-A +A

Betalingsachterstand handelstransacties commentaar en wetsvoorstel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer marktdeelnemers op de interne markt goederen en diensten aan andere ondernemingen of overheidsinstanties leveren, gebeurt dit meestal op basis van uitgestelde betaling.

Hierbij kent de leverancier de afnemer een betalingstermijn toe die door de partijen
is overeengekomen, in de factuur van de leverancier is vermeld, of wettelijk is vastgesteld. Veel betalingen voor handelstransacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties worden echter later verricht dan contractueel is overeengekomen of
in de algemene handelsvoorwaarden is vastgesteld.

Hoewel de goederen zijn geleverd of de diensten zijnverricht, worden de desbetreffende facturen veelal ruim na het verstrijken van de betalingstermijn voldaan.

Zo werd in 2011 in het Belgische bedrijfsleven slechts 64 % van de bedrijfsfacturen tijdig betaald, en ruim 10 % van de facturen met 90 dagen vertraging of zelfs niet meer
gehonoreerd. Het betaalgedrag bij de overheid biedt met een betalingsstipheid van 78 % zeker nog marge voor verbetering.

Betalingsachterstand blijft niet zonder gevolgen voor de schuldeiser. De nalatigheid heeft een negatieve uitwerking op de liquiditeit en bemoeilijkt het financiële
beheer van ondernemingen.

Zij ervaren soms hoge lasten om de betaling van verschuldigde facturen via gerechtelijke weg af te dwingen.

Bovendien heeft betalingsachterstand, wanneer de schuldeiser als gevolg van hiervan externe financiering nodig heeft, gevolgen voor het concurrentievermogen en de winstgevendheid van de schuldeiser. Zeker in een moeilijk en onzeker economisch
klimaat, wanneer de toegang tot financiering per definitie lastiger is, neemt het risico op negatieve gevolgen sterk toe.

Schuldeisende ondernemingen hebben daarom nood aan een helder wettelijk kader dat ingekorte en geharmoniseerde betalingstermijnen vooropstelt. Om de termijnen ook haalbaar te maken in de praktijk, én om achterstanden beter te kunnen bestrijden, is eveneens een verbetering van de bestaande inningsprocedure vereist.

Zo dient de onderneming, eenmaal het vonnis is uitgesproken, momenteel vaak wekenlang te wachten op de expeditie van het vonnis, alvorens te kunnen overgaan tot de betekening ervan.

Artikel 15 van het koninklijk besluit van 1996 stelt de huidige wetgeving inzake betalingstermijnen voor overheidsopdrachten vast. Zowel voor (1) het verlenen van diensten als voor (2) het leveren van goederen bedraagt de termijn in de regel 50 kalenderdagen. Inzake (3) openbare werken wordt een onderscheid gemaakt tussen eenmalige betalingen en tussentijdse betalingen.

Enerzijds zijn er de tussentijdse betalingen, waarbij deoverheid vanaf de ontvangst van de schuldvordering momenteel beschikt over een betaaltermijn van 60 kalenderdagen.

Anderzijds, ingeval van een saldobetaling of een betaling in één keer, beschikt de overheid een zogenaamde “takentermijn” van 30 kalenderdagen waarbinnen ze de ingediende factuur moeten verifiëren/controleren.

Vanaf dag 31 beschikt de overheid dan nog over een betaaltermijn van 60 kalenderdagen.

Het wetsvoorstel van 14 seprember 2012 waaraan bovenstaande tekst is ontleend voorziet in de implementatie van de richtlijn 2011/07/EU, die reeds op 16 februari 2011 werd goedgekeurd in het Europees Parlement.

De nieuwe richtlijn beperkt de betaaltermijn voor alle handelstransacties tot 30 dagen. Onder enkele specifieke omstandigheden kunnen overheidsinstanties binnen de commerciële of gezondheidszorgsfeer de termijn contractueel verlengen tot een maximum van 60 dagen.

Overeenkomstig artikel 4, § 6 van de richtlijn mag de betalingstermijn in geen geval langer zijn dan 60 kalenderdagen.

De ‘takentermijn” mag in principe niet langer duren dan 30 dagen, maar de overheid kan die termijn contractueel verlengen, op voorwaarde dat die verlenging niet kennelijk onbillijk is voor de handelaar.

