-A +A

benadeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Rechtsleer: R. Van Ransbeeck, Wilsgebreken, Die Keure 2006

Benadeling is aanwezig wanneer er, bij een contract onder bezwarende titel, een aanzienlijke onevenredigheid bestaat tussen de wederzijdse prestaties.

Benadeling is geen wilsgebrek in de strikte zin van het woord. Benadeling leidt niet automatisch tot de vernietiging van het contract. Het feit dat er een onevenwicht bestaat tussen de prestaties van de contractspartijen resulteert niet automatisch in de nietigheid van de overeenkomst. Enkel in een specifiek aantal gevallen zal de benadeling en een grondslag tot de vernietiging uitmaken.

benadeling bij de verkoop van onroerend goed:

Artikel 1674 B.W. : "Indien de verkoper in de verkoopprijs van een onroerend goed voor meer dan zeven twaalfden is benadeeld, heeft hij het recht om de vernietiging van de koop te eisen, ook al had hij bij het contract uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht om die vernietiging te vorderen en had hij verklaard de meerdere waarde te schenken".

Voorwaarden:

- werkelijke verkoop (dus geen ruil, aanneming, inbreng...)
- onroerend goed of onroerend zakelijk recht
- de vordering bestaat slechts ten voordele van de verkoper (derhalve kan een koper die een onroerend goed duurder verkocht heeft dan de normale prijs zich hierover nooit in de rechter beklagen behoudens ingeval van de kwalificerende benadeling)
-De benadeling moet meer bedragen dan zeven twaalfden van de waarde van het onroerend goed. Voorbeeld : iemand verkoopt voor minder dan vijfhonderd duizend euro een woning die 1miljoen 200.000 euro of meer waard is.
 

Uitzonderingen ( kunnen niet wegens benadeling worden aangevochten):

- gedwongen gerechtelijke verkopen of verkopen onder verlicht gerechtelijk gezag
- onteigening om reden van openbaar nut. Echter bij vrijwillige verkoop aan de overheid van een onroerend goed waarvan de onteigening te algemenen nutte werd afgekondigd, blijven de rechtsgevolgen van deze verkoop deze van het gemeen recht; ook vernietiging wegens benadeling is dan mogelijk (Cass., 17 oktober 1969, Pas., 1970, I, 153).
- aleatoire verkopingen (lijfrente)


benadeling bij de verdeling

 artikel 887 in artikel 1079 Burgerlijk Wetboek

benadeling ingeval van leeuwenbeding

zie ook artikel 32 Wetboek van vennootschappen

•benadeling bij overeenkomsten aangegaan door minderjarigen

ten aanzien van de minderjarigen, wordt de benadeling als een algemeen wilsgebrek erkend conform artikel 1305 Burgerlijk Wetboek

benadeling bij alle wederkerige contracten: de gekwalificeerde benadeling

Wanneer er in een wederkerig contract dat ten bezwarende titel werd gesloten een aanzienlijk onevenwicht bestaat ten gevolge van misbruik door de bevoordeelde partij van omstandigheden van nood, zwakte op de hartstochten van de wederpartij of als gevolg van misbruik van eigen machtspositie is er sprake van gekwalificeerde benadeling.

De gekwalificeerde benadeling wordt benaderd vanuit de theorie van de ongeoorloofde oorzaak, dan wel gesanctioneerd middels artiek 1382 via de culpa in contrahendo.

Om tot een gekwalificeerde benadeling te kunnen besluiten, dienen drie voorwaarden cumulatief vervuld te zijn. V
1. een duidelijke en gewichtige wanverhouding te bestaan tussen de wederzijds bedongen prestaties.
2. de vooormelde wanverhouding of benadeling dient haar oorsprong te vinden in het kennelijk misbruik dat de ene partij maakt van de concrete omstandigheden waarin de benadeelde partij zich bevond.
3. het contract zou zonder het misbruik ofwel niet, ofwel tegen minder ongunstige voorwaarden gesloten zijn.

Nog dit: 

Bij de beoordeling van de benadeling stelt zich de vraag hoe er dient gehandeld indien er wel degelijk sprake is van een benadeling die kleiner is dan 7/12.

Hieraan komt het begrip "gekwalificeerde benadeling" tegemoet. Dit beginsel ontwikkeld uit rechtspraak en rechtsleer is niet gesteund op 1674 B.W. maar op ondermeer de culpa in contrahendo (art. 1382 B.W.),  de ongeoorloofde oorzaak en de goede trouw die vereist wordt bij het aangaan van verbintenissen.

De vordering op grond van de gekwalificeerde beoogt, afhankelijk van de weerhouden rechtsgrond, de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de koop, samen met vordering tot schadevergoeding.

Om tot een gekwalificeerde benadeling te kunnen besluiten, dienen drie voorwaarden cumulatief vervuld te zijn.

1. een duidelijke en gewichtige wanverhouding tussen de wederzijds bedongen prestaties.

