-A +A

bevoegdheid van de strafrechter of de burgerlijke rechter bij de herstelvordering tot schade veroorzaakt door het misdrijf

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Tot welke rechter dient het slachtoffer van een misdrijf ter vergoeding van zijn schade te wenden? Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in artikel vier van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering. de tekst van dit artikel luidt: de burgerlijke rechtsvordering kan terzelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering (le criminel tient le civil en état) die voor of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld.

De rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijkepartijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is (dit wil zeggen niet klaar om over dit punt beslecht te worden).

Onverminderd het recht om de zaak conform de artikelen 1034 bis tot 1034 sexies van het gerechtelijk wetboek bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, kan een ieder hij door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie neergelegd verzoekschrift, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, kosteloos verkrijgen dat het gerecht dat uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de burgerlijke belangen. dit verzoekschrift geldt als burgerlijkepartijstelling.

Het verzoekschrift wordt dan door de griffier ter kennis van de partijen en in voorkomend geval, van de advocaten gebracht onder vermelding van de plaats, dag en uur van de zitting waarop de zaak wordt behandeld.

Wanneer er uitspraak is gedaan over de strafvordering, kan elke in het geding zijnde partij, de rechter bij wie de zaak aanhangig  is gemaakt, verzoeken termijnen vast te stellen voor de overzending en de indiening van de stukken, alsmede de conclusies en de rechtsdag te bepalen.

Dit verzoek wordt ingediend door middel van een verzoekschrift en wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij diens ontstentenis door de partij zelf en het wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn. Het wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de andere partijen ter kennis gebracht en in voorkomend geval bij gewone brief aan hun advocaten.

De andere partijen kunnen, binnen 15 dagen na de verzending van de gerechtsbrief, op dezelfde wijze hun opmerkingen aan de rechter doen toekomen. Binnen acht dagen na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn, dan wel na de neerlegging van het verzoekschrift wanneer het uitgaat van alle betrokkenen, doet de rechter uitspraak op stukken, behalve wanneer hij het noodzakelijk acht de partijen te horen, in welk geval die bij gerechtsbrief worden opgeroepen; de beschikking wordt binnen acht dagen na de zitting gewezen.

De rechter bepaalt de termijnen om conclusies te nemen en de rechtsdag. Tegen de beschikking staat geen enkel rechtsmiddel open.

Zij wordt ter kennis gebracht van de partijen en van een advocaat bij gewone brief. Indien een partij geen advocaat heeft wordt zij haar ter kennis gebracht per gerechtsbrief.

Behoudens akkoord van partijen of de in artikel 748 paragraaf twee van het gerechtelijk wetboek bedoelde uitzondering, worden de conclusies die na het verstrijken van de in het 10e lid vastgestelde termijnen worden overgelegd, ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de vastgestelde dag kan de meest gerede partij een vonnis op tegenspraak vorderen. Wanneer alleen de burgerlijke belangen bij de rechter aanhangig worden gemaakt is de aanwezigheid van het Openbaar Ministerie op de terechtzitting niet verplicht.

In artikel vijf van de voorafgaande titel wordt uitdrukkelijk gesteld dat de afstand van de burgerlijke rechtsvordering niets belet dat de strafvordering verder wordt uitgeoefend.

Het voordeel van de afhandeling van de vordering schadevergoeding voor de strafrechter  situeert zich vooral een goedkopere kostprijs en de snelle afhandeling. anderzijds draagt een de burgerlijke procedure de eiser de bewijslast, terwijl in de strafrechtelijke procedure de benadeelde partij kan rekenen op de bewijslast die het openbaar ministerie heeft verzameld of zal verzamelen. In dit voordeel is natuurlijk des te sterker wanneer er een strafrechtelijke procedure loopt. Indien het Openbaar Ministerie geen vordering heeft ingesteld voor de strafrechter en de benadeelde partij zich toch wenst te wenden tot de strafrechter dient zij dit te doen via een rechtstreekse dagvaarding (in welk geval zij alle bewijsmiddelen dient aan te brengen) dan wel dient zij een beroep te doen op de onderzoeksrechter door een burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter, hetgeen evenwel kosten meebrengt en waarbij deze procedure wel eens heel wat langere zou kunnen duren dan een loutere burgerlijke procedure. Deze weg de burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter) is dan ook alleen maar aan te raden wanneer men beschikt over onvoldoende bewijsmiddelen, terwijl de rechtstreekse dagvaarding slechts aan te bevelen is wanneer men over een ijzersterk bundel beschikt.

De rechtspreuk Electa una via non datur recursus ad alteram (hetgeen  vrij vertaald betekent, eens een werd gekozen kan men geen andere meer kiezen en hetgeen meerbepaald in het recht betekent, "Eens men de weg van de burgerlijke als strafrechtelijke weg gekozen heeft kan men de andere weg niet opgaan" behoort niet tot het Belgisch recht. de benadeelde heeft dus steeds het recht om zijn keuze tussen de burgerlijke en de strafrechtelijke weg te wijzigen, althans voor zover er geen uitspraak gedaan werd over de zaak. niets belet bovendien dat een deel  van de schade voor de burgerlijke rechter en een deel van de schade voor de strafrechter wordt gerecupereerd.

Ook dient benadrukt dat een burgerlijkepartijstelling  niet ontvankelijk kan verklaard worden omdat er reeds een burgerlijke vordering werd ingesteld, terwijl er ook een burgerlijke partijstelling kan worden ingesteld alvorens een burgerlijke vordering wordt ingesteld.

Nog dit: 

Keuze tussen burgerlijke rechter en strafrechter — Afstand van geding

Hof van Beroep 22/12/1995, RW 2017-2018, 396

Een vordering van de burgerlijke partij, inzoverre zij gericht is tegen de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, is niet ontvankelijk.

Overeenkomstig artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering heeft de benadeelde van een misdrijf de keuze om zijn rechtsvordering tot herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade tegelijk met de strafvordering voor de strafrechter, dan wel afzonderlijk voor de burgerlijke rechter in te stellen;

Dit optierecht van de benadeelde impliceert evenwel het verbod om vergoeding van dezelfde schade tegelijkertijd voor de strafrechter en de burgerlijke rechter te vorderen;

Wanneer eenmaal gekozen is tussen de strafrechter of de burgerlijke rechter kan de benadeelde deze keuze slechts wijzigen wanneer hij afstand doet van zijn aanvankelijke voor de burgerlijke rechter ingestelde vordering of in burgerlijke rechter ingestelde vordering of in voorkomend geval van zijn burgerlijke partijstelling;

Een afstand van het geding voor de burgerlijke rechter kan niet met zekerheid afgeleid worden uit het enkele feit van een latere burgerlijke partijstelling voor de strafrechter;

...

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 20:58
Laatst aangepast op: wo, 11/10/2017 - 14:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.