Dit begrip “kennelijk onbillijk” is evenwel een vaag begrip,
waardoor de overheid over een ruime interpretatiemarge
beschikt om alsnog haar betalingstermijn te rekken.

De Europese Commissie beoogt om via de richtlijn de marktwerking in de EU te vergemakkelijken. Met andere woorden, dit initiatief wil een gelijk speelveld creëren tussen de verschillende lidstaten.

Sterker nog, in de mate de omzetting van de richtlijn met extra nationale verplichtingen gepaard gaat, bestaat het risico dat er zich onbedoelde effecten voordoen.

Bijvoorbeeld de verslechtering van de concurrentiepositie
van binnenlandse leveranciers ten opzichte van de leveranciers in een lidstaat die de richtlijn enkel en louter integraal omzet.

Uniformiteit van de regelgeving over betalingstermijnen voor de Europese markt is daarom aangewezen.

Zeker voor een kleine open economie zoals België isdit een extra aandachtspunt. Denken we in deze maar aan de WCO, een regelgeving die ook geleid heeft tot initieel onbedoelde, maar nefaste neveneffecten.

Daarnaast kan ook verwezen naar de Small Business Act (2008), waarin de Europese Commissie benadrukt dat de toegang tot fi nanciering voor kmo ’s moet worden vergemakkelijkt, en een juridisch en commercieel kader moet worden geschapen dat een tijdige betaling bevordert.

Lange betalingstermijnen en betalingsachterstanden door verheidsinstanties voor geleverde goederen en
diensten leiden tot ongerechtvaardigde kosten
voor de ondernemingen.

Het inperken en afdwingbaar maken van die termijnen moet misbruik van contractvrijheid ten nadele van de schuldeiser aan banden leggen.

De gevolgen voor betalingsachterstand kunnen slechts ontmoedigend werken indien zij vergezeld gaan van snelle en voor de schuldeiser efficiënte invorderingsprocedures.

Concreet installeert dit wetsvoorstel het algemene principe dat alle facturen voor levering van goederen en diensten binnen 30 kalenderdagen worden betaald.

Het toepassingsgebeid bestrijkt alle handelstransacties, zowel tussen ondernemingen als tussen ondernemingen en aanbestedende overheden. Ook vrije beroepen en openbare werken vallen dus onder deze wet. In één welbepaald geval kan de “reguliere” betaaltermijn van 30 kalenderdagen nog verlengd worden, namelijk wanneer een procedure van aanvaarding of controle ter verificatie vereist is. Deze “takentermijn” duurt maximaal
30 kalenderdagen, waarna de “reguliere” betaaltermijn van 30 dagen begint te tellen.

Niettemin blijven de betrokken partijen steeds uitdrukkelijk over de mogelijkheid beschikken om, zowel voor de “reguliere” termijn als de “takentermijn” onderling een langere betalingstermijn overeen te komen, voor zover deze langere termijn niet kennelijk onbillijk jegens de schuldeiser is. In geen geval kan de totale betalingstermijn,
die de som is van beide componenten, de periode van 60 kalenderdagen overschrijden.

Immers, overeenkomstig artikel 12, § 3 mogen de lidstaten bepalingen vaststellen die gunstiger zijn voor de schuldeiser dan
de richtlijn voorschrijft.

Naast het inperken van de termijnen zijn ook een aantal flankerende maatregelen nodig die de inningsprocedure optimaliseren.

Ten eerste voorziet dit wetsvoorstel in de automatische en kosteloze afl evering van de expeditie bij het uitspreken van het vonnis om vlotter tot de betekening van het vonnis over te kunnen gaan.

Ten tweede moeten ondernemingen overal onder zodanige omstandigheden zaken kunnen doen dat grensoverschrijdende transacties geen grotere risico’s met zich meebrengen dan binnenlandse transacties.

Wanneer voor binnenlandse en grensoverschrijdende transacties wezenlijk verschillende regels van toepassing zijn, is er immers sprake van concurrentievervalsing.

Daarom past dit wetsvoorstel onverwijld verordening (EG) nr. 1896/2006 toe die voorziet in een procedure van betalingsbevel, wat de invordering van onbetwiste geldvorderingen in België moet versnellen (zie ook: Kamer, 2007-2008, DOC 52 1287/001).

