-A +A

Besturen van een aan derden toebehorend motorrijtuig en toevallige bestuurder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het vooraf gepland besturen van een aan derden toebehorend motorrijtuig maakt in de regel geen toevallig besturen uit zoals bedoeld in artikel 4 van de modelovereenkomst; de omstandigheid dat de verzekeringnemer een aan derden toebehorend motorrijtuig niet frequent bestuurt, houdt niet noodzakelijk in dat hij dit motorrijtuig toevallig zou besturen

Rechtspraak:

• Cass., 26/04/2013, R.A.B.G., 2014/11, p. 758-759

(Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds / F.H., Axa Belgium)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 4 januari 2012.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 22 februari 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
1. Artikel 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, bepaalt dat de overeenkomsten betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen moeten beantwoorden aan de bepalingen van de bij dit besluit gevoegde modelovereenkomst.

Krachtens artikel 4, 1°, b) van deze modelovereenkomst, strekt de dekking van deze overeenkomst zich uit, zonder dat hiervoor een mededeling vereist is, tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekeringnemer, alsmede van diens echtgenoot en kinderen, indien deze bij hem inwonen en de wettelijke leeftijd om een motorrijtuig te besturen bereikt hebben, in hun hoedanigheid van bestuurder of van burgerrechtelijk aansprakelijke voor de bestuurder van een aan derden toebehorend motorrijtuig, dat zij toevallig zouden besturen, zelfs terwijl het omschreven rijtuig in gebruik is.

2. Het vooraf gepland besturen van een aan derden toebehorend motorrijtuig maakt in de regel geen toevallig besturen uit zoals bedoeld in artikel 4 van de modelovereenkomst.

De omstandigheid dat de verzekeringnemer een aan derden toebehorend motorrijtuig niet frequent bestuurt, houdt niet noodzakelijk in dat hij dit motorrijtuig toevallig zou besturen.

3. De appelrechters stellen vast dat:

de verweerder samen met andere leden van jeugdhuis B. VZW deelnam aan een carnavalstoet en naast een praalwagen liep getrokken door een rupsdumper;
deze rupsdumper, bestuurd door R.V., door de jeugdvereniging was gehuurd om de praalwagen te trekken;
de verweerder tussen de trekker en de aanhangwagen is gevallen en daarbij ernstig gewond werd.
Zij oordelen dat:

het weinig waarschijnlijk lijkt dat R.V. als bij toeval bij aanvang van de carnavalstoet het stuur nam van de rupsdumper, aangezien hij op voorhand de nummerplaten van zijn voertuig Landrover Defender verwijderde om het op het rupsvoertuig te hangen;
daaruit af te leiden valt dat op voorhand overeengekomen was dat R.V. de rupsdumper zou besturen en dat deze de bedoeling had de rupsdumper te besturen.
4. Op deze gronden oordelen de appelrechters wettig dat R.V. niet als toevallige bestuurder kan worden beschouwd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vordering tot bindendverklaring
5. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 768,34 EUR en voor de tweede verweerster op 131,24 EUR.


Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem

I. SITUERING
1. Eerste verweerder werd ernstig gewond toen hij tijdens een carnavalstoet tussen de trekker van een praalwagen en die praalwagen terecht kwam. Tweede verweerster betwistte op grond van artikel 29bis van de WAM-wet gehouden te zijn tot dekking van het schadegeval.

Eiser werd op grond van artikel 19bis-11, § 1, 8° van de WAM-wet tot betaling veroordeeld.

2. Tegen deze beslissing voert eiser een enig middel tot cassatie aan dat het bestreden vonnis verwijt op grond van de feitelijke omstandigheden niet wettig te hebben beslist dat de bestuurder van de trekker geen “toevallig” bestuurder was in de zin van artikel 4, 1°, b) van de modelovereenkomst (gevoegd als bijlage bij het KB van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen).

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL
1. Luidens artikel 4, 1° van de modelovereenkomst strekt de dekking van de WAM-verzekering zich uit, zonder dat hiervoor een mededeling vereist is, tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekeringnemer alsmede van diens echtgenoot en kinderen, indien deze bij hem inwonen en de wettelijke leeftijd om een motorvoertuig te besturen hebben bereikt, in hun hoedanigheid van bestuurder of van burgerrechtelijk aansprakelijke voor de bestuurder (…), b) van een aan derden toebehorend motorrijtuig dat zij toevallig zouden besturen, zelfs terwijl het omschreven rijtuig in gebruik is.

