-A +A

bevoegdheid van de rechter in beroep ten aanzien van een vonnis gewezen door een onbevoegde rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De rechter in graad van beroep dient zijn bevoegdheid na te gaan. Bij dit oordeel dient hij niet te steunen op de beslissing van de rechter die beslissing waartegen het beroep werd ingesteld heeft gewezen De rechter in beroep dient zijn oordeel uitsluitend te vormen door de zaak zelf, die gelet op de bevoegdheidsbepalingen van het Gerechtelijk Wetboek al dan niet tot de bevoegdheid van de eerste rechter valt.

Indien de rechter in beroep meent dat een andere rechter bevoegd is dan de rechter die de beslissing waartegen beroep beslissing heeft gewezen, moet de rechter in beroep zich, zo nodig ambtshalve, onbevoegd verklaren en de zaak conform  art. 643 Ger. W. naar de bevoegde appelrechter verwijzen, tenzij hij zelf de bevoegde rechter is.

Zo moet de rechter in beroep die meent  dat niet de rechtbank van eerste aanleg bevoegd was om in eerste aanleg van deze zaak kennis te nemen, maar wel de politierechtbank, de zaak overeenkomstig art. 643 Ger. W. verwijzen naar de rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende in hoger beroep.
 

Rechtspraak:

Hof van Beroep te Antwerpen, 2e Kamer – 10 oktober 2007, RW 2009-2010, 37


1. Wat voorafgaat

1.1. Op 14 april 2005 heeft L.G. een dagvaarding laten betekenen aan NV E.V., aan C.F. en aan de stad Lier om te verschijnen voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen.

1.2. Hij voert in deze dagvaarding aan dat hij op 19 december 2002 om 18 uur te Lier, Kartuizersvest, nabij de hoek van de Vervlietstraat voor het recentelijk opnieuw opgebouwde pand van de heer C.F., ten val is gekomen. Hij beweert een val te hebben gemaakt over een niet-gesignaliseerde elektriciteitskabel, die een lus vormde op/over het trottoir.

Hij voert aan dat na het ongeval, onmiddellijk aansluitend op het ongeval, de kabel ondergronds werd verplaatst zoals het behoorde, door de werklieden van E., verzekerde van NV E.V.

Hij voert aan dat E., die de niet-gesignaleerde kabel aanbracht, en/of de stad Lier als de bewaarder van een gebrekkige zaak, aansprakelijk dienen gesteld te worden. Het obstakel had volgens de heer G. immers gesignaleerd dienen te zijn dan wel zichtbaar afgeschermd te worden. De stad Lier had, volgens de heer G., een veiligheidsverplichting.

Zijn eis tegen de NV E.V., de verzekeraar buitencontractuele aansprakelijkheid van E., is gebaseerd op het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar van de beweerde aansprakelijke en dit op grond van art. 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

De heer F. liet verbouwingswerken aan zijn woning uitvoeren, waarbij de toevoerkabel van E. diende verwerkt/verplaatst te worden. De heer F. had volgens de heer G. minstens een coördinatieplicht ten opzichte van de aannemers en E., minstens diende hij deze gevaarlijke situatie ter plaatse te melden aan E. en/of aan de stad Lier.

De heer G. voert aan door deze nalatigheden schade te hebben geleden.

...

1.4. De eerste rechter verklaart de exceptie van materiële onbevoegdheid, opgeworpen door de stad Lier, ongegrond. Deze exceptie was gebaseerd op art. 601bis Ger. W. De eerste rechter oordeelde dat het niet om een verkeersongeval gaat en verklaarde zich bevoegd.

...

3. Nieuwe beoordeling van de exceptie van materiële onbevoegdheid van de eerste rechter

Art. 9, eerste lid, Ger. W. bepaalt dat de volstrekte bevoegdheid de rechtsmacht is die bepaald wordt naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisend karakter van de vordering of de hoedanigheid van de partijen.

Ingevolge art. 602, eerste lid, 1o, Ger. W. neemt het hof kennis van de beslissingen die in eerste aanleg gewezen zijn door de rechtbank van eerste aanleg en door de rechtbank van koophandel. De volstrekte materiële bevoegdheid van de rechtscolleges die bij het Gerechtelijk Wetboek zijn ingericht om kennis te nemen van de hogere beroepen die hun worden toegewezen, worden in beginsel niet bepaald door de aard van het rechtscollege dat de beroepen beslissing heeft gewezen, maar door de zaak die krachtens dit wetboek onder de bevoegdheid van de eerste rechter valt.

