-A +A

Beslag op onverdeeld deel (wet en Rechtspraak)

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Nadat in artikel 1560 Ger. W. is bepaald dat de schuldeiser de uitwinning kan vervolgen van de onroerende goederen die eigendom zijn van zijn schuldenaar, wordt bij artikel 1561 Ger. W. voorgeschreven:

"Niettemin kan het beslag op het onverdeelde aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeisers niet worden ten uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling, die zij kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd zijn tussen te komen, met dien verstande dat de overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling of vóór de akte tot vestiging van de hypotheek, moet worden in acht genomen".

Bij artikel 1207 Ger. W. wordt bepaald dat de verdeling gerechtelijk geschiedt bij gebrek aan akkoord van alle mede-eigenaars met een minnelijke verdeling.

De schuldeiser, die pas tot effectieve uitwinning van het onverdeeld aandeel van de schuldenaar kan overgaan dan nadat het onroerend goed zal zijn verdeeld of geveild, bezit hiertoe op grond van artikel 1561 Ger.W. een eigen recht om de verdeling of veiling te vorderen.

Wanneer een onroerend goed toebehoort aan 2 of meer personen, terwijl een schuldeiser slechts een vordering heeft op één van hen, kan deze niet uitvoeren op het onverdeelde aandeel, dan na een voorafgaandelijke procedure tot verdeling en veiling.

Deze procedure dient ingeleid door een dagvaarding, ten verzoeke van de beslagleggende schuldeiser, waarbij alle deelgenoten worden gedagvaard tot verdeling en veiling bij beslag op een onverdeeld aandeel in een onroerend goed, waarbij gevorderd wordt:

1. Te horen bevelen dat er op de vordering van de schuldeiser of van de meest gerede partij, in tegenwoordigheid, althans na behoorlijke oproeping van de andere partijen, door het ambt van een of twee notarissen, die ambtshalve zullen worden aangewezen indien partijen zich omtrent de keuze niet kunnen verstaan, zal worden overgegaan tot de veiling van het in de dagvaarding te omschrijven onroerend goed met inachtname van de voorschriften van art. 1186 en 1193 Ger. W.

2. Te horen bevelen dat het aandeel van de schuldenaar van de beslagleggende schuldeiser in de prijs of de sommen die hem zullen worden uitgekeerd aangewend zullen worden tot voldoening van de schuldvorderingen van de schuldeiser in hoofdsom, interesten en kosten met inachtname van de rang van de schuldvorderingen op het ogenblik van de verdeling.

Wanneer een onroerend goed toebedeeld werd door onverdeelde medeëigenaars aan een van hen, op een ogenblik dat de andere reeds een substantiële schuld had, kan een schuldeiser tegen deze verdeling opkomen bij middel van een pauliaanse vordering. Eens deze vordering is toegewezen en de toewijzing als niet tegenstelbaar werd verklaard, zal de schuldeiser dan de procedure dienen in te stellen vot vereffening-verdeling.

wettelijke bepalingen (uittreksel uit het gerechtelijk wetboek):

Art. 1560. De schuldeiser kan de uitwinning vervolgen :
1° van de onroerende goederen en van hun als onroerend goed beschouwd toebehoren die eigendom zijn van zijn schuldenaar;
2° van de rechten van vruchtgebruik, erfpacht en opstal die aan de schuldenaar toebehoren op goederen van dezelfde aard.

Art. 1561. Niettemin kan het beslag op het onverdeelde aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeisers niet worden ten uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling, die zij kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd zijn tussen te komen, met dien verstande dat de overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling of voor de akte tot vestiging van de hypotheek, moet worden in acht genomen.

In geval van veiling gaat het recht van de hypothecaire schuldeiser over op het aandeel van de schuldenaar in de prijs, onverschillig wie de verkrijger is, doch met uitzondering van de medeveiler wiens onverdeeld aandeel met hypotheek bezwaard was.

In geval van verdeling met opleg worden de sommen die de deelgenoot gehouden is uit te keren, aangewend tot voldoening van de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen die deze eigenschap zouden verliezen, en wel volgens de rang van die schuldvorderingen op het ogenblik van de verdeling.

Art. 1562. In afwijking van het gemeen recht wordt de uitwinning van de onroerende goederen, met het oog op het verkrijgen van de betaling van een gemeenschappelijke schuld of van een eigen schuld die het gemeenschappelijk vermogen bezwaart, tegen de echtgenoot en de echtgenote voortgezet.

