-A +A

Belasting op leegstand krotbelasting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Voorafgaande opmerking: Gewijzigde wetgeving:

Decreet van 14 oktober 2016 houdend wijzinging van diverse decreten met betrekking tot wonen;

Decreet van 23 december 2016 houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de onvordering van neit-ficale schuldvorderingen

Rechtsleer: Tom Vandromme, Heffing op krotwoninge grotendels naar gemeenten overgeheveld, Juristenkrant, 8 februari 2017, p.5.

Het decreet van 22 december 1995 « houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 » heeft een gewestelijke heffing op leegstaande en/of verwaarloosde gebouwen en leegstaande, verwaarloosde, ongeschikte en/of onbewoonbare woningen ingevoerd.

Artikel 25 van dat decreet voorzag, dienaangaande het volgende :
« Het Vlaams Gewest legt een heffing op met betrekking tot leegstaande en/of verwaarloosde gebouwen en leegstaande, verwaarloosde, ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die opgenomen zijn in de inventaris, bedoeld in onderafdeling 3 van deze afdeling ».

Vóór de invoering van een gewestelijke heffing bij het decreet van 22 december 1995 hadden een aantal steden en gemeenten reeds een eigen leegstandheffing of krotbelasting. In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 22 december 1995 werd in verband met de verhouding tussen de gewestelijke leegstandheffing en eventuele gemeentelijke heffingen het volgende verklaard :

« Op het gemeentelijk niveau bestaan er reeds sedert langere tijd reglementen ter bestrijding van de verkrotting en de leegstand. De voorliggende regeling heeft hiermee in de mate van het mogelijke rekening gehouden. [...]
Het Vlaamse Gewest raakt niet aan de autonome bevoegdheid van de gemeenten om zelf de leegstand en de verkrotting te belasten, maar biedt hen de mogelijkheid om zonder enige beperking opcentiemen te heffen op de gewestelijke heffing.

Alhoewel het ontwerp dit niet uitdrukkelijk voorziet, is het toch duidelijk dat ze de opcentiemen niet kunnen combineren met de heffing krachtens een gemeentelijk reglement op de leegstand en de verkrotting, omdat dit in strijd zou zijn met de regel 'non bis in idem'. De gemeenten moeten met andere woorden kiezen tussen opcentiemen op de gewestelijke heffing of het behoud van het gemeentelijk reglement » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 147/1, p. 18).

In de omzendbrief BA 92/9 van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 29 april 1996 « betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen » werd de verhouding tussen de gewestelijke en een eventuele gemeentelijk heffing als volgt toegelicht :

« Het Vlaamse Gewest raakt geenszins aan de autonome bevoegdheid van de gemeenten om zelf de leegstand en de verkrotting te belasten. De gemeenten blijven dus volledig vrij om hun eigen reglement te behouden.

Wel biedt het decreet de mogelijkheid om opcentiemen te vestigen op de gewestheffing. Enkel in het geval dat hiervoor geopteerd wordt, dient het gemeentelijk reglement te worden opgeheven (toepassing van de regel 'non bis in idem ' : een zelfde toestand of voorwerp mag door een zelfde overheid niet tweemaal belast worden in hoofde van dezelfde belastingplichtige).

Samengevat kunnen de volgende mogelijkheden zich voordoen :
- een gemeente zonder reglement vestigt geen opcentiemen : enkel een gewestheffing is verschuldigd;
- een gemeente zonder reglement vestigt wel opcentiemen : gewestheffing + opcentiemen;
- een gemeente zonder reglement voert een eigen reglement in : gewestheffing + gemeenteheffing;
- een gemeente met reglement behoudt zijn reglement : gewestheffing + gemeenteheffing;
- een gemeente met reglement trekt zijn reglement in : enkel gewestheffing;
- een gemeente met reglement schakelt over naar opcentiemen : gewestheffing + opcentiemen (+ intrekking reglement !) ».


Aan het grondwettelijk hof werd de vraag voorgelegd of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling de gemeenten niet verhindert een leegstandheffing te behouden of in te voeren, naast de gewestelijke leegstandheffing. Hierdoor zou een verschil in behandeling ontstaan tussen inwoners van gemeenten, naargelang die gemeenten besluiten 1°) opcentiemen te heffen op de gewestelijke leegstandheffing, 2°) een gemeentelijke leegstandheffing op te leggen naast de gewestelijke heffing, 3°) noch in een gemeentelijke leegstandheffing, noch in opcentiemen op de gewestelijke leegstandheffing te voorzien.

Het grondwettelijk Hof, oordeelde in haar arrest van 28 februari 2008:


"...B.5. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 22 december 1995 blijkt dat de decreetgever van mening was dat hij niet bevoegd was om een door een gemeente vastgestelde belasting af te schaffen. Hieromtrent werd het volgende verklaard :
« Het Vlaamse Gewest is bevoegd om heffingen ter bestrijding van leegstand en verwaarlozing op te leggen op grond van artikel 6 § 1, I, 4°, 5° (aangelegenheden inzake stadsvernieuwing en de vernieuwing van de afgedankte bedrijfsruimten) en artikel 6 § 1, IV (aangelegenheden inzake huisvesting).
De decreetgever heeft met de voorgestelde regeling niet de bedoeling te interveniëren in de fiscaliteit van de provincies, de gemeenten, de agglomeraties of federaties van gemeenten en respecteert de bevoegdheidsregels ter zake. De gemeenten zijn immers niet verplicht zich aan te sluiten bij het gewestelijk stelsel. Ze krijgen de vrijheid om opcentiemen te vestigen op de heffing. De decreetgever stelt geen rechtsbepalingen vast die ertoe strekken belastingen, die door een ondergeschikt bestuur werden ingesteld, - geheel of ten dele - af te schaffen. De gemeenten behouden de autonome bevoegdheid te beslissen om aan te sluiten bij het gewestelijk stelsel, dan wel om de eigen reglementen op de leegstand en de verkrotting te behouden. Artikel 170 § 3 van de gecoördineerde grondwet wordt gerespecteerd » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1995-1996, nr. 147/1, pp. 18-19).
B.6. Op het ogenblik dat de decreetgever de in het geding zijnde bepaling heeft aangenomen, zijnde op 22 december 1995, moest het bepalen van de uitzonderingen ten aanzien van de provincie- en gemeentebelastingen op grond van artikel 170, § 4, van de Grondwet inderdaad worden beschouwd als een door de Grondwet aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheid, zodat de gemeenschappen en de gewesten die aangelegenheid enkel konden regelen voor zover dat noodzakelijk was voor de uitoefening van hun bevoegdheid (artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen).
B.7. Gelet op de bezwaren die de afdeling wetgeving van de Raad van State in zijn advies van 17 februari 1994 (Parl. St., Vlaamse Raad, 1993-1994, nr. 591/1, pp. 58-60) formuleerde omtrent een eerder ontwerp van decreet dat de gemeentelijke leegstandheffing verving door een gewestelijke heffing, waarop de gemeenten een aantal opcentiemen konden heffen, kan de decreetgever te dezen niet worden verweten dat hij geen gebruik heeft wensen te maken van de bevoegdheid die artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 verleent.
B.8. Gelet op het voorgaande kan de decreetgever evenmin worden verweten de gemeenten niet te verhinderen een leegstandheffing te behouden of in te voeren, naast de gewestelijke leegstandheffing waarin het decreet van 22 december 1995 voorziet.
Overigens is een verschil in behandeling in aangelegenheden waarin de gemeenten over een eigen bevoegdheid beschikken het legitieme gevolg van een onderscheiden beleid en kan op zich niet strijdig worden geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord."

uittreksel uit het decreet van 22 december in 1995:
Afdeling 2. - Heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen.