2. de vooormelde wanverhouding of benadeling dient haar oorsprong te vinden in het kennelijk misbruik dat de ene partij maakt van de concrete omstandigheden waarin de benadeelde partij zich bevond (een inferieure positie bevindt ten opzichte van de andere, dan wel misbruik van onoplettendheid en de nalatigheid van een contractspartij).

3. het contract zou zonder het misbruik ofwel niet, ofwel tegen minder ongunstige voorwaarden gesloten zijn.

Benadeling is aanwezig wanneer er, bij een contract onder bezwarende titel, een aanzienlijke onevenredigheid bestaat tussen de wederzijdse prestaties.

Benadeling is er geen wilsgebrek in de strikte zin van het woord. Benadeling leidt niet automatisch tot de vernietiging van het contract. Het feit dat er een onevenwicht bestaat tussen de prestaties van de contractspartijen resulteert niet automatisch in de nietigheid van de overeenkomst. Enkel in een specifiek aantal gevallen zal de benadeling en een grondslag tot de vernietiging uitmaken.
 

Rechtspraak:

Hof van Beroep te Brussel op 19 november 2013:

A.R. nr. 2011/AR/775

INZAKE VAN :
De heer T. R.,
appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 3 maart 2011,

TEGEN :

Mevrouw C. V., wonende te

OVERNAME VAN ONVERDEELDE GERECHTIGHEDEN IN EEN ONROEREND GOED - DADING - ONDERSCHEID TUSSEN BENADELING EN GEKWALIFICEERDE BENADELING

Naast de gewone of gemeenrechtelijke gevallen van benadeling heben de rechtspraak en de rechtsleer de leer van de gekwalificeerde benadeling uitgewerkt. Gekwalificeerde benadeling is de benadeling die bestaat uit een manifeste wanverhouding/het aanzienlijk onevenwicht tussen de wederzijds bedongen prestaties die het gevolg is van het misbruik door de ene partij van de zwakke positie van de andere. Deze algemene nietigheidsgrond kan bovendien worden ingeroepen ongeacht de kwalificatie als dading.

De sanctie bij de leer van de gekwalificeerde benadeling bestaat in het herstel van schade dewelke desgevallend kan bestaan in de gehele of partiële nietigheid van het contract eventueel gepaard met een bijkomende schadevergoeding.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 3 maart 2011, beslissing die betekend werd op 6 april 2011;
• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 29 maart 2011;
• de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 13 september 2011;
• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 31 oktober 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. Huidige geïntimeerde vorderde dat appellant zou veroordeeld worden om binnen de 15 dagen na betekening van het tussen te komen vonnis te verschijnen voor notaris X. teneinde over te gaan tot het verlijden van de notariële akte m.b.t. de onderhandse overeenkomst afgesloten op 1 december 2009 houdende overdracht van diens onverdeeld aandeel in de woning en grond gelegen te Y., B.-straat 169, op straffe van een dwangsom van 1000 euro per dag vertraging.

Verder verzocht geïntimeerde om een notaris aan te stellen om de niet verschijnende of weigerende partij te vertegenwoordigen en in hun plaats de akten en processen - verbalen te tekenen.

Zij vorderde tenslotte de betaling van een provisionele schadevergoeding van 5.000 euro wegens het niet naleven van de tussen partijen afgesloten overeenkomst.

1.2. Huidige appellant verzocht hierop bij wijze van tegenvordering:

In hoofdorde:

- voormelde onderhandse overeenkomst van 1 december 2009 nietig te verklaren;
- de gerechtelijke aanstelling van een notaris om uit de onverdeeldheid te treden;
- te zeggen voor recht dat voormelde woning aan beiden toebehoort en dat de verkoopprijs in twee gelijke delen dient verdeeld te worden;
- geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van een openstaande factuur van 11.882,20 euro;
- geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding met inbegrip van de RPV;

En in ondergeschikte orde:

- een andere notaris te horen aanstellen dan notaris X.;
- al de kosten van de overname ten laste te leggen van geïntimeerde.

1.3. De eerste rechter deed uitspraak als volgt:

- de vordering van geïntimeerde werd ontvankelijk en gegrond verklaard in de hierna volgende mate;
- appellant werd veroordeeld om binnen de vijftien dagen na de betekening van het bestreden vonnis voor notaris Marc X. met kantoor ..... te verschijnen teneinde over te gaan tot het verlijden van de notariële akte in uitvoering van de onderhandse overeenkomst van 1 december 2009 met betrekking tot de overdracht van zijn aandeel in de woning met grond, gelegen in 3293 Y., B.-straat 169;
- gezegd werd voor recht dat bij gebrek aan vrijwillige medewerking van appellant om voornoemde notariële akte te verlijden binnen de gestelde termijn, het bestreden vonnis als authentieke akte van voornoemde overdracht zou gelden;
- gezegd werd voor recht dat de bevoegde hypotheekbewaarder gehouden zou zijn om dit vonnis over te schrijven in het daartoe bestemde register op zicht van de uitgifte van het vonnis, van de betekening ervan aan appellant en van de schriftelijke verklaring van notaris M. X. dat binnen de vijftien dagen na de betekening van gezegd vonnis geen notariële akte werd verleden in uitvoering van de onderhandse overeenkomst van 1 december 2009;
- de vordering van geïntimeerde werd voor het overige afgewezen (= aanstelling van een tweede notaris + betaling van een schadevergoeding);
- de tegeneis van appellant werd ontvankelijk doch integraal afgewezen;
- appellant werd veroordeeld tot de gerechtskosten, meer bepaald tot de kosten van dagvaarding en rolstelling - niet vereffend bij gebreke aan omstandige opgave - en een rechtsplegingsvergoeding ad 1.200 euro t.v.v. geïntimeerde;
- het bestreden vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

