-A +A

Beëindiging concubinaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 215, §2 en art. 1477 §2 B.W voorzien dat gehuwden een wettelijk onverdeeld huurrecht hebben.

In geval van ernstige echtelijke moeilijkheden is de vrederechter bevoegd om de rechten op de huur door een van hen te laten uitoefenen in toepassing van art. 221-223 B.W. door een van de partijen afzonderlijke woonst in die woning toe te kennen en de andere een verontrustingsverbod.

Personen die samenwonen en een wettelijk samenlevingscontract hebben afgesloten kunnen deze regels naar analogie toepassen.

Maar wat zijn de rechten van het merendeel van de samenwonenden die geen samenlevingscontract hebben afgesloten, de zogenaamd feitelijk samenwonenden. Kunnen deze ook op de Vrederechter beroep doen om hun samenleving te laten beëindigen en de enen partij de toegang te laten verbieden tot de woning die samen hebben bewoond.

Een onderscheid dient gemaakt te worden tussen de situatie waarbij de samenwonenden al dan niet samen het huurcontract ondertekenden als huurder.

In het geval waarbij het huurcontract slechts door één van hen werd ondertekend is de situatie eenvoudig.
Daar waar in de hypothese dat bij het ontstaan van een concubinaatsrelatie of nadien één der partners intrekt bij de andere partner die een woning huurt, is het zo dat degene die de huurovereenkomst niet heeft ondertekend, niet als medehuurder kan worden beschouwd en dus gewoonweg uit de woning kan gezet, desnoods op grond van een vordering tot uitdrijving wegens bezetting zonder recht of titel.

Een gans ander geval doet zich voor wanneer het huurcontract door beide feitelijk samenlevenden werd ondertekend. Dit impliceert dat er een contractuele medehuur is van beide partners, op basis waarvan elke partner over een onderscheiden en persoonlijk recht op de bezetting en het genot van het gehele goed samen met zijn medehuurder bezit.

In geval van onenigheid tussen de feitelijk samenwonenden laat de contractuele medehuur niet toe dat de ene partner de definitieve uitdrijving van de andere uit de woonst kan vorderen.

Volgens bepaalde rechtspraak en rechtsleer kan hiertoe de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg gevat worden conform art; 584 lid 1 BW, Rechtsleer: Kathelyne Verstraete, beëindiging buitenhuwelijkse samenwoning Kroniek 2005-2007 NJW 186, 583

Niettemin kan worden aangenomen dat er tussen feitelijk samenlevende partners een stilzwijgend akkoord bestaat om elkaar het rustige genot te verschaffen van de woonst.

Wanneer dit rustig genot verstoord wordt door een onenigheid tussen partijen kan de vrederechter derhalve op grond van de huurwetgeving optreden in toepassing van art. 1344 bis Gerechtelijk wetboek na een voorafgaande verplichte oproeping in verzoening. De Vrederechter zal dan dienen te oordelen aan wie van beide partijen hij het verdere rustig genot op de huurceel toekent en hierbij de fouten en tekortkoming in de verplichting tot het verschaffen van het rustig genot aan de andere partij in rekening kan brengen. Hiertoe kunnen alle bewijsmiddelen worden aangewend, waaronder schriftelijke verklaringen, brieven, e-mails, maar ook strafklachten.

Model van Verzoekschrift in toepassing van art. 1344bis Ger.W.

Aan de Vrederechter van ... (Vrederechter van de plaats van de huurwoning)

geeft met eerbied te kennen,

<<identiteit van de verzoekende partij en identiteit van haar advocaat>>

dat verzoekster huurde met ingang van <<<...>>> vanwege <<<identiteit van de verhuurder>>> een pand gelegen te  <<<...>>> en dit samen met

<<identiteit van de tegenpartij>>

Sedert... deden zich ernstige moeilijkheden voor in de relatie tussen verzoekster en de voormelde persoon die met haar samenwoont waarbij deze aldus verzoekster verstoort in haar rustig genot van de huurceel.