2. Artikel 4, 1°, b) van de modelovereenkomst geeft zelf evenwel geen omschrijving van wat onder “toevallig” besturen moet worden verstaan.

3. In zijn gewone betekenis (Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal) staat “toevallig” voor “niet bedoeld, bij toeval optredende, syn. onvoorzien”, en wijst het woord “toeval” volgens dezelfde bron op een “gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet voorzien of gewild, niet te berekenen is geweest”. Het toevallig besturen van een voertuig zou aldus, volgens het gewone taalgebruik, kunnen begrepen worden als het niet bedoeld, niet vooraf te voorzien besturen van dat voertuig.

4. Uit het arrest van uw Hof van 18 januari 1994 (Cass. 18 januari 1994, AR nr. 6613, Arr.Cass.1994, nr. 30) blijkt dat, opdat er sprake zou zijn van het toevallig besturen van een aan een derde toebehorend voertuig, niet vereist is dat dit besturen een toevallig feit of gebeurtenis als grondslag heeft.

5. Of een voertuig toevallig wordt bestuurd, betreft weliswaar een feitenkwestie waarover de rechter soeverein oordeelt, maar dat neemt m.i. niet weg dat aan de in artikel 4, 1° van de modelovereenkomst bepaalde dekkingsuitbreiding de bedoeling ten grondslag ligt om tegemoet te komen aan situaties waarin de bestuurder in de onmogelijkheid kan verkeren om na te gaan of het aan een ander toebehorend motorrijtuig al dan niet verzekerd is (Ph. Colle, Handboek bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten, Intersentia, 2010, 153, nr. 225; G. Jocqué, “Besturen van een gehuurd voertuig: (g)een toevallig besturen?” (noot onder Antwerpen 25 mei 2005), T.Verz., Kluwer, 2006, (75), 77). De uitbreiding van de dekking beschermt in dergelijke situaties de bestuurder tegen een mogelijk geval van niet-verzekering, zoals bijvoorbeeld n.a.v. het besturen van een aan een ander toebehorend motorrijtuig, omdat deze persoon zich ingevolge ziekte, vermoeidheid of alcohol­inname in de onmogelijkheid bevindt om zelf achter het stuur te gaan zitten, waarbij van de hulpvaardige bestuurder niet kan worden verwacht dat hij eerst nagaat of het voertuig wel verzekerd is.

6. Het toevallig besturen dient eveneens geplaatst te worden tegenover het gewoonlijk of gebruikelijk besturen van een voertuig, hetgeen verband houdt met de frequentie waarmee dit voertuig wordt bestuurd (G. Jocqué, o.c., (75), 76; Ph. Colle, o.c., 153, nr. 225; B. Dubuisson en V. Callewaert, “Le contrat-type à la croisée des chemins” in B. Dubuisson en P. Jadoul (eds.), Du neuf en assurance R.C. automobile, Bruylant, 2004, 181-182, nr. 20). Dit heeft te maken met de Franse versie van artikel 4 waarin er sprake is van “un véhicule automoteur appartenant à un tiers, conduit occasionnellement (bij gelegenheid, af en toe, incidenteel)”. Het al dan niet veelvuldig gebruik van een motorrijtuig lijkt dan ook van belang bij de beoordeling van het toevallig besturen. Wanneer de bestuurder het voertuig regelmatig bestuurt en als gebruikelijke bestuurder van dit voertuig moet beschouwd worden, kan hij immers niet als een “toevallig” of “occasioneel” bestuurder ervan worden aangemerkt (G. Jocqué, “Grenzen aan de uitbreiding van de dekking door de WAM-verzekeraar”, De Verz., Kluwer, 2003, (679), 688).

7. Wanneer men echter rekening houdt met de bedoeling van de reeds hoger vermelde dekkingsuitbreiding lijkt de frequentie op zich nochtans niet determinerend, in die zin dat een niet frequent of niet regelmatig bestuurd voertuig niet noodzakelijk een toevallig bestuurd voertuig is en de frequentie in dat verband niet exclusief determinerend is om uit te maken of er al dan niet sprake is van een toevallig besturen. Ook een afwijking van hetgeen normaal te verwachten is ten aanzien van de omstandigheden waarin het voertuig wordt bestuurd, kan wijzen op een toevallig besturen van het voertuig (G. Jocqué, “Besturen van een gehuurd voertuig: (g)een toevallig besturen?”, T.Verz., Kluwer, 2006, (75), 77), zodat uit dit alles kan volgen dat er aldus een situatie voorhanden moet zijn waarin het besturen van een voertuig door een derde niet vooraf voorzien of gepland was en dus “bij toeval” optrad.

