-A +A

bekentenis als bewijsmiddelen burgerlijke zaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

bekentenis als bewijsmiddelen burgerlijke zaken

uittreksel uit het burgerlijk wetboek

"AFDELING IV. - BEKENTENIS VAN PARTIJEN.

Art. 1354. De bekentenis waarop men zich tegen een partij beroept, is ofwel buitengerechtelijk ofwel gerechtelijk

Art. 1355. Een zuiver mondelinge buitengerechtelijke bekentenis kan niet worden ingeroepen, wanneer het een eis betreft waarvan het bewijs door getuigen niet zou kunnen worden toegelaten.

Art. 1356. Een gerechtelijke bekentenis is een verklaring die in rechte gedaan wordt door de partij of door haar bijzondere gevolmachtigde.
Zij levert een volledig bewijs op tegen hem die de bekentenis gedaan heeft.
Zij mag niet te zijnen nadele gesplitst worden.
Zij kan niet herroepen worden, tenzij men bewijst dat zij het gevolg is van een dwaling omtrent de feiten. Zij zou niet kunnen herroepen worden onder voorwendsel van een dwaling omtrent het recht."


Een bekentenis kan zowel schriftelijk als mondeling zijn. Zelfs het stilzwijgen kan als een bekentenis gelden voor zover het stilzwijgen omstandig is waarbij aldus het stilzwijgen op geen enkele andere wijze kan worden begrepen als een bekentenis.

Zo kan een bekentenis in het bestaan van een verbintenis worden geleverd door de uitvoering ervan of de gedeeltelijke uitvoering ervan, zo kan het bestaan van een lening bewezen worden door de afbetaling ervan..

Een bekentenis is mogelijk inzake boven de € € 375, dus ook in zaken waarin getuigenverhoor principieel niet toegelaten is. Een bekentenis kan worden geleverd tegen een geschrift in en zelfs ter omkering van wettelijk onomkeerbare vermoedens behoudens wanneer deze de openbare orde raken.

Maar een bekentenis die op ongeoorloofde wijze tot stand komt, bijvoorbeeld door schending van het beroepsgeheim dat gevolg ressorteren.

Zelfs al is de rechter gebonden door de bewijswaarde van de gerechtelijke bekentenis, toch geldt de bekentenis ten aanzien van de tegenpartij slechts tot bewijs van het tegen deel. Daarentegen staat het recht een vrij om op onaantastbare wijze de draagwijdte van een buitengerechtelijke bekentenis te beoordelen en mag in toepassing van artikel 1355 een buitengerechtelijke bekentenis niet worden ingeroepen wanneer het een eis betreft waarvan het bewijs door getuigen niet zou kunnen worden toegelaten (waarde boven de 375 euro).

De onsplitsbaarheid van de bekentenis

Wat betekent de bepaling in het wetboek dat de bekentenis niet ten nadele van de bekendere mag worden gesplitst?

Dit betekent dat de bekentenis in haar geheel wordt aanvaard of verworpen. Het is niet toegelaten een deel van de bekentenis te aanvaarden om een ander deel ervan te verwerken.

Voorbeeld: een partij erkent een lening te zijn nagegaan naar een andere partij, maar voegt hieraan onmiddellijk toe dat de schuld volledig werd afgelost. Welnu de tegenpartij mag deze bekentenis niet opsplitsen en hieruit afleiden dat het bewijs geleverd is van het bestaan van de schuld door de bekentenis van het bestaan van de lening, eraan toevoegend dat het bewijs niet geleverd is dat er afbetaald werd. De bekentenis geldt voor het geheel of voor niets. Deze regel met betrekking tot de onsplitsbaarheid van de bekentenis geldt zowel voor de gerechtelijke als de buitengerechtelijke bekentenis.

Een onderscheid dient gemaakt tussen de complexe of samengestelde bekentenis enerzijds en de meervoudige bekentenis die wel kan worden opgesplitst. Bijvoorbeeld een persoon bekent een lening te zijn nagegaan en daarnaast een huurcontract. Wanneer de bekentenis betrekking heeft op totaal losstaande feiten dan wel rechtshandelingen die niets met mekaar te maken hebben kan de bekentenis worden opgesplitst.

