-A +A

Belaging en telefoonterreur

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wat te doen bij telefoonterreur

 

telefoonterreur kan zowel belaging als een telecommunicatiemisdrijf uitmaken.

Raadpleeg uw advocaat

Een aangepaste tussenkomst is noodzakelijk.

Uw advocaat kan de terreur stopzetten en schadevergoeding eisen.

Art. 114§8,2° Wet op de Telecommunicatie 21/03/1991

 

"de persoon die de openbare telecommunicatie-infrastructuur of andere middelen van telecommunicatie gebruikt om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen wordt gestraft met een geldboete van 500 tot 500.000 fr en met een gevangenisstraf van één tot vier jaar of met één van die straffen alleen."

Deze wet is inmiddels afgeschaft en vervangen door de wet op de elektronische communicatie van 13 juni 2005. Deze nieuwe wet wet stelt ondermeer:

Art. 145. 
§ 3. Met een geldboete van 500 tot 50 000 EUR en met een gevangenisstraf van één tot vier jaar of met één van die straffen alleen wordt gestraft :
1° de persoon, die op bedrieglijke wijze elektronische communicatie door middel van een elektronische communicatienetwerk tot stand brengt, teneinde zichzelf of aan een andere persoon wederrechtelijk een voordeel te verschaffen;
2° de persoon, die een elektronische communicatienetwerk of -dienst of andere elektronische communicatiemiddelen gebruikt om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen;
3° de persoon die welk toestel dan ook opstelt dat bestemd is om een van de voorgaande inbreuken te begaan, alsook een poging om deze te begaan.
§ 4. De verbeurdverklaring van apparaten die niet voldoen aan de voorwaarden van de artikel en 32, 33, 35 en 37 wordt altijd uitgesproken.
 
Art. 146. De verbeurdverklaring van apparaten die hebben gediend tot het overtreden van artikel 47 wordt altijd uitgesproken.
 
Art. 147. De verbeurdverklaring van de wederrechtelijk verkregen opnamen van gesprekken, berichten of gegevens en van de voorwerpen, die hebben gediend tot het overtreden van de artikel en 35 en 145, § 3, wordt altijd uitgesproken, zelfs indien ze niet aan de veroordeelde toebehoren.
De verbeurdverklaring van zendtoestellen, van zend-ontvangtoestellen of van ontvangtoestellen voor radiocommunicatie alsook van enig toebehoren dat speciaal voor de werking ervan bestemd is, die hebben gediend tot het overtreden van de artikel en 39, § 1 en 41, en van de ter uitvoering van artikel 16 genomen besluiten wordt altijd uitgesproken, zelfs indien ze niet aan de veroordeelde toebehoren.
Artikel 8, § 1, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, is niet van toepassing op de verbeurdverklaring, uitgesproken op grond van dit artikel.

 

mogelijkheden in het kader van het onderzoek: zie art 88bis en 90 ter WSV (mogelijkheid van het parket om de oproepgegevens te laten opsporen, en mogelijkheid tot afluisteren door tussenkomst van de onderzoeksrechter, telefoontap, observatie, infilitratie, anonieme getuigenis, opsporing en lokalisatie van de oorsprong van de telecommunicatie). Zie ook wet mbt diverse bepalingen 20/07/2006
 

 

 

Art. 442 bis SWB:

 

"Hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren, wordt gestraft met gevangenis­straf van 15 dagen tot 2 jaar en met geldboete van 50 fr tot 300 fr (te vermenigvuldigen met 200) of met één van die straf­fen alleen".

 

                                                       Aldus ingevoegd bij art. 2 Wet 30/10/1998 (B.S. 17/12/1998).

