-A +A

Beperking van het gezag van gewijsde tot vorderingen waarover de rechter oordeelde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 Artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uitstrekt dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.

Beperking van het gezag van gewijsde tot de vorderingen waarover de rechbank heeft geoordeeld

• Arbeidshof Brussel 04/02/2011, AR 2010/AB/00077, juridat

samenvatting

Het gezag van het rechterlijk gewijsde is echter beperkt tot wat de rechter heeft beslist over een punt dat in betwisting was en tot wat, tengevolge van het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarvoor de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, al was het impliciet, van die beslissing uitmaakte.

tekst arrest

In de zaak:

A.-M. A. , wonende te [xxx],
appellante,

Tegen:

1. VAN CAUWENBERGE René, in zijn hoedanigheid van lid van het Executief Bureau van Gewestelijke en van het Intergewestelijk Bureau van het ABVV, wonende te 1700 DILBEEK, Populierenlaan, 8,

2. VAN MUYLDER Philippe, in zijn hoedanigheid van lid van het Executief Bureau van Gewestelijke en van het Intergewestelijk Bureau van het ABVV, wonende te 1190 BRUSSEL, Canadastraat, 31,

geïntimeerden,

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 23 november 2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 8940/08).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 26 januari 2010;

- de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 28 juni 2010,

- de conclusie, de aanvullende en syntheseconclusie voor de geïntimeerden neergelegd ter griffie, respectievelijk op 3 mei 2010 en 14 september 2010;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 7 januari 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

I. FEITEN, VOORGAANDEN EN RECHTSPLEGING

1.Mevrouw A.-M. A. was in dienst van het ABVV Brussel van 1 oktober 1989 tot 16 oktober 2002. Zij werd op die datum ontslagen om dringende reden.

Voor haar ontslag was ze in onderhandeling met haar werkgever in verband met een mogelijk brugpensioen op basis van de bedrijfs-cao's van 1 september 1999 en van 5 september 2002.

2. Mevrouw A.-M. A. betwistte haar ontslag met dringende reden en dagvaardde hiertoe de leden van het uitvoerend bureau van het ABVV Brussel op 6 februari 2003; zij vroeg daarbij o.m. de veroordeling van haar werkgever tot betaling van
euro 1 provisioneel als aanvullende vergoeding brugpensioen die verschuldigd zou zijn na het verstrijken van de periode gedekt door de vervangende opzeggingsvergoeding; tevens vroeg zij een formulier C4-brugpensioen en een formulier C17.

3. Bij tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 30 juli 2004 werd de dringende reden niet weerhouden en werd de werkgever veroordeeld tot betaling van een vervangende opzeggingsvergoeding van 18 maanden; in verband met de aanvullende vergoeding brugpensioen hield de arbeidsrechtbank de vordering aan, omdat de verweerders hierover niet ten gronde hadden besloten.

4. In haar besluiten na dit tussenvonnis legde mevrouw A.-M. A. uit dat zij na haar ontslag door de RVA beschouwd werd als werkzoekende werkloze en dat zij ook effectief werk had gevonden, eerst bij de VZW ECOSOC en nadien bij de VZW FTS; om die reden vroeg zij in verband met het gederfde brugpensioen een schadevergoeding van euro 33.069,12 voor de periode van 1 mei 2004 tot 1 mei 2006 en een schadevergoeding van euro 44.388 voor de periode van 1 mei 2006 tot 1 oktober 2008, telkens te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten.

Wat betreft de aanvankelijke vraag van mevrouw A.-M. A. in verband met de aanvullende vergoeding brugpensioen, gedroeg het ABVV Brussel in de persoon van zijn vertegenwoordigers zich naar de wijsheid van de rechtbank en verwees daarvoor naar de besluiten voorafgaand aan het tussenvonnis van 23 februari 2004.
Vervolgens betwistte de werkgever de in zijn ogen nieuwe vordering tot schadevergoeding, niet begrepen in de oorspronkelijke vordering, die zijn inziens tevens verjaard was op grond van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet; in ondergeschikte orde werd ook ten gronde betwist dat mevrouw A.-M. A. een schadevergoeding kon vragen omwille van het niet bekomen van brugpensioen, omdat ze zich verder beschikbaar had gehouden voor de algemene arbeidsmarkt.