De appelrechter moet, zelfs ambtshalve, zijn aldus vastgelegde volstrekte bevoegdheid nagaan.

Derde geïntimeerde werpt op incidenteel beroep op dat de oorspronkelijke eis, die betekend is na de inwerkingtreding van art. 601bis Ger. W., moest worden voorgelegd aan de politierechter, die sinds 1 januari 1995 en met uitsluiting van ieder ander gerecht, als enige bevoegd is om uitspraak te doen over geschillen met betrekking tot de vergoeding van schade ten gevolge van een verkeersongeval.

De eerste rechter oordeelde bevoegd te zijn op grond van de overweging dat het verkeersongeval in die zin dient te worden begrepen dat het gaat om een ongeval dat zich voordoet naar aanleiding van het zich bewegen op de openbare wegen te lande, waarbij minstens een bewegend voertuig betrokken is. De rechtbank oordeelde dat, aangezien in het feitenrelaas van appellant geen sprake is van een voertuig, het bijgevolg niet bewezen is dat het om een verkeersongeval gaat.

Derde geïntimeerde is daardoor gegriefd en stelt incidenteel beroep in tegen de beslissing van de eerste rechter om zich materieel bevoegd te verklaren. Ten overvloede dient het Hof de materiële bevoegdheid van de eerste rechter, zelfs ambtshalve, na te gaan.

Art. 601bis Ger. W., dat bij art. 36 van de wet van 11 juli 1994 in dat wetboek is gevoegd, bepaalt dat de politierechtbank, ongeacht het bedrag, kennisneemt van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek. Uit die teksten en uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juli 1994 blijkt dat, volgens de wil van de wetgever, de politierechtbank uitsluitend bevoegd is om uitspraak te doen over elke vordering die verband houdt met de vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval.

Voor een vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval is evenwel vereist dat de schade veroorzaakt is in het verkeer. Die wetsbepaling strekt ertoe de bevoegdheid van de politierechter te verruimen tot alle ongevallen in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn.

De materiële bevoegdheid wordt bepaald naar het onderwerp van de eis, zoals dit bij de dagvaarding blijkt. Het voorwerp van de eis is het reëel nagestreefd resultaat in de economische en sociale betekenis. Enkel uitgaand van de feiten en de eis, zoals eiser die stelt in de gedinginleidende akte, is het onderwerp van de eis een verkeersongeval en is het voorwerp van de eis schadevergoeding uit een ongeval in het wegverkeer.

Volgens de bewoordingen van de inleidende dagvaarding kwam appellant ten val te Lier, Kartuizersvest, nabij hoek Vervlietstraat op het voetpad (trottoir) over een niet-gesignaliseerde elektriciteitskabel die een lus vormde op/over het voetpad.

Het begrip ongeval in het wegverkeer dient niet zo begrepen te worden dat er steeds minstens een bewegend voertuig bij betrokken moet zijn. Immers, op appellant was het K.B. van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg van toepassing, dat krachtens zijn art. 1 geldt voor het verkeer op de openbare weg en het gebruik ervan door voetgangers, voertuigen, trek-, last- of rijdieren en vee.

Dat in de bedoeling van de wetgever voetgangers ook verkeer uitmaken blijkt ten overvloede uit de bepaling van trottoir in art. 2 van het K.B. van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. Immers, trottoir is het gedeelte van de openbare weg, al dan niet verhoogd aangelegd ten opzichte van de rijbaan, in het bijzonder ingericht voor het verkeer van voetgangers. De wetgever heeft het dus in het Wegverkeersreglement over verkeer van voetgangers.

Het hof komt tot het besluit dat het voorwerp van de eis, zoals dit door eiser bepaald wordt in de inleidende dagvaarding, strekt tot vergoeding van schade uit een verkeersongeval.

Daar de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard, kan het door appellant ingestelde hoger beroep geen devolutieve werking hebben. Het hof kan immers zelf enkel ten gronde uitspraak doen wanneer het ten gronde bevoegd is.

Overeenkomstig art. 643 Ger. W. moet het hof de rechter aanwijzen die bevoegd is om kennis te nemen van de zaak in hoger beroep. Het hof verklaart zich onbevoegd en verwijst overeenkomstig art. 643 Ger. W. de zaak naar de bevoegde appelrechter, zijnde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, zitting houdende in burgerlijke zaken in hoger beroep.
 


 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 20:58
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 17:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.