Art. 1563. De schuldeiser kan de vervolgingen tot uitwinning van de onroerende goederen waarop het geen hypotheek heeft, niet beginnen dan ingeval de goederen waarop hij hypotheek heeft, ontoereikend zijn.

De waarde van de goederen wordt, indien het gebouwde eigendommen betreft, geschat op twintigmaal, en, indien het opgebouwde eigendommen betreft, op dertigmaal het kadastraal inkomen.

De schuldeiser die gebruik wil maken van dit recht, dient daartoe een getuigschrift in bij de rechter. Hij legt daarbij over:
1° een uittreksel uit de kadastrale legger;
2° het getuigschrift van de hypotheekbewaarder, bedoeld in artikel 1430.
Tegen de beschikking van de rechter is generlei voorziening toegelaten.

zie kantoorref 5829.
zie ook Beslagrechter Gent, 3 januari 2012, NJW 267, 554

Rechtspraak:

• Hof van beroep Antwerpen, 24/06/2013, AR 2011AR3245

samenvatting

De geïntimeerde vordert op grond van artikel 1561 Ger. W. de vereffening-verdeling van de onverdeelde onroerende goederen waarin zijn schuldenaar (de appellante) gerechtigd is en op wier onverdeeld aandeel door hem uitvoerend beslag werd gelegd.

De appellante vraagt in hoofdorde de beoordeling van die vordering uit te stellen tot aan een
definitieve uitspraak over de aansprakelijkheidsvorderingen die zij heeft ingesteld, en verder, de vordering van de geïntimeerde tot vereffening-verdeling af te wijzen.

Nadat in artikel 1560 Ger. W. is bepaald dat de schuldeiser de uitwinning kan vervolgen van de onroerende goederen die eigendom zijn van zijn schuldenaar, wordt bij artikel 1561 Ger. W. voorgeschreven: "Niettemin kan het beslag op het onverdeelde aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeisers niet worden ten uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling, die zij kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd zijn tussen te komen, met dien verstande dat de overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling of vóór de akte tot vestiging van de hypotheek, moet worden in acht genomen".

De geïntimeerde is conform artikel 1561 Ger. W. gerechtigd de vereffening-verdeling te vorderen van de betrokken goederen, dit uiteraard voor zover is voldaan aan de voorwaarden waaronder een dergelijke vordering kan worden toegekend.

Bij artikel 1207 Ger. W. wordt bepaald dat de verdeling gerechtelijk geschiedt bij gebrek aan akkoord van alle mede-eigenaars met een minnelijke verdeling.

Uit niets blijkt dat hier een akkoord van alle mede-eigenaars over een minnelijke verdeling van de in beslag genomen goederen voorhanden zou zijn. In de gegeven omstandigheden is de geïntimeerde ertoe gerechtigd de gerechtelijke verdeling van de betrokken onverdeelde onroerende goederen te vorderen.

Door het arrest van 14 november 2007 van dit hof te laten uitvoeren, begaat de geïntimeerde geen fout en/of onzorgvuldigheid.

Het arrest van 14 november 2007 van dit hof vormt een geldige en actuele titel. De hangende procedures waarnaar de appellante verwijst (voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, voor het Hof van Cassatie en voor de Raad van State) hebben geen schorsende werking. Van (proces-) rechtsmisbruik is geen sprake. De wijze waarop een partij een verkregen veroordeling uitvoert of niet uitvoert, kan immers geen rechtsmisbruik opleveren die de initiële vordering zou aantasten (vgl. Cass. 4 maart 2005, Arr. Cass. 2005, 530).

De appellante beweert, maar bewijst niet dat zij een regularisatieaanvraag zou hebben verkregen met betrekking tot de constructies waarvan het herstel in de vorige staat werd bevolen.

tekst arrest

V. G., gepensioneerde, geboren te ... op ... en wonende te ...;
appellante,
tegen het vonnis van de 4e A kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 7 november 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/2067/A;
tegen:
DE STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GE-WEST, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Limburg, met diensten gevestigd te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50 bus 1;
geïntimeerde,
in aanwezigheid van:
1. M. G., regentes, geboren te ... op ... en wonende te ...;
2. B. D. V., hoger administratief personeel, geboren te ... op ... en wo-nende te ...;
de eerste en de tweede mede inzake zijnde partij vertegenwoordigd door mr. Jean Vanderhasselt, advocaat te 1860 Meise, Hoogstraat 12;
3. M. D. V., zonder beroep, geboren te ... op ... en wonende te ...;
4. G. C., advocaat, kantoor houdende te ..., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D. V., voormeld, hiertoe aangesteld bij vonnis van de vrederechter van het tweede kanton te ... van ...;
de derde en de vierde mede inzake zijnde partij vertegenwoordigd door mr. Robin Ryckeboer loco mr. Vincent Godfrind, advocaat te 1040 Brussel (Etterbeek), Pater Eudore Devroyestraat 47;
de mede inzake zijnde partijen,