8. De omstandigheden van het geval kunnen dan ook meebrengen dat de bestuurder van andermans voertuig geen toevallig bestuurder is, ook al bestuurt hij dat voertuig niet frequent. Hierbij kan worden gedacht aan het besturen van een gehuurd voertuig. Wanneer dit voertuig slechts één of enkele malen wordt gebruikt door de huurder is die weliswaar geen frequent of regelmatig bestuurder ervan, maar is hij niettemin geen “toevallig” bestuurder wanneer het vooraf voorzien was dat hij een voertuig zou huren om zich daarmee in het verkeer te begeven. In dit laatste geval kan de huurder overigens normalerwijze nagaan of het voertuig WAM-verzekerd is voor hij zich ermee in het verkeer begeeft, wat anders zou zijn wanneer hij t.g.v. een noodsituatie een beroep moet doen op een gehuurd voertuig en het besturen ervan dus niet vooraf te voorzien was.

9. In de voorliggende zaak werd het motorrijtuig (een “rupsdumper”, zijnde een motorvoertuig dat volgens de verhuurder burgerrechtelijk aansprakelijk verzekerd was voor gebruik op een werf of in de onmiddellijke omgeving ervan, maar niet bedoeld was voor een eigenlijk gebruik op de openbare weg) vooraf gehuurd om er een praalwagen mee te trekken in een carnavalstoet. De bestuurder van de “rupsdumper” was weliswaar geen regelmatige of frequente bestuurder van het gehuurde rijtuig, maar uit het feit dat het weinig waarschijnlijk lijkt dat deze als bij toeval bij de aanvang van de carnavalstoet het stuur van de rupsdumper nam (hij verwijderde immers op voorhand de nummerplaten van zijn eigen voertuig om die op het rupsvoertuig aan te brengen), valt m.i. wel degelijk af te leiden dat op voorhand overeengekomen was dat hij desbetreffend en met die bedoeling als bestuurder zou fungeren.

Waar de ratio legis van de dekkingsuitbreiding voor het toevallig bestuurd voertuig, zoals reeds hoger vermeld, beoogt de bestuurder te beschermen in situaties waarin van hem redelijkerwijze niet kan verwacht worden dat hij nagaat of het voertuig al dan niet verzekerd is, kan m.i. uit voormelde feiten worden afgeleid dat het besturen van de rupsdumper in deze is gebeurd in omstandigheden die geen afwijking van hetgeen normaal te verwachten was inhouden. Dit feitenrelaas sluit m.i. derhalve op zich een “toevallig” besturen uit in de mate dat deze gang van zaken beantwoordt aan wat kon worden verwacht. Het bestreden vonnis diende zodoende niet nog uitdrukkelijk uit te sluiten dat de bestuurder het voertuig niet gewoonlijk (niet regelmatig/frequent) bestuurde. Zoals hoger gesteld, staat het begrip “toevallig besturen” immers niet enkel in verband met de frequentie waarmee het voertuig wordt bestuurd, maar ook met een bepaald verwachtingspatroon. Het vooraf gepland besturen van een gehuurd voertuig (zelfs maar voor één dag) kan derhalve, wanneer niet wordt afgeweken van wat normaal wordt verwacht (hetgeen een soevereine beoordeling inhoudt), een toevallig besturen uitsluiten.

10. In die omstandigheden ben ik dan ook van oordeel dat de appelrechters hun beslissing naar recht verantwoorden en dat het middel niet kan worden aangenomen.

III. CONCLUSIE: VERWERPING
(waardoor alle belang aan de vordering tot bindendverklaring wordt ontnomen).

Noot:

Verkeer, Aansprakelijkheid, Verzekering [VAV] MUYLDERMANS, Johan; Noot onder cassatie 2013, nr. 4, p. 4-6

Nog dit: 

Cassatie 15 april 2004, RW 2004-2005, 792

Samenvatting:

Overeenkomstig artikel 8, 1° modelovereenkomst 1992 is de schade aan het 'verzekerd rijtuig' van de verzekering uitgesloten; onder 'verzekerd rijtuig' in deze bepaling wordt niet alleen het in de bijzondere voorwaarden omschreven voertuig verstaan, maar ook het aan een derde toebehorend motorrijtuig dat toevallig wordt bestuurd, dat eveneens een verzekerd voertuig is wanneer het bestuurd wordt in de bij artikel 4, 1°, aanhef en b, van de modelpolis omschreven voorwaarden.

