te Grimbergen te betalen. Dit is ontegensprekelijk een gedwongen keuze van woonplaats voor de uitvoering van deze (betaal)verbintenis.

Daarnaast is, in weerwil tot wat eiseres beweert, een bevoegdheidsclausule waarin enkel de rechtbanken bevoegd zijn van het arrondissement Brussel of het kanton Grimbergen, zijnde de plaats waar de maatschappelijke zetel van de handelaar gevestigd is, wel degelijk een gedwongen keuze van woonplaats voor de uitvoering van de betaalverbintenis van de consument.

In casu bestaat er geen enkele band tussen de plaats waar de overeenkomst is ontstaan of uitgevoerd en de in de algemene voorwaarden opgenomen bevoegdheidsclausule ten voordele van de Vrederechter van het kanton Grimbergen. De overeenkomst werd opgesteld bij K.B., (...) en uitgevoerd (plaatsen van de keuken) te Saint-Servais, (...).

In tegenstelling tot wat eiseres in haar conclusies beweert, benadeelt een dergelijk forumbeding/keuze van woonplaats de consument wel degelijk, omdat hij verplicht wordt om een vordering van eiseres ver van zijn woonplaats te betwisten, in een taal die niet zijn moedertaal is en zonder dat deze plaats iets te maken heeft met de uitvoering van de overeenkomst. Dit is precies wat de wetgever heeft willen voorkomen en meteen de ratio legis van art. 74, 23o WHMC, namelijk dat de consument niet verplicht kan worden om verweer te voeren voor een andere rechtbank dan die welke is aangewezen in art. 624, 1o, 2o en 4o Ger.W.

Ten slotte voert eiseres aan dat niet elk bevoegdheidsbeding noodzakelijk nietig is en dat art. 624, 1o, 2o en 4o Ger.W. niet tot gevolg heeft dat uitsluitend de rechter van de woonplaats van verweerder territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van het geschil.

Het staat buiten elke discussie dat de territoriale bevoegdheid van de Vrederechter van Grimbergen niet vaststaat in uitvoering van art. 624, 1o, 2o en 4o Ger.W., maar uitsluitend in uitvoering van art. 4 en 11 van de algemene voorwaarden van eiseres. Aangezien de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en de bescherming van de consument van dwingend recht is, kan van de toepassing van art. 624, 1o, 2o en 4o Ger.W. enkel worden afgeweken nadat het geschil is ontstaan.

Uit het feit dat de verweerder verstek laat gaan, kan niets anders worden afgeleid dan dat hij de territoriale bevoegdheid van de Vrederechter te Grimbergen betwist. Uit geen enkel stuk blijkt dat hij de territoriale bevoegdheid van de Vrederechter van het kanton Grimbergen zou hebben aanvaard, nadat het geschil is ontstaan. Met toepassing van deze principes is het bevoegdheidsbeding van eiseres nietig en is, gelet op de huidige woonplaats van verweerder, dus enkel de Vrederechter van het tweede kanton te Namen territoriaal bevoegd om kennis te nemen van huidige vordering.

• Arrondissementsrechtbank Oost-Vlaanderen, 14/12/2015, RW 2016-2017, 829

Samenvatting

In de relatie tussen een advocaat en een cliënt die consument is, moet ook de leer van de onrechtmatige bedingen worden nageleefd. Art. VI.83, 23o Wetboek van Economisch Recht bepaalt in dat verband dat in overeenkomsten gesloten tussen een onderneming (eiseres als advocaat) en een consument (verweerder) in elk geval onrechtmatig zijn de bedingen en voorwaarden die ertoe strekken een vordering op grond van een contractueel bedongen keuze van woonplaats in te leiden voor een andere rechter dan die welke is aangewezen in art. 624, 1o, 2o en 4o Ger.W

Tekst arrest

M.W. t/ V.J.

1. Procedureantecedenten en relevante feiten

Bij vonnis van 2 oktober 2016 gewezen bij verstek t.o.v. verwerende partij verzendt de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen – afdeling Dendermonde, (...), de zaak bij haar aanhangig gemaakt met dagvaarding van 10 juli 2016, ambtshalve naar de arrondissementsrechtbank in toepassing van art. 640 Ger.W., omdat zij twijfelt aan haar bevoegdheid ratione loci.