Dat een en ander te wijten is aan de uitsluitende tekortkomingen van tegenpartij, immers <<<motivering>>>

Dat medehuur tussen feitelijk samenwonenden een impliciet akkoord  veronderstelt tussen de samenwonenden om onderling het rustig genot van het gehuurde goed te delen, verbintenis waartoe beiden tegenover mekaar gehouden zijn;

Dat ingevolgde de voormelde feiten de op te roepen partij ongetwijfeld ernstige inbreuken heeft begaan op deze voormelde verplichting en aldus de uitdrijving rechtvaardigen van de op te roepen partij uit het gehuurde goed;

Dat de op te roepen partij bij dit verzoekschrift reeds werd opgeroepen in verzoening voor uw zetel in toepassing van art. 732. Ger. W. en dat er geen verzoening kon worden bereikt;

Dat derhalve verzoekster de uitdrijving van de op te roepen partij kan vorderen en vordert;

Gelet op de aard van de vorderingen dienen de bepalingen van artikel 1344ter § 2 Ger. W, te
worden gerespecteerd, namelijk
"Wanneer de vordering aanhangig wordt gemaakt bij verzoekschrift of bij vrijwillige verschijning, zendt de griffier, behoudens verzet van de huurder zoals bepaald in § 4, na een termijn van vier dagen na de inschrijving op de algemene rol van de vordering tot uithuiszetting, via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen bij gewone brief, een afschrift van het verzoekschrift naar het Openbaar Centrum voor Maat¬schappelijk Welzijn van de verblijfplaats van de huurder."
Artikel 1344ter § 4 Ger. W. stipuleert:
"De huurder kan in het proces-verbaal van vrijwillig verschijning of bij de griffie binnen een termijn van twee dagen na de oproeping bij gerechtsbrief, of bij de gerechts¬deurwaarder binnen een termijn van twee dagen na de betekening, zijn verzet ken¬baar maken tegen de mededeling aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van het afschrift van de inleidende akte. Het verzoekschrift of de dagvaarding vermeldt de tekst van het vorig lid."
Gelet op het feit dat de onderhavige zaak geen lange debatten vereist, meent de verzoekster toepassing te kunnen maken van art. 735 Ger. W. De verzoekster verzet zich dan ook tegen een schriftelijke verschijning voor de verweerder overeenkomstig art. 729 Ger. W.

OM DEZE REDENEN,
Behage het de Vrederechter,
de hoger vermelde verweerder per gerechtsbrief op te roepen om te verschijnen op een door u vast te stellen zitting;
de verweerder te veroordelen om het goed, gelegen te <<<…>>> ter vrije beschikking te stellen van de verzoekster en bij gebreke hier¬aan te voldoen binnen de 15 dagen (beter een maand) na de betekening van het te wijzen vonnis, verzoekster te machtigen de verweerder aldaar uit te drijven, door tussenkomst van de eerste daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder, zonodig met behulp van de openbare macht;
de verzoekster tevens te machtigen het domicilie van de op te roepen partij op voormeld adres te laten schrappen;
gelet op de aard van de vordering dienen de bepalingen van artikel 1344ter § 3 Ger.W. te worden gerespecteerd, namelijk:
"Wanneer de vordering aanhangig wordt gemaakt bij verzoekschrift of bij vrijwillige verschijning, zendt de griffier, behoudens verzet van de huurder zoals bepaald in § 4, na een termijn van vier dagen na de inschrijving op de algemene rol van de vordering tot uithuiszetting, via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen bij gewone brief, een afschrift van het verzoekschrift naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de verblijfplaats van de huurder."
Artikel 1344ter § 4 Ger. W. stipuleert:
"De huurder kan in het proces-verbaal van vrijwillig verschijning of bij de griffie binnen een termijn van twee dagen na de oproeping bij gerechtsbrief, of bij de gerechtsdeurwaarder binnen een termijn van twee dagen na de betekening, zijn verzet kenbaar maken tegen de mededeling aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van het afschrift van de inleidende akte. Het verzoek¬schrift of de dagvaarding vermeldt de tekst van het vorig lid."
te zeggen voor recht dat de verzoekster gerechtigd is in de rechten betreffende de huurwaarborg betaald voor het pand, zonder tussenkomst van de op te roepen partij;
de verzoekster akte te verlenen van het verzoek tot voorbehoud voor alle overige rechten;
het vonnis uitvoer te verklaren bij voorraad, gezien het instellen van een rechtsmiddel onherstelbare schade zou toebrengen aan verzoekster door de vertraging die ermee gepaard gaat en waarbij de toestand voor verzoekster momenteel onhoudbaar is <<<verdere motivering mbt de uitvoerbaarheid bij voorraad>>>
de op te roepen partij te veroordelen tot de kosten van het geding, die althans wat betreft deze aan de zijde van de verzoekster gevallen op heden belopen:
- rechtsplegingsvergoeding :
- rolrecht:

Aangehecht stuk: attest van woonst van de op te roepen partij
Eventueel aanvullende stavingsstukken.

 

Binnen welke termijn kan de uitdrijving worden gevorderd?

Zulk een uitzetting kan niet zomaar van de ene dag op de andere geschieden; alle omstandigheden in acht genomen moet een redelijke termijn om de woning te verlaten worden toegestaan.

