-A +A

Bevel overlegging stukken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De rechter kan bij vonnis in toepassing van art. 877 Ger.W. de overlegging van stukken bevelen (maar is hiertoe niet verplicht)

De eiser draagt de bewijslast van de door hem ingeroepen eis. (actori incumbit probatio). De verweerder draagt de bewijslast van zijn verweer (reus in exipiendo fit actor).

Wetgeving art. 1315 BW en 870 Ger. W. .

Slaagt de eiseres in zijn bewijslast en faalt de verweerder in zijn bewijslast tot verweer dan wordt de vordering principieel ingewilligd.

Dit is evenwel een te grote vereenvoudiging, die misschien een goede samenvatting was van de bewijsregels het Romeins recht maar die als simplificatie vandaag niet meer kan standhouden. Vooreerst is de rechter gevat door de feiten en niet door het recht en kan een verkeerde voorstelling van het recht door een van de partijen resulteren in een totaal onverwachte beslissing of kan de rechter het voorgelegde geschil via een totaal andere invalshoek benaderen, waarbij de relevantie van bepaalde bewijsmiddelen totaal vervalt.

Anderzijds mag men niet vergeten dat de rechter ervan uitgaat dat de verweerder die verstek laat verondersteld wordt de vordering te betwisten waardoor het meermaals gebeurd dat een eiser die op verstek een bepaalde vordering instelt in afwezigheid van enig verweer zijn vordering toch afgewezen ziet. Dit is een heel duidelijke toepassing van de afbakening van de rechten van de procespartijen. De rechter krijgt de feiten van de eiser. De rechter wordt verondersteld het recht te kennen, de verweerder verschijnt niet en de rechter oordeelt op basis van het recht en ziet er derhalve na of de eis zoals door de eiser aangebracht kan worden toegekend op basis van een rechtsgrond enerzijds en zijn bewijslast anderzijds.

De oude rechtsregel dat niemand kan verplicht worden tegen zichzelf te pleiten (bewijzen), is er geen rechtsregel meer van het huidige recht. De procesloyaliteit vereist dat elke partij gehouden is mee te werken aan het onthullende waarheid en dat geen partij vanuit een gemakkelijke stoel kan toezien hoe een andere partij faalt in haar bewijslast, wanneer kan worden aangetoond of verondersteld dat deze lakse partij beschikt over bewijsmiddelen. Hierbij weze artikel 871 van het gerechtelijk wetboek herhaald waardoor de rechter elke partij kan bevelen het bewijsmateriaal dat hij bezit over te leggen.

De medewerking aan de bewijslast (relevante wetgeving artikel 870-876 gerechtelijk wetboek)

Het Hof van Cassatie heeft een en ander verwoord in de erkenning van een algemeen rechtsbeginsel zoals ingeschreven in artikel 870 en 871 gerechtelijk wetboek volgens het welk de partijen verplicht zijn mee te werken aan de bewijsvoering (cassatie 25 september 2000, A.C. 2000, 490, Pas., 2000,I, 490). Maar de rechter blijft beschikken over het opportuniteitsoordeel om al dan niet in te gaan op een vraag van de tegenpartij om een bepaald bewijsmiddel voor te leggen.

Toch is zijn appreciatiebevoegdheid dienaangaande beperkt en kan hij een en ander niet weigeren omdat hierdoor de bewijslast zou worden omgedraaid (Cass. 25 september 2000, A.C. 2000, 490).

Bij zijn oordeel zal de rechter afwegen of het gevorderde bewijs al dan niet rechtmatig is en opportuun is, lees nuttig om tot beslechting van het geschil te komen. Dit zou het geval zijn wanneer er reeds bij voorbaat vaststaat dat het gevorderde bewijs weinig zou bijdragen aan het reeds geleverde bewijs.

Tenslotte kan de rechter oordelen dat een en ander op proceseconomische redenen niet onmiddellijk relevant is en het geschil slechts nodeloos zou vertragen omdat hij bijvoorbeeld reeds beschikt over voldoende elementen om te oordelen, dan wel omdat het gevorderde buiten alle proporties zou staan doordat hierdoor de privacy van derden zou dienen worden geschonden of professionele geheimen zouden dienen worden bloot gegeven.