Art. 24. Voor de toepassing van deze afdeling en de besluiten ter uitvoering ervan, worden de hierna volgende begrippen gebruikt :
(1° de inventarisbeheerder : de gewestelijke, gemeentelijke of intergemeentelijke administratieve entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met het beheer van de inventaris, vermeld in artikel 28;) <DVR 2006-03-24/39, art. 5, 1°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
2° gebouw : elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitzondering van de bebouwde onroerende goederen die vallen onder de toepassing van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
3° gewestelijk ambtenaar : de ambtenaar (die met toepassing van de regels, vastgesteld door) de Vlaamse regering wordt aangewezen om binnen zijn ambtsgebied toe te zien op de naleving van de vereisten inzake kwaliteit en bewoonbaarheid, bedoeld in atikel 31; <DVR 2006-03-24/39, art. 5, 2°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
4° (...) <DCFL 2005-12-23/34, art. 70, 015 ; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
5° (sociale woonorganisaties : de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, vermeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en het Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen;;) <DVR 2006-03-24/39, art. 5, 3°, 017; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
6° (woning : elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande;) <DVR 1998-07-07/42, art. 5, 006; Inwerkingtreding : onbepaald>
(7° inventarisatiedatum : datum waarop het gebouw en/of de woning voor de eerste maal in de inventaris wordt opgenomen of, zolang het gebouw en/of de woning niet uit de inventaris is geschrapt, het ogenblik van het verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de datum van de eerste inschrijving.) <DVR 1997-07-08/51, art. 1, 3°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
(8° aanvaardbare marktvoorwaarden : de voorwaarden die gelden in dezelfde en de aangrenzende wijken voor een onroerend goed met een zelfde kadastraal inkomen, vastgesteld overeenkomstig artikel 255 en artikel 256 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals die van toepassing zijn op het Vlaamse Gewest, krachtens artikel 60 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, en geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van hetzelfde wetboek, en verkerend in een vergelijkbare staat. Om tot een objectieve inschatting van de marktvoorwaarden te komen, kunnen partijen daartoe een deskundige aanwijzen of kan een vordering tot schatting worden ingesteld.) <DVR 2004-05-07/95, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Onderafdeling 1. - Grondslag van de heffing.

Art. 25. Het Vlaams Gewest legt een heffing op met betrekking tot leegstaande en/of verwaarloosde gebouwen en leegstaande, verwaarloosde, ongeschikte en/of onbewoonbare woingen die opgenomen zijn in de inventaris, bedoeld in onderafdeling 3 van deze afdeling.
(Gemeenten die voldoen aan drie van de criteria genoemd in artikel 193, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, kunnen op aanvraag onder welbepaalde voorwaarden, vastgelegd door de Vlaamse regering, vrijgesteld worden van de gewestelijke heffing en een eigen heffingsstelsel hanteren. Dit heffingsstelsel neemt minimaal de regeling van dit decreet over en kan die verder aanvullen. De gemeente voert tevens een huisvestingsbeleid en een grond- en pandenbeleid, waarin het voorgestelde heffingsstelsel kadert. Om aan de voorwaarden te voldoen, mogen de gemeenten intergemeentelijke samenwerkingsverbanden aangaan. De Vlaamse regering kan, na ondertekening van een overeenkomst waarin nadere regelen worden vastgelegd, machtiging verlenen aan de gemeenten. Het Vlaamse Gewest kan een opstartsubsidie toekennen.
Voor de ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring blijft hoofdstuk III van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode onverkort van toepassing.) <DVR 2004-05-07/95, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Art. 26. <DVR 2004-05-07/95, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004> De heffing is verschuldigd indien het gebouw en/of de woning gedurende 12 opeenvolgende maanden is opgenomen in de inventaris bedoeld in de artikelen 28 tot 35. De aanslag kan worden gevestigd vanaf het ogenblik van het verstrijken van de periode van 12 maanden tot uiterlijk de laatste dag van het hierop volgend kwartaal.
Zolang het gebouw en/of woning niet is geschrapt uit de inventaris, blijft de heffing verschuldigd, overeenkomstig artikel 36, op het ogenblik van het verstrijken van elke nieuwe periode van 12 maanden vanaf de datum van de eerste verjaardag. De aanslag kan worden gevestigd vanaf dit ogenblik tot uiterlijk de laatste dag van het kwartaal volgend op het verstrijken van de nieuwe periode van 12 maanden.
(Wanneer er in een heffingsjaar meerdere verjaardagen zijn ten gevolge van opnames van het gebouw en/of de woning op meerdere inventarislijsten, kan de aanslag worden gevestigd vanaf de datum van de laatste verjaardag tot uiterlijk de laatste dag van het hierop volgend kwartaal.) <DVR 2005-12-23/34, art. 71, 015 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
(Vierde lid geschrapt) <DVR 2004-12-24/31, art. 31, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Onderafdeling 2. - Belastingplichtige.