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- bij arrest van 14 november 2007 van dit hof werden de appellante (als eigenares) en haar echtgenoot, P. R. (als gebruiker), strafrechtelijk veroordeeld om zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning van het college van burgemeester en schepenen in een perceel in natuurgebied, gelegen te ..., een uitbreiding van de basiswoning met een oppervlakte van 57 m², een aparte constructie in hout met een oppervlakte van 54 m² waarin drie garages zijn ondergebracht en een gemetselde muur die beide constructies verbindt, in stand te hebben gehouden;

wat de herstelvordering van de geïntimeerde betreft, werden de
appellante en haar echtgenoot veroordeeld tot het herstel van de plaats in de vorige staat, meer bepaald de afbraak van de uitbreiding van de chalet in hout en bakstenen, inclusief de verwijdering van de vloerplaat van 57 m², het verwijderen van de houten garages inclusief het verwijderen van een eventuele vloerplaat van 54 m², en het verwijderen van een verbindingsmuur inclusief fundering en dit binnen een termijn van één jaar ingaande vanaf het in kracht van gewijsde gaan van het arrest; bij gebreke aan vrijwillige uitvoering werd de geïntimeerde gemachtigd om over te gaan tot ambtshalve herstel en werd aan de niet-vrijwillige uitvoering een verbeuring van dwang-sommen gekoppeld ten bedrage van 125,00 EUR per dag vertraging;

- bij arrest van 1 april 2008 werd de voorziening in cassatie van de
appellante tegen het arrest van 14 november 2007 verworpen; tegen dat cassatiearrest werd door de appellante bij verzoekschrift van 25 september 2008 wegens schending van artikel 6, §1 en 2 EVRM, een beroep ingesteld bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

- bij akte van 21 december 2010 hebben de eerste en de tweede partij mede inzake derdenverzet aangetekend tegen het arrest van 14 november 2007 van dit hof; dat derdenverzet werd niet ontvankelijk verklaard bij arrest van 29 juni 2011 van dit hof; tegen dat arrest van 29 juni 2011 werd cassatieberoep ingesteld;

- op 25 juni 2010 heeft de geïntimeerde een bevel tot betaling laten betekenen aan de appellante; op 14 juli 2010 heeft hij uitvoerend be-slag laten leggen op onroerende goederen, die de eigendom zijn van de appellante, en op een aantal onroerende goederen,

i. die zij in onverdeeldheid met de eerste partij mede inzake heeft, dit wat betreft haar aandeel daarin, zijnde de helft;
ii. die zij in onverdeeldheid heeft met de partijen mede inzake, dit wat betreft haar aandeel daarin, zijnde één derde;

dat onroerend beslag werd gelegd in uitvoering van het arrest van
14 november 2007 van dit hof voor de gerechtskosten en de verbeurde dwangsommen voor het totale bedrag van 56.336,57 EUR, ver-meerderd met de uitvoeringskosten en de dwangsommen van 125,00 EUR per dag vanaf 17 juni 2010;

- bij vonnis van 2 juni 2008 van de vrederechter van het tweede kanton te ... werd de derde partij mede inzake onder voorlopig bewind gesteld; mr. C. (vierde partij mede inzake) werd aangesteld als voor-lopig bewindvoerder.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 7 november 2011 op tegenspraak verleend door de 4e A kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt:

- wordt de betekening van de dagvaarding op 17 augustus 2010 aan de derde partij mede inzake nietig verklaard en worden de daaraan verbonden kosten ten laste gelaten van de geïntimeerde;

- worden de hoofdvordering voor het overige en de tussenvordering ontvankelijk en gegrond verklaard;

- wordt de vereffening-verdeling bevolen van de aldaar nader omschreven onverdeelde onroerende goederen;

- wordt notaris M. H. te ... als boedelnotaris gelast met de vereffening-verdeling;