Mevrouw A.-M. A. betwistte al deze standpunten.

5. In een nieuw tussenvonnis van 9 mei 2006 aanvaardde de arbeidsrechtbank te Brussel de uitbreiding van de vordering, die niet verjaard werd geacht.
Hierna oordeelde de arbeidsrechtbank dat het enkele feit van het ontslag om dringende reden aan mevrouw A.-M. A. nog geen recht gaf op een aanvullende vergoeding brugpensioen op zich, en dit ongeacht de beoordeling van de arbeidsrechtbank dat dit ontslag onregelmatig was waardoor zij recht had op een opzeggingsvergoeding.

Niettemin oordeelde de arbeidsrechtbank dat mevrouw A.-M. A. op grond van artikel 1382 BW aanspraak kon maken op schadevergoeding omwille van het verlies van haar brugpensioen, maar de partijen werden door middel van een heropening van de debatten uitgenodigd om verder te concluderen over de schadevergoeding die aan dit verlies van een kans verbonden was.

Mevrouw A.-M. A. liet dit tussenvonnis betekenen op 21 juni 2006.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 20 juli 2006 tekenden de vertegenwoordigers van de werkgever een beperkt hoger beroep aan wat betreft het principiële recht van mevrouw A.-M. A. op schadevergoeding, maar ze herhaalden hierbij dat ze zich naar de wijsheid van het hof gedroegen wat betreft het recht op een aanvullende vergoeding brugpensioen van mevrouw A.-M. A..

In haar antwoordbesluiten herhaalde mevrouw A.-M. A. dat zij aanvankelijk euro 1 provisioneel gevraagd had als aanvullende vergoeding brugpensioen, maar dat zij deze vordering verduidelijkt had (a été précisée en...) naar een schadevergoeding, omdat ze niet had kunnen genieten van een brugpensioen (p. 2 en 6 van haar syntheseconclusie).

7. In het arrest van 16 mei 2007 stelde het arbeidshof Brussel vast dat het door het ontbreken van hoger beroep op dit onderdeel niet gevat was door een vraag tot toekenning van een aanvullende vergoeding brugpensioen; het arbeidshof verwees naar de beroepsbesluiten van mevrouw A.-M. A., waarin zij uitdrukte dat ze voor de eerste rechters haar vraag tot betaling van deze vergoeding had verduidelijkt en dat zij in de plaats van deze vergoeding een schadevergoeding vroeg wegens het verlies van de vergoeding brugpensioen.
Voor het hof heeft mevrouw A.-M. A. nogmaals bevestigd dat dit laatste het enige voorwerp van haar vordering was, waardoor het hof vaststelde dat de vertegenwoordigers van de werkgever zich naar de wijsheid gedroegen op een vordering die niet was gesteld door mevrouw A.-M. A. (Blad 4 en 5 van het arrest).

Hierna aanvaardde het arbeidshof de nieuwe vraag in betaling van schadevergoeding als ontvankelijk en niet verjaard, maar het volgde het standpunt van de werkgever dat ze geen principieel recht had op een schadevergoeding, waardoor deze vordering werd afgewezen als ongegrond.

Het hof overwoog hierbij onder meer dat de opzeggingsvergoeding forfaitair alle schade tengevolge van het ontslag dekte en ten overvloede dat mevrouw A.-M. A. weliswaar aanspraak kon maken op een aanvullende vergoeding brugpensioen, maar dat zij dit evenzeer kon weigeren door zich beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt en dat dit laatste een eigen keuze van haarzelf was waardoor zij niet meer in aanmerking kon komen voor het brugpensioen.

8. De arbeidsovereenkomst van mevrouw A.-M. A. bij de VZW FTS liep tot 30 september 2007; vanaf 7 oktober 2007 maakte ze aanspraak op werkloosheids-uitkeringen.