Als redelijke termijn om te verhuizen dient een termijn van 1 maand in acht genomen worden.

Uitvoerbaarheid bij voorraad (niet vergeten)

Wanneer de eisende partij vergeet in haar verzoekschrift de uitvoerbaarheid bij voorraad te vragen, kan de vrederechter deze ook niet toestaan. Zelfs wanneer deze gevraagd wordt zal deze dienen gemotiveerd dienen te worden en kan de vrederechter deze uitvoerbaarheid weigeren. Indien een vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard, betekent dit dat er geen uitdrijving kan gebeuren zolang er geen uitspraak gedaan is over het gebeurlijk beroep of verzet (in geval van verstekvonnis) dat de tegenpartij kan instellen binnen de maand na de betekening van het vonnis. Hierdoor zou de zaak wel eens lang kunnen aanslepen...

En wat als de partij die de oproeping laat uitsturen deze verbergt aan de op te roepen partij?

Feitelijk samenwonenden die in onmin leven en de samenleving willen beëindigen leven ipso facto nog samen, waardoor de kans bestaat dat de verzoeker tracht de oproeping voor de vrederechter aan de andere partij verborgen te houden om aldus een veroordeling bij verstek te bekomen.

Indien de op te roepene hiervan kennis krijgt na de zitting maar voor het vonnis, kan hij een verzoek tot heropening van de debatten neerleggen. Dit zal wellicht worden afgewezen, gezien een versteklatende partij een dergelijk verzoek theoretisch gezien niet kan neerleggen, maar zorgt er toch voor dat de Vrederechter aldus op impliciete wijze kennis krijgt van de argumentatie van de op te te roepen persoon.

Zie  Vred. Leuven 2° kanton, 15/07/2003., T.Vred. 2006/5-6, 239.
VREDEGERECHT

Samenvatting: Woninghuur meervoudige huurders- wat bij relatiebreuk?

Wanneer 2 samenwonenden samen een huurcontract aangaan, is de verhuurder ten aanzien van hen beiden verbonden. Deze samenwonenden of meervoudige huurders hebben ten aanzien van elkaar de verbintenis om elkaar het rustig genot van de woning te verschaffen. Dit wederkerig genot kan worden verstoord door het louter feit van de relationele breuk tussen de huurders. De ene huurder kan dan ten aanzien van de andere huurder bij de Vrederechter een vordering tot uithuiszetting instellen op grond van de huurwet. De Vrederechter zal de woning aan de ene of de andere toewijzen op grond van een belangenafweging.

Rechtspraak:

VREDEGERECHT van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem zetel OUDENAARDE
Rolnummer : 05A813 (kantoorref 06526) 02-02-2006 NJW 141, 03/05/2006, 378 met kritische noot


VONNIS
INZAKE :L.B. c/ P.K. (verschijnt niet verwerende partij)
werd de eisende partij ter openbare terechtzitting van 5 januari tweeduizend en zes aanhoord waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op de terechtzitting van 2 februari tweeduizend en zes ( art.770 Ger.W. ).
1) De vordering :
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 20 december 2005 in toepassing van art. 1344 bis Ger. W. vordert de eisende partij:

- de veroordeling van de verwerende partij om het goed gelegen te Zwalm …, ter vrije beschikking te stelen van de eisende partij en bij gebreke hieraan te voldoen binnen de 24 uren na de betekening van het te wijzen vonnis, de eisende partij te machtigen de verwerende partij aldaar uit te drijven, door tussenkomst van de eerste daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder, zonodig met behulp van de openbare macht;
- de machtiging het domicilie van de verwerende partij op voormeld adres te laten schrappen;
- te horen zeggen voor recht dat zij gerechtigd is in de rechten betreffende de huurwaarborg betaald voor het pand, zonder tussenkomst van de verwerende partij;
- akte te verlenen van het verzoek tot voorbehoud voor alle overige rechten;
- de veroordeling van de verwerende partij tot de kosten van het geding.

De eisende partij verwijst naar het feit dat sedert begin 2005 er zich ernstige moeilijkheden voordoen in de relatie met de verwerende partij. Er worden een aantal data opgegeven waarop aan de eisende partij slagen en verwondingen werden toegebracht door de verwerende partij, waarvoor klacht werd neergelegd.