- wordt bevolen dat er, op vordering van de geïntimeerde of van de meest gerede partij, in tegenwoordigheid althans na behoorlijke op-roeping van de andere partijen, door het ambt van de aangestelde boedelnotaris zal worden overgegaan tot de veiling van de betrokken onroerende goederen;

- wordt voor recht gezegd dat het aandeel van de appellante in de prijs of de sommen die haar zullen worden uitgekeerd, aangewend zullen worden tot voldoening van de schuldvorderingen van de geïntimeerde in hoofdsom, intrest en toebehoren en kosten;

- wordt notaris J. L. te ... gelast met vertegenwoordigingsbevoegdheid;

- en wordt bepaald dat de gedingkosten, samen met deze van het beslag en deze van de verdeling, voor enige toebedeling zullen worden betaald uit de prijs van de veiling.

2.2. Bij haar op 24 november 2011 ter griffie neergelegde "akte van hoger beroep" tekent de appellante hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 7 november 2011.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, §2, derde lid Ger. W. en behandeld op de terechtzitting van 27 mei 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van haar op 15 juni 2012 ter griffie neergelegde "conclusie" vraagt de appellante:

- haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis teniet te doen;

- opnieuw te oordelen,

- in hoofdorde, de behandeling van de zaak op te schorten tot aan een definitieve uitspraak in de aansprakelijkeidsvordering;

- en verder, de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde tot vereffening-verdeling af te wijzen.

3.2. Bij zijn op 24 juli 2002 ter griffie neergelegde "samenvattende beroepsconclusie" vraagt de geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;

- en de appellante te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep.

3.3. Bij hun op 12 april 2012 ter griffie neergelegde "beroepsbesluiten" vragen de eerste en de tweede partij mede inzake:

- het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;

- en de appellante te veroordelen tot de gedingkosten.

3.4. Bij hun op 17 april 2012 ter griffie neergelegde "beroepsconclusies" vragen de derde en de vierde partij mede inzake:

- het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;

- en de appellante te veroordelen tot de gedingkosten.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 7 november 2011, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellante tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. De geïntimeerde vordert op grond van artikel 1561 Ger. W. de vereffening-verdeling van de onverdeelde onroerende goederen waarin zijn schuldenaar (de appellante) gerechtigd is en op wier onverdeeld aandeel door hem uitvoerend beslag werd gelegd. De appellante vraagt in hoofdorde de beoordeling van die vordering uit te stellen tot aan een definitieve uitspraak over de aansprakelijkheidsvorderingen die zij heeft ingesteld, en verder, de vordering van de geïntimeerde tot vereffening-verdeling af te wijzen.

4.2.2. Nadat in artikel 1560 Ger. W. is bepaald dat de schuldeiser de uitwinning kan vervolgen van de onroerende goederen die eigendom zijn van zijn schuldenaar, wordt bij artikel 1561 Ger. W. voorgeschreven:

"Niettemin kan het beslag op het onverdeelde aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeisers niet worden ten uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling, die zij kunnen vorderen of waarin zij ge-rechtigd zijn tussen te komen, met dien verstande dat de overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling of vóór de akte tot vestiging van de hypotheek, moet worden in acht genomen".

4.2.3. Het wordt niet betwist dat de appellante onverdeelde mede-eigenaar is van de betrokken onroerende goederen en dat de geïnti-meerde de uitwinning vervolgt van het onverdeelde aandeel van de appellante in deze goederen. Niemand beweert dat met betrekking tot die goederen een overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling voorhanden zou zijn. Bijgevolg is de geïntimeerde conform artikel 1561 Ger. W. gerechtigd de vereffening-verdeling te vorderen van de betrokken goederen, dit uiteraard voor zover is voldaan aan de voorwaarden waaronder een dergelijke vordering kan worden toegekend.

4.2.4. Bij artikel 1207 Ger. W. wordt bepaald dat de verdeling gerechtelijk geschiedt bij gebrek aan akkoord van alle mede-eigenaars met een minnelijke verdeling.

4.2.5. Uit niets blijkt dat hier een akkoord van alle mede-eigenaars over een minnelijke verdeling van de in beslag genomen goederen voorhanden zou zijn. In de gegeven omstandigheden is de geïntimeerde ertoe gerechtigd de gerechtelijke verdeling van de betrokken onverdeelde onroerende goederen te vorderen.