Bij aangetekende brief van 28 februari 2008 vroeg mevrouw A.-M. A. aan het ABVV Brussel betaling van een aanvullende vergoeding brugpensioen, gelet op haar nieuwe situatie van werkloosheid.

In een antwoordschrijven van 12 maart 2008 repliceerde het ABVV Brussel dat zij geen schuldenaar kon zijn van deze vergoeding, omdat deze verschuldigd was door de laatste werkgever (en niet door de voorlaatste werkgever) en omdat haar eerdere eis tot het bekomen van deze vergoeding door de arbeidsrechtbank te Brussel ongegrond werd verklaard en dit vonnis door het arbeidshof niet werd hervormd, aangezien zij geen incidenteel beroep had ingesteld maar wel een onderscheiden eis had geformuleerd die onontvankelijk en ongegrond werd verklaard.

9. Aangezien partijen aldus niet tot overeenstemming kwamen, legde mevrouw A.-M. A. op 18 juni 2008 een tegensprekelijk verzoekschrift neer bij de arbeidsrechtbank te Brussel, waarbij zij veroordeling vroeg van de heren Van Cauwenberghe en Van Muylder, in hun hoedanigheid van lid van het uitvoerend bureau van het gewestelijk bureau van het ABVV Brussel in betaling van
euro 31.050,12, zijnde de maandelijkse aanvullende brugpensioenvergoeding ten bedrage van euro 2.587,51 van 1 oktober 2007 tot 1 oktober 2008, deze laatste datum zijnde de aanvang van het pensioen van mevrouw A.-M. A.; tevens vroeg zij de veroordeling tot de wettelijke intresten op het verschuldigd bedrag sinds 1 maart 2007 als gemiddelde datum en tot de kosten van het geding.

10. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 23 november 2009 werd deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard met veroordeling van mevrouw A.-M. A. tot de gerechtskosten.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 26 januari 2010, tekende mevrouw A.-M. A. hoger beroep aan en hernam zij haar oorspronkelijke vordering.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

 

De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering

2. Geïntimeerden verwijzen naar het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 9 mei 2006 en naar het arrest van het arbeidshof Brussel van 16 mei 2007 en zij roepen het gezag van gewijsde in van deze rechterlijke beslissingen.

Artikel 27 Ger. W. bepaalt dat de exceptie van gewijsde in elke stand van het geding kan worden voorgedragen voor de feitenrechter voor wie de vordering is ingesteld.

Op grond van artikel 24 Ger. W. heeft iedere eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf de uitspraak.

Het gezag van rechterlijk gewijsde verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld. ( art. 25 Ger. W.) Men noemt dit ook het negatief gevolg van het gezag van gewijsde. (Van Drooghenbroeck J en Ballot F.; L'effet positif de la chose jugée, JT 2009, 298, nr. 4; Bedoret, C., L'autorité de chose décidée en droit de la sécurité sociale ou quand la montagne accouche d'une souris... TSR 2010, afl. 1, 118, nr. 8)

Het opnieuw instellen van de vordering leidt tot onontvankelijkheid. (Bedoret, zelfde aanhaling).

Het gezag van rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot wat het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is (art. 23 Ger.W.).

Het gezag van het rechterlijk gewijsde is echter beperkt tot wat de rechter heeft beslist over een punt dat in betwisting was en tot wat, tengevolge van het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarvoor de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, al was het impliciet, van die beslissing uitmaakte. (Cass. 24 december 1981, A.C. 1981-82, nr. 272, 569; Cass. 27 februari 1995, JTT 1995, 435; Cass. 29 januari 2007 Pas. 2007, afl. 2, 195; Cass. 4 december 2008, JT 2009, afl. 6351, 303 met noot Van Drooghenbroeck J en Ballot F.)

3. Mevrouw A.-M. A. richtte huidige vordering tegen dezelfde partijen als deze die in het geding waren in de procedure die geleid heeft tot het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 9 mei 2006 en tot het arrest van het arbeidshof Brussel van 16 mei 2007.