De eisende partij stelt dat de medehuur van de woonst gelegen te 9630 Zwalm, <<<.>>> met de verwerende partij de onderlinge verbintenis impliceert om elkaar het rustig genot te respecteren.
De eisende partij is van oordeel dat de verwerende partij daarop diverse inbreuken heeft begaan en deze feiten verrechtvaardigen volgens haar de uitdrijving van de verwerende partij via gerechtelijke weg.
Een oproeping in verzoening op 20.12.2005 waarop beide partijen aanwezig waren, leverde geen minnelijke regeling op.
Op de zitting van 5.1.2006 was de verwerende partij versteklatend. De eisende partij vorderde verstekvonnis, hetgeen kan worden toegestaan.
Bij verzoekschrift in toepassing van art. 773 Ger. W. vordert de verwerende partij de heropening debatten en beroept zich op het feit dat hij slechts zeer recentelijk kennis kreeg van de procedure en de procedurestukken en er tevens een nieuw feit is, nl. de optie verhuur van een studio vanaf 1.3.2006.

2) Bespreking

2.1 Inzake het verzoek tot heropening van de debatten
Het gedane verzoek van de verwerende partij tot heropening van de debatten dient te worden afgewezen, nu enkel een verschijnende partij gedurende het beraad en zolang het vonnis niet is uitgesproken de heropening van de debatten kan vragen bij ontdekking van een nieuw feit of nieuw stuk van overwegend belang.
De verwerende partij was versteklatend, zodat het verzoek als onontvankelijk dient te worden beschouwd.

2.2 Het maken van verstek van verweerder impliceert een uitdrukking van een betwisting, wijl de rechter de middelen dient te onderzoeken, welke de verwerende partij had kunnen laten gelden, zelfs indien deze niet van openbare orde of dwingend recht zijn (Fettweis,
Manuel, nr. 11).

Het moet als een grondbeginsel aanvaard worden dat de rechtsonderhorige het recht heeft te vertrouwen op de nauwgezette ambtsvervulling vanwege de rechtsmachten. De rechter die bij verstek van de gedaagde een zaak behandelt, dient uitspraak te doen op grond van de gegevens die aan zijn oordeel zijn onderworpen en kan of mag niet zonder meer de vordering inwilligen zonder de gegrondheid ervan na te gaan (o.a. Cass., 23.6.1995, Arr. Cass., 1995, 659).

2.3 Art. 215, §2 en art. 1477 §2 B.W. die een wettelijk onverdeeld huurrecht instellen in hoofde van beide echtgenoten resp. in hoofde van de beide wettelijk
samenwonenden, kunnen niet analogisch worden toegepast op feitelijk samenwonenden.
Daar waar in de hypothese dat bij het ontstaan van een concubinaatsrelatie of nadien één der partners intrekt bij de andere partner die een woning huurt, is het zo dat degene die de huurovereenkomst niet heeft ondertekend, niet als medehuurder kan worden beschouwd.

In casu, stellen Wij vast dat de huurovereenkomst van 19.4.2000 door beide feitelijk samenlevenden werd ondertekend. Dit impliceert dat er een contractuele medehuur is van beide partners, op basis waarvan elke partner over een onderscheiden en persoonlijk recht op de bezetting en het genot van het gehele goed samen met zijn medehuurder bezit.

In geval van onenigheid tussen de feitelijk samen¬wonenden laat de contractuele medehuur niet toe dat de ene partner de definitieve uitdrijving van de andere uit de woonst kan vorderen.

Niettemin kan worden aangenomen dat er tussen feitelijk samenlevende partners een stilzwijgend akkoord bestaat om elkaar het rustige genot te verschaffen van de woonst. Uit de voorliggende stukken blijkt alvast dat de verwerende partij dit rustig genot verstoort, zodat deze niet-naleving gesanctioneerd kan worden met uitdrijving.

De voorliggende stukken tonen op voldoende wijze aan dat de verstandhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat samenleven niet langer houdbaar is en zulks eveneens de aantasting inhoudt van het rustig genot in hoofde van de eisende partij.

Op de vordering van de eisende partij kan worden ingegaan met dien verstande dat de ontruiming zou gebeuren binnen de 24 uur na betekening van huidig vonnis. Zulk een uitzetting kan niet zomaar van de ene dag op de andere geschieden; alle omstandigheden in acht genomen moet een redelijke termijn om de woning te verlaten worden toegestaan.
Nu in het inleidend verzoekschrift de voorlopige uitvoerbaarheid niet werd gevorderd en onderhavige beslissing niet van rechtswege uitvoerbaar is, kan het vonnis niet uitvoerbaar worden verklaard bij voorraad op gevaar af te statueren ultra petita.