Vanzelfsprekend zal de rechter te weigeren een wederpartij de veroordeelden een bepaald bewijs te leveren wanneer de partij die zulks vordert zelf gemakkelijk, dit bewijs (gemakkelijk dan wel zonder extreme inspanningen) kan leveren (vb. vordering tot neerlegging van de publicatie in het burgerlijk staatsblad)

Wanneer een partij vordert op een bepaald bewijsstuk door de andere partij wordt voorgelegd dient zij ook duidelijk te omschrijven welke bewijsmiddelen zijn vordert en naar welke feiten zij op zoek gaat.

De overlegging van stukken

Uittreksel het gerechtelijk wetboek:

Art. 877. Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

Art. 878. Indien een derde het stuk onder zich heeft, verzoekt de rechter deze vooraf het origineel of een afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging te voegen op de wijze en binnen de termijn die hij bepaalt.

De derde kan zijn opmerkingen bij geschrifte of in raadkamer voordragen.

De partijen mogen er inzage van nemen en er op antwoorden.
Het verzoek van de rechter wordt door de griffier aan de derde gezonden bij gerechtsbrief.

Art. 879. Het vonnis waarbij de overlegging van het origineel of van een afschrift van een stuk wordt bevolen, vermeldt de identiteit van de partij of van de derde die het moet overleggen en bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn dit moet geschieden.

Indien het stuk in afschrift moet worden overgelegd, vermeldt het vonnis bovendien de overheid die de juistheid ervan moet bevestigen en, indien daartoe grond bestaat, het voorschot dat de eiser in het tussengeschil in handen van de griffier moet storten.

Art. 880. Het vonnis wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan partijen en in voorkomend geval aan de derde.
Het is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.

Art. 881. De Koning stelt regels omtrent de inning en de eventuele teruggave van het in artikel 879 bedoelde voorschot, alsmede omtrent de betaling van de kosten van afschrift.

Art. 882. Partijen of derden die zonder wettige reden nalaten het stuk zelf of het afschrift over te leggen volgens de beslissing van de rechter, kunnen worden veroordeeld tot zodanige schadevergoeding als behoort.

Art. 882bis. <ingevoegd bij W 2006-07-10/39, art. 26; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2009> Onverminderd de toepassing van de voorgaande bepalingen kan de rechter bij wie een betwisting van het reëel karakter of de duur van het disfunctioneren van het Phenix-systeem krachtens artikel 52, derde lid, aanhangig is gemaakt, het beheerscomité, dat bedoeld is in artikel 15 van de wet van 10 augustus 2005 tot oprichting van het informatiesysteem Phenix, bij een beslissing, alle informatie vragen die nuttig is voor de beslechting van die betwisting.

Het beheerscomité deelt de rechter binnen acht dagen na ontvangst van de door de griffier bij gerechtsbrief bezorgde beslissing een antwoord mede, overeenkomstig artikel 46, § 4.

Dat antwoord wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen en, in voorkomend geval, bij gewone brief van hun advocaten.

De partijen kunnen, binnen acht dagen na de verzending van de gerechtsbrief, hun opmerkingen aan de rechter toezenden.

Binnen acht dagen na het verstrijken van de bij het vierde lid bepaalde termijn of in, voorkomend geval, bij dezelfde beslissing als die welke de rechter wijst over de grond van de zaak, doet hij uitspraak op stukken. Indien hij het echter nodig acht de partijen te horen, worden deze binnen acht dagen bij gerechtsbrief opgeroepen. In dat geval doet hij uitspraak binnen acht dagen na de zitting of, in voorkomend geval, bij dezelfde beslissing als die welke hij wijst over de grond van de zaak.

Tegen de beslissing van de rechter het beheerscomité te ondervragen, kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.