Tekst arrest

Nr. C.01.0236.N
K.B.C.- VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 3000 Leuven, Waaistraat 6, ingeschreven in het handelsregister te Leuven, nummer 121,
eiseres,
tegen
S.E.
verweerder,
en ten aanzien van
V.P.,
in bindendverklaring opgeroepen partij.

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 22 december 2000 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Feiten en voorafgaande rechtspleging

P.V. bestuurde het voertuig Ford Fiesta van E.S. die als passagier meereed.

P.V. veroorzaakte een ongeval waarbij het voertuig van E.S. werd beschadigd en beide inzittenden werden gekwetst.

W.V., vader van P.V., heeft bij eiseres een verzekeringsovereenkomst burgerlijke aansprakelijkheid motorrijtuigen afgesloten met betrekking tot een personenwagen Nissan.

E.S. vordert de vergoeding van de schade aan zijn voertuig mede van eiseres. Deze eis werd in het bestreden vonnis toegewezen.

IV. Middel

Geschonden wettelijke bepalingen

• artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen ;

• punt 5 van de begripsomschrijving en de artikelen 4.1°, b en 8.1° van de modelovereenkomst, gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 ;

• artikel 3, ,§ 1, derde lid, 1° van de Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen ;

• de artikelen 1134, 1162, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

De rechtbank van eerste aanleg, na te hebben beslist dat P.V. aansprakelijk is voor het verkeersongeval dat hij als bestuurder van het aan E.S. toebehorende voertuig veroorzaakte, veroordeelt eiseres in het bestreden vonnis, samen met P.V., tot betaling aan E.S. van een provisioneel bedrag van 287.685 BEF, meer vergoedende en gerechtelijke intresten, bestaande uit een vergoeding voor voertuigschade ten belope van 281.142 BEF en een vergoeding voor medische kosten ten belope van 6.543 BEF.

Vervolgens verleent de rechtbank aan E.S. tevens voorbehoud voor de overige lichamelijke schade, bevestigt het door de Politierechtbank te Leuven bij vonnis van 8 januari 1998 bevolen medisch deskundig onderzoek en verzendt de zaak in toepassing van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek naar de eerste rechter.

De rechtbank steunt de beslissing, luidens welke eiseres gehouden is tot vergoeding van de door E.S. geleden voertuigschade, op volgende motieven : "(...) dat (eiseres) stelt niet gehouden te zijn de schade aan het voertuig van E.S. te vergoeden ;
dat krachtens de polis P.91.027.944-00 op naam van E.S. in artikel 8.1 van de algemene voorwaarden uitdrukkelijk is bepaald dat de schade aan het verzekerde voertuig uitgesloten is ;

dat (eiseres) ook stelt dat krachtens de polis P.90.130.173-03 op naam van W.V. er geen gehoudenheid van harentwegen kan zijn ;

dat ingevolge artikel 4.1.b van de algemene voorwaarden er uitbreiding is van dekking voor de burgerlijke aansprakelijkheid van de kinderen van de verzekeringsnemer in hun hoedanigheid van bestuurder van een aan derden toebehorend voertuig dat zij toevallig zouden besturen, zelfs terwijl het omschreven voertuig in gebruik is ;

dat aldus de uitbreiding van dekking in de polis van W.V. slaat op de burgerlijke aansprakelijkheid van zijn zoon wanneer deze toevallig een aan derden behorend motorrijtuig (zoals dat van E.S.) bestuurt ;

dat artikel 8 van de algemene voorwaarden bepaalt dat de schade aan het verzekerd voertuig uitgesloten is ;

dat in de bijzondere voorwaarden van de polis V. als verzekerd voertuig is vermeld de personenauto Nissan van W.V. ;

dat aldus de schade aan het voertuig van E.S. wel verzekerd is op grond van de polis V. ;

dat het hoger beroep van (eiseres) aldus ongegrond is ;