OM DEZE REDENEN Wij, Vrederechter
Met inachtneming van de artikelen 2 , 3, 34 , 36 , 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken.
Rechtdoende bij verstek.
Verklaart de vordering ontvankelijk en in de hiernabepaalde mate gegrond.
De verwerende partij, P.K., te veroordelen de woning gelegen' te 9630 Zwalm aan de <<<.>>> te verlaten binnen de maand te rekenen vanaf de betekening van dit vonnis.
Machtigt de eisende partij, zo hieraan niet is voldaan, de verwerende partij te doen uitzetten, zonodig met de hulp van de openbare macht.
De eisende partij te machtigen het domicilie van de verwerende partij op voormeld adres te laten schrappen
Zeggen voor recht dat de eisende partij gerechtigd is in de rechten betreffende de huurwaarborg betaald voor het pand, zonder tussenkomst van de verwerende partij.
Verlenen akte aan de eisende partij van haar verzoek tot voorbehoud van alle overige rechten.
Veroordelen de verwerende partij tot de kosten van het geding.
....
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag twee februari tweeduizend en zes door Dirk De Groote, vrederechter van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem, zetel Oudenaarde , bijgestaan door Filip Baguet, e.a.adjunct-griffie
r.


Tip:
Indien u alleen woont en een vriend of vriendin in huis neemt om samen te wonen zorg er dan voor dat uw naam alleen in het huurcontract voorkomt. Wanneer u samen gaat huren, ga dan het huurcontract op uw naam alleen aan en wanneer u bij een partner intrekt die reeds alleen huurder is, zorg dan dat het huurcontract ook op uw naam komt te staan en vraag hiertoe een aanpassing in het huurcontract.

Nog dit: 

VORDERING TOT UITZETTING TUSSEN ONGEHUWD SAMENWONENDEN

• Vred. Zottegem-Herzele 9 juni 2005, T.B.B.R. 2005, afl. 10, 610, noot VAN SINAY, T., Over het recht van bewoning in een familieregeling
 
Samenvatting: Een recht van bewoning kan worden gevestigd door verjaring. Degene die als titel voor zijn recht van bewoning de verjaring aanhaalt, moet aantonen dat hij het bezit heeft gehad gedurende de vereiste termijn animo domini. De bewoning mag niet steunen op een louter gedogen; indien de bewoning voor een andere uitleg vatbaar is dan het stellen van een bezitsdaad, is niet meer voldaan aan het vereiste bezit dat tot usucapio leidt.
Degene die de valorisering van zijn recht nastreeft en de ontruiming vordert van de bewoner van een goed, die niet kan aantonen dat hij titularis is van een zakelijk recht van bewoning, maakt zich als zodanig niet schuldig aan rechtsmisbruik.
De rechter die de ontruiming beveelt kan een termijn toekennen om het goed vrij te maken, rekening houdend met de leeftijd van de bewoner, mits betaling van een woonstvergoeding.
 
Quid met meerderjarig kind?
      Uitdrijving o.g.v. bezetting zonder titel mogelijk.
 
Quid met minderjarig kind?
      Vred. Gent (7) 19 oktober 1987, T. Vred. 1988, 206, noot WYLLEMAN, A. Toelaatbaar is de eis die een moeder tegen haar minderjarige zoon instelt en ertoe strekt zijn uitdrijving uit haar woning te horen bevelen, gelet op haar fysiek en psychisch zwakke toestand.
 
 

Meer rechtspraak

 

 

Samenvatting:
Het samenleven van twee ongehuwde partners, die samen een huurovereenkomst sloten, is ingevolge een verstoorde verstandhouding onmogelijk geworden. De billijkheid brengt mee dat één van hen uiteindelijk het recht op genot exclusief zal mogen uitoefenen. Eveneens billijk is dat de partner die de aanleiding vormt voor de beëindiging van de verhouding daarvan de gevolgen draagt.
 
 
Rechtsleer
 
• V. Tollenaere., Procedureperikelen inzake Huur, Huur 2001, 3-16.
• D. Scheers., Verzoening verplicht voor huurgeschillen, Juristenkrant 2003, afl. 62, 1 en 7.
• A. Heyvaert, Het statuut van samenwoners in advocatenpraktijk, Burgerlijk recht nr 12 en 13.
• H. Casman, Wettelijke samenwoning, Hoe gaat dat nu verder, NJW 60, 182
• Familie op maat verslagboek van het notarieel congres 2005, pagina 27 en volgende, Beschermingstechnieken (andere dan tontine en aanwasbedingen) tussen ongehuwd samenwonenden.
• C. Forder, en A. Verbeke Gehuwd of niet: maakt het iets uit?
• Overzicht rechtspraak 2000-2007-De Feitelijke samenwoonst, Tijdschrift Familierecht 2008/1-2, p.4

 
Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: vr, 10/03/2017 - 13:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.