Zij houdt nochtans voor dat het voorwerp en de oorzaak niet identiek zijn, omdat ze thans de vergoedingen brugpensioen vraagt, terwijl ze in haar voorgaande procedure een schadevergoeding vroeg op grond van artikel 1382 BW wegens het verlies van een kans omwille van het niet bekomen van brugpensioen.

Zij gaat er aldus aan voorbij dat deze vordering in schadevergoeding een nieuwe vordering was bij toepassing van artikel 807 Ger. W., zoals uitdrukkelijk vastgesteld werd in het arrest van het arbeidshof Brussel van 16 mei 2007 (6de blad).

In haar inleidende dagvaarding van 6 februari 2003 had mevrouw A.-M. A. wel degelijk de aanvullende vergoeding brugpensioen ten bedrage van euro 1 provisioneel gevorderd en hierover werd door de arbeidsrechtbank te Brussel beslist in het vonnis van 9 mei 2006 zeggende dat het enkele feit van het ontslag om dringende reden aan mevrouw A.-M. A. nog geen recht gaf op een aanvullende vergoeding brugpensioen op zich, en dit ongeacht de beoordeling van de arbeidsrechtbank dat dit ontslag onregelmatig was waardoor zij recht had op een opzeggingsvergoeding. (blad 4, 2.2., a).

Dit vonnis werd betekend op 21 juni 2006 en mevrouw A.-M. A. tekende op dit punt geen incidenteel beroep aan. Het heeft wat betreft dit onderdeel, waarover definitief werd beslist, aldus gezag (en zelfs kracht) van gewijsde.

Het arbeidshof Brussel stelde in zijn arrest van 16 mei 2007 overigens vast dat zij aldus niet gevat was door de vraag van mevrouw A.-M. A. tot de erkenning van haar recht op een aanvullende vergoeding brugpensioen, zodat de vertegenwoordigers van de werkgever zich op dit punt naar de wijsheid gedroegen betreffende een vraag die door mevrouw A.-M. A. in graad van hoger beroep niet werd gesteld (blad 4 en 5 van het arrest).

Wat betreft de definitieve beslissing over de aanvankelijke vordering betreffende de aanvullende vergoeding brugpensioen heeft het vonnis van 9 mei 2006 dus alleszins gezag (en zelfs kracht) van gewijsde.

Huidige vordering van mevrouw A.-M. A. is immers gericht tegen dezelfde personen en heeft hetzelfde voorwerp en dezelfde oorzaak als haar eerdere vordering, waarover definitief werd beslist in het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 9 mei 2006.

Zodoende kan deze vordering omwille van artikel 25 Ger. W. niet opnieuw worden ingesteld en is deze onontvankelijk.

De exceptie van gewijsde is gegrond.

4.Ten overvloede kan vastgesteld worden dat het ontbreken van incidenteel beroep tegen het afwijzen door de arbeidsrechtbank van de aanvankelijke vraag tot toekenning van een aanvullende vergoeding, ook niet zo onlogisch was, daar de nieuwe vordering van mevrouw A.-M. A. betrekking had op een schadevergoeding bij equivalent, en dit voor de periodes van 1 mei 2004 tot 1 mei 2006 en vervolgens van 1 mei 2006 tot 1 oktober 2008. Ze begrootte deze schadevergoedingen door het verschil te maken tussen haar loon of haar te verwachten loon en het brugpensioen.

Door deze vordering bij equivalent aanvaardde ze dat een herstel in natura onmogelijk was en dat ze geen aanspraak kon maken op brugpensioen.

Het verlies van het recht op deze aanvullende vergoeding werd in het arrest van het arbeidshof Brussel van 16 mei 2007 overigens toegeschreven aan de eigen beslissing van mevrouw A.-M. A. om bij een nieuwe werkgever in dienst te treden.