Art. 27. § 1. Als belastingplichtige van de eerste heffing wordt beschouwd de houder van een van de hierna vermelde zakelijke rechten met betrekking tot een gebouw en/of woning op het ogenblik van (het verstrijken van de eerste periode van 12 maanden na opname) in de inventaris, bedoeld in onderafdeling 3 van deze afdeling. <DVR 2004-05-07/95, art. 5, 1°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
- de volle eigendom;
- het recht van opstal of van erfpacht;
- het vruchtgebruik.
Zolang het gebouw en/of de woning niet is geschrapt uit de inventaris, wordt de houder van een zakelijk recht, bedoeld in het vorige lid, op het ogenblik dat een nieuwe termijn van 12 maanden verstrijkt als belastingplichtige van de nieuwe heffing beschouwd.
§ 2. Behoort één van die zakelijke rechten in onverdeeldheid toe aan meer dan één persoon dan geldt de onverdeeldheid als belastingplichtige. De leden van de onverdeeldheid zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde heffing. (Elke houder van een zakelijk recht (zoals bekend bij de (Administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen)) wordt op de hoogte gebracht van de opname van de woning en/of het gebouw in de inventaris, bedoeld in de artikelen 28 tot 35, en wordt geïnformeerd over de procedure van leegstand en verkrotting, waartoe de hier bedoelde opname aanleiding geeft.) <DVR 2004-05-07/95, art. 5, 2°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004> <DVR 2004-12-24/31, art. 32, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004> <DVR 2006-06-16/33, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
§ 3. (De instrumenterende ambtenaar gelast met de overdracht van het zakelijk recht, bedoeld in § 1, moet de verkrijger van het zakelijk recht uiterlijk op het ogenblik van de overdracht van het zakelijk recht in kennis stellen van de kennisgeving van de vaststelling tot leegstand, ongeschiktheid of verwaarlozing ervan of van de opname van het gebouw en/of de woning in de inventaris, bedoeld in de artikelen 28 tot 35. Een door beide partijen ingevuld en ondertekend formulier wordt door de notaris of een partij uiterlijk zeven dagen na de overdracht van het zakelijk recht aan (de inventarisbeheerder) en aan de in artikel 38, eerste lid, bedoelde ambtenaren gezonden. Bij ontstentenis van deze kennisgeving aan (de inventarisbeheerder) en aan de in artikel 38, eerste lid, bedoelde ambtenaren, wordt de overdrager van het zakelijk recht, in afwijking van § 1, als belastingplichtige beschouwd voor de eerstvolgende heffing die na de overdracht van het zakelijk recht ontstaat.) <DVR 2005-12-23/34, art. 72, 015 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006> <DVR 2006-03-24/39, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>

Onderafdeling 3. - Inventaris.

Art. 28. § 1. Overeenkomstig de bepalingen die door de Vlaamse regering worden vastgesteld, maakt de (inventarisbeheerder) een inventaris met afzondelijke lijsten van : <DVR 2006-03-24/39, art. 7, 1°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
- leegstaande gebouwen en/of woningen; <DVR 2006-03-24/39, art. 7, 1°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
- ongeschikte en/of onbewoonbare woningen;
- verwaarloosde gebouwen en/of woningen.
(De ambtenaren van de (inventarisbeheerder) zijn bevoegd om de verwaarlozing, de leegstand van een gebouw en/of woning op te sporen en in een administratieve akte vast te stellen.) <DVR 2004-12-24/31, art. 34, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004> <DVR 2006-03-24/39, art. 7, 2°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
(De woningen, zoals bepaald in artikel 31, §§ 1 en 2, worden ongeschikt en/of onbewoonbaar verklaard overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 15 juli 1997 en artikel 34 van dit decreet.) <DVR 2004-12-24/31, art. 35, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
Onverminderd de toepassing van artikel 89bis van het wetboek van strafvordering, hebben de genoemde ambtenaren toegang tot de gebouwen en/of woningen om alle voor de heffing, noodzakelijke opsporingen en vaststellingen te verrichten wanneer het vermoeden bestaat da een gebouw en/of woning verwaarloosd is of leegstaat of wanneer het vermoeden bestaat dat een woning niet voldoet aan de vereisten van artikel 31.
§ 2. Elke gemeente ontvangt een uittreksel van de in de inventaris geregistreerde gebouwen en/of woningen die zich op haar grondgebied bevinden, met vermelding van de gebouwen en/of woningen waarop een heffing werd geïnd.
De gemeente moet aan elkeen die erom verzoekt inzage verlenen in de lijst met de (in de inventaris geregistreerde) gebouwen en/of woningen en de gegevens van de kadastrale legger die op deze gebouwen en/of woningen betrekking hebben. <DVR 2004-05-07/95, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Art. 29. Een gebouw, ongeacht of het dienst doet als woning, wordt beschouwd als verwaarloosd, wanneer het ernstige zichtbare en storende gebreken of tekenen van verval vertoont aan buitenmuren, voegwerk, schoorsteen, dakbedekking, dakgebinte, buitenschrijnwerk, kroonlijst of dakgoten.
De Vlaamse regering bepaalt de criteria voor de beoordeling van de gebreken en de tekenen van verval.

Art. 30. § 1. (Een gebouw wordt beschouwd als leegstaand als meer dan 50 procent van de totale vloeroppervlakte niet effectief wordt gebruikt gedurende minstens 12 opeenvolgende maanden. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de woningen die deel uitmaken van het gebouw.) <DVR 1997-07-08/51, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Een gebouw, dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, zoals bedoeld in artikel 2 van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont (, en dat gedeelte niet afsplitsbaar is). <DVR 2004-05-07/95, art. 7, 1°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
§ 2. Een woning wordt beschouwd als leegstand wanneer ze gedurende ten minste 12 opeenvolgende maanden niet effectief wordt gebruikt in overeenstemming met de woonfunctie.
(Bij wijze van uitzondering wordt met de woonfunctie gelijkgesteld, voorzover de belastingplichtige met alle mogelijke middelen het bewijs van die functie levert, elke andere functie die effectief en niet-occasioneel gebruik van de woning met zich meebrengt. De Vlaamse Regering wordt ermee belast de modaliteiten terzake nader te bepalen.) <DVR 1999-05-18/38, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 09-07-1999>
(§ 3. Een nieuw gebouw en/of woning wordt beschouwd als leegstaand wanneer dat gebouw en/of woning 7 jaar na afgifte van de stedenbouwkundige vergunning nog steeds niet effectief wordt gebruikt (...).
§ 4. De Vlaamse regering bepaalt de criteria voor het beoordelen van de tekenen van leegstand en legt die vast in een model van technisch verslag.) <DVR 2004-05-07/95, art. 7, 2°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Art. 31. § 1. Een woning die niet beantwoordt aan de vereisten van stabiliteit, bouwfysica, veiligheid of minimaal comfort is ongeschikt.
De volgende zichtbare en verborgen gebreken zijn strijdig met de vereisten van stabiliteit, bouwfysica en veiligheid :
- afwezigheid van of gebreken aan de funderingn;
- concave of convexe welvingen van binnen- en/of buitenmuren die de stabiliteit en de draagstructuur van de woning aantasten;
- gebreken die het draagvermogen van draagvloeren aantasten;
- alle andere tekenen van bouwvalligheid;
- doorsijpeling van vocht ten gevolge van onvoldoende waterdichtheid van dakbedekking en/of muren;
- optrekken van vochtigheid in vloeren en muren.
Als vereisten van minimaal comfort worden beschouwd :
- de aanwezigheid van de als noodzakelijk beschouwde minimale sanitaire voorzieningen;
- de aanwezigheid van de gebruikelijke nutsvoorzieningen : water, elektriciteit en verwarming.
De Vlaamse regering kan deze vereisten verfijnen en stelt de nadere regels vast voor het conformiteitsonderzoek.
Bij de bepaling van de vereisten en normen vermeld in deze paragraaf houdt de Vlaamse regering rekening met specifieke woonvormen en met de situatie van specifieke bewonersgroepen.
§ 2. Een ongeschikte woming die gebreken vertoont, die onmiskenbaar een veiligheidsheids- en gezondheidsrisico inhouden is onbewoonbaar.