Uw advocaat kan u helpen mbt klacht terzake bij de politiediensten. informeer verder elfri@elfri.be

Tips

Om verdere verontrusting te voorkomen, kan u onder meer :

uw telefoonnummer laten wijzigen in een privaat nummer dat u aan zo weinig mogelijk mensen meedeelt;

via uw telefoonoperator nagaan of bepaalde telefoonnummers kunnen geblokkeerd worden. Soms is dit ook mogelijk in uw toestel zelf, waarbij u dus kan bepalen dat bepaalde telefoons van bepaalde bestemmelingen u niet kunnen bereiken;

onmiddellijk nagaan wie u gebeld heeft. Heel wat telefoontoestellen geven de identiteit van de beller weer. U kan ook inlichtingen nemen bij uw operator (bvb. Mobistar, Telenet, Belgacom, Proximus …) die u verder kan uitleggen hoe u deze informatie kan bekomen. Aan de hand van de identificatie van de oproeper kan u dan bvb. beslissen om bepaalde telefoons niet meer op te nemen;

werken met een antwoordapparaat waarbij u de telefoon opneemt van zodra de beller zich kenbaar maakt via het antwoordapparaat of u zijn stem herkent of waarbij u die personen terugbelt die u werkelijk wil spreken;

werken met een telefooncode : derhalve slechts de telefoon opnemen na een vooraf afgesproken aantal ringtonen waarna wordt afgelegd en opnieuw wordt opgebeld;

onmiddellijk inhaken wanneer u hoort dat een bepaalde persoon u opbelt die u niet wenst te spreken.

 

Rechtspraak:

Arbitragehof 14/06/2006, RABG 2006/20, 1477

Artikel 114§8,2° van de wet van 21 maart 1991, schendt artikel 10 en 11 van de Grondwet, inzoverre de stalking die gepleegd wordt middels een telecommunicatiemiddel zwaarder gestraft wordt dan de stalking voorzien in artikel 442 bis Strafwetboek. Bij de opheffing van de wet van 21 maart 1991 bij art. 155,4° van de wet van 13 juni 2005 werd de inhoud van deze oude bepaling praktisch volledig overgenomen door de nieuwe wet in artikel 145 §3,2°, zodat de ongelijkheid in strafmaat blijft bestaan. Door dit arrest van het arbitragehof mag telefonische belaging vandaag niet zwaarder bestraft worden dan gewone belaging, ook al voorziet de wet zwaardere straffen voor telefonische belaging.

In zelfde zin Arbitragehof 10 mei 2006 RW 2008-2009, 446: Art. 114, § 8, 2o, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven, dat de persoon bestraft die, door gebruik te maken van telecommunicatiemiddelen, aan iemand anders overlast of schade veroorzaakt, is niet onverenigbaar met het legaliteitsbeginsel in strafzaken, zoals dit wordt verwoord in art. 12, tweede lid, en art. 14 van de Grondwet en in art. 7.1. van het E.V.R.M.

Dezelfde bepaling schendt het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie doordat de persoon die gebruikmaakt van een telecommunicatiemiddel om iemand overlast te bezorgen, zwaarder kan worden gestraft dan degene die iemand belaagt door diens rust ernstig te verstoren.

 

Cassatie 9 januari 2001

Hij die een telefoongesprek voert kan het recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling niet inroepen t.a.v. de deelnemer aan dit gesprek, daar hijzelf deze deelnemer deelachtig maakt aan het voorwerp van dat recht (art. 8.1 E.V.R.M.; art. 17.1 BUPO).Arr. Cass. 2001, 26; Computerr. (Ned.) 2001, 199 noot DUMORTIER, J. ;Jaarboek Mensenrechten 2000-01, 275, noot DE HERT, P. ; Juristenkrant 2001(weergave LUST, S.), afl. 25, 5; Pas. 2001, 31; , T. Strafr. 2001, 335; Vigiles (N)2001, 145, noot VERSPEELT, F.