dat nochtans de gelijkheidsclausule, die was opgenomen in art. 4,1, laatste lid, van de modelpolis 1956, niet is terug te vinden in art. 4 modelpolis 1992 ; dat de rechtspraak, waarnaar (eiseres) verwijst, nog betrekking heeft op de modelpolis van 1956 ;

dat, wanneer een clausule vatbaar is voor interpretatie (dit is het geval gezien de discussie in de rechtsleer van overzicht rechtspraak verzekering motorrijtuigen in TPR, 1998, deel I, nr. 48.2), zij moet worden geïnterpreteerd ten nadele van hem die bedongen heeft en ten voordele van hem die zich verbonden heeft (art. 1162 BW) ;

dat de partij in wiens voordeel het contractsbeding is gestipuleerd (in casu (eiseres)) dient beschouwd te worden als degene die bedongen heeft en de partij in wiens nadeel de clausule speelt degene is die zich verbonden heeft ;

dat hieruit voortvloeit dat een exoneratiebeding geïnterpreteerd moet worden ten voordele van de schuldeiser (S.) en ten nadele van de schuldenaar (eiseres) cfr. Overzicht rechtspraak verbintenissenrecht in T.P.R., 1994, deel I, nr. 180" (vonnis, p.6-7).

Aldus beslist de rechtbank dat eiseres de door E.S. geleden voertuigschade dient te vergoeden, niet ingevolge de door hem zelf gesloten polis P.91.027.944.00, doch wel ingevolge de door W.V., vader van bestuurder P.V., gesloten polis P.90.130.173-03.

Grieven

1. Eerste onderdeel

Overeenkomstig artikel 4.1°.b, van de bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 gevoegde modelovereenkomst (hierna genoemd "de modelovereenkomst"), strekt de dekking van de overeenkomst zich uit, zonder dat hiervoor een mededeling vereist is, tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekeringsnemer alsmede van diens echtgenoot en kinderen, indien deze bij hem inwonen en de wettelijke leeftijd om een motorrijtuig te besturen bereikt hebben, in hun hoedanigheid van bestuurder of van burgerrechtelijk aansprakelijke voor de bestuurder van een aan derden toebehorend motorrijtuig, dat zij toevallig zouden besturen, zelfs terwijl het omschreven rijtuig in gebruik is.

Overeenkomstig artikel 8.1° van de modelovereenkomst, zoals ook voorzien in artikel 3, ,§1, derde lid, 1°, van de Wet van 21 november 1989, is de schade aan het "verzekerd rijtuig" van de verzekering uitgesloten.

Onder "verzekerd rijtuig" in artikel 8.1° van de modelovereenkomst en in artikel 3, ,§1, derde lid, 1°, van de Wet van 21 november 1989, wordt niet alleen het omschreven rijtuig begrepen, dit is volgens de begripsomschrijvingen bij de modelovereenkomst "het motorrijtuig dat in de bijzondere voorwaarden omschreven is", doch tevens het aan een derde toebehorende rijtuig dat, in de bij artikel 4.1°.b van de modelovereenkomst gestelde voorwaarden, toevallig wordt bestuurd.

Hieruit volgt dat de rechtbank, na te hebben vastgesteld dat het voertuig van E.S. toevallig werd bestuurd door de zoon van verzekeringsnemer W.V., niet wettig kon beslissen dat eiseres de schade aan het voertuig van E.S. dient te vergoeden op basis van de door W.V. gesloten overeenkomst (schending van punt 5 van de begripsomschrijvingen en de artikelen 4.1°.b en 8.1°, van de modelovereenkomst, 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 en 3, ,§1, derde lid, 1°, van de Wet van 21 november 1989).

Noch uit de vergelijking van de bepalingen van de bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 gevoegde modelovereenkomst met de bepalingen van de "oude" modelpolis 1956 (vonnis, p. 6-7), noch uit de bijzondere voorwaarden van de tussen eiseres en W.V. gesloten polis (vonnis, p. 6, in fine), noch uit de interpretatie van de modelovereenkomst volgens artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek (vonnis, p. 7, eerste drie alinea's), kan worden afgeleid dat uitsluitend schade aan de in de bijzondere voorwaarden van de polis als "verzekerd voertuig" omschreven personenauto Nissan van W.V. van de verzekering wordt uitgesloten en niet de schade aan het voertuig van E.S. dat door de zoon van W.V., in de door artikel 4.1°.b van de modelovereenkomst voorziene voorwaarden, toevallig werd bestuurd.