Art. 32. <DVR 2004-12-24/31, art. 37, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004> Elke gemeente deelt, volgens de bepalingen die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld, aan de (inventarisbeheerder) mee welke gebouwen en/of woningen op haar grondgebied verwaarloosd zijn. <DVR 2006-03-24/39, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
De (inventarisbeheerder) stelt de verwaarlozing vast in een gemotiveerde administratieve akte, zoals bedoeld in artikel 28, en geeft de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, bij aangetekend schrijven kennis van deze vaststelling alsook van de gevolgen van opname in de inventaris en de voorwaarden tot schrapping, schorsing en vrijstelling. <DVR 2006-03-24/39, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
De houder van het zakelijk recht kan de vaststelling binnen vier maanden na de betekening van de administratieve akte betwisten via aangetekend schrijven aan de (inventarisbeheerder) en met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, het bewijs leveren dat het gebouw en/of de woning geen ernstige zichtbare en storende gebreken en tekenen van verval vertoont. In dit aangetekend schrijven geeft hij behalve de bewijzen ook aan of hij gehoord wil worden. De inventarisbeheerder heeft drie maanden de tijd om dit bezwaar te behandelen. Wanneer er geen uitspraak is binnen deze termijn, wordt het bezwaar geacht te zijn ingewilligd.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de houder van het zakelijk recht in die periode moet gehoord worden.
Wanneer de vaststelling niet werd betwist of het bezwaar niet ingewilligd werd, neemt de (inventarisbeheerder) het gebouw en/of de woning op in de inventaris. <DVR 2006-03-24/39, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
Het gebouw en/of de woning wordt ingeschreven, op datum van de eerste dag na het verlopen van de termijn van vier maanden na de administratieve akte, bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid.

Art. 33. <DVR 2004-12-24/31, art. 38, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004> Elke gemeente deelt, volgens bepalingen die door de Vlaamse Regering worden vastgesteld, aan de (inventarisbeheerder) mee welke gebouwen en/of woningen op haar grondgebied leeg staan. <DVR 2006-03-24/39, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
De (inventarisbeheerder) stelt de leegstand vast in een gemotiveerde administratieve akte, zoals bedoeld in artikel 28, en geeft de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, bij aangetekend schrijven kennis van deze vaststelling alsook van de gevolgen van opname in de inventaris en de voorwaarden tot schrapping, schorsing en vrijstelling. <DVR 2006-03-24/39, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
De houder van het zakelijk recht kan de vaststelling binnen vier maanden na de betekening van de administratieve akte betwisten via aangetekend schrijven aan de (inventarisbeheerder) en met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, het bewijs leveren dat het gebouw en/of de woning effectief gebruikt wordt. In dit aangetekend schrijven geeft hij behalve de bewijzen ook aan of hij gehoord wil worden. De inventarisbeheerder heeft drie maanden de tijd om dit bezwaar te behandelen. Wanneer er geen uitspraak is binnen deze termijn, wordt het bezwaar geacht te zijn ingewilligd.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de houder van het zakelijk recht in die periode moet gehoord worden.
Wanneer de vaststelling niet werd betwist of het bezwaar niet ingewilligd werd, neemt de (inventarisbeheerder) het gebouw en/of de woning op in de inventaris, bedoeld in artikel 28. Het gebouw en/of de woning wordt ingeschreven, op datum van de eerste dag na het verlopen van de termijn van vier maanden na de administratieve akte, bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid. <DVR 2006-03-24/39, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op gebouwen en/of woningen die op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk minstens twaalf opeenvolgende maanden leegstaan.

Art. 34. <DVR 2006-07-07/77, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 09-09-2007>De woning die onbewoonbaar en, of ongeschikt wordt verklaard overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en de kamer of studentenkamer die onbewoonbaar en, of ongeschikt wordt verklaard overeenkomstig artikel 16, tweede lid, van het decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers, worden geïnventariseerd op de lijst, bedoeld in artikel 28. Ze worden ingeschreven op de datum van het besluit van de burgemeester, of in voorkomend geval, op de datum die bepaald wordt in het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de woning, de kamer of de studentenkamer onbewoonbaar en, of ongeschikt wordt verklaard.
De burgemeester neemt een beslissing binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek vermeld in het tweede lid.
Tegen de beslissing of het stilzitten van de burgemeester kan beroep worden aangetekend bij de Vlaamse regering binnen dertig dagen volgend op de betekening van de beslissing, respectievelijk het verstrijken van de termijn, vermeld in het vorige lid.
De Vlaamse regering neemt een beslissing binnen drie maanden na ontvangst van het beroepschrift. Bij ontstentenis van een beslissing binnen deze termijn, wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd.
De Vlaamse regering kan in beroep het besluit nemen om het gebouw ongeschikt of onbewoonbaar te verklaren en de nodige maatregelen bevelen. Ze kan onder meer de burgemeester gelasten het gebouw te doen ontruimen en de toegang ertoe te verbieden. Ze bepaalt eventueel de termijn die in acht moet worden genomen voordat die maatregel wordt uitgevoerd.
Als de burgemeester de maatregelen, uitgevaardigd krachtens vorig lid, niet uitvoert, dan zijn de bepalingen van artikel 34 van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten of van artikel 266 van de Nieuwe Gemeentewet, van toepassing. De kosten van het optreden van de commissarissen komen ten laste van de burgemeester en de kosten voor de uitvoering van de maatregelen ten laste van de gemeente.
De burgemeester deelt, volgens de bepalingen die door de Vlaamse regering worden vastgesteld, aan de (inventarisbeheerder) mee welke woningen op het grondgebied van zijn gemeente ongeschikt of onbewoonbaar werden verklaard.) <DVR 1997-07-15/39, art. 111, 004; Inwerkingtreding : 01-11-1998> <DVR 2006-03-24/39, art. 9, 2°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
§ 2. De woningen die onbewoonbaar of ongeschikt werden verklaard overeenkomstig § 1, worden geïnventariseerd op de lijst, bedoeld in artikel 28. (Ze worden ingeschreven op de datum van het besluit van de burgemeester of, in voorkomend geval, op de datum van het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de woning ongeschikt en/of onbewoonbaar wordt verklaard.) <DVR 2004-12-24/31, art. 39, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Art. 34bis. <DVR 2004-12-24/31, art. 40, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004> 1. Door een registratieattest wordt de opname in de inventaris door de (inventarisbeheerder) betekend aan de houders van het zakelijk recht, zoals bekend bij de (Administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen) van het geïnventariseerde goed. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de voorwaarden. <DVR 2006-03-24/39, art. 10, 017; ED : 24-06-2006> <DVR 2006-06-16/33, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
§ 2. Voor leegstand en verwaarlozing kan de houder van het zakelijk recht binnen de 30 kalenderdagen na betekening van het registratieattest, zoals bedoeld in § 1, van het geregistreerde pand met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de inventarisbeheerder tegen deze registratie.
De inventarisbeheerder doet uitspraak over het beroep en betekent haar gemotiveerde beslissing aan de indiener van het beroep met een aangetekende brief binnen 60 kalenderdagen na betekening van het beroep. Zo lang de inventarisbeheerder geen uitspraak gedaan heeft over dit beroep kan er geen aanslagbiljet worden verstuurd. Wanneer er geen uitspraak over het beroep is binnen de gestelde termijn, wordt het beroep geacht te zijn ingewilligd.
De uitspraak van het beroep vermeldt de wijze waarop tegen deze beslissing in rechte kan getreden worden.
§ 3. Voor de ongeschikt- en/of onbewoonbaarheden, zoals bedoeld in artikel 15 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode en artikel 34 van dit decreet, wordt het registratieattest samen met het besluit tot ongeschikt- en/of onbewoonbaarverklaring van de burgemeester opgestuurd. Tegen dit besluit tot ongeschikt- en/ of onbewoonbaarverklaring van de burgemeester en het registratieattest samen, kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse Regering, zoals bedoeld in artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997. houdende de Vlaamse Wooncode.

