-A +A

Bevoegdheid van de beslagrechter inzake revindicatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Naar luid van art. 568, eerste lid Ger.W. neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en voor het Hof van Cassatie komen. Deze bepaling kent aan de rechtbank van eerste aanleg een “voorwaardelijke volheid van bevoegdheid” toe. Behalve voor wat betreft de vorderingen die rechtstreeks voor het hof van beroep en voor het Hof van Cassatie komen, brengt dit met zich dat de rechtbank van eerste aanleg haar bevoegdheid – behalve wanneer de vordering ressorteert onder de exclusieve of uitsluitende bevoegdheid van een andere rechtbank – niet ambtshalve in twijfel kan trekken en dat haar onbevoegdheid, met toepassing van art. 568, tweede lid en art. 854 Ger.W., op grond van de algemene of bijzondere bevoegdheid van een andere rechter door de verweerder voor elk ander middel of verweer moet worden opgeworpen.

Aldus wordt aangenomen dat de materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg de openbare orde niet raakt en van dwingend recht is.

De vaststelling dat de beslagrechter, geadieerd zijnde in een executiegeschil, uitsluitend macht heeft om over de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de executie te oordelen en dat hij geen uitspraak mag doen over de zaak zelf (zie o.m.: Cass. 28 september 1990, Arr.Cass. 1990-91, p. 101, nr. 46), staat er niet aan in de weg dat de beslagrechter deel uitmaakt van de rechtbank van eerste aanleg en aldus deelt in de voornoemde voorwaardelijke volheid van bevoegdheid van deze rechtbank met de daaraan verbonden gevolgen met betrekking tot het ambtshalve aanvoeren van een middel dat uit zijn onbevoegdheid voortspruit

Een vordering tot revindicatie behoort niet tot de exclusieve bevoegdheid van een andere rechtbank en wanneer geen exceptie van onbevoegdheid wordt aangevoerd, mag de verwijzingsrechter zijn materiële bevoegdheid niet ambtshalve in twijfel trekken.
 

Rechtspraak

• Arrondissementsrechtbank West-Vlaanderen, 11 december 2015, RW 2016-2017, 670Vennootschap naar Nederlands recht BV U. t/ Vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk E.F.S. Ltd.

...

2. Feiten en gegevens van de vorderingen

2.1. Rechtdoende op het op 17 maart 2015 neergelegde eenzijdig verzoekschrift en op het op 13 mei 2015 neergelegde aanvullende eenzijdig verzoekschrift, werd eisende partij bij beschikking van 18 mei 2015 van de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, gemachtigd tot het leggen van beslag tot terugvordering ten laste van verwerende partij op de in deze beschikking nader beschreven en zich in de haven van Zeebrugge bevindende containers. Met dezelfde beschikking werd voor recht gezegd dat eisende partij ertoe gehouden is binnen één maand na beslag over te gaan tot dagvaarding in revindicatie ten gronde voor de bevoegde rechter en dat deze beschikking, bij gebrek daaraan te voldoen, geen verdere rechtsgevolgen heeft.

2.2. Nadat eisende partij het beslag tot terugvordering bij exploot van 17 juni 2015 had gelegd op twee in dit exploot beschreven containers in de haven van Zeebrugge, gaat zij bij exploot van 16 juli 2015 over tot dagvaarding van verwerende partij voor de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Met dit exploot vordert zij dat zij wordt toegelaten de goederen waarop zij het beslag had gelegd, te revindiceren en verwerende partij te verwijzen in de aan haar zijde begrote kosten van het geding.

2.3. De verwijzingsrechter twijfelt aan zijn bevoegdheid en verwijst de zaak met de bij verstek gewezen verwijzingsbeschikking van 13 oktober 2015, gelet op het ambtshalve opgeworpen middel en met toepassing van art. 640 Ger.W., naar de arrondissementsrechtbank. Hij overweegt daarbij dat er zowel bij eisende partij als bij verwerende partij aanwijzingen zijn dat dit (buitenlandse) ondernemingen zijn, zodat de vraag rijst of over de vordering met betrekking tot het eigendomsrecht van de zich in Zeebrugge onder bewarend beslag tot terugvordering bevindende containers niet dient te worden geoordeeld door de rechtbank van koophandel of door een andere territoriaal bevoegde rechter ten gronde.