HET HOF,

Gehoord het verslag van raadsheer Goethals en op de conclusie van advocaatgeneraal De Swaef;

Gelet op het bestreden arrest, op 22januari 1999 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
 
A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de tegen eiseres ingestelde strafvordering:

Over het eerste middel, gesteld als volgt:

schending van de artikelen1109, alsook 1319 tot en met 1322 van het BurgerlijkWetboek, artikel8 van het EVRM, alsmede van artikel17 van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

doordat het arrest besloot tot verwerping van de exceptie van niet-toelaatbaarheid van de strafvordering, hetzij minstens de wering uit de debatten van het onrechtmatig verkregen bewijs, nl. de audiocassettes, (OS 337/96, datum Procesverbaal 12februari 1996) op grond van de overweging dat “D. V., zijn echtgenote (en S. samenwoonden) ten tijde van het opnemen van de telefoongesprekken op geluidsbanden; dat de drie personen zich bekloegen over bedreigingen, die uitgingen van beklaagde en de telefoongesprekken opnamen als bewijs van de bedreigingen; dat alles er dus op wijst dat zij elk afzonderlijk akkoord waren om de telefoongesprekken tussen beklaagde of haar afgevaardigde als oproeper en elk van hen afzonderlijk als ontvanger op te nemen; (...) dat een persoon, die als ontvanger deelneemt aan een telefoongesprek geen inbreuk pleegt op artikel 8 van het EVRM noch op artikel314bis Strafwetboek, wanneer hij dit telefoongesprek op 2 geluidsband opneemt; dat hij zijn eigen privacy niet kan schenden, dat hij evenmin de privacy schendt van de oproeper, daar deze juist vrijwillig de boodschap mededeelt aan de ontvanger”;

terwijl, eerste onderdeel, het arrest, door alzo te beslissen, een uitlegging geeft van het proces-verbaal nr.759 d.d. 7 februari 1996 (stuk 31 g ev., te weten de synthese van de inhoud van de cassettes), het enige overtuigingsstuk, waarop het hof van beroep haar (lees: zijn) overweging kon steunen, die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is, daar immers uit dit proces-verbaal in genendele kan afgeleid worden dat eiseres tot cassatie de oproeper zou zijn geweest, zodat het arrest niet wettig heeft kunnen afleiden dat eiseres tot cassatie de oproeper was (schending van de bewijswaarde van het gezegde P.V. artikel 1319 tot en met 1322 van het Burgerlijk Wetboek);

en terwijl, tweede onderdeel, eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven, telefoongesprekken behoren tot het privé-leven in de zin van artikel 8, lid 1,van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook artikel17 van het internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privé-leven, waaronder ook de telefoongesprekken, slechts verantwoord is in omstandigheden, “voorzien bij de wet”, waarbij dan nog moet worden aangetoond dat de inmenging “noodzakelijk” of “verantwoord” is, en terwijl, het initiatief van de burgerlijke partij en de haren om “met opzet” de gesprekken met eiseres tot cassatie en anderen te audioregistreren, zonder dat eiseres tot cassatie zich en anderen zich daarvan bewust waren of zelfs konden opmerken, derhalve nooit verantwoord kan zijn, in het licht van de vermelde verdragsbepalingen,

en terwijl, zelfs in de veronderstelling dat eiseres tot cassatie zou hebben opgebeld, quod erat demonstrandum, en als dusdanig de ontvanger, die het gesprek audioregistreert, op grond van artikel314bis Strafwetboek zodoende niet kan worden vervolgd, dit niet betekent dat er geen sprake meer is van een inmenging in het recht op eerbiediging van iemands privé-leven, omdat in dat geval de toestemming tot de audioregistratie ipso facto zou moeten verondersteld worden, daar immers een toestemming, zo zij door dwaling hetzij bedrog werd verkregen, ongeldig en onbestaande is, zodat het arrest door het aldus verkregen bewijsmateriaal toch te aanvaarden, mitsdien de exceptie van ontoelaatbaarheid van de strafvordering, minstens van het verkregen bewijs afwijst, de bovenaangehaalde verdragsbepalingen (artikel8, 1 van het EVRM, artikel17 van het BUPO), alsook artikel1109 van het Burgerlijk Wetboek (toestemming) schendt: Wat het eerste onderdeel betreft:

Overwegende dat het bestreden arrest geen melding maakt van het stuk waarvan wordt beweerd dat de bewijskracht zou zijn miskend, mitsdien ervan geen interpretatie geeft;

Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;