Ten derde lijnen we de interpretatiemarge van de term “kennelijk onbillijk” beter af. Zowel de expliciete uitsluiting van het recht om interest in rekening te brengen alsook de uitsluiting van het recht op vergoeding van invorderingskosten wordt in het vervolg als een kennelijk onbillijke praktijk beschouwd.

Wanneer de betalingstermijn niet gerespecteerd wordt, heeft de schuldeiser de mogelijkheid om, zonder voorafgaande kennisname, de wettelijke interest in rekening te brengen.

Aangezien de indieners van dit wetsvoorstel een stipte betalingscultuur willen bewerkstelligen, wordt overeenkomstig artikel 2, zesde lid van de richtlijn, het vermeerderingspercentage van 7 naar 8 procent opgetrokken. Dit percentage, opgeteld met de
referentie-interestvoet, geeft ons de wettelijke interest
voor betalingsachterstand.

Ten vijfde moeten schuldeisers een redelijke schadeloosstelling
ontvangen voor de invorderingskosten die aan betalingsachterstand toe te schrijven zijn. Deze rekening voor schadevergoeding omvat, overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn, een vast bedrag van 40 euro.

Deze vergoeding voor invorderingskosten, bestaande uit o.a. de administratiekosten en interne kosten, is zonder aanmaning verschuldigd aan de schuldeiser. Daarnaast kan de schuldeiser ook een variabel bedrag toegekend worden voor de extra geleden schade.

Nog dit: 

Tarieven:

De intrest betalingsachterstand handelstransacties werd voor het tweede semester 2012 vastgesteld op 8%.

 

Periode

Intrest betalingsachterstand handelstransacties

Belgisch staatsblad

     
Tweede semester 2012 8% B.S.: 22/08/2012
Eerste semester 2012 8% B.S.: 30/01/2012
Tweede semester 2011 8,5% B.S.: 25/07/2011
Eerste semester 2011 8% B.S.: 31/01/2011

Tweede semester 2010

 8%

 B.S.: 30/07/2010

Eerste semester 2010

8%

B.S.: 01/02/2010

Tweede semester 2009

8%

B.S.: 22/07/2009

Eerste semester 2009

9,5%

B.S.: 27/01/2009

Tweede semester 2008

11,5%

B.S.: 31/07/2008

Eerste semester 2008

11,5%

B.S.: 14/01/2008

Tweede semester 2007

11,5%

B.S.: 27/07/2007

Eerste semester 2007

11%

B.S.: 30/01/2007

Tweede semester 2006

10%

B.S.: 25/07/2006

Eerste semester 2006

9,5%

B.S.: 26/01/2006

Tweede semester 2005

9,5%

B.S.: 09/08/2005

Eerste semester 2005

9,5%

B.S.: 26/01/2005

Tweede semester 2004

9,5%

B.S.: 10/08/2004

Eerste semester 2004

9,5%

B.S.: 26/01/2004

Tweede semester 2003

9,5%

B.S.: 17/07/2003

Eerste semester 2003

10%

B.S.: 14/02/2003

Tweede semester 2002

10,5%

B.S.: 03/10/2002

 

 
Toepassingsgebied
 
Deze intrestvoet is van toepassing op handelstransacties, dit zijn transacties tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en aanbestedende overheden of aanbestedende diensten die leiden tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding.
 
Deze intrestvoet is niet van toepassing in burgerlijke zaken en evenmin in handelszaken (bijv. voor een transactie tussen een handelaar en een particulier). In dat geval is de wettelijke intrest van toepassing.
 
Indien de partijen niet anders zijn overeengekomen, heeft de schuldeiser, wanneer de schuldenaar niet betaalt binnen de overeengekomen betalingstermijn of, bij gebreke hieraan, binnen de betalingstermijn bepaald in artikel 4 van de Wet betalingsachterstand handelstransacties, vanaf de daarop volgende dag, van rechtswege en zonder ingebrekestelling, recht op de betaling van een interest tegen intrest betalingsachterstand handelstransacties.
 
Betreft:
 
 
Publicatie: 22 augustus 2012
Inwerkingtreding: 1 juli 2012
Wettelijke basis: Wet van 02 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties
 
 
Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 25/09/2012 - 17:03
Laatst aangepast op: di, 25/09/2012 - 17:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.