Rechtsleer:

•• Benoît Allemeersch, Bewijsrecht, Larcier 2007 inhoudstafel

Rechtspraak

• Cass. 28/06/2012 AR C.10.0608.N juridat.

samenvatting:

De rechter is niet verplicht de overlegging van stukken te bevelen.

tekst arrest

D.T.,
eiser,

tegen
H.D.,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 mei 2010.
...
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. De appelrechter oordeelt onder meer dat:
- de deskundige tot het besluit komt dat de inkomsten uit bijberoep van de eiser eerder bescheiden zijn;
- de deskundige niet de gevraagde klaarheid verschaft;
- de deskundige voor het boekjaar 2008 quasi geen gegevens verstrekt;
- de eiser deze gegevens zelf had kunnen geven bij de verdere behandeling voor het hof van beroep;
- dit gebrek aan bereidwilligheid tot transparantie het hof van beroep enkel in het nadeel van de eiser kan interpreteren;
- de deskundige de boekhouding van de vennootschap heeft kunnen inzien, maar heeft nagelaten de ware aard van de samenwerking van de eiser te onderzoeken;
- het onbegrijpelijk is dat de deskundige zijn opdracht zo onzorgvuldig heeft uit-gevoerd, daar waar het hof van beroep hem uitdrukkelijk had opgedragen alle inkomsten uit bijactiviteiten na te gaan, zowel deze van de eiser zelf als deze van TDE Vastgoed vof;
- de eiser de ware omvang van zijn inkomsten verborgen houdt;
- de eiser aangesteld is als syndicus in diverse residentiële gebouwen;
- de eiser zijn kosten sterk overdrijft, in die mate dat hij nauwelijks een inkomen overhoudt;
- de verweerster het immobiliënkantoor Immo T.-D. niet verder heeft gezet;

2. Uit deze vaststellingen en redenen blijkt dat de appelrechter:
- het persoonlijk onderhoudsgeld heeft bepaald op grond van de respectieve be-hoeften en inkomsten van de partijen en de mogelijkheid voor de verweerster de le¬vensstandaard aan te houden die zij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest.
- het onderhoudsgeld voor de dochter van de partijen heeft bepaald naar evenre-digheid van de middelen van de ouders en de be¬hoeften van het kind;
- het hoger beroep van de eiser niet afwijst en het incidentieel beroep van de verweerster niet toekent op grond van ‘proceshouding' van de eiser;
- de beslissing niet steunt op feitelijke vermoedens.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel
3. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter niet dat de eiser zijn verplichting tot medewerking aan het deskundigenonderzoek heeft miskend.
In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 972bis Gerechtelijk Wet-boek, mist het feitelijke grondslag.

4. Artikel 871 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "De rechter kan niettemin aan iedere gedingvoerende partij bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit, over te leggen."

Artikel 877 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd."

5. Uit deze bepalingen volgt niet dat de rechter verplicht is de overlegging van stukken te bevelen.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Derde onderdeel
6. De appelrechter stelt vast dat:
- de eiser voor zijn de activiteiten bij het zakenkantoor C. via de vennootschap TDE Vastgoed vergoedingen ontvangt;
- de eiser daarover geen enkel gegeven meedeelt;
- uit het deskun¬digenverslag evenmin blijkt welke bedragen de eiser hiervoor ontvangt;
- de eiser "extreem hoge onkosten" aanrekent, waarvan de deskundige meerdere ervan heeft verworpen;
- uit het deskundigenverslag blijkt dat de eiser bepaalde persoonlijke kosten on-terecht heeft geboekt als kosten van de vennootschap TDE Vastgoed.

De appelrechter oordeelt dat:
- de eiser zijn ¬kosten zo sterk overdrijft dat hij nauwelijks een inkomen over-houdt;
- de eiser voor zijn activiteiten bij het Zakenkantoor C. minstens 1.250 euro netto per maand ontvangt.

7. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, leidt de appelrechter aldus uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgtrekkingen af die op grond van die feiten niet kunnen worden verantwoord.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel
8. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter niet al-leen dat het "vaststaat" dat de verweerster de activiteiten van het immobiliënkan-toor T.-D. niet heeft verdergezet. Hij oordeelt ook dat de verweerster beweert dat de eiser dit wel heeft gedaan, wat hij ontkent.

Met die redenen beantwoordt de appelrechter het bedoelde verweer van de eiser.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Vijfde onderdeel

9. De bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank die op grond van artikel 1280 Gerechtelijk Wetboek voorlopige maatregelen beveelt, strekt zich uit vanaf de dagvaarding tot echtscheiding.

Die regel staat niet eraan in de weg dat de bevoegde voorzitter van de rechtbank maatregelen beveelt voor een periode die voorafgaat aan de dagvaarding tot echt-scheiding, voor zover die maatregelen verband houden met de rechtsvordering tot echtscheiding en er voor die periode nog geen maatregelen werden bevolen.