2.4. Met haar voor de arrondissementsrechtbank genomen conclusies vordert eisende partij de zaak te verwijzen naar de Rechtbank van Koophandel Gent, afdeling Brugge.

3. Beoordeling

3.1. Voor zoveel als nodig stelt de arrondissementsrechtbank allereerst vast dat de verwijzingsrechter, die in zijn overwegingen aanbrengt dat de partijen buitenlandse ondernemingen zijn, zijn internationale rechtsmacht heeft aanvaard en dat het niet aan de arrondissementsrechtbank staat daaromtrent te oordelen (zie: Cass. 17 oktober 1988, RW 1988-89, 1164).

3.2. Naar luid van art. 568, eerste lid Ger.W. neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en voor het Hof van Cassatie komen. Deze bepaling kent aan de rechtbank van eerste aanleg een “voorwaardelijke volheid van bevoegdheid” toe. Behalve voor wat betreft de vorderingen die rechtstreeks voor het hof van beroep en voor het Hof van Cassatie komen, brengt dit met zich dat de rechtbank van eerste aanleg haar bevoegdheid – behalve wanneer de vordering ressorteert onder de exclusieve of uitsluitende bevoegdheid van een andere rechtbank – niet ambtshalve in twijfel kan trekken en dat haar onbevoegdheid, met toepassing van art. 568, tweede lid en art. 854 Ger.W., op grond van de algemene of bijzondere bevoegdheid van een andere rechter door de verweerder voor elk ander middel of verweer moet worden opgeworpen (zie o.m.: Cass. 17 januari 1980, Arr.Cass., 1979-80, 573; B. Maes, Inleiding tot het Burgerlijk Procesrecht, Brugge, die Keure, 2012, 85-87; J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 259 en 260, nrs. 587-591; J. Laenens, “Overzicht van rechtspraak – De bevoegdheid”, TPR 2002, p. 1518, nr. 36). Aldus wordt aangenomen dat de materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg de openbare orde niet raakt en van dwingend recht is (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 260, nr. 589).

De vaststelling dat de beslagrechter, geadieerd zijnde in een executiegeschil, uitsluitend macht heeft om over de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de executie te oordelen en dat hij geen uitspraak mag doen over de zaak zelf (zie o.m.: Cass. 28 september 1990, Arr.Cass. 1990-91, p. 101, nr. 46), staat er niet aan in de weg dat de beslagrechter deel uitmaakt van de rechtbank van eerste aanleg en aldus deelt in de voornoemde voorwaardelijke volheid van bevoegdheid van deze rechtbank met de daaraan verbonden gevolgen met betrekking tot het ambtshalve aanvoeren van een middel dat uit zijn onbevoegdheid voortspruit (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 2001, p. 38, nr. 57; F. Top, art. 1395 in Comm. Ger., p. 37 e.v., nrs. 77 e.v.).

Aangezien een vordering tot revindicatie niet behoort tot de exclusieve bevoegdheid van een andere rechtbank en daar geen exceptie van onbevoegdheid werd aangevoerd, mocht de verwijzingsrechter zijn materiële bevoegdheid niet ambtshalve in twijfel trekken en kon enkel het voor de arrondissementsrechtbank niet aan de orde zijnde verdelingsincident, als bepaald in art. 88, § 2 Ger.W., door hem worden uitgelokt.

De zaak wordt terugverwezen naar de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, die met toepassing van art. 624, 2o Ger.W. territoriaal bevoegd is.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 07/02/2017 - 14:18
Laatst aangepast op: di, 07/02/2017 - 14:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.