1.4. In hoger beroep verzoekt appellant de hoofdvordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en herneemt hij zijn oorspronkelijke tegenvordering.

1.5. Geïntimeerde vordert bij wijze van incidenteel beroep de betaling vanwege appellant van een schadevergoeding van 1082,79 euro wegens het niet naleven van de tussen partijen afgesloten overeenkomst.

Voor het overige verzoekt zij het bestreden vonnis te willen bevestigen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat partijen een samenlevingsovereenkomst afsloten bij notariële akte verleden op 13 april 2007.

Zij kochten samen een bouwperceel gelegen te Y., B.-straat, thans nr. 169, en richtten hierop een woning die elk van beide samenwonenden aanwendden voor hun respectieve beroepsdoeleinden. Zij woonden daar samen vanaf 21 december 2008.

2.3. Op 1 december 2009 - na het beëindigen van hun samenwonen - sloten beide partijen een onderhandse overeenkomst van overname van het voormelde onverdeeld onroerend goed door geïntimeerde.

Deze overeenkomst luidt als volgt:

"Het onroerend goed gelegen te (...) zal door Mevrouw C. V. overgenomen worden.
Aldus verklaart de heer R., voornoemd, al zijn onverdeelde rechten af te staan zonder opleg, mits volledige desolidarisering van al zijn verplichtingen ten aanzien van de hypothecaire schuldeisers, en volledige afstand van verhaal ten aanzien van hem voor eventuele aanspraken van de hypothecaire schuldeisers.
Alle kosten met betrekking tot de overname vallen ten laste van C. V..
Dit alles wordt aanvaard door Mevrouw C. V. onder voorwaarde van het akkoord van de hypothecaire schuldeisers de bestaande leningen over te nemen.
De heer R., voornoemd, erkent dat de ouders van mevrouw V. een bedrag van vijfentwintigduizend euro hebben geïnvesteerd in het onroerend goed en dat hiervoor een regeling dient getroffen te worden."

2.4. Het verlijden van de notariële akte van overname bij notaris Marc X. ... was oorspronkelijk voorzien op woensdag 13 januari 2010, om 17u45 en werd nadien verplaatst op donderdag 21 januari 2010 te 11uur, dit laatste op basis van een aangepast ontwerp van 19 januari 2010.

Appellant stelt dat geïntimeerde niet alle verplichtingen voorzien in voormelde onderhandse overname overeenkomst nakwam reden waarom hij de notariële akte niet wilde ondertekenen.

2.5. Appellant beweert verder dat er nog een openstaande factuur nr. 1262 van 12 november 2009 voorhanden is voor een bedrag van 11.882,20 euro lastens geïntimeerde.

Bij aangetekend schrijven van 4 januari 2000 heeft geïntimeerde deze factuur geprotesteerd om reden dat tussen partijen geen voorafgaande overeenkomst was afgesloten m.b.t. die factuur. Deze factuur werd overigens door toedoen van appellant overgemaakt aan geïntimeerde hangende de huidige procedure.

In voornoemd schrijven onderlijnt geïntimeerde dat zij "enkel deze factuur heeft ontvangen via mail dd. 2 januari 2010 en nooit eerder, ook niet op de datum waarop ze is uitgeschreven en verder nog dat "er achteraf zeker geen betalingsbeloftes gedaan zijn en er nooit werd gesproken over enige betaling van prestaties" om tenslotte te poneren dat appellant " nooit een betaling heeft gevraagd voor welke pretstatie dan ook".

III. Bespreking.

3.1. Alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, strekken degenen die ze hebben aangegaan, tot wet (artikel 1134, eerste lid B.W.).

Zij moeten bovendien ter goeder trouw ten uitvoer worden gebracht (artikel 1134, tweede lid B.W.). Een beding dat afwijkt van een wetsbepaling die de openbare orde aanbelangt, strekt niet tot wet. Overigens bepaalt artikel 6 BW: "Aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen, kan door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan."

3.2. Volgens appellant is de onderhandse overname - overeenkomst van 2 december 1999 nietig en dient deze derhalve gerechtelijk nietig te worden verklaard.

Hij beroept zich desbetreffend op het wilsgebrek van de dwaling, op artikel 1674 B.W. inzake de benadeling van de verkoper bij verkoop, op de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en op de wetgeving inzake de bodemsanering.