Art. 35. § 1. (Onverminderd de bepalingen van artikel 39, § 2, schrapt de (inventarisbeheerder) een gebouw uit de inventaris (op aangetekend verzoek van de houder en,) zodra de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, of zijn rechtsopvolger kan bewijzen dat : <DVR 2004-05-07/95, art. 11, 1°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004> <DVR 2006-03-24/39, art. 11, 1°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
- meer dan 50 procent van de totale vloeroppervlakte van het gebouw, zoals bedoeld in artikel 30, § 1, na de periode van leegstand, meer dan 6 opeenvolgende maanden effectief wordt gebruikt (overeenkomstig haar bestemming); <DVR 2004-05-07/95, art. 11, 1°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
- de zichtbare en storende gebreken en de tekenen van verval, bedoeld in artikel 29, werden hersteld en/of verwijderd.) <DVR 1997-07-08/51, art. 5, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 39, § 2, schrapt de (inventarisbeheerder) een woning uit de inventaris (op aangetekend verzoek van de houder en,) zodra de houder van een zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, of zijn rechtsopvolger (...) kan bewijzen dat : <DVR 1997-07-08/51, art. 5, 2°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1996> <DVR 2004-05-07/95, art. 11, 1°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004> <DVR 2006-03-24/39, art. 11, 1°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
- de woning, na de periode van leegstand, meer dan 6 opeenvolgende maanden effectief wordt gebruikt (overeenkomstig haar bestemming); <DVR 2004-05-07/95, art. 11, 1°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
- de woning weer voldoet aan de vereisten van kwaliteit en bewoonbaaheid, bedoeld in artikel 31;
- de zichtbare en storende gebreken en de tekenen van verval, bedoeld in artikel 29, werden hersteld en/of verwijderd.
§ 3. (De (inventarisbeheerder) geeft de houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, of desgevallend zijn rechtsopvolger binnen 3 maanden na het verzoek tot schrapping kennis van (de beslissing) daaromtrent. <DVR 2006-03-24/39, art. 11, 1°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
(Wanneer de in het eerste lid bedoelde kennisgeving niet is gebeurd binnen de voorziene termijn, wordt het verzoek tot schrapping geacht te zijn ingewilligd.) <DVR 2004-12-24/31, art. 41, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004> <DVR 2006-03-24/39, art. 11, 2°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
(§ 4. De (inventarisbeheerder) vermeldt als datum van schrapping het volgende :
In de gevallen zoals bedoeld in § 1, de eerste dag van het effectief gebruik en/of van herstel en/of verwijdering van de zichtbare en storende gebreken en/of de tekenen van verval, bedoeld in artikel 29. <DVR 2006-03-24/39, art. 11, 1°, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
In de gevallen zoals bedoeld in § 2 de eerste dag van bewoning, de eerste dag waarop de woning weer voldoet aan de vereisten van kwaliteit en bewoonbaarheid, bedoeld in artikel 31 of van herstel en/of verwijdering van de zichtbare en storende gebreken en/of de tekenen van verval, bedoeld in artikel 29.
Wanneer de kennisgeving zoals bedoeld in § 3 niet is gebeurd binnen de voorziene termijn, wordt de datum van bewoning, effectief gebruik of herstel die de houder van het zakelijk recht in het verzoek tot schrapping aangeeft, als datum van schrapping vermeld.) <DVR 2004-12-24/31, art. 41, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Onderafdeling 4. - Berekening van de belasting.

Art. 36. <DVR 2004-05-07/95, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004> (§ 1.) Het bedrag van de heffing is gelijk aan het resultaat van de volgende formule voor ongeschikte en/of onbewoonbare woningen als voor verwaarloosde gebouwen en/of woningen
(KI + M) x (P + 1); <DVR 2004-12-24/31, art. 42, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
het bedrag van de heffing is gelijk aan het resultaat van de volgende formule voor leegstaande gebouwen en/of woningen
(KI + M) x (P-2), waarbij de heffing nooit negatief mag zijn;
waarbij :
- KI staat voor het kadastraal inkomen van het gebouw en/of de woning vastgesteld, overeenkomstig artikel 255 en 256 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals die van toepassing zijn op het Vlaamse Gewest ingevolge artikel 60 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, en geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van hetzelfde wetboek. Als zich meerdere gebouwen en/of woningen bevinden op een kadastraal perceel staat KI voor het kadastraal inkomen van de grond en de opstanden van het gehele perceel, berekend overeenkomstig de vorige bepaling, vermenigvuldigd met een breuk waarin de teller gelijk is aan de oppervlakte van het geïnventariseerde gebouw en/of woning en de noemer gelijk is aan de totale oppervlakte van de gebouwen en/of woningen die zich op het kadastraal perceel bevinden;
- M staat voor het bedrag waarmee het KI in voorkomend geval moet worden verhoogd om het bedrag van 990 euro te bereiken;
- P staat voor het aantal periodes van 12 maanden dat het gebouw en/of de woning zonder onderbreking is opgenomen (op de desbetreffende lijst) in de inventaris, bedoeld in artikel 28, zonder echter meer te bedragen dan 4. <DVR 2005-12-23/34, art. 73, 015 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
(§ 2. Wanneer een pand op meerdere lijsten van de inventaris voorkomt kan voor ieder heffingsjaar slechts één heffing worden opgelegd, evenwel betrekking hebbend op de opname of verjaardag van de opname op die lijst waardoor de hoogste heffing gevestigd wordt.) <DVR 2004-12-24/31, art. 42, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Art. 37. <DVR 2006-03-24/39, art. 12, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006> Een gemeente die beslist om opcentiemen te heffen op de heffing van het Vlaamse Gewest bezorgt een afschrift van het gemeenteraadsbesluit binnen een maand na de inwerkingtreding ervan aan de administratieve entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met taken van beleidsuitvoering inzake Vlaamse fiscaliteit.
De gemeentelijke opcentiemen op de heffing worden gelijktijdig met de heffing van het Vlaamse Gewest geïnd.

