-A +A

Bevoegdheidsbeding en betwiste tegenwerpelijkheid factuurvoorwaarden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer discussie bestaat over de al dan niet aanvaarding of toepasselijkeid van de algemene voorwaarden, waarbij in deze algemene voorwaarden een bevoegdheidsbeding is opgenomen dan raakt een dergelijke betwisting in de regel de grond van de zaak.

Als de tegenwerpbaarheid van de algemene voorwaarden wordt betwist, kan een bevoegdheidsincident niet worden opgelost aan de hand van een bevoegdheidsbeding dat daar deel van uitmaakt. De territoriale bevoegdheid wordt immers volkomen los van de grond van de zaak beoordeeld, waartoe het onderzoek naar de tegenwerpbaarheid van de algemene voorwaarden behoort (zie o.a.: Antwerpen 31 januari 2006, RABG 2006, 1355, noot J. Van Doninck; S. Voet, “Over de bindende bevoegdheidsovereenkomst” (noot onder Kh. Tongeren 19 december 2006), P&B 2007, 67).

Een dergelijk onderzoek overstijgt in de regel een louter prima facie-onderzoek. Bovendien bepaalt de overeenkomst van 16 maart 2010 dat de abonnee-huurder verklaart kennis te hebben genomen van de algemene en bijzondere voorwaarden, waarmee hij zonder voorbehoud instemt en die hij verklaart goed te keuren.

rechtspraak:

•• rechtbank van koophandel te Dendermonde 7 november 2013, RW 2015-2016, 275

BVBA A.B.D . t/ NV P.L.E....

Discussie bestaat over de kwestie of eiseres de door verweerster ingeroepen algemene voorwaarden, waaronder een bevoegdheidsbeding, zou hebben aanvaard.

Een dergelijke betwisting raakt in de regel evenwel de grond van de zaak; als de tegenwerpbaarheid van de algemene voorwaarden wordt betwist, kan een bevoegdheidsincident niet worden opgelost aan de hand van een bevoegdheidsbeding dat daar deel van uitmaakt. De territoriale bevoegdheid wordt immers volkomen los van de grond van de zaak beoordeeld, waartoe het onderzoek naar de tegenwerpbaarheid van de algemene voorwaarden behoort (zie o.a.: Antwerpen 31 januari 2006, RABG 2006, 1355, noot J. Van Doninck; S. Voet, “Over de bindende bevoegdheidsovereenkomst” (noot onder Kh. Tongeren 19 december 2006), P&B 2007, 67).

Een dergelijk onderzoek overstijgt in de regel een louter prima facie-onderzoek. Bovendien bepaalt de overeenkomst van 16 maart 2010 dat de abonnee-huurder verklaart kennis te hebben genomen van de algemene en bijzondere voorwaarden, waarmee hij zonder voorbehoud instemt en die hij verklaart goed te keuren.

In zoverre eiseres aanvoerde destijds geen exemplaar te hebben ontvangen van deze overeenkomst is dit in manifeste tegenspraak met de vermelding: “Opgemaakt in drie exemplaren, waarvan de abonnee-huurder erkent een exemplaar te hebben ontvangen”. Voorts vermeldt deze overeenkomst ook expliciet dat de voorwaarden op vier bladzijden worden vermeld. Daarnaast zij, voor zoveel als nodig, opgemerkt dat art. 1325 BW niet van toepassing is in handelszaken (Cass. 27 januari 1956, Pas. 1956, I, 543; B. Tilleman en A. Verbeke, Bijzondere overeenkomsten in kort bestek, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 39, nr. 141). Deze overeenkomst bepaalt in art. 11 dat elk geschil tot de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbanken van Brussel behoort.

De vraag rijst bovendien of de stelling van eiseres dat zij deze voorwaarden nooit zou hebben aanvaard niet regelrecht in strijd is met voornoemde verklaring en als zodanig zelfs niet ingaat tegen de inhoud van deze onderhandse akte. Er is immer sprake van een “kennisnamebeding”, aangezien uitdrukkelijk wordt verklaard kennis te hebben genomen van de algemene voorwaarden; door de ondertekening van een dergelijk beding maken de algemene voorwaarden expliciet deel uit van de contractuele relatie (J. Schraeyen, Algemene voorwaarden, Brussel, Larcier, 2012, 12; Rb. Brussel 2 december 2008, RW 2010-11, 377).

Een dergelijke kennisnameclausule heeft als inherente eigenschap dat zij een kennisnamefictie tot stand brengt (zie in dat verband o.a.: K. Vanderschot, “Instemming met algemene voorwaarden: kennisname en aanvaardingsclausules” in S. Stijns en K. Vanderschot (eds.), Contractuele clausules rond de (niet-)uitvoering en de beëindiging van contracten, Antwerpen, Intersentia, 2006, p. 30, nr. 55).

Er zijn geen gemeenrechtelijke bepalingen uit het verbintenissenrecht die aan dergelijke clausules specifieke beperkingen opleggen. In onderhavige zaak is het gemene verbintenissenrecht van toepassing, aangezien beide partijen handelaars zijn. Bijgevolg speelt het principe van de wilsautonomie, dat inhoudt dat partijen vrij zijn om bedingen van dergelijke aard in het contract op te nemen en er hun contractuele rechtsverhouding door te laten beheersen.

De bedoeling van dergelijke clausules is rechtszekerheid te betrachten, o.a. door oeverloze bewijsdiscussies te vermijden.

Minstens en alleszins moet worden aangenomen dat diegene die een dergelijke clausule ondertekent (en die geen consument is, die bijzondere rechtsbescherming geniet) bewust het systeem aanvaardt dat zijn rechtsverhouding beheerst zal worden door de algemene voorwaarden die geïncorporeerd worden in de contractuele relatie. Indien de bestemmeling er bewust voor kiest om zelfs door hem niet gekende of niet gelezen voorwaarden de overeenkomst te laten beheersen, zal hij op grond van de wilsleer door deze voorwaarden verbonden zijn (R. Steennot, Elektronisch betalingsverkeer. Een toepassing van de klassieke principes, Antwerpen, Intersentia, 2002, nrs. 102-103 en 121). In een dergelijk geval is bij zijn wederpartij trouwens de legitieme verwachting gewekt dat hij deze voorwaarden zal aanvaarden.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 11/10/2015 - 14:05
Laatst aangepast op: zo, 11/10/2015 - 14:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.