10. De appelrechter oordeelt dat "de kort ge¬dingrechter met een zekere retroac-tiviteit de alimentatiebijdragen [kan] doen aanvangen nog voor de aanvang van de echtscheidingsprocedure [en dat] in casu [immers] dient (...) vastgesteld te worden dat de maatregelen van de vrede¬rechter slechts gelden tot 15.1.2006".
Op die gronden heeft de appelrechter wettig kunnen oordelen dat de met ingang van 16 januari 2006 gevorderde uitkeringen verband hielden met de op 3 novem-ber 2006 ingeleide echtscheidingsvordering.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 736,82 euro en voor de verweerder op 145,72 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

• in zelfde zin: Cass. 14/12/1995 RW 1996-1997, 198:

Eiser voert in het tweede onderdeel van het eerste middel aan dat het bestreden arrest (Hof Gent, 19 mei 1993) de artt. 871 en 877 Ger.W. geschonden heeft.

«Overwegende dat, krachtens artikel 871 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter aan iedere gedingvoerende partij kan bevelen het bewijsmateriaal dat hij bezit, over te leggen; dat artikel 877 van dat wetboek bepaalt dat wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd;

«Dat die artikelen de rechter een mogelijkheid verlenen maar hem geen verplichting opleggen om overlegging van stukken te bevelen;

«Overwegende dat de appelrechters derhalve, door geen overlegging van stukken te bevelen, de artikelen 871 en 877 van het Gerechtelijk Wetboek niet schenden.»


Nog dit: 

Artikel 871 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "De rechter kan niettemin aan iedere gedingvoerende partij bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit, over te leggen."

Artikel 877 Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd."

Rechtspraak

• Hof van Beroep te Antwerpen, 8 maart 2011

Wanneer de rechter in een vonnis dat een eerder bevel tot overlegging van stukken handhaaft en zich daarbij uitspreekt over de door de partijen ingeroepen wettige redenen voor hun weigering tot overlegging, kan zijn vonnis niet aanzien als een bevel tot overlegging van stukken in de zin van art. 877 en 878 Ger.W., maar wel als een beoordeling van de wettige redenen voor weigering van de bevolen overlegging in de zin van art. 882 Ger.W. Welnu dit vonnis houdt aldus een eindbeslissing in over de wettige redenen voor weigering van het bevel tot overlegging die bovendien, gelet op de mogelijkheid tot schadevergoeding, een nadeel kan inhouden voor de betrokken partij, zodat een dergelijk vonnis met toepassing van art. 1050 Ger.W. appellabel is.

Tekst arrest Antwerpen 8 maart 2011, RW 2012-2013, 1341

BVBA W. t/ BVBA D.

...

3. De beoordeling.

3.1. Geïntimeerde betwist de ontvankelijkheid van het hoger beroep van appellante. Zij baseert zich hierbij op art. 880, tweede lid Ger.W. dat het vonnis, waarbij de overlegging van het origineel of van een afschrift van stukken wordt bevolen (art. 877 en 878 Ger.W.), niet vatbaar verklaart voor hoger beroep. Zij voert aan dat de beide beroepen tussenvonnissen van 23 april 2010 en van 25 juni 2010 het bevel tot overlegging van stukken handhaven en zelfs de modaliteiten ervan bepalen, zodat het vonnissen zijn in de zin van art. 877 Ger.W., die volgens art. 880, tweede lid Ger.W. niet vatbaar zijn voor hoger beroep.

Appellante voert aan dat de beroepen tussenvonnissen niet kunnen worden beschouwd als een bevel tot overlegging van stukken, minstens dat ze naast zo’n bevel ook eindbeslissingen inhouden over geschilpunten, meer in het bijzonder over de kwestie of de redenen die zij inroept om niet tot de bevolen overlegging van stukken over te gaan, al dan niet wettig zijn.

3.2. Een vonnis dat met toepassing van art. 877 Ger.W. de overlegging van stukken beveelt, is een voorafgaande maatregel om de ingediende eis(en) en/of het verweer van partijen te onderzoeken. Het geldt als een voorbereidende uitspraak die wordt gedaan alvorens over de grond van de zaak recht te doen (art. 19, tweede lid Ger.W.).