Onderafdeling 5. - Inning en invordering.

Art. 38. De Vlaamse regering wijst de ambtenaren aan die belast zijn met de uitvoerbaarverklaring, met de inning en met de invoering van de heffing, met inbegrip van de gemeentelijke opcentiemen, alsook van de administratieve geldboetes, de nalatigheidsinteresten, de innings- en vervolgingskosten, met de uitvoerbaarverklaring van een eventueel dwangbevel en met de controle op de naleving van alle verplichtingen inzake de heffing.
(Tweede lid opgeheven) <DVR 2004-12-24/31, art. 43, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de bevoegdheden van de in het eerste (...) bedoelde ambtenaren, (...), evenals de regels met betrekking tot de inning en de invordering van de in het (eerste lid vermelde) bedragen. <DVR 2004-12-24/31, art. 43, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004> <DVR 2006-03-24/39, art. 13, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>

Art. 39. § 1. (Het bedrag van de heffing en de opcentiemen, verschuldigd overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, zijn te betalen uiterlijk op het einde van de tweede maand die volgt op de datum van de toezending van het aanslagbiljet, ongeacht of beroep werd ingesteld overeenkomstig § 2 bij de Vlaamse regering.
Behoudens in geval van overmacht, brengen de verschuldigde sommen bij wanbetaling vanaf het einde van de tweede maand die volgt op de datum van toezending van het aanslagbiljet, voor de duur van het verwijl een intrest op die is vastgesteld op 0,5 percent per kalendermaand.) <DVR 2004-05-07/95, art. 13, 1°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
De Vlaamse regering kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, dit tarief aanpassen.
(Titel VII, hoofdstuk VIII, afdeling IVbis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 332 van de Programmawet van 27 december 2004, is niet van toepassing op de ingevolge deze afdeling verschuldigde sommen, interesten, administratieve geldboeten en kosten.) <DVR 2005-06-24/41, art. 36, 013; Inwerkingtreding : 03-09-2005>
Het aanslagbiljet dat de belastingplichtige ontvangt, vermeldt op straffe van nietigheid het aanslagjaar, de grondslag van de heffing, het te betalen bedrag, de berekeningswijze, het tijdstip van betaling en de formaliteiten die daarbij moeten worden nageleefd.
(§ 2. De belastingplichtige kan binnen (drie maanden na de datum van) de verzending van de aanslag met een gemotiveerd verzoekschrift in beroep gaan bij de Vlaamse regering (tegen de fiscale heffing" toegevoegd). Dit verzoekschrift moet op straffe van verval, (binnen de drie maanden) na de datum van verzending van de aanslag, bij aangetekende brief worden ingediend. De belastingplichtige voegt bij het verzoekschrift de nodige bewijskrachtige stukken om zijn bezwaren te staven. Aan de belastingplichtige wordt onverwijld bij aangetekend schrijven een ontvangstmelding van het beroep bezorgd. De Vlaamse regering kan bij de belastingplichtige alle onderzoekingen verrichten en hem verzoeken alle stukken voor te leggen of te verstrekken die nuttig kunnen zijn om over het beroep te beslissen. <DVR 2004-05-07/95, art. 13, 2° en 3°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
De beslissing over het beroep wordt (binnen (6) maanden volgend op het verzoekschrift) per aangetekend schrijven aan de belastingplichtige ter kennis gebracht en zij vermeldt de wijze waarop tegen deze beslissing in rechte kan getreden worden. <DVR 2004-05-07/95, art. 13, 4°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004> <DVR 2004-12-24/31, art. 44, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
(Wordt het beroep ingewilligd, dan beslist de Vlaamse regering of de heffing niet, geheel of gedeeltelijk moet betaald worden. De beslissing kan gesteund zijn op bewezen overmacht.
Betreft het beroep de heffingsgrondslag en wordt het beroep ingewilligd waarbij de beslissing niet gesteund is op bewezen overmacht, dan beslist de Vlaamse regering of de heffing geheel of gedeeltelijk moet betaald worden, dan wel of het gebouw en/of de woning wordt geschrapt van de lijst.) <DVR 2004-05-07/95, art. 13, 5°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
Bij de terugbetaling van ten onrechte geïnde gelden wordt een moratoriumintrest toegekend tegen een rentevoet van 0,5 percent per kalendermaand vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van betaling en tot de laatste dag van de maand die voorafgaat aan de datum van terugbetaling. De Vlaamse regering kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, dit tarief aanpassen.) <DVR 2000-06-30/39, art. 18, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2000>

Art. 40. § 1. Bij ontduiking van de heffing wordt door de Vlaamse regering of de door haar gemachtigde ambtenaar een administratieve geldboete opgelegd die gelijk is aan het dubbele van de ontdoken heffing.
§ 2. Als de betaling van de heffing, interesten en administratieve geldboete niet gebeurt, vaardigt de ambtenaar die belast is met de invordering een dwangbevel uit, waarvan na uitvoerbaarverklaring kennis wordt gegeven via een aangetekende brief of bij deurwaardersexploot. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.
Binnen dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de belastingplichtige bij deurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.
De ambtenaren die met de invordering zijn belast, kunnen vóór de definitieve beslechting van het geschil, bedoeld in het vorige lid, een procedure in kortgeding inleiden bij de voorzitter van de rechtbank waar het geschil in eerste aanleg aanhangig wordt gemaakt, teneinde de belastingplichtige te doen veroordelen tot betaling van een provisie op het bij het dwangbevel gevorderde bedrag.
§ 3. (Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en de kosten heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de belastingplichtige en kan het een wettelijke hypotheek vestigen op al diens goederen die daarvoor vatbaar zijn en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerd zijn.
Het voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de Hypotheekwet.
De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt.
De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaren, bedoeld in artikel 40, § 2.
Artikel 19 van de Faillissementswet is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor de inschrijving is genomen voor en waarvan betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.) <DVR 2004-12-24/31, art. 45, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
§ 4. Wanneer een woning en/of gebouw gedurende meer dan 4 periodes van twaalf maanden opgenomen blijft op de inventaris, bedoeld in artikel 28, (...), kan de Vlaamse regering machtiging verlenen tot onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van het Vlaamse Gewest, een sociale woonorganisatie, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de gemeente. <DVR 2004-05-07/95, art. 14, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
§ 5. De Vlaamse regering kan de heffingen die niet invorderbaar zijn, doorhalen.
§ 6. (De ambtenaren die belast zijn met de uitvoerbaarverklaring van de heffing verlenen ambtshalve ontheffing overeenkomstig de bepalingen van artikel 376, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals deze van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest.) <DVR 2004-12-24/31, art. 46, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Onderafdeling 6. - Vrijstellingen (en terugbetalingen). <DVR 2004-05-07/95, art. 15, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Art. 41. De houder van een zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, wordt niet beschouwd als belastingplichtige indien hij het gebouw en/of de woning volledig en uitsluitend gebruikt als zijn hoofdverblijfplaats en hij over geen andere woning beschikt.
(Wordt evenmin als belastingplichtige beschouwd, de houder van het zakelijk recht zoals bedoeld in het vorige lid, van een woning die verblijft in een erkende ouderenvoorziening of die voor een langdurig verblijf werd opgenomen in een psychiatrische instelling of die zich in elke andere situatie bevindt waarbij overmacht kan worden bewezen.) <DVR 1999-05-18/38, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 09-07-1999>