Schuldbekentenis met de hand geschreven door de schuldeiser is geldig

• Vred. Westerlo 7/12/2016, RW 3016-2017, 956

samenvatting: 

Door een handtekening te plaatsen heeft de ondertekenaar dat hij de er bovenstaande inhoud onderschrijft en dat hij zich wenste te binden aan de inhoud vervat in dit geschrift (animus signandi). De ondertekenaar kan achteraf niet stellen dat hij zich niet tot de inhoud van het document wilde binden. Het is daarbij geen bezwaar dat, zoals in casu, het geschrift door een andere persoon is geschreven. Slechts bij uitzondering mag het geschrift niet door een derde geschreven zijn (zoals bij een eigenhandig testament) en in dit geval behoort dit vereiste expliciet door de wetgever gesteld te zijn. Evenmin dient in zo’n geval (tekst geschreven door een derde) de handtekening te worden voorafgegaan door de vermelding “gelezen en goedgekeurd”. Zo’n vermelding is geenszins juridisch voorgeschreven en een gebrek eraan (zoals in casu) brengt de rechtsgeldigheid van de akte zeker niet in het gedrang.

Tekst vonnis

C. De J. t/ M.J..

Overwegende dat de initiële vordering van M.J. ertoe strekte C. De J. te horen veroordelen tot betaling aan haar van 590 euro hoofdsom uit hoofde van “een geldschuld”. Daaromtrent legt partij M.J. een door C. De J. ondertekend document voor met volgende inhoud: “Ik ondergetekende C. De J. verklaar de som van 750 euro nog te betalen aan J.M. en dit vóór 1 januari 2014.” Voormelde vordering werd gegrond verklaard bij vonnis van 2 maart 2016, gewezen bij verstek.

Overwegende dat C. De J. tegen voormeld vonnis verzet aantekende ertoe strekkende de initiële vordering van M.J. “te horen afwijzen” en waarbij tevens een tegeneis werd geformuleerd ertoe strekkende laatstgenoemde te horen veroordelen tot de betaling aan C. De J. van 4.410 euro hoofdsom.Overwegende dat C. De J. en M.J. nicht/tante van elkaar zijn.

Overwegende dat uit de feitelijke gegevens van het dossier en uit het verhoor van elk van de gedingvoerende partijen op 9 november 2016 is gebleken, enerzijds dat de geldschuld van 750 euro twee maanden achterstallige huishuur vertegenwoordigde, door C. De J. te betalen aan M.J. uit hoofde van de huur van een chalet, gelegen te H. en anderzijds dat het bedrag van 4.410 euro het saldo is van 5.000 euro verminderd met de thans initieel opgevorderde 590 euro, waarbij voormelde 5.000 euro het bedrag is dat C. De J. in contanten aan M.J. heeft overhandigd/betaald als bijdrage teneinde deze laatste in staat te stellen de kwestieuze chalet aan te kopen, in het vooruitzicht deze dan verder van haar tante (zijnde M.J.) te kunnen huren.

Overwegende dat uit de persoonlijke verschijning op 9 november 2016 is gebleken dat het hiervoor geciteerde document (“schuldbekentenis”) werd handgeschreven door M.J. C. De J. ontkent niet dat zij haar handtekening heeft geplaatst onder de kwestieuze tekst. Door deze handtekening heeft zij aangeduid dat zij de er bovenstaande inhoud onderschrijft en dat zij zich wenste te binden aan de inhoud vervat in dit geschrift (animus signandi). De ondertekenaar kan achteraf niet stellen dat hij zich niet tot de inhoud van het document wilde binden. Het is daarbij geen bezwaar dat, zoals in casu, het geschrift door een andere persoon (partij M.J.) is geschreven. Slechts bij uitzondering mag het geschrift niet door een derde geschreven zijn (zoals bij een eigenhandig testament) en in dit geval behoort dit vereiste expliciet door de wetgever gesteld te zijn. Evenmin dient in zo’n geval (tekst geschreven door een derde) de handtekening te worden voorafgegaan door de vermelding “gelezen en goedgekeurd”. Zo’n vermelding is geenszins juridisch voorgeschreven en een gebrek eraan (zoals in casu) brengt de rechtsgeldigheid van de akte zeker niet in het gedrang.

Gelet op wat voorafgaat, dient het bedrag van 590 euro derhalve toegekend te blijven, te vermeerderen met de verwijlinteresten zoals bepaald in het verstekvonnis.

Overwegende dat ons ambt bevoegd is om kennis te nemen van de tegeneis.