Wat het tweede onderdeel betreft:

Overwegende dat artikel1109 Burgerlijk Wetboek dat betrekking heeft op overeenkomsten niet van toepassing is;

Overwegende dat, krachtens artikel8 , lid1, EVRM, en 17 , lid1, IVBPR, eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling; Overwegende dat hij die een telefoongesprek voert, het recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, vermeld in de voornoemde artikelen, niet kan inroepen ten aanzien van de deelnemer aan dit gesprek, daar hijzelf deze deelnemer deelachtig maakt aan het voorwerp van dat recht;

Dat het onderdeel faalt naar recht;

Over het tweede middel, gesteld als volgt:

schending van artikel1319 tot en met 1322 Burgerlijk Wetboek, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, artikel380bis, § 1, 4°, alsmede § 3 , 2°, Strafwetboek, alsmede artikel 149 van de Grondwet,

doordat, het hof van beroep besloot het vonnis van de correctionele rechtbank te hervormen, uitgezonderd de vrijspraak met betrekking tot de tenlasteleggingen B en C, die het bevestigde, en eiseres tot cassatie te veroordelen tot de hoger vermelde bestraffing, uit hoofde van de tenlastelegging A, op grond van de volgende overwegingen: “(...) dat na hernieuwd onderzoek ter terechtzitting van het hof de schuld van beklaagde bewezen is geworden; (...) dat beklaagde de genaamde S. plaatste in een bar, waar S. zich prostitueerde; dat S. aldaar dag en nacht verbleef tijdens de werkweek; dat zij tijdens haar twee vrije dagen bij beklaagde thuis verbleef; dat zij telkens werd opgehaald en gebracht door de echtgenoot van beklaagde behoudens één enkele keer dat zij vervoer kreeg van de uitbater van de bar; dat deze elementen blijken uit de verklaringen van S., van de uitbaatster van de bar en haar echtgenoot en van de echtgenoot van de beklaagde;

(...) dat beklaagde, nadat S. haar prostitutie in de bar stopzette, onmiddellijk een ander meisje plaatste in vervanging van S., zoals blijkt uit de verklaring van de uitbaatster van de bar en de echtgenoot van beklaagde; (...) dat S. drie weken werkte in de bar en dat zij verklaarde dat zij al haar verdiensten, zijnde 185.000frank, diende af te geven aan beklaagde; dat deze verklaring bevestiging vindt in de verklaring van de uitbaatster, die door beklaagde rekenschap werd gevraagd over de grootte van de afgehouden kosten; (...) dat deze verklaring bovendien bevestiging vindt in een “vrijkoop”, die gebeurde op 17november 1995, weliswaar buiten de periode van de telastlegging en niet vervolgd; dat deze “vrijkoop” een vergoeding was voor winstderving van beklaagde ingevolge het feit dat S. de prostitutie opgaf; (...) dat de B.P. immers op 17november 1995, in tegenwoordigheid van de filiaalhouder V. L., 392.000frank in contant geld overhandigde aan beklaagde, die het geld onmiddellijk plaatste op twee rekeningen van haar zuster; (...) dat het hof geen geloof hecht aan de uitleg van beklaagde, dat S. dat bedrag schuldig was aan haar zuster omwille van een diefstal door S. ten nadele van beklaagdes zuster, in Nigeria gepleegd; (...) immers dat het ondenkbaar is dat, – indien de diefstal zou gepleegd zijn – beklaagdes zuster S. zou geholpen (hebben) om naar België te komen door het telefoonnummer van beklaagde op te geven en dat beklaagde de dief onderdak zou hebben verleend; (...) integendeel dat beklaagde door de handelwijze alleen beoogde haar naam niet in verband te  brengen met gelden, afkomstig van een illegale prostitué; dat zij vooreerst de gelden liet storten op een rekening geopend door S., (doch onder een valse naam) terwijl zijzelf volmacht had en alle briefwisseling in verband met de rekening aan haar diende geadresseerd te worden; dat niet beklaagde de volmacht introk, doch dat de volmacht ingetrokken werd door S.; dat beklaagde, nadat zij hiervan werd verwittigd, verhinderde dat de filiaalhouder het geld aan S. zou overmaken, door te verklikken dat de rekening op valse naam werd geopend; dat beklaagde ten slotte het ontvangen geld stortte op een rekening van haar zuster, waardoor haar naam opnieuw werd verheeld; (...) dat de omstandigheid dat op datum van de overdracht van het bedrag van 392.000 frank S. niet langer werkte voor beklaagde, eraan niet in de weg staat dat het bedrag een vrijkoop betrof, dit wil zeggen een vergoeding voor winstderving; dat immers beklaagde S. kon afdreigen door haar als illegaal aan te geven en door de valsheid bij de opening van de rekening aan te geven, en zij dit middel al aanwendde bij de filiaalhouder V. L.; (...) dat hierdoor bewezen is dat beklaagde tijdens de incriminatieperiode de prostitutieverdiensten van S. ten bedrage van 185.000frank heeft opgestreken; dat voor het ontvangen van dit bedrag geen enkele redelijke tegenprestatie bestond, daar S. slechts enkele dagen bij beklaagde thuis verbleef; dat beklaagde systematisch alle prostitutieverdiensten opstreek en de prostitutie van S. heeft geëxploiteerd,