Art. 42. <DVR 1997-07-08/51, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1996> § 1. De verkrijger van een zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, (verkrijgt opschorting van heffing) gedurende een periode van (twee) jaar volgend op de volledige overdracht van het gebouw en/of de woning, op voorwaarde dat in de loop van voormelde periode geen nieuwe overdracht plaatsvindt, en : <DVR 1998-07-07/42, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <DVR 2004-12-24/31, art. 47, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
- ofwel het gebouw en/of de woning in de loop van voormelde periode geschrapt wordt uit de inventaris;
- (ofwel bij het verstrijken van voormelde periode een periode van vrijstelling op grond van artikel 41 of artikel 42, § 2, loopt, of een periode van schorsing loopt op grond van artikel 43 en deze schorsing achteraf niet ongedaan wordt gemaakt.) <DVR 1998-07-07/42, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(Deze (schorsing) geldt niet voor overdrachten : <DVR 2004-12-24/31, art. 47, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
- aan vennootschappen die door de overdrager rechtstreeks of onrechtstreeks in rechten of in feiten gecontroleerd worden;
- indien de overdracht het gevolg is van een fusie, splitsing of een andere overgang ten algemene titel;
- aan bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad, tenzij in geval van overdracht bij erfopvolging of testament.) <DVR 2004-05-07/95, art. 16, 1°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
§ 2. De houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, op een van de volgende gebouwen en/of woningen wordt vrijgesteld van de heffing :
1° de gebouwen en/of woningen die liggen binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan of waar voor geen (stedenbouwkundige vergunning) meer wordt afgeleverd omdat een onteigeningsplan wordt voorbereid; <DVR 2006-03-24/39, art. 14, 017; Inwerkingtreding : 24-06-2006>
2° de gebouwen en/of woningen die krachtens het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten zijn beschermd als monument en waarvoor a) ofwel bij de bevoegde overheid een ontvankelijk verklaard restauratiepremiedossier is ingediend, gedurende de termijn van behandeling; b) ofwel de bevoegde overheid attesteert dat het beschermde gebouw en/of woning in de bestaande toestand mag bewaard blijven.
Dit attest vermeldt voor welke termijn en voor welke lijsten, waarop de gebouwen en/of woningen zijn geïnventariseerd, vrijstelling wordt verleend;
3° de gebouwen en/of woningen die getroffen zijn door een ramp, zoals bepaald door de Vlaamse regering, die zich heeft voorgedaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige, gedurende een periode van 2 jaar volgend op de datum van de ramp;
4° de gebouwen en/of woningen die na de beëindiging van de renovatiewerkzaamheden binnen de maximale schorsingsperiode, zoals bedoeld in artikel 43, enkel nog voorkomen op de lijst van leegstaande gebouwen en/of woningen, gedurende een periode van 2 jaar volgend op het einde van de periode van schorsing. (Deze periode kan verlengd worden indien de leegstand aanhoudt buiten de wil om van de houder van het zakelijk recht, zoals vermeld in 6° van deze paragraaf.) <DVR 2004-05-07/95, art. 16, 2°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
(5° de gebouwen en/of woningen waarvan het effectief gebruik onmogelijk is omwille van een verzegeling in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of omwille van (...) een gerechtelijke procedure, vanaf het begin van de onmogelijkheid tot effectief gebruik tot twee jaar na het einde van de onmogelijkheid.) <DVR 1998-07-07/42, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <DVR 1999-05-18/38, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 09-07-1999>
6° (De gebouwen en/of woningen, voorzover ze niet voorkomen op de lijst ongeschikt-onbewoonbaar of op de lijst verwaarloosd van de inventaris, die tegen aanvaardbare marktvoorwaarden te huur of te koop aangeboden worden, en die, wat de woningen betreft, voldoen aan een onderzoek waaruit blijkt dat ze conform zijn aan de normen van artikel 5 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en waar desondanks de leegstand aanhoudt;) <DVR 2004-12-24/31, art. 48, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
7° (de gebouwen en/of woningen waarvoor het sociaal beheersrecht overeenkomstig artikel 90, §§ 2 en 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingesteld is;) <DVR 2004-12-24/31, art. 48, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
(8° de woningen waarvoor een renovatiecontract zoals bedoeld in artikel 18, § 2, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, afgesloten is.) <DVR 2004-12-24/31, art. 48, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
(§ 3. De Vlaamse regering richt een commissie op die verzoeken tot vrijstelling behandelt, die omwille van andere redenen dan deze genoemd in § 1 en § 2, en buiten de wil van de houder van het zakelijk recht, de leegstand laat aanhouden.
De Vlaamse regering bepaalt de samenstelling van deze commissie.) <DVR 2004-05-07/95, art. 16, 4°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Art. 42bis. <DVR 2004-12-24/31, art. 49, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004> § 1. (De houder van een zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, krijgt 80 procent terugbetaald van het bedrag van het gewestelijk aandeel in de gewestelijke heffing, die het laatst bij deze houder geïnd werd, voor :
1° de gebouwen en/of woningen die binnen een periode van maximaal één jaar na de beëindiging van de renovatiewerkzaamheden geschrapt zijn uit de inventaris;
2° de gebouwen en/of woningen waarvoor een renovatiecontract afgesloten is, zoals bepaald in artikel 18, § 2, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.
De toepassing van het eerste lid kan in geen geval aanleiding geven tot terugbetaling van heffingen die verschuldigd waren vóór 5 augustus 2004.
Deze terugbetaling kan in geen geval aanleiding geven tot betaling van moratoriumintresten.) <DVR 2005-12-23/34, art. 74, 015 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
§ 2. Op straffe van verval dient de aanvraag tot terugbetaling te vermelden voor welk kohierartikel de terugbetaling gevraagd wordt, en per aangetekende brief gericht te worden tot de ambtenaar bedoeld in artikel 38 binnen het jaar vanaf de datum van de schrapping uit de inventaris of vanaf de datum waarop het renovatiecontract is afgesloten, en dient ze tevens een door de inventarisbeheerder afgeleverd attest te bevatten met de datum van de schrapping uit de inventaris of de datum waarop het renovatiecontract is afgesloten.