Overwegende dat C. De J. m.b.t. het materiële feit van de overhandiging/betaling van het bedrag van 5.000 euro aan M.J. vijf schriftelijke getuigenverklaringen voorlegt die eensluidend zijn. Ingevolge de wet van 16 juli 2012 gelden met ingang vanaf 13 augustus 2012 specifieke regels voor de bewijsvoering door overlegging van schriftelijke verklaringen van derden in burgerlijke procedures. Vastgesteld was immers dat gerechtelijke procedures gepaard gaande met de oproeping van getuigen, overdreven ingewikkeld en traag verliepen. Om dit te vermijden heeft de wet van 16 juli 2012 in art. 961/1 tot 961/3 Ger.W. een wettelijk kader gecreëerd waarbinnen meer waarde toekwam aan eenvoudige schriftelijke verklaringen van derden teneinde op die wijze de rechter sneller, eenvoudiger en goedkoper te kunnen inlichten over betwiste feiten waarvan die derden persoonlijk weet hebben. In casu neemt ons ambt op grond van voormelde bepalingen aan dat C. De J. het bewijs levert van het materiële feit van de overhandiging/betaling door haar van het bedrag van 5.000 euro aan M.J. Wat evenwel niet wordt bewezen, is het juridische gegeven dat M.J. verplicht was dit bedrag aan C. De J. terug te betalen noch op welke juridische grond dit het geval zou zijn. De tegeneis dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

 


 

Nog dit: 

• Cassatie 2 april 2010, RW 2012-2013, 371

AR nr. C.08.0532.F

P.P. t/ BVBA R.R. en A.R.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 27 juni 2008 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Het middel

Beide onderdelen samen

Art. 1341 BW belet in de regel niet dat de minnelijke beëindiging van een overeenkomst bewezen wordt door een bekentenis, ook al gaat de waarde van het geschil 375 euro te boven.

Het bestreden vonnis wijst erop dat de raadsman van de eiseres, in een brief van 7 april 2006, de verweerders heeft laten weten dat zij bereid was om het mogelijk vertrek van de verweerster vóór het einde van de huurovereenkomst in overweging te nemen en dat “die brief is bevestigd door de feiten, [dat] [immers] huuradvertenties zijn verschenen (met name in “de Vlan” van 29 maart 2006) en dat een andere advertentie (28 augustus 2006) vermeldt dat het pand vrij was”, en beslist vervolgens dat “die advertenties redelijkerwijs alleen maar kunnen worden uitgelegd als een duidelijke uiting van de wil om de huurovereenkomst voortijdig te beëindigen”.

Het bestreden vonnis legt het gedrag van de eiseres zodoende uit als een erkenning van de door de verweerders aangevoerde minnelijke beëindiging van de huurovereenkomst en, bijgevolg, als een stilzwijgende buitengerechtelijke bekentenis van de eiseres.

Enerzijds antwoordt het bestreden vonnis door die vermeldingen op de conclusie van de eiseres waarin zij het bestaan van die beëindiging betwistte door zich op een gebrek aan akkoord over de voorwaarden daarvan te beroepen, tegenover een andere beoordeling van de feiten van de zaak te stellen.

De appelrechters hoefden niet ook te antwoorden op het middel waarin de eiseres betoogde dat die beëindiging niet door een geschrift was bewezen overeenkomstig art. 1341 BW, daar dat middel door hun beslissing niet langer relevant was.

Anderzijds schendt het bestreden vonnis door de bovenstaande vermeldingen art. 1341 en 1347 BW niet en miskent het evenmin de regels betreffende de bewijslast.

De schending van art. 1184 BW is uitsluitend afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van die bepalingen.

Het bestreden vonnis, luidens welk “de huurovereenkomst nergens bepaalt dat de huurders, in geval van vervroegde opzegging van de huurovereenkomst, een vergoeding voor wederverhuring verschuldigd zouden zijn” en dat een dergelijke vergoeding, “bij ontstentenis van een onrechtmatige beëindiging van de huurovereenkomst door de huurder (art. 1184, tweede lid BW)”, niet verschuldigd is, beslist, in tegenstelling tot wat het middel betoogt, niet dat de partijen overeengekomen zijn om de huurovereenkomst zonder vergoeding te beëindigen.

Geen van de onderdelen van het middel kan worden aangenomen.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 10 mei 2013, RW 2014-2015, 829

AR nr. C.11.0781.N

M.P. t/ G.P.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 23 mei 2011.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens art. 1356, derde lid BW mag een bekentenis niet gesplitst worden ten nadele van diegene die ze heeft gedaan.

De erkenning van het bestaan van een verbintenis en van de uitvoering ervan is onsplitsbaar in de zin van deze bepaling.

Deze onsplitsbaarheid wijzigt de regels van de bewijslast niet.

2. Overeenkomstig art. 1315, eerste lid BW moet diegene die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan ervan bewijzen.

Indien hij de bekentenis van diegene die zich heeft verbonden als bewijs van het bestaan van de verbintenis inroept, kan hij de in dezelfde bekentenis aangevoerde uitvoering van de verbintenis niet buiten beschouwing laten.

Diegene die zich verbonden heeft, dient deze aanvoering die geen exceptie is in de zin van art. 1315, tweede lid BW, niet te bewijzen.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

...
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 21:58
Laatst aangepast op: zo, 19/03/2017 - 11:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.