terwijl, eerste onderdeel, een arrest met redenen omkleed moet zijn, opdat toezicht kan worden gehouden over de wijze waarop de rechter tot zijn beslissing over schuld en/of straf is gekomen; dat in casu de verklaringen van de burgerlijke partij tegenstrijdig zijn met deze van eiseres tot cassatie; dat in casu, bij gebreke van een direct bewijs, het bewijs van de schuld door de rechter moet  worden geleverd op grond van vermoedens, hetzij gevolgtrekkingen die de rechter kan afleiden uit bekende feiten, om te besluiten tot een onbekend feit, (het bewijs van schuld); dat het bewijs door vermoedens enkel kan afgeleid worden uit bekende feiten, die geen andere dan gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens kunnen zijn, de rechter dus uit een onzeker feit niet het gezochte feit kan afleiden, het bewijs ook niet kan afgeleid worden uit de persoonlijke opvattingen van de rechter, het arrest derhalve niet kon afleiden “dat hierdoor bewezen is dat beklaagde tijdens de incriminatieperiode de prostitutieverdiensten van S. ten bedrage van 185.000 frank (het onbekend feit van de exploitatie) heeft opgestreken”, op grond van twee premisses, nl. het betwist feit dat S. verklaarde dat zij 185.000 frank diende af te geven aan beklaagde en dat deze verklaring bevestiging zou moeten vinden in de
verklaring van de uitbaatster, die door beklaagde rekenschap werd gevraagd over de grootte van de ingehouden kosten, (en dus niets over het afgeven van185.000frank bijbrengt ...), zodat het bestreden arrest alleszins de boven aangehaalde wetsbepalingen schendt (artikel 1349 en 1353 Burgerlijk Wetboek, bewijs door vermoedens);


terwijl, tweede onderdeel, aan een akte geen uitlegging kan worden gegeven, die
met de bewoordingen ervan onverenigbaar is; dat in die context het bestreden
arrest ten onrechte overweegt, en hieruit de schuld van eiseres tot cassatie afleidt
“dat niet beklaagde de volmacht introk, doch dat de volmacht ingetrokken werd
door S., dat beklaagde, nadat zij hiervan werd verwittigd verhinderde dat de
filiaalhouder het geld aan S. zou overmaken”, hoewel uit overtuigingstuk 16c en j),
nl. verklaring van S. in resp. de Nederlandse en Engelse taal integendeel blijkt dat
“het geld werd op deze rekening geplaatst. Na enkele dagen nam S. opnieuw
contact met mij en vermeldde mij dat zij geen verdere toegang wilde en dat zij haar
naam wenste te schrappen”,
zodat het arrest, door alzo het bewijs van schuld af te leiden uit de in dit onderdeel
geviseerde overweging over de intrekking van de volmacht, een uitlegging geeft
aan de verklaring van de burgerlijke partij, vastgelegd in stuk 16c en 16j, die met
de inhoud ervan onverenigbaar is (schending van artikel1319 tot en met 1322 van
het Burgerlijk Wetboek);