4.2.6. Om oordeelkundige redenen, die het hof tot de zijne maakt, heeft de eerste rechter bijgevolg de vordering tot vereffening-verdeling van de geïntimeerde gegrond verklaard. Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

4.2.7. De uitgebreide beschouwingen en argumentaties van de appellante kunnen daaraan niets veranderen. Zij zijn in strijd met het gezag van gewijsde dat is verbonden aan het inmiddels in kracht van gewijsde gegane arrest van 14 november 2007 van dit hof.

Zoals hierboven werd uiteengezet, is ter zake voldaan aan alle voorwaarden voor toekenning van de vordering tot vereffening-verdeling van de geïntimeerde.

De wijze waarop definitief uitspraak zal worden gedaan over de door de appellante ingestelde aansprakelijkheidsvorderingen (tegen haar vorige raadslieden, mr. B. en mr. G., wegens ondertekening van een memorie voor het Hof van Cassatie zonder vermelding van hoedanigheid, tegen de Belgische Staat - ministerie van Justitie wegens fouten begaan door dit hof en door het Hof van Cassatie, en tegen het Vlaams Gewest wegens het doordrijven van de uitvoering van uitspraken die berusten op een gerechtelijke dwaling), kan de gegrondheid van de vordering tot vereffening-verdeling van de geïntimeerde niet beïnvloe-den. Hetzelfde geldt voor de procedure hangende voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (vgl. artikel 422bis Ger. W.).

Door het arrest van 14 november 2007 van dit hof te laten uitvoeren, begaat de geïntimeerde geen fout en/of onzorgvuldigheid. Het arrest van 14 november 2007 van dit hof vormt een geldige en actuele titel. De hangende procedures waarnaar de appellante verwijst (voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, voor het Hof van Cassatie en voor de Raad van State) hebben geen schorsende werking. Van (proces-) rechtsmisbruik is geen sprake.

De wijze waarop een partij een verkregen veroordeling uitvoert of niet uitvoert, kan immers geen rechtsmisbruik opleveren die de initiële vordering zou aantasten (vgl. Cass. 4 maart 2005, Arr. Cass. 2005, 530). De appellante beweert, maar bewijst niet dat zij een regularisatieaanvraag zou hebben verkregen met betrekking tot de constructies waarvan het herstel in de vorige staat werd bevolen.

Tenslotte werd in het bestreden vonnis terecht geoordeeld dat de nietigheid van de betekening van de dagvaarding ten aanzien van M. D. V. geenszins de ontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerde tegenover de andere partijen aantast, aangezien de procedure werd geregulariseerd (door mr. G. C. als voorlopig bewindvoerder van M. D. V. tot gedwongen tussenkomst in het hangende geding te dagvaarden).

4.2.8. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de appellante veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep (artikel 1017, eerste lid Ger. W.).

De partijen mede inzake (tegen wie geen vordering tot veroordeling wordt gesteld), zijn niet gerechtigd op toekenning van een rechtsplegingsvergoeding.

De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt vereffend op het (geindexeerde) basistarief van 1.320,00 EUR (niet in geld wardeerbare vordering).

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep en vereffent deze aan de zijde van de geïntimeerde gevallen kosten als volgt:[...]

• Gent (11 e k.) 12 oktober 2017, 2016/ FA/0498,

Samenvating;

Beslag op een onverdeeld aandeel van de schuldenaar in een onroerend goed door zijn persoonlijke schuldeisers kan niet ten uitvoer worden gebracht vóór de verdeling of de veiling die deze schuldeisers  kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd zijn tussen te komen.

De schuldeiser, die pas tot effectieve uitwinning van het onverdeeld aandeel van de schuldenaar kan overgaan dan nadat het onroerend goed zal zijn verdeeld of geveild, bezit hiertoe op grond van artikel 1561 Ger.W. een eigen recht om de verdeling of veiling te vorderen.

Tekst arrest

1. Relevante elementen

De BELGISCHE STAAT (hierna: de fiscus) is de (hypothecaire) belastingschuldeiser van Y.O. (hierna: Y.O.) met een resem uitvoerbare titels.

Gelet op de aangehouden wanbetaling van Y.O., laat de fiscus overgaan tot (1) betekening van een bevel voorafgaandelijk aan beslag op onroerend goed bij gerechtsdeurwaardersexploot van 3 februari 2015 met navolgende overschrijving in de registers van de bevoegde hypotheekbewaarder en (2) uitvoerend beslag bij gerechtsdeurwaardersexploot van 2 maart 2015.

Het voorwerp van het beslag betreft een woning met toebehoren te( ... ) (met als kadastrale gegevens: Brugge, 14de afdeling, Lissewege, sectie B, perceelnummer 177 /W /2 met een oppervlakte van 2a 77ca).