Terecht wijzen geïntimeerden er op dat ze daardoor evenmin de laatste werkgever zijn; anders dan in de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van het arbeidshof Antwerpen van 12 april 2002, was er ook geen tijdelijke onderbreking van enig brugpensioen op grond van de tewerkstelling bij ABVV Brussel.

Voor zover huidige vordering van mevrouw A.-M. A. al ontvankelijk zou zijn, dan kan ze alleszins niet gegrond worden verklaard.

5. Mevrouw A.-M. A. vraagt dat de rechtsplegingsvergoedingen van beide aanleggen zouden worden herleid tot het minimumbedrag, gelet op haar beperkte financiële draagkracht, wegens haar pensionering sinds 1 oktober 2008.
Op deze vraag kan worden ingegaan en enkel wat dit onderdeel betreft is het hoger beroep gegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, en gedeeltelijk gegrond,
verklaart de exceptie van het gezag van het rechterlijk gewijsde gegrond en
hervormt het bestreden vonnis in de zin dat de oorspronkelijke vordering wordt afgewezen omdat ze onontvankelijk is, alleszins ongegrond,
en veroordeelt mevrouw A.-M. A. tot betaling van de gerechtskosten eerste aanleg, deze aan de zijde van de aanvankelijke verweerders begroot op rechtsplegingsvergoeding basisbedrag euro 2.000, doch herleid en vereffend tot het minimumbedrag, zijnde euro 1.000.

Veroordeelt mevrouw A.-M. A. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van geïntimeerden begroot op rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 4.000 en door het hof herleid tot het minimumbedrag rechtsplegingsvergoeding
euro 1.000.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel


• Cass. 16/04/2015, juridat

Samenvatting

Het gezag van gewijsde is beperkt tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot wat, gelet op het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, zij het impliciet, van zijn beslissing vormt.

Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een rechtsvordering waarover definitief is beslist, niet dezelfde zijn als die van een latere rechtsvordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat die identiteit niet kan bestaan t.a.v. enige aanspraak of betwisting van een partij in de ene of de andere aanleg, noch dat de rechter, derhalve, een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het vroegere gewijsde (1). (1) Zie Cass. 14 december 2007, AR S.08.0145.N, AC 2009, nr. 742, met concl. van advocaat-generaal MORTIER.

Tekst arrest

Nr. C.13.0338.F
1. P. M. en
2. G. D.,
Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
AXA BELGIUM nv,
Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 23 juni 2011, 19 januari 2012 en 23 februari 2012.

II. CASSATIEMIDDEL
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

De door het openbaar ministerie, overeenkomstig artikel 1097 Gerechtelijk Wetboek, tegen het cassatieberoep ambtshalve opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep, in zoverre het gericht is tegen het arrest van 23 februari 2012, voert geen enkel middel aan.

Het enige middel dat de eisers aanvoeren tot staving van het cassatieberoep, oefent enkel kritiek uit op de arresten van 23 juni 2011 en 19 januari 2012.

De vernietiging van die arresten zou wellicht leiden tot de nietigverklaring van het arrest van 23 februari 2012, dat er het gevolg van is, maar de overwegingen be-treffende de uitwerking van een vernietiging op de omvang daarvan vormen geen middel.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.
Overige punten van het cassatieberoep
Middel

Eerste onderdeel

Het onderdeel preciseert niet in hoeverre de bestreden arresten van 23 juni 2011 en 19 januari 2012 aan het derdenverzet van de eisers een draagwijdte zouden toekennen die het niet naar recht kon hebben.

Het onderdeel, in zoverre het de schending aanvoert van de artikelen 21, tweede lid, en 1122 Gerechtelijk Wetboek, is niet ontvankelijk.

Voor het overige strekt het gezag van gewijsde zich uit tot hetgeen de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot hetgeen, gelet op het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, zij het impliciet, de noodzakelijke grondslag van zijn beslissing vormt.

Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een rechtsvordering waarover de-finitief is beslist, niet dezelfde zijn als die van een latere rechtsvordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat die identiteit niet kan bestaan ten aanzien van enige aanspraak of betwisting van een partij in de ene of de andere aanleg, noch dat de rechter, derhalve, een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het vroegere gewijsde.