en terwijl, derde onderdeel, het bestreden arrest in die context overweegt, en
hieruit de schuld van eiseres tot cassatie afleidt, “(...) dat deze verklaring
bovendien bevestiging vindt in een “vrijkoop”, die gebeurde op 17 november
1995, weliswaar buiten de periode van de tenlastelegging en niet vervolgd; dat
deze “vrijkoop” een vergoeding was voor winstderving van beklaagde ingevolge
het feit dat S. de prostitutie opgaf”; (...) dat de omstandigheid dat op datum van de
overdracht van het bedrag van 392.000 frank S. niet langer werkte voor beklaagde,
eraan niet in de weg staat dat het bedrag een vrijkoop betrof, dit wil zeggen een
vergoeding voor winstderving, hoewel uit overtuigingstuk 16c en j), nl. verklaring
van S. in resp. de Nederlandse en Engelse taal integendeel blijkt dat “zij eiste van
mij een totaal bedrag van 30.000 $, voor mijn overbrenging en om het zoeken van
werk voor mij, dat deze verklaring bevestigd wordt door dhr. J. M. (7d) “toen B. in
het begin in België was, hoorde zij van S. dat zij onkosten moest betalen aan haar,
zoals de tickets, en tevens moest zij telkens betalen voor haar papieren. Voor een
nieuw visum moest zij telkens 100.000 frank betalen. Zo heeft zij tweemaal een
papier gekregen. Deze visa waren telkens geldig voor een periode van 3 maanden
... Ik stelde voor om B. vrij te kopen en toen heeft S. een rekening opgemaakt van
al hetgeen er nog moest betaald worden ...”,
zodat het arrest, door alzo het bewijs van schuld af te leiden uit de in dit onderdeel
geviseerde overwegingen, nl. het feit dat er betaald zou zijn voor winstderving, een
uitlegging geeft aan de verklaring van de burgerlijke partij, vastgelegd in stuk 16c
en 16j, en met die van M. (stuk 7d) die met de bewoordingen ervan, nl. dat het gaat
om terugbetaling voor voorgeschoten onkosten, onverenigbaar is, (schending van
artikel 1319 tot en met 1322 van het Burgerlijk Wetboek);
terwijl, vierde onderdeel, artikel380bis, § 1, 4°, Strafwetboek als onderscheiden
misdrijf strafbaar stelt, het feit bestaande in de exploitatie van eens anders ontucht
of prostitutie, wanneer dit geschiedt op een andere wijze dan die welke
omschreven wordt bij de bepalingen van 1°, 2° en 3° van dit artikel, (het zgn.
materieel bestanddeel); dat de ontucht van een ander “exploiteren” moet worden
uitgelegd als het rechtstreeks of onrechtstreeks een laakbaar financieel voordeel uit
een anders prostitutie uithalen, of er een laakbare bron van inkomsten van maken,
een abnormaal profijt te realiseren, (moreel bestanddeel). Dat echter uit de
dossierstukken, waarop het hof vermag acht te slaan, nl. de verklaringen van de
burgerlijke partij (stuk 16c en i, alsmede de verklaring van M., 7d) enkel blijkt dat
de beweerde betalingen aan eiseres tot cassatie te maken hadden met de door deze
laatste voorgeschoten uitgaven; dat met de zogenaamde terugbetaling ervan eiseres
tot cassatie geen laakbaar financieel voordeel zou hebben bekomen, nog minder
een abnormaal profijt zou hebben gerealiseerd, dat zodoende het morele
bestanddeel van het misdrijf niet werd aangetoond,
zodat artikel 380bis, § 4, Strafwetboek, geschonden werd;
terwijl, vijfde onderdeel, de tenlastelegging A, dewelke door het hof bewezen werd
geacht, ook nog de verzwarende omstandigheid van de aangewende techniek
bedoeld in § 3, 2°, inhield, in casu, het misbruik van de onwettige of precaire
toestand, dat zodoende ook nog moest bewezen worden dat deze toestand,
aanwezig bij het slachtoffer, inzonderheid was toe te schrijven aan eiseres tot
cassatie, of zij ervan misbruik zou hebben gemaakt, dat het bestreden arrest
evenwel met betrekking tot de vrijspraak voor de tenlastelegging B (artikel77bis,
§1, 2°) vaststelde dat de “feiten onder deze tenlastelegging” niet bewezen zijn,
waarna het arrest besloot tot de vrijspraak; dat hieruit volgt dat de feiten in
verband met het ontstaan, het voortzetten, het misbruik van die precaire toestand