De woning behoort toe in onverdeelde mede-eigendom (telkens ten belope van de helft) aan Y.O. en C.N. (hierna: C.N.). Het voorwerp van het beslag betreft dan ook meer precies het onverdeelde aandeel van Y.O. in de woning.

Gelet op eerder beslag op dezelfde woning (door toedoen van de NV ALPHA CREDIT en de NV EOS AREMAS BELGIUM, die de tenuitvoerlegging niet verder benaarstigen), weigert de hypotheekbewaarder de overschrijving (art. 1571 Ger.W.), waarop de fiscus bij beschikking van 7 juli 2015 van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, in de plaats wordt gesteld van de eerdere beslagleggers (art. 1610 Ger.W.). Deze beschikking wordt betekend aan de eerdere beslagleggers bij gerechtsdeurwaardersexploot van 26 augustus 2015, waarna de fiscus de originele stukken ontvangt teneinde de tenuitvoerlegging verder te zetten. Het gaat meer precies om (1) een bevel voorafgaandelijk aan beslag op onroerend goed van 10 december 2014 en (2) een beslagexploot van 28 januari 2015.

ll. Beroepen vonnis

1. Bij vonnis van 26 mei 2016 in de zaak met AR nummer 2015/3224/ Agaat de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, in op de (bij dagvaarding van 1 oktober 2015 geïnitieerde) vordering van de fiscus in essentie strekkende tot (gedwongen) uitonverdeeldheidtreding en gerechtelijke vereffening-verdeling met betrekking tot de woning te Brugge/Lissewege, na veiling/ openbare verkoop ervan.

De rechtbank beveelt/machtigt zodoende, met toepassing van de artikelen 1207 e.v. Ger.W., dat door toedoen van notaris-vereffenaar Wouter BOSSUYT (met standplaats te Brugge) wordt overgegaan tot veiling/openbare verkoop van de woning te Brugge/Lissewege met verdeling van de prijs, een en ander op instructie van de fiscus.

De rechtbank legt de nader begrote gedingkosten ten laste van Y.O.

2. Een exploot van betekening van het vonnis van 26 mei 2016 ligt niet voor.


III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 20 juli 2016 stelt Y.O. (tijdig en regelmatig) hoger beroep in. Met zijn hoger beroep beoogt Y.O., met hervorming van het beroepen vonnis, de afwijzing van de vordering van de fiscus, althans daar waar door toedoen van de notaris-vereffenaar moet/kan worden overgegaan tot veiling/openbare verkoop van de woning te Brugge/Lissewege met verdeling van de prijs, een en ander op instructie van de fiscus.

Y.O. hekelt verder dat de hypothecaire waarborg van de fiscus overgaat op het aandeel van Y.O. in de prijs van de woning.

Y.O. beoogt tot slot de veroordeling van de fiscus tot de nader begrote gedingkosten (in hoger beroep).

2. De fiscus neemt conclusie tot bevestiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van Y.O. tot de gedingkosten van beide aanleggen.

3. De zaak is behandeld op de terechtzitting van 28 september 2017, waarna het hof het debat heeft gesloten en de zaak in beraad heeft genomen.

Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien.

Het hof aanziet de conclusie van Y.O. van 28 april 2017 en de conclusie van de fiscus van 19 december 2016 als alomvattende syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W., om ze aldus (met alle bijhorende stukken), met instemming van de partijen, in het debat te houden.

De zaak verloopt op tegenspraak, ook ten aanzien van C.N., die geen conclusie heeft genomen doch wel (middels vertegenwoordiging door een advocaat) ter terechtzitting van 28 september 2017 is verschenen (art. 747, § 2, zesde lid Ger.W., thans art. 747, § 4 Ger.W.).

IV. Beoordeling

1. Het onderhavige geval valt mede onder de wet van 13 augustus 2011 'houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling' (BS 14 september 2011, 59.603-59.614).

2. De schuldeiser kan de uitwinning vervolgen onder meer van de onroerende goederen en van hun als onroerend goed beschouwd toebehoren die eigendom zijn van de schuldenaar (art. 1560, sub 1 ° Ger.W.).