3.3. De eerste rechter heeft terecht het middel van appellant inzake het wilsgebrek van de dwaling niet aanvaard omdat (1) hij zich had moeten laten informeren over diens rechten en plichten, (2) hij niet het voldoende bewijs levert van het feit dat hij onder een rechtens niet aanvaardbare druk werd gesteld bij het sluiten van de onderhandse overname - overeenkomst en (3) ten slotte de overige argumentatie van T. R. louter de uitvoering van de overeenkomst betrof maar niet het sluiten van de overeenkomst zelf.

Appellant brengt thans desbetreffend geen nieuwe elementen naar voren op grond waarvan de beslissing van de eerste rechter zou dienen herzien te worden.

3.4. Artikel 1118 B.W. schrijft voor: "Benadeling maakt overeenkomsten slechts nietig wat betreft bepaalde contracten of bepaalde personen, zoals in dezelfde afdeling zal worden vastgesteld."

De benadeling in de zin van dit artikel is geen op alle overeenkomsten toepasselijk wilsgebrek, maar uitsluitend van toepassing op enkele bepaalde overeenkomsten geviseerd door een wettekst.

Hierbij wordt opgemerkt dat in deze geen van de partijen zich beroept op de artikelen 887 à 892 B.W. inzake de vernietigbaarheid wegens benadeling van de verdeling of de daarmee gelijkstaande handeling (artikel 888, tweede lid, eerste zinsnede B.W.). De partijen verwijzen louter en alleen naar de bepalingen inzake de benadeling bij verkoop (artikel 1674 B.W.).

De eerste rechter oordeelde terecht dat de benadeling (bij verkoop) in de zin van artikel 1674 B.W. geen grond van nietigheid van de betwiste onderhandse overname - overeenkomst vormt.

Appellant beroept zich op artikel 1674 B.W. omdat geïntimeerde zijn aandeel in de woning zou overnemen zonder enige vergoeding.

Deze stelling gaat echter niet op omdat de tegenprestatie van de overneemster (= geïntimeerde) bestaat in het aandeel van appellant in de openstaande hypothecaire schuld die geïntimeerde zou overnemen en in het ten laste nemen van alle hieraan verbonden kosten.

De bewijslast van de benadeling rust op de verkoper/overlater (= appellant) die trouwens bij het sluiten van de onderhandse overnameovereenkomst het onroerend goed niet eens liet schatten, alhoewel dit tot zijn mogelijkheden behoorde. Indien appellant het niet eens was met de schatting uitgevoerd door de instrumenterende notaris behoorde het aan hem de nodige stappen te ondernemen om een tegenexpertise te bekomen.

Appellant bewijst derhalve niet dat alle toepassingsvoorwaarden van artikel 1674 B.W. inzake de benadeling van de verkoper vervuld zijn omdat hij geen rekening houdt/wil houden met de wijze van financiering van de prijs van overname van het onroerend goed door geïntimeerde en zijn desolidarisatie - die vaststaat en voldoende bewezen wordt door de stukken uit het dossier - in verband met de oorspronkelijke gemeenschappelijke schuld van hen beiden bij de aankoop ervan.

3.5. Appellant beroept zich verder op de gekwalificeerde benadeling.

Het is inderdaad zo dat naast de voormelde (gewone of gemeenrechtelijke) benadeling voorzien in art. 1118 B.W. de rechtspraak en de rechtsleer de leer van de gekwalificeerde benadeling hebben uitgewerkt.

Gekwalificeerde benadeling is de benadeling die bestaat uit een manifeste wanverhouding/het aanzienlijk onevenwicht tussen de wederzijds bedongen prestaties die het gevolg is van het misbruik door de ene partij van de zwakke positie van de andere.

Deze algemene nietigheidsgrond kan bovendien worden ingeroepen ongeacht de kwalificatie als dading.

De sanctie bij de leer van de gekwalificeerde benadeling bestaat in het herstel van schade dewelke desgevallend kan bestaan in de gehele of partiële nietigheid van het contract eventueel gepaard met een bijkomende schadevergoeding.

Appellant die de bewijslast heeft (art. 1315 B.W. versus artikel 870 Ger. W.) blijft echter in gebreke de vervulling van de toepassingsvoorwaarden van gekwalificeerde benadeling te bewijzen, meer bepaald de manifeste wanverhouding tussen de wederkerige verbintenissen van de partijen, in acht genomen de geschatte waarde van de financiële tegenprestaties vanwege geïntimeerde.

3.6. Wat het ontbrekende bodemattest betreft is het de persoon die het voornemen heeft een grond over te dragen die - vóór het sluiten van de overeenkomst van overdracht - bij OVAM een bodemattest moet aanvragen en de inhoud ervan mededelen aan de verwerver.

De onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, moet de inhoud van het bodemattest bevatten.