Het hof van beroep, dat in hoger beroep kennisneemt van een derdenverzet van de eisers tegen een beschikking van de beslagrechter, die een notaris heeft aangewezen om over te gaan tot de verkoping van het in beslag genomen pand, dat zij be-woonden te W., rue .., en dat toebehoorde aan de ouders van de eiseres, de echt-genoten D.-D., beslist in zijn arrest van 23 december 1999 om die beschikking in te trekken bij gebrek aan een geldige uitvoerbare titel om op dat pand beslag te leggen, op grond dat, in tegenstelling tot wat de eisers voor dat hof aanvoerden, de lening die het voorwerp uitmaakte van de notariële akte van 29 juli 1992 was aangegaan door zowel de vennootschap La Finance, waarvan zij de bestuurders waren, als door henzelf, dat die akte, voor de verweerster, een regelmatige uitvoerbare titel was wat betreft haar schuldvordering op de aldus geïdentificeerde kredietnemers maar dat diezelfde akte, binnen de perken van de daarin bepaalde hypothecaire bestemming, daarentegen nietig was omdat zij de grenzen te buiten ging van de lastgeving die aan de eisers was gegeven en luidens welke de echtgenoten D.-D. instemden met het feit dat hun pand zou worden gebruikt als waarborg voor een lening die in hun eigen naam was aangegaan en niet voor een lening die in naam van de vennootschap La Finance en van de eisers was aangegaan.

Het arrest van 23 december 1999, dat beslist dat de eisers zich bij akte van 29 juli 1992 hebben verbonden als kredietnemers, samen met hun vennootschap La Finance, heeft, in tegenstelling tot wat het middel aanvoert, uitspraak gedaan over het geschilpunt tussen de partijen.

Het bestreden arrest van 23 juni 2011, dat overweegt dat de reden van het arrest van 23 december 1999 betreffende de hoedanigheid van de eisers van kredietnemer verre van "overtollig" is maar tot doel had het geschil over de geldigheid van de notariële akte van 29 juli 1992 te beslechten met betrekking tot de vraag of de verweerster over een schuldvordering op grond van een lening beschikte, en dat vaststelt, zonder hieromtrent te worden bekritiseerd, dat de punten van de oorspronkelijke vordering van de eisers, die zijn weergegeven onder de punten 1 tot 8 in het dispositief van hun appelconclusie, zonder uitzondering betrekking hebben op de akte van 29 juli 1992 en nogmaals ertoe strekken de eisers te bevrijden van elke sommenverbintenis ten aanzien van de verweerster die daaruit zou kunnen voortvloeien, miskent het gezag van gewijsde van het arrest van 23 december 1999 niet wanneer het de punten 1 tot 8 van de oorspronkelijke vordering van de eisers onontvankelijk verklaart.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest van 19 januari 2012 evenmin de artikelen 23 tot 27 Gerechtelijk Wetboek heeft kunnen miskennen, in zoverre het de vorderingen van de eisers tot schadevergoeding verwerpt door te steunen op het gezag van gewijsde van het arrest van 23 december 1999 met betrekking tot het bestaan van een schuldvordering op grond van een lening, zoals dat voortvloeide uit de notariele akte van 29 juli 1992.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

In tegenstelling tot wat het onderdeel veronderstelt, steunt het bestreden arrest van 19 januari 2012 niet op het gezag van gewijsde van het vonnis van 9 september 2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel maar beslist het, op eigen gronden, dat uit geen enkel gegeven van het dossier kan worden opgemaakt dat de verweerster een fout zou hebben begaan door met de echtgenoten D.-D. samen te spannen, terwijl laatstgenoemden door het voormelde vonnis van 9 september 2003 van elke fout waren vrijgesproken.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel in openbare terechtzitting van 16 april 2015
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 25/06/2014 - 16:29
Laatst aangepast op: do, 11/05/2017 - 12:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.