niet meer aan eiseres tot cassatie kan worden verweten, alzo de verzwarende
omstandigheid in de tenlastelegging A, niet kon worden geleverd, en het arrest
aldus tgl. de veroordeling op basis van artikel 380bis, §3, Strafwetboek niet naar
recht heeft verantwoord);
terwijl, zesde onderdeel, een arrest geen tegenstrijdigheden mag bevatten, en zo er
verschillende motieven worden gehanteerd om te besluiten tot de schuld en/of
straf, deze niet onderling tegenstrijdig (mogen zijn) met de vrijspraak voor feiten,
dewelke worden omschreven in andere tenlasteleggingen, die bij samenhang
zouden zijn gepleegd; dat het arrest evenwel, door te overwegen en hieruit (...) tot
schuld aan de tenlastelegging A besloot omdat “immers beklaagde S. kon
afdreigen door haar als illegaal aan te geven en door de valsheid bij de opening
van de rekening aan te geven, en zij dit middel al aanwendde bij de filiaalhouder
V. L.” doch daarentegen het arrest besloot dat de feiten onder de tenlasteleggingen
B en C niet bewezen zijn, (dus de bestanddelen, zowel de materiële als de morele
niet zijn aangetoond), en uit dien hoofde tot de vrijspraak besloot, tegenstrijdige
motiveringen bevat,
zodat, het arrest, hierdoor artikel 149 van de Grondwet heeft geschonden:
Wat het eerste onderdeel betreft:
Overwegende dat het onderdeel dat een miskenning van de bewijsregels in
strafzaken aanvoert, in werkelijkheid opkomt tegen de onaantastbare beoordeling
van feiten door de rechter, mitsdien niet ontvankelijk is;
Wat het tweede en het derde onderdeel betreft:
Overwegende dat het bestreden arrest geen melding maakt van de stukken waarvan
wordt beweerd dat de bewijskracht zou zijn miskend, mitsdien ervan geen
interpretatie geeft;
Dat de onderdelen feitelijke grondslag missen;
Wat het vierde onderdeel betreft:
Overwegende dat het onderdeel geheel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling
van feiten door de rechter, mitsdien niet ontvankelijk is;
Wat het vijfde onderdeel betreft:
Overwegende dat een vrijspraak wegens het in artikel77bis , §1, 2°,
Vreemdelingenwet bepaalde misdrijf van bijstand bij het onwettig binnenkomen of
verblijf in het Rijk van een vreemdeling, met misbruik van diens bijzonder
kwetsbare positie, niet eraan in de weg staat dat betrokkene wegens het misdrijf
bepaald in artikel380bis , §1, 4° en 380bis, §3, 2°, Strafwetboek wordt veroordeeld;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
Wat het zesde onderdeel betreft:
Overwegende dat de aangevoerde tegenstrijdigheid niet bestaat;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven
rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is
gewezen;
B. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de tegen eiseres
ingestelde burgerlijke rechtsvordering van verweerster:
Overwegende dat eiseres geen bijzonder middel aanvoert;

OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van tweeduizend negenhonderd zesentwintig frank verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel,
 

zie ook: bedreiging (verwant aan stalking)

opsporen en lokaliseren van telecommunicatie

 

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: vr, 02/03/2012 - 10:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.