Uit de wetgeving op de bodemsanering volgt dat de mogelijkheid van gerechtelijke nietigverklaring van de overeenkomst op verzoek van de verwerver of van OVAM (en dus niet van de verkoper of overlater) bedoeld is ter bescherming van de private belangen van de overnemer.

De hier bedoelde nietigheid betreft - in deze context en optiek - een relatieve nietigheid.

Aangenomen wordt dat de voorschriften van de bodemsanering niet van toepassing zijn bij een verdeling met een declaratief karakter (eigendomsaanwijzend). Ze zijn wel van toepassing bij elke translatieve of eigendomsoverdragende rechtshandeling onder de levenden.

Bijgevolg oordeelde de eerste rechter terecht dat in geval van toepassing van de wetgeving inzake bodemsanering het enkel de koper/overnemer van het goed is die de nietigheid van de overdracht wegens het ontbreken van een attest van OVAM kan inroepen. Voornoemde bepalingen zijn - zonder dat enige interpretatie noodzakelijk is - enkel bedoeld ter bescherming van de private belangen van de overnemer.

De middelen en argumenten van appellant in de andere zin wegen niet op tegen de duidelijke bewoordingen van de terzake geldende wetsbepalingen.

De middelen terzake van appellant zijn dus ongegrond, omdat hij in deze optreedt als verkoper/overlater en niet als koper/overnemer.

3.7. Hetzelfde geldt voor wat het niet vermelden betreft van de stedenbouwkundige bestemming in de onderhandse overeenkomst.

Het Vlaamse decreet houdende de organisatie van de Ruimtelijke ordening de dato 18 mei 1999 is verschenen in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 1999, en trad in werking op 1 mei 2000. Het is dus dit decreet dat van toepassing is op de voormelde - nadien gesloten - onderhandse overnameovereenkomst van 1 december 2009.

Uit artikel 5.2.5. van voormeld decreet blijkt duidelijk dat de verplichting waarvan appellant gewag maakt enkel geldt ingeval van een onderhandse akte van verkoop of van verhuring van een onroerend goed voor meer dan negen jaar of bij vestiging van erfpacht of opstal.

Geen van de wettelijk voorziene hypotheses is in deze aanwezig gezien appellant mede - eigenaar was van een onroerend goed en dus kennis had - minstens moest hebben - van de stedenbouwkundige bestemming van zijn eigen goed.

Voornoemde bepaling is bovendien ingegeven om de kopers te beschermen, hoedanigheid die appellant niet bezit als overdrager van zijn onverdeelde rechten.

3.8. Uit hetgeen hier voorafgaat, blijkt dat de onderhandse overeenkomst van 1 december 2009 door geen enkel vormgebrek was aangetast en er dus geen rechtsgeldige reden voorhanden is/was om de notariële versie ervan niet te verlijden.

Het argument als zou appellant geen kennis hebben gehad van het definitief ontwerp van de te verlijden akte en het derhalve geen zin had om te verschijnen voor de instrumenterende notaris gaat evenmin op. Uit het e - mailverkeer gevoerd tussen appellant en de instrumenterende notaris blijkt afdoend dat alle vragen beantwoord werden en appellant afdoend op de hoogte werd gebracht van de inhoud van de te verlijden akte op 13 januari 2010. Het ontwerp van die akte werd bij schrijven van 6 mei 2011 opnieuw overgemaakt aan de raadsman van appellant met het oog op het verlijden ervan op 16 mei 2011 waarop niet eens gereageerd werd .

In het licht hiervan komt de tegenvordering van appellant waarin hij vraagt uit de onverdeeldheid te treden en te zeggen voor recht dat beide partijen voor een gelijk deel eigenaar zijn van de woning in kwestie als volkomen ongegrond voor.

3.9. Wat de openstaande factuur nr. 1262 betreft (= laatste deel van de tegenvordering van appellant) levert appellant - die de bewijslast heeft (art. 1315 B.W. versus art. 870 Ger. W.) - niet voldoende naar recht het tegenbewijs van hetgeen geïntimeerde affirmeert en van hetgeen de eerste rechter terzake beslist heeft.

Deze factuur werd overigens door appellant overgemaakt tijdens de procedure hangende in eerste aanleg op een ogenblik dat tussen partijen een conflict was gerezen over het verlijden van de notariële akte, voorwerp van huidige betwisting.

3.10. Geïntimeerde vordert een schadevergoeding van in totaal 1082,79 euro bestaande uit 500 euro wegens tijdverlies en nodeloze verplaatsingskosten omdat appellant niet kwam opdagen om de notariële akte te verlijden op 16 mei 2011 en 582,79 euro wegens bijkomende kosten ingevolge het niet kunnen aangaan van de eerst voorziene lening (= voorwerp van het incidenteel beroep).

De notariële akte werd uiteindelijk verleden op 7 juli 2011 waarbij de instrumenterende notaris uitvoering heeft gegeven aan het bestreden vonnis dat uitvoerbaar werd verklaard bij voorraad.