2. Tweede onderdeel

In artikel 4.1° van de modelovereenkomst 1956, zoals in de huidige modelovereenkomst, werd voorzien dat de dekking zich uitstrekt tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekeringsnemer, diens echtgenoot of kinderen, indien toevallig een aan derden bestuurd motorrijtuig wordt bestuurd.
Artikel 4.1°, van de modelovereenkomst 1956 voorzag dat in dat geval het gebruikte motorrijtuig gelijkgesteld is met het omschreven motorrijtuig.

Uit de samenlezing van artikelen 4.1° en 8.1° van de modelpolis 1956, luidens welke laatste bepaling schade aan het "omschreven motorrijtuig" werd uitgesloten, blijkt dat ook de schade aan een aan een derde toebehorend voertuig dat toevallig werd bestuurd, van de verzekering werd uitgesloten.

De omstandigheid dat de gelijkstelling tussen het omschreven rijtuig en het aan een derde toebehorend toevallig bestuurd rijtuig niet meer uitdrukkelijk voorkomt in artikel 4.1° van de bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 gevoegde modelovereenkomst, zoals door eiseres terecht in haar aanvullende conclusie (p. 2-4) werd aangevoerd, niet impliceert dat schade aan laatstvermeld voertuig thans wel onder de verzekeringsdekking valt.

Krachtens artikel 8.1° van de modelovereenkomst 1992, wordt schade aan het "verzekerd rijtuig" van de verzekering uitgesloten en niet, zoals voorzien in artikel 8.1°, van de modelovereenkomst 1956, schade aan het "omschreven rijtuig".

Onder "verzekerd rijtuig" in artikel 8.1° van de modelovereenkomst 1992 wordt niet uitsluitend het omschreven rijtuig bedoeld (zijnde in casu de in de bijzondere voorwaarden van de polis als "verzekerd" voertuig omschreven personenauto Nissan van W.V.), doch tevens het aan een derde toebehorend rijtuig dat, in de bij artikel 4.1°, b, van de modelovereenkomst voorzien voorwaarden, toevallig wordt bestuurd (zijnde in casu het voertuig van E.S. dat toevallig werd bestuurd door de zoon van W.V.).

Door de vervanging in artikel 8.1° van de modelovereenkomst 1992 van het begrip "omschreven rijtuig" door het begrip "verzekerd rijtuig", was de bepaling in artikel 4.1° waarbij het toevallig bestuurde voertuig werd gelijkgesteld met het omschreven rijtuig, derhalve overbodig geworden.

Hieruit volgt dat de rechtbank, na te hebben vastgesteld dat het voertuig van E.S. toevallig werd bestuurd door de zoon van verzekeringnemer W.V., niet wettig kon beslissen dat eiseres de schade aan het voertuig van E.S. dient te vergoeden op basis van de door W.V. gesloten verzekeringsovereenkomst (schending van punt 5 van de begripsomschrijvingen en de artikelen 4.1°.b, en 8.1° van de modelovereenkomst, 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 en 3, ,§1, derde lid, 1°, van de Wet van 21 november 1989).

3. Derde onderdeel

Het feit "dat in de bijzondere voorwaarden van de polis V. als verzekerd voertuig is vermeld de personenauto Nissan van W.V." (vonnis, p. 6, vierde laatste alinea) impliceert niet dat slechts dit voertuig kan worden aangezien als "verzekerd rijtuig" in de zin van artikel 8.1° van de modelovereenkomst.

De overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheids-verzekering inzake motorrijtuigen, zoals de polis V., moet overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 beantwoorden aan de bepalingen van de bij dit koninklijk besluit gevoegde modelovereenkomst.

De modelovereenkomst maakt derhalve niet louter een overeenkomst tussen verzekeraar en verzekerde uit, maar wordt opgelegd bij koninklijk besluit en maakt aldus een "reglement" of "wet" uit.

Het in artikel 8.1° van de modelovereenkomst vermelde "verzekerd rijtuig" maakt derhalve een wettelijk begrip uit, zodat uit het feit dat in de bijzondere voorwaarden van de polis het omschreven rijtuig als "verzekerd voertuig" wordt aangeduid, niet kan worden afgeleid dat dit voertuig (of uitsluitend dit voertuig) het "verzekerd rijtuig" in de zin van artikel 8.1° van de modelovereenkomst uitmaakt.