Niettemin kan het beslag op het onverdeelde aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeisers niet worden ten uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling/ openbare verkoop, die zij kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd zijn tussen te komen (art. 1561, eerste lid Ger.W.). Dit betekent dat de schuldeiser pas tot effectieve uitwinning van het (beslagen) onverdeelde aandeel van de schuldenaar zal kunnen overgaan nadat het bedoelde onroerend goed zal zijn verdeeld of geveild/openbaar verkocht. De schuldeiser bezit, op grond van artikel 1561 Ger.W., een eigen recht om deze verdeling of veiling/openbare verkoop te vorderen (zie o.m. E. Dirix en K. Broeckx, "Beslag", APR 2010, 96-97, nr. 117 en 525-526, nr. 854; T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, 56, nr. 85).

In die optiek kan voormelde vordering van de fiscus slagen (M. Puelinckx-Coene, J. Verstraete, N. Geelhand en I. Verhaert, "Overzicht van rechtspraak (1996-2004): Erfenissen", TPR 2005, 621, nr. 259).

3. Behoudens andersluidend akkoord van alle partijen, is de veiling/openbare verkoop van de beslagen onroerende goederen aangewezen.

Het beginsel dat een verdeling in natura met voorstellen tot overname door een of meerdere deelgenoten (gebeurlijk mits een opleg) de voorkeur geniet boven de openbare verkoop aan derden (art. 577-2, § 8 juncto 826, 828, eerste lid en 82 7, eerste lid BW, zoals nog van toepassing vóór de wet van 31 juli 2017 'tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijzingen van diverse andere bepalingen ter zake', BS 1 september 2017, 01 september 2018; T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, 141, nr. 204; H. Casman, "Schatting van de goederen, verdeling in natura en kavelvorming", in H. Casman en Ch. Declerck (eds.), De hervorming van de gerechtelijke vereffening en verdeling, Antwerpen, Intersentia, 2012, 94-95, nr. 36) kan niet zonder meer worden doorgetrokken naar onderhavig geval van executie (Ch. Declerck en S. Vangoetsenhoven, "Verzegeling, boedelbeschrijving en gerechtelijke vereffening-verdeling - Capita selecta", in A.-L. Verbeke, Ch. Declerck en J. Du Mongh (eds.), Themis-cahier familiaal vermogensrecht, Brugge, die Keure, 2013, 67-68, nr. 28).

Volgens dat beginsel kan de rechter de openbare verkoop van niet-gevoeglijk verdeelbare goederen slechts bevelen wanneer hij over afdoende gegevens beschikt om te kunnen besluiten dat een verdeling in natura is uitgesloten (zie ook oud art. 1211, eerste lid Ger.W.) dan wel in geval van akkoord (art. 1209, § 3 Ger.W.). Deze onmogelijkheid kan blijken uit de notariële werkzaamheden (art. 1224 en 1224/1 Ger.W.; vgl. oud art. 1217 Ger.W.), eventueel gevolgd door het verslag van een deskundige (vgl. oude art. 1215 en 1220 Ger.W.).

De verdeling in natura impliceert de gelijksoortigheid van de kavels (art. 577-2, § 8 juncto 832-833 BW, zoals nog van toepassing vóór de wet van 31 juli 2017 'tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijzingen van diverse andere bepalingen ter zake', BS 1 september 2017, 01 september 2018), die desnoods middels lottrekking worden toegewezen (vgl. oude art. 1206, vierde lid en 1219, § 1, eerste lid Ger.W.). Dergelijk onderzoek (in de eerste plaats) op het notariële terrein is bezwaarlijk zonder meer door te trekken naar onderhavig geval van executie, waarbij artikel 1561 Ger.W. de schuldeiser een eigen recht verleent om de verdeling of veiling/openbare verkoop te vorderen.

Hoe dan ook is een verdeling in natura dan wel overname van het onverdeelde aandeel van Y.O. in casu redelijkerwijze ondoenbaar, mede bij gebrek aan concrete/dienstige voorstellen in die zin.

4. De beslagen woning kan deel uitmaken van een ruimere onverdeeldheid (Cass. 13 juni 2005, RW 2005-06, 901, noot R. Jansen).

5. Zoals ook de eerste rechter oordeelt, moet/kan de notaris-vereffenaar overgegaan tot veiling/openbare verkoop van de woning te Brugge/Lissewege met verdeling van de prijs, een en ander op instructie van de fiscus.

De notaris-vereffenaar wordt dan ook gemachtigd om op verzoek van de meest gerede partij tot veiling/verkoop over te gaan (vgl. art. 1224, § 4 Ger.W.).