Onderafdeling 7. - Schorsing van de heffing.

Art. 43. <DVR 1997-07-08/51, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1997> De heffing wordt geschorst van zodra de belastingplichtige (een stedenbouwkundige vergunning, een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar of een gedetailleerd renovatieschema) voorlegt waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken gaat uitvoeren. Als de belastingplichtige tijdens de termijn van (vier maanden) na kennisgeving van de administratieve akte, bedoeld in de artikelen 32 en 33, (een stedenbouwkundige vergunning, een schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar of een gedetailleerd renovatieschema) voorlegt die dateert van voor de administratieve akte, op basis waarvan de (...) inventarisatie van het gebouw en/of de woning gebeurt, dan gaat de schorsing in op de (datum van de inventaris) in plaats van op de datum waarop (de stedenbouwkundige vergunning, de schriftelijke bevestiging van de volledig bevonden aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning opgemaakt door de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar of het gedetailleerde renovatieschema) voorgelegd wordt. <DVR 2004-05-07/95, art. 18, 1°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004> <DVR 2004-12-24/31, art. 50, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
(Het gedetailleerde renovatieschema dient de volgende stukken te bevatten :
- een tekening of schets van het gebouw en/of de woning met aanduiding van de geplande werken;
- een volledige opsomming en korte beschrijving van alle geplande werken;
- een raming van de kosten van de werken middels :
hetzij een offerte voor de levering en plaatsing van materialen door een aannemer; hetzij een offerte voor de levering van materialen, indien de werken in eigen beheer worden uitgevoerd;
hetzij een combinatie van beide offertes;
- een fotoreportage van de gebouwdelen die gerenoveerd gaan worden.) <DVR 2004-12-24/31, art. 50, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
(Voor de toepassing van dit decreet wordt sloop gevolgd door vervangingsbouw, gelijkgesteld met renovatiewerkzaamheden.
De schorsing geldt voor de heffingen die verschuldigd worden op de inventarisatiedata die vallen in de periode van schorsing.) <DVR 2005-12-23/34, art. 75, 015 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
De schorsing geldt voor de heffingen die verschuldigd worden op de inventarisatiedata die vallen in de periode van schorsing.
De schorsing wordt ongedaan gemaakt als de in de (de stedenbouwkundige vergunning of het gedetailleerde renovatieschema) aangeduide renovatiewerken op het einde van de periode van schorsing niet beëindigd zijn (tenzij op dat ogenblik een periode van vrijstelling loopt op grond van artikel 41 of artikel 42, § 2.) (De schorsing wordt eveneens ongedaan gemaakt als de aanvraag tot een stedenbouwkundige vergunning geweigerd wordt. De opgeschorte heffingen zijn alsnog verschuldigd (...).) <DVR 1998-07-07/42, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <DVR 2004-05-07/95, art. 18, 4°, 011; Inwerkingtreding : 05-08-2004> <DVR 2004-12-24/31, art. 51, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
Als de renovatiewerkzaamheden worden uitgevoerd door een sociale woonorganisatie, de gemeente of het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, dan kan de termijn van (4) of (5) jaar door de Vlaamse regering worden verlengd op grond van een verslag over de voorbereiding of de vordering van de werkzaamheden. <DVR 2004-12-24/31, art. 52, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Art. 43bis. <DVR 2005-12-23/34, art. 76, 015 ; Inwerkingtreding : 05-08-2004> Voor de toepassing van artikelen 42, § 1, en 43 dient, ons geldig te zijn, het aanslagbiljet te worden verstuurd als volgt :
- wanneer de einddatum van de periode van opschorting valt vóór of op 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin de heffing gevestigd werd, moet het aanslagbiljet verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat volgt op de einddatum van de periode van opschorting;
- wanneer de einddatum van de periode van opschorting valt na 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin de heffing gevestigd werd, moet het aanslagbiljet verstuurd worden tegen het einde van het kwartaal dat volgt op de einddatum van de periode van opschorting.
Deze bepaling geldt voor de aanslagbiljetten die vanaf 5 augustus 2004 verstuurd worden.

Onderafdeling 8. - Vergoeding voor administratiekosten.

Art. 44. De Vlaamse regering bepaalt welk percentage van de elk jaar geïnde heffingen, met uitzondering van de gemeentelijke opcentiemen, de intresten en de administratieve geldboetes, aan de gemeenten wordt doorgestort als vergoeding voor de administratiekosten die ze in uitvoering van deze afdeling moeten maken.

Onderafdeling 9. - Overgangsbepalingen. <Ingevoegd bij DVR 2004-05-07/95, art. 19; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

Art. 44bis. <Ingevoegd bij DVR 2004-05-07/95, art. 19; Inwerkingtreding : 05-08-2004> (§ 1.) Aanslagen gevestigd op basis van de artikelen 24 tot en met 44 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 die betrekking hebben op de opnames in de inventaris vanaf 1 januari 2002 tot en met (4 augustus 2004), worden als niet bestaande beschouwd. <DVR 2004-12-24/31, art. 53, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
De aanslagen gevestigd op basis van de artikelen 24 tot en met 44 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 die betrekking hebben op verjaardagen van eerdere opnames in de inventaris vanaf 1 januari 2002 tot en met (4 augustus 2004), worden als niet bestaande beschouwd. <DVR 2004-12-24/31, art. 53, 012; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
§ 2. (Als de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning is geïnventariseerd voor 5 augustus 2004, wordt het beroep tegen het registratieattest ingediend bij de Vlaamse Regering binnen dertig dagen na de betekening van het registratieattest. De behandeling van het beroep verloopt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, § 3, tweede lid, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.
Als de leegstand of de verwaarlozing is geïnventariseerd voor 5 augustus 2004, wordt het beroep tegen het registratieattest ingediend en behandeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 34bis, § 2.) <DVR 2006-03-24/39, art. 15, 1°, 017; Inwerkingtreding : 05-08-2004>
§ 3. (...) <DVR 2006-03-24/39, art. 15, 2°, 017; Inwerkingtreding : 05-08-2004>

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: za, 27/05/2017 - 10:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.