Hoewel artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 14 december 1992 binnen bepaalde grenzen toelaat af te wijken van de bepalingen van de modelovereenkomst ten gunste van de verzekeringsnemer, de verzekerde of van elke derde die bij de uitvoering van de overeenkomst betrokken is, kan uit het feit dat de personenauto Nissan van W.V. als "verzekerd voertuig" is vermeld in de bijzondere voorwaarden van de polis, niet worden afgeleid dat partijen, in afwijking van artikel 8.1° van de modelovereenkomst, zouden overeengekomen zijn dat schade aan een aan een derde toebehorend rijtuig dat toevallig wordt bestuurd niet van de verzekering wordt uitgesloten.

De personenauto Nissan van W.V. beantwoordt aan de begripsomschrijving van het "omschreven rijtuig" in de modelovereenkomst, namelijk "het motorrijtuig dat in de bijzondere voorwaarden omschreven is".

In de modelovereenkomst komt zowel het begrip "omschreven rijtuig" als het begrip "verzekerd rijtuig" voor en, zoals hoger uiteengezet, zijn beide begrippen geen synoniemen, doch het "verzekerd rijtuig", naast het omschreven rijtuig, ook het aan een derde toebehorend, toevallig bestuurde rijtuig omvat.

Uit de samenlezing van de modelovereenkomst, die ingevolge het koninklijk besluit van 14 december 1992 tussen eiseres en W.V. toepasselijk is, en de bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst, blijkt ontegensprekelijk dat de in de bijzondere voorwaarden als "verzekerd voertuig" vermelde personenauto Nissan van W.V., dient te worden aangezien als het "omschreven rijtuig" en niet als het "verzekerd rijtuig" voor de toepassing van artikel 8.1° van de modelovereenkomst.

Hieruit volgt, ten eerste, dat de rechtbank, door te beslissen dat het "verzekerd rijtuig" in de zin van artikel 8.1° van de modelovereenkomst uitsluitend de in de bijzondere voorwaarden vermelde personenauto Nissan van W.V. is, met uitsluiting van het voertuig van een derde (E.S.) dat, in de bij artikel 4.1°.b van de modelovereenkomst gestelde voorwaarden, toevallig werd bestuurd, de artikelen 4.1°.b, 8.1°, en punt 5 van de begripsomschrijvingen van de modelovereenkomst schendt, alsmede de artikelen 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 en 3, ,§1, derde lid, 1° van de Wet van 21 november 1989.

Hieruit volgt, ten tweede, dat de rechtbank, in zoverre wordt beslist dat partijen overeenkwamen dat in de tussen hen gesloten verzekeringsovereenkomst zou worden afgeweken van artikel 8.1° van de modelovereenkomst, aan de bepalingen van de verzekeringsovereenkomst een uitlegging geeft die volstrekt onverenigbaar is met de bewoording ervan en derhalve de verbindende kracht van deze verzekeringsovereenkomst (artikel 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) schendt.

Hieruit volgt, ten derde, dat de rechtbank, in zoverre wordt beslist dat in de verzekeringsovereenkomst tussen eiseres en W.V. werd afgeweken van artikel 8.1° van de modelovereenkomst, de verbindende kracht van de verzekeringsovereenkomst (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek) schendt, nu aan deze verzekeringsovereenkomst een gevolg wordt toegekend die deze wettig tussen partijen niet heeft.

4. Vierde onderdeel

De overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheids-verzekering inzake motorrijtuigen moet, overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992, beantwoorden aan de bepalingen van de bij dit koninklijk besluit gevoegde modelovereenkomst.

De bepalingen van de modelovereenkomst, in het bijzonder de artikelen 4.1°.b en 8.1°, maken aldus geen eigenlijke contractsbepalingen, doch wel "reglementaire" of "wettelijke" bepalingen uit.

De rechter kan de bepalingen van de bij koninklijk besluit verplicht gestelde modelovereenkomst derhalve niet interpreteren aan de hand van de in artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek gestelde regel, luidens welke de overeenkomst ingeval van twijfel wordt uitgelegd ten nadele van hem die bedongen heeft en ten voordele van hem die zich verbonden heeft.

Deze bepaling, die deel uitmaakt van Boek III, Titel III, Hoofdstuk III, Afdeling V, van het Burgerlijk Wetboek, betreft de "uitlegging van de overeenkomsten" en dus niet de uitlegging van reglementaire of wettelijke bepalingen.