Eiser maakt in zijn hoedanigheid van advocaat van verwerende partij voor gevoerde procedures aangaande echtscheiding, vereffening en verdeling, dringende en voorlopige maatregelen aangaande kinderen en kort geding, aanspraak op achterstallig ereloon en kosten ten bedrage van 10 000 euro, vermeerderd met de gerechtelijke rente alsook de kosten van het geding.

Verwerende partij woont te 1500 Halle, (...).

In het gedinginleidend exploot werd navolgende passus opgenomen: “Aangezien de rechtbanken van Dendermonde bevoegd zijn om kennis te nemen van het geschil conform art. 624 § 2 Ger.W.”

...

2. Beoordeling

Van de verwerende partij die niet verschijnt, wordt vermoed dat zij de bevoegdheid van de geadieerde rechter afwijst (art. 630, tweede lid Ger.W.). Deze processuele bescherming geldt enkel voor de territoriale bevoegdheid (J. Laenens, “Overzicht van rechtspraak – De bevoegdheid 1993-2000”, TPR 2002, p. 1506 nr. 11).

Ook voor de territoriale bevoegdheid is de gedinginleidende akte echter het referentiepunt (P. Van Orshoven, “Je n’aime pas mon sujet. De bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in burgerlijke zaken. Stand van zaken en actuele ontwikkelingen”, TPR 2004, p. 1122, nr. 53).

In de relatie tussen een advocaat en een cliënt die consument is, moet ook de leer van de onrechtmatige bedingen worden nageleefd. Art. VI.83, 23o Wetboek van Economisch Recht bepaalt in dat verband dat in overeenkomsten gesloten tussen een onderneming (eiseres als advocaat) en een consument (verweerder) in elk geval onrechtmatig zijn de bedingen en voorwaarden die ertoe strekken een vordering op grond van een contractueel bedongen keuze van woonplaats in te leiden voor een andere rechter dan die welke is aangewezen in art. 624, 1o, 2o en 4o Ger.W., onverminderd de toepassing van Verordening nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Deze toetsing dient de rechter in voorkomend geval ambtshalve uit te voeren (HvJ 4 juni 2009 zaak C-243/08 Pannon GSM, Jur. 2009, 4713).

In deze zaak rijst dan ook de vraag of de verwijzende rechter inderdaad kon worden geadieerd met toepassing van de bepalingen van art. 624, § 2 Ger.W., zoals vermeld in het gedinginleidend exploot.

Allereerst dient te worden opgemerkt dat art. 624 Ger.W. niet in paragrafen is opgedeeld, maar wel een 2o bevat met volgende inhoud: Eiser kan naar keuze de zaak brengen “voor de rechter van de plaats waar de verbintenis, waarover het geschil loopt, of één ervan zijn ontstaan of waar zij worden, zijn of moeten worden uitgevoerd”.

Wanneer men ervan uitgaat dat de betalingsverplichting van verwerende partij voor de prestaties van eiseres, in haar hoedanigheid van raadsman van verweerder in diverse gerechtelijke procedures, enerzijds is ontstaan op het kabinet van eisende partij te 9473 Welle (...), maar ook de uitvoering ervan (lees betaling) dient plaats te vinden op datzelfde (bij)kantoor, omdat algemeen wordt aangenomen dat art. 1247 §2 BW zo dient geïnterpreteerd te worden dat het rekening houdt met bewezen en vaststaande gebruiken, meer specifiek dat de honoraria van een advocaat steeds worden betaald op zijn kantoor (Brussel 15 april 1999, JLMB 2000, 261; Brussel 6 juni 2002, JLMB 2003, 355; Antwerpen 30 maart 1998, TBBR 2003, 329; Luik 21 december 1961, JT 1962, 46; J.P. Buyle, “Le juge des honoraires est en principe celui du lieu du cabinet de l’avocat” (noot onder Luik 17 januari 2009), JLMB 2009, 1434-1435), wordt het duidelijk dat eisende partij verweerder wel degelijk kon dagvaarden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen – afdeling Dendermonde.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:16
Laatst aangepast op: do, 16/02/2017 - 14:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.