De kosten van verplaatsing worden niet afdoend bewezen. De bijkomende kosten m.b.t. de lening worden wel afdoend bewezen.

Derhalve komt aan geïntimeerde een bedrag toe van 582,79 euro ten titel van schadevergoeding.

3.11. Het bestreden vonnis wordt bijgevolg bevestigd met dien verstande dat bijkomend aan geïntimeerde een schadevergoeding wordt toegekend van 582, 79 euro en het bestreden vonnis op dat punt hervormd wordt.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.12. Beide partijen vragen een rechtsplegingsvergoeding ad. 1.320 euro wat het geïndexeerd basisbedrag is voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de overwegend in het gelijk gestelde partij.

 

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

 

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis enkel in zoverre hierin de vordering van geïntimeerde tot het bekomen van schadevergoeding integraal werd afgewezen en bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Opnieuw recht sprekend over dit enig punt veroordeelt appellant tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van 582,79 euro ten titel van schadevergoeding plus de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van huidig arrest.

Veroordeelt appellant in de kosten van hoger beroep, in hun geheel begroot
- in hoofde van hemzelf op euro 1.506 ( 186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en
- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op
19/11/2013"

 

Rechtspraak van het Hof van Cassatie

Cassatie 9 november 2012, C.12.0051.N
R.C.,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
A.B.,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 22 september 2011.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert volgende middel aan

Middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- het algemeen rechtsbeginsel inzake de autonomie der partijen bij het burgerlijk geding, ook nog het beschikkingsbeginsel genoemd, krachtens hetwelk partijen in burgerlijke zaken het recht hebben om zelf de grenzen van het geschil te bepalen en dat onder meer in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek zijn toepassing vindt;
- het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van het recht van verdediging;
- de artikelen 774, tweede lid en 1287 Gerechtelijk Wetboek;
- en voor zoveel als nodig, de artikelen 1118, 2052, tweede lid, 2044 en 2053 Burgerlijk Wetboek.

Bestreden beslissing

De appelrechters oordelen dat de vordering van verweerster tot nietigverklaring van de patrimoniale regelingen vervat in de EOT-akte toelaatbaar is en verwerpen het door eiser aangevoerd verweermiddel dat de EOT-akte in casu een dading betreft en dat dergelijke akte niet kan worden bestreden op grond van rechtsdwaling of benadeling, maar ook niet op grond van bedrog of geweld en dit op grond van de volgende redengeving:
"1.3. Sedert de wet van 30 juni 1994 wordt algemeen aangenomen dat de overeenkomst houdende de voorafgaande regeling van de wederzijdse rechten opgesteld in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming onderworpen is aan de regels van het verbintenissenrecht

Tevens kan ook een onderdeel van de regelingsakte nietig worden verklaard, nu de nietigheid van een onderdeel geen gevolgen heeft voor de echtscheiding zelf (zie in dezelfde zin: Cass. 16 juni 2000, R.W. 2000-2001, 238).

Enkel indien de voorafgaande overeenkomst wordt beschouwd als een echte dading, zoals omschreven in artikel 2044 Burgerlijk Wetboek, is daarop het artikel 2052 Burgerlijk Wetboek van toepassing: Deze wetsbepaling sluit de rechtsdwaling en benadeling uit als vernietigingsgrond.

Dit impliceert dat bij toepassing van art. 2053 Burgerlijk Wetboek de rechtsgeldigheid van de regelingsakte, bedoeld in art. 1287 Gerechtelijk Wetboek - ten deze de patrimoniale bedingen die erin vervat zijn - voor zover die akte niet als een echte dading wordt beoordeeld, kan worden bestreden op grond van bepaalde wilsgebreken.

Omdat niets verhindert dat de echtgenoten in de regelingsakte een volstrekt ongelijke verdeling van activa en passiva bedingen, is de toepassing van de gewone benadeling evenwel niet toepasselijk.

Dit sluit evenwel de toepassing van de gekwalificeerde benadeling of het misbruik van omstandigheden niet uit."

En vervolgens oordelen de appelrechters dat verweerster wel degelijk wilsbekwaam was dat verweerster niet het bewijs levert dat de akte zou zijn tot stand gekomen door geweld dat door eiser tegenover haar zou zijn uitgeoefend, dat evenmin is bewezen dat door eiser hoofdbedrog werd gepleegd, doch oordelen vervolgens dat eiser misbruik heeft gemaakt van de inferieure positie waarin verweerster zich bevond ten tijde van het vastleggen van de patrimoniale bepalingen van de EOT-akte op 7 september 1995 en oordelen op grond daarvan dat er ten deze ernstige aanwijzingen zijn dat de globale regeling van de patrimoniale aanspraken van de echtgenoten terdege behept is met een gekwalificeerde benadeling, doch oordelen verder dat, gelet op de afwezigheid van een inventaris en rekening houdend met het feit dat partijen voorafgaandelijk reeds gedeeltelijke toewijzingen en/of verdelingen hebben doorgevoerd, het aangewezen is dat een deskundige wordt ingesteld met het oog op het opstellen van een volledige inventaris. Tot slot verwerpen de appel-rechters de vordering van verweerster in zoverre gesteund op beweerde verduistering en kennen aan verweerster een provisioneel bedrag toe van 5.000 euro.