In geval van afwezigheid of tegenwerking van de partijen of van de (gebeurlijke) bewoner van de woning, mag de notaris-vereffenaar zich, op kosten van de boedel, toegang verschaffen tot de woning, indien nodig met behulp van de openbare macht, in voorkomend geval bijgestaan door een slotenmaker, teneinde de verkoopvoorwaarden te doen naleven of de bezichtiging door de belangstellenden mogelijk te maken.

De (gebeurlijke) bewoner van de woning wordt in kennis gesteld van de rechterlijke machtiging en van de bezichtigingsdagen en -uren bepaald in de verkoopvoorwaarden. Indien de tegenwerking te wijten is aan de (gebeurlijke) bewoner van de woning, is de boedel gerechtigd de kosten en een gebeurlijke schadevergoeding op hem te verhalen. Indien de (gebeurlijke) bewoner een mede-eigenaar is en nog geen beheerder in de zin van artikel 1212 Ger.W. werd aangewezen, wordt dergelijke beheerder op verzoek van de meest gerede partij aangewezen om aldus te handelen. In dat geval worden de kosten teruggevorderd voor rekening van de andere mede-eigenaars.

6. Anders dan Y.O. vagelijk voordoet, is het in de gegeven omstandigheden geenszins voorbarig om, zoals de eerste rechter doet, te zeggen voor recht dat de hypothecaire waarborg van de fiscus overgaat op het aandeel van Y.O. in de prijs van de woning (Cass. 13 juni 2005, RW 2005-06, 901, noot R. Jansen).

7. De kosten van tenuitvoerlegging zijn ten laste van Y.O., ook al schiet de fiscus de notariskosten voor (onder voorbehoud van recuperatie).

V. Gedingkosten

1. Het hof beaamt het oordeel van de eerste rechter omtrent de gedingkosten in eerste aanleg.

2. Y.O. dient, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden verwezen in de gedingkosten in hoger beroep (art. 1017, eerste lid Ger.W.).

3. Deze kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W. De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022 Ger.W.).

De in het gelijk gestelde partij (met een advocaat) is in dit geval de fiscus, zodat alleen voor deze partij een rechtsplegingsvergoeding in beroep kan worden bepaald.

De bedoelde vordering is in wezen niet in geld waardeerbaar. In dat geval is het (sinds 1 juni 2016) toepasselijke (geïndexeerde) basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.440,00 euro (art. 3 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W.).

Het hof richt zich naar dit basisbedrag zonder redenen te zien in de zin van artikel 1022, derde lid Ger.W. om ervan af te wijken.

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,

RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

met inachtneming van (de art. 2 e.v. en inz.) artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

verklaart het hoger beroep van Y.O. ontvankelijk doch ongegrond,

bevestigt, gelet op de grenzen waarbinnen het is beroepen, het vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 26 mei 2016, veroordeelt Y.O. tot de gedingkosten in hoger beroep, enkel aan de zijde van de BELGISCHE STAAT nuttig te begroten op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.440,00 euro.

( ... )

Nog dit: 

Geconfronteerd met het onverdeeld karakter van het beslagen goed, kan de schuldeiser in plaats van de vordering om uit onverdeeldheid te treden ook nagaan of er geen (beslagleggende) schuldeiser is die aanspraak kan maken op het geheel, die met andere woorden ook schuldeiser is van de overige deelgenoten.

In dit geval kan beroep worden gedaan op artikel 1610 gerechtelijk wetboek, middels een beslag bij indeplaatsstelling:

" De indeplaatsstelling wordt ook toegestaan op verzoekschrift, ingediend bij de rechter door enige andere schuldeiser die beslag heeft gelegd op dezelfde goederen, wanneer de vervolger een formaliteit niet heeft vervuld of een proceshandeling niet heeft verricht binnen de voorgeschreven termijnen of indien er (bedrog, verstandhouding of nalatigheid) bestaat, in dit geval onverminderd vergoeding van alle schade."

Dit artikel kan volgens  de beslagrechter te Gent (vonnis 3 januari 2012, NJW, 267, 554 ook toegepast worden bij een beslag op een onverdeeldheid, waarbij een beslaglegger op te totaliteit van de goederen verzoekt om in de plaats gesteld te worden van de schuldeiser op het onverdeeld deel, om zo eenvoudiger en zonder voorafgaande verdeling het beslag te kunnen uitvoeren, met behoud van alle rechten van de beslagleggende schuldeiser op de onverdeeldheid.

Zie ook R. Jansens an A. Michielsens, Notarieel executierecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 144.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: ma, 18/06/2018 - 21:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.