Tegen ieder vonnis kan tot vrijwaring van de dubbele aanleg met toepassing van art. 616 Ger.W. hoger beroep worden ingesteld, behalve in de wettelijk bepaalde uitzonderingen. Dit hoger beroep kan worden ingesteld van zodra het vonnis is uitgesproken, wat eveneens geldt voor de beslissingen alvorens recht te doen (art. 1050, eerste lid Ger.W.).

Een wettelijke uitzondering op de appellabiliteit van vonnissen alvorens recht te doen wordt gevonden in art. 880, tweede lid Ger.W., waarin het vonnis dat de overlegging van stukken beveelt, niet vatbaar voor hoger beroep wordt verklaard.

Deze regel, waarop geïntimeerde haar exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep baseert, bevat een uitzondering op de algemene regel van de appellabiliteit van vonnissen alvorens recht te doen, en vereist een restrictieve benadering.

3.3. In het beroepen vonnis van 23 april 2010 heeft de eerste rechter zijn bevel tot overlegging van stukken gehandhaafd en in het beroepen vonnis van 25 juni 2010 is hij er niet op teruggekomen.

Daarnaast heeft de eerste rechter zich ook uitgesproken over het gewettigd karakter van de weigering van partijen om zijn bevel tot overlegging van stukken uit te voeren. Zo werd in het vonnis van 23 april 2010 de reden van weigering m.b.t. het vertrouwelijk karakter van de bedoelde stukken als deel van de confidentiële briefwisseling tussen advocaten, niet wettig verklaard. De eerste rechter oordeelde in het vonnis van 25 juni 2010 in dezelfde zin m.b.t. de bewering van de BVBA W. dat zij niet in het bezit was van de stukken waarvan de overlegging werd bevolen.

Over het gewettigd karakter van de aangevoerde redenen van weigering was immers betwisting gerezen en was een debat gehouden.

Deze beslissingen zijn geen bevel tot overlegging van stukken in de zin van art. 877 en 878 Ger.W., maar slaan op een beoordeling van de wettige redenen tot weigering van de bevolen overlegging van stukken in de zin van art. 882 Ger.W.

Het wettig karakter van de door partijen aangevoerde redenen tot weigering was een betwist punt. De beroepen tussenvonnissen houden een eindbeslissing in over dit betwist punt. Deze beoordeling kan bovendien in beginsel een nadeel inhouden voor de betrokken partij(en), temeer omdat de afwijzing van de wettige reden tot weigering de mogelijkheid van schadevergoeding opent.

3.4. Het hof oordeelt dat de beroepen vonnissen eindbeslissingen inhouden over de wettige redenen tot weigering van het bevel tot overlegging van stukken.

Het beroepen vonnis van 23 april 2010 bevat naast de eindbeslissing over de door partijen aangevoerde redenen tot weigering van de bevolen overlegging van stukken, ook nog een handhaving van dat bevel, wat als een beslissing alvorens recht te doen zou kunnen worden beschouwd. In die zin is het beroepen vonnis een gemengd tussenvonnis dat appellabel is met toepassing van art. 1050 Ger.W.

Het beroepen vonnis van 25 juni 2010 bevat naast de eindbeslissing over de door appellante aangevoerde reden tot weigering van de bevolen overlegging van stukken, ook nog een beslissing van inwendige orde door de conclusietermijnen te regelen en een rechtsdag te bepalen. Deze laatste, op zichzelf een niet appellabele beslissing, staat evenwel het hoger beroep tegen de eindbeslissing, die dit tussenvonnis inhoudt, niet in de weg.

Bovendien, en ten overvloede, slaat het verbod van hoger beroep, vermeld in art. 880, tweede lid Ger.W., enkel op het bevel tot overlegging van stukken en kan deze uitzondering op de appellabiliteit van vonnissen alvorens recht te doen niet worden uitgebreid tot de beslissingen over het wettig karakter van de weigering tot nakoming van dat bevel.

3.5. Het hoger beroep van appellante is ontvankelijk.
 

 

 

Franse term: 
production de documents
Commentaar: 

Engels: asking the parties to produce documents or any papers relating to the case

Duits: die Aufforderung an die Parteien zur Vorlage von Unterlagen oder Beweisstücken im Zusammenhang mit der Rechtssache;

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: vr, 03/05/2013 - 22:28
Laatst aangepast op: do, 14/09/2017 - 14:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.