Aangevoerde grieven

Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel inzake de autonomie der partijen bij het burgerlijk geding, ook wel beschikkingsbeginsel genoemd, hebben de partijen in burgerlijke zaken het recht om zelf de grenzen van het geschil te bepalen dat zij aan de rechter voorleggen. Dit beginsel wordt onder meer toegepast in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek.

Uit de lezing van de laatste syntheseconclusies van partijen blijkt dat er geen betwisting bestond tussen partijen dat de tussen hen afgesloten EOT-akte van 7 september 1995 diende beschouwd te worden als een dading. Zo voerde eiser in zijn syntheseconclusie II dd. 13 februari 2009 uitdrukkelijk aan:
"De overeenkomst EOT is te kwalificeren als een dading.

De rechtsleer en de rechtspraak zijn het er over eens dat een in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming afgesloten dading niet bestreden kan worden op grond van rechtsdwaling of benadeling maar ook niet in geval van bedrog of geweld. Dit houdt een afwijking in op het artikel 2053 Burgerlijk Wetboek. Deze interpretatie is gesteund op het feit dat de procedure enige tijd in beslag neemt, waardoor de echtgenoten tijd hebben om de eventuele gebreken zelf vast te stellen en op de overweging dat de toe te passen sancties een reeds definitief geworden echtscheiding op de helling zouden kunnen zetten.

Met betrekking tot de benadeling zij nog opgemerkt dat niets echtgenoten verhindert om een volstrekt ongelijke verdeling van activa en passiva overeen te komen.

Dit brengt met zich mee dat inroepen van benadeling door een van de echtgenoten niet kan.

Verweerster was het ermee eens dat de EOT-akte diende beschouwd te worden als een dading zoals blijkt uit haar syntheseconclusie dd. 12 januari 2009 waarin zij het volgende liet gelden: "De dadingsovereenkomst gesloten tussen [verweerster] en [eiser] ter beëindiging van hun huwelijk is ab initio aangetast door het wilsgebrek bedrog". Zo schreef zij verder: "Naast de nietigheid van de overeenkomst wegens bedrog, zou de EOT-overeenkomst, als dading, in casu ook vernietigd kunnen worden op grond van gekwalificeerde benadeling". Uit de gezamenlijke lezing van de syntheseconclusies van beide partijen blijkt derhalve dat beide partijen het erover eens waren dat de EOT-akte die tussen hen werd afgesloten wel degelijk diende gekwalificeerd te worden als een dading. De appelrechters oordelen evenwel: "enkel indien de voorafgaande overeenkomst wordt beschouwd als een echte dading, zoals omschreven in artikel 2044 Burgerlijk Wetboek, is daarop het artikel 2052 Burgerlijk Wetboek van toepassing: deze wetsbepaling sluit de rechtsdwaling en benadeling uit als vernietigingsgrond. Dit impliceert dat bij toepassing van artikel 2053 Burgerlijk Wetboek de rechtsgeldigheid van de regelingsakte, bedoeld in artikel 1287 Gerechtelijk Wetboek ten deze de patrimoniale bedingen die erin vervat zijn - voor zover die akten niet als een echte dading worden beoordeeld - kan worden bestreden op grond van bepaalde wilsgebreken.

Omdat niets verhindert dat de echtgenoten in de regelingsakte een volstrekt ongelijke verdeling van activa en passiva bedingen, is de toepassing van de gewone benadeling evenwel niet toepasselijk. Dit sluit evenwel de toepassing van de gekwalificeerde benadeling of het misbruik van omstandigheden niet uit." Vervolgens oordelen de appelrechters evenwel, dat de partijen evenwel geen dading hebben afgesloten zoals bedoeld in artikel 2044 Burgerlijk Wetboek en dat derhalve de nietigverklaring van de patrimoniale bedingen vervat in de door hen opgestelde EOT-akte kan worden gevorderd op grond van bedrog, geweld en de gekwalificeerde benadeling. Aldus werpen de appelrechters ambtshalve een betwisting op die tussen de partijen niet bestond nu beide partijen het erover eens waren dat de tussen hen afgesloten EOT-akte wel degelijk als dading te kwalificeren was. Door aldus ambtshalve een betwisting op te werpen die door de partijen bij conclusies gelijkelijk was uitgesloten schenden de appelrechters het beginsel inzake autonomie der partijen bij het burgerlijk geding, ook wel beschikkingsbeginsel genoemd, krachtens hetwelk de partijen in burgerlijke zaken het recht hebben om zelf de grenzen van het geschil te bepalen dat zij aan de rechter voorleggen en dat onder meer in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek wordt toegepast. Door verder uitspraak te doen over de vordering tot nietigverklaring ingesteld door verweerster, ervan uitgaande dat de EOT-akte niet kan beschouwd worden als een dading, zonder de kans te geven aan eiser om terzake te besluiten schenden de appelrechters bovendien het recht van verdediging van eiser (schending van het algemeen rechtsbeginsel dan de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft) en door tevens na te laten de debatten te heropenen schenden zij tevens artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Door tenslotte te oordelen dat eiser misbruik heeft gemaakt van de inferieure positie van verweerster schenden zij bovendien de bepalingen van de artikelen 1118, 2052, tweede lid en 2053 Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