De rechter kon zelfs indien de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de uitlegging der overeenkomsten toepasselijk zouden zijn op de interpretatie van de modelovereenkomst, de artikelen 4.1°.b, en 8.1° van deze modelovereenkomst niet volgens de in artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek gestelde regel uitleggen, nu geen twijfel bestaat omtrent de draagwijdte van deze bepalingen.

Zoals in de voorgaande onderdelen van het middel uiteengezet, staat immers zonder twijfel vast dat, krachtens artikel 8.1° van de modelovereenkomst, niet alleen de schade aan het in de bijzondere voorwaarden van de polis als "verzekerd voertuig" omschreven rijtuig van de verzekering wordt uitgesloten, doch tevens de schade aan het aan een derde toebehorend rijtuig dat, in de bij artikel 4.1°.b van de modelovereenkomst gestelde voorwaarden, toevallig werd bestuurd.

Hieruit volgt dat de rechtbank, door op grond van artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek te beslissen dat artikel 8.1° van de modelovereenkomst aldus dient te worden uitgelegd dat de schade aan het toevallig bestuurde voertuig van een derde niet van de verzekering wordt uitgesloten, artikel 1162 van het Burgerlijk Wetboek schendt alsmede de artikelen 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992, 4.1°.b, 8.1° van de modelovereenkomst en 3, ,§1, derde lid, 1°, van de Wet van 21 november 1989.

IV. Beslissing van het Hof

1. Eerste onderdeel

Overwegende dat, krachtens artikel 4.1°.b, van de modelovereenkomst als bijlage gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de dekking van de modelovereenkomst zich uitstrekt, zonder dat hiervoor een mededeling vereist is, tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekeringsnemer alsmede van diens echtgenoot en kinderen indien deze bij hem inwonen en de wettelijke leeftijd om een motorrijtuig te besturen bereikt hebben, in hun hoedanigheid van bestuurder of van burgerrechtelijk aansprakelijke voor de bestuurder van een aan derden toebehorend motorrijtuig, dat zij toevallig zouden besturen, zelfs terwijl het omschreven rijtuig in gebruik is ;

Dat sub 5 van de begripsomschrijvingen in voormelde modelovereenkomst, als het omschreven rijtuig wordt aangezien, enerzijds, het motorrijtuig dat in de bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst omschreven is waarbij al wat er aan gekoppeld is wordt beschouwd als deel ervan en, anderzijds, de niet-gekoppelde aanhangwagen die in de bijzondere voorwaarden is omschreven ;

Overwegende dat, overeenkomstig artikel 8.1° van de voormelde modelovereenkomst, van de verzekering uitgesloten is de schade aan het verzekerde rijtuig, behoudens wat bij artikel 3.2°, tweede lid, van dezelfde modelovereenkomst is bepaald ;

Overwegende dat uit de samenhang van voormelde wettelijke bepalingen volgt dat niet alleen de schade aan het in de bijzondere voorwaarden omschreven voertuig van de verzekering uitgesloten is, maar ook de schade aan het aan een derde toebehorend motorrijtuig dat toevallig wordt bestuurd, dat eveneens een verzekerd voertuig is wanneer het bestuurd wordt in de bij artikel 4.1°, aanhef en b, van de modelpolis omschreven voorwaarden ;

Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :

1. in de bijzondere voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst afgesloten tussen eiseres en haar verzekerde W.V., het omschreven voertuig een personenwagen Nissan is ;

2. de zoon van de verzekeringsnemer van eiseres, P.V., toevallig het voertuig Ford Fiesta van verweerder bestuurde op het ogenblik van het ongeval;

Dat de appèlrechters vervolgens oordelen dat de schade aan het voertuig van verweerder verzekerd is op grond van de verzekeringsovereenkomst gesloten tussen eiseres en W.V. ;

Dat zij door aldus te oordelen, de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen schenden ;

Dat het onderdeel gegrond is ;

2. Overige grieven

Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het eiseres veroordeelt tot vergoeding van de schade aan het voertuig van verweerder ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Commentaar: 

D. Wuyts, NJW 2014, 949, Oppgave van de 'gebruikelijke bestuurder' in WAM verzekering: niet alleen jongeren vormen een groter aansprakelijkheidsrisico.

Geert Jocqué, De schade aan het vervangingsvoertuig of toevallig bestuurd voertuig, RW 2004-2005,792

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 06/07/2017 - 16:24
Laatst aangepast op: do, 06/07/2017 - 16:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.