Middel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: de kritiek dat de appelrechters geoordeeld hebben dat de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming geen dading is terwijl deze kwalificatie niet ter discussie stond, vertoont geen belang aangezien een dergelijke akte, ongeacht de hieraan gegeven kwalificatie, steeds kan worden aangevochten op grond van gekwalificeerde benadeling.

2. Een regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toe-stemming blijft zoals iedere vermogensrechtelijke overeenkomst onderworpen aan de regels van het verbintenissenrecht. Een dergelijke overeenkomst kan, ook al wordt zij gekwalificeerd als een dading, worden aangevochten op grond van ge-kwalificeerde benadeling, dit is de benadeling die bestaat uit een manifeste wan-verhouding tussen de wederzijds bedongen prestaties en die het gevolg is van het misbruik door de ene partij van de zwakke positie van de andere.

3. De appelrechters konden derhalve, ongeacht de door hen gegeven kwalifica-tie van de overeenkomst, naar recht oordelen dat de verweerster de akte kon aan-vechten op grond van gekwalificeerde benadeling, zodat het middel geen belang vertoont.

De grond van niet-ontvankelijkheid is gegrond.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 578,13 euro en voor de verweerster op 395,61 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,

Nuttige tips: 

Hof van Cassatie 04/05/2015, RW 2016-2017, 1307

Samenvatting

Indien de verkoper in de verkoopprijs van een onroerend goed voor meer dan zeven twaalfden is benadeeld, heeft hij het recht om de vernietiging van de koop te eisen; om te weten of er benadeling voor meer dan zeven twaalfden is, dient men het onroerend goed te schatten volgens zijn staat en zijn waarde op het ogenblik van de koop; het bestaan van de benadeling blijkt uit een vergelijking tussen de verkoopprijs van een onroerend goed, enerzijds, en de waarde die is vastgesteld in functie van zijn staat en van de lasten die erop rusten, anderzijds.

Tekst arrest:
AR nr. C.12.0592.F

NV S. t/ A.G., Y.C. en BVBA A.T.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 18 juni 2012.

...

III. Beslissing van het Hof

...

Gegrondheid van het tweede luik van het eerste onderdeel

Krachtens art. 1674 BW heeft de verkoper, indien hij in de verkoopprijs van een onroerend goed voor meer dan zeven twaalfden benadeeld is, het recht om de vernietiging van de koop te eisen.

Volgens art. 1675 BW dient men, om te weten of er benadeling voor meer dan zeven twaalfden is, het onroerend goed te schatten volgens zijn staat en zijn waarde op het ogenblik van de koop.

Daaruit volgt dat het bestaan van de benadeling blijkt uit een vergelijking tussen de verkoopprijs van het goed, enerzijds, en de waarde ervan bepaald volgens zijn staat en de lasten waarmee het bezwaard is, anderzijds.

Het arrest stelt met eigen bewoordingen en met verwijzing naar die van de eerste rechter vast dat het goed “bezwaard is met een erfdienstbaarheid van dienstenbestemming [...] omzetbaar in een erfdienstbaarheid van handelsbestemming tegen betaling, per vierkante meter verkochte grond, van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de prijzen per vierkante meter verkochte grond met dienstenbestemming en met handelsbestemming” en dat de verkoop aan de eiseres “toegestaan en aanvaard is tegen de prijs van 312.000 euro voor de verkoop door de eerste verweerder en de eerste verweerster en van 100.000 euro voor de verkoop door de tweede verweerster”, met dien verstande dat “de eventuele vergoeding voor terugkoop die aan het SPI+ moet worden gestort ten laste is van de verkopers”, en deze door het SPI+ definitief werd vastgesteld op “100 euro per vierkante meter”, hetzij 254.100 euro.

Het arrest dat erop gewezen heeft dat als de verweerders op de hoogte waren geweest van het bedrag van de vergoeding, “zij niet met de voorgestelde prijs zouden hebben ingestemd”, is van oordeel dat “gelet op het hoge bedrag van die vergoeding (254.100 euro), er benadeling is voor meer dan zeven twaalfden in vergelijking met de onderhandelde prijs van 412.000 euro”.

Het arrest dat aldus een vergelijking maakt tussen het bedrag van de vergoeding ten laste van de verkopers en de winst die ze bijgevolg uit de verkoop halen, enerzijds, en de onderhandelde prijs van 412.000 euro, anderzijds, om daaruit het bestaan van benadeling af te leiden, schendt de voornoemde wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 10:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.