-A +A

Auteursrecht en eerbied voor de integriteit van het werk

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Elke auteur verdient eerbied voor zijn intellectuele arbeid en kan zich verzetten tegen elke wijziging van zijn werk, zelfs met betrekking tot de titel. 

artikel 1, § 2 auteurswet

Antwerpen 5 november 2012, RABG 2012/20, 1397

(L.D.E. EN L.D.N./NV M. UITGEVERS)

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:
- wijlen L.D.E. is de auteur van onder meer:
i. het viertalig juridisch woordenboek L.D. Frans-Nederlands-Engels-Duits (hierna "L.D.1");
ii. het viertalig juridisch woordenboek L.D. Frans-Spaans-Engels-Duits (hierna "L.D.2");
de auteursrechten op die werken zijn na zijn overlijden in 1995 overgegaan op zijn erfgenamen, de appellanten;
- de geïntimeerde is titularis van de vermogensrechten met betrekking tot "L.D.1" (auteurscontract van 1 februari 1982) en van een licentie van onbepaalde duur met betrekking tot "L.D.2";
- bij brief van 12 december 2011 zeggen de appellanten de licentieovereenkomst op met betrekking tot "L.D.2" met een opzeggingstermijn van veertien dagen; tevens wordt de geïntimeerde verzocht de verdere commercialisering van "L.D .1" en "L.D.2" te staken respectievelijk wegens inbreuk op de morele rechten, inzonderheid het recht op eerbied ("L.D.1") en op de vermogensrechten en morele rechten, inzonderheid het recht op eerbied ("L.D.2"): meer bepaald zou de verdere commercialisering van een inmiddels achterhaald werk de reputatie van de auteur schaden;
- bij brief van 16 december 2011 betwist de geïntimeerde enige inbreuk op de auteursrechten van de appellanten te hebben begaan en laat zij weten niet te willen ingaan op de aanspraken van de appellanten, behalve indien de appellanten de rechten zouden afkopen, hetgeen door de appellanten wordt geweigerd;
- inmiddels is een andere uitgever (NV I. Uitgevers) sinds 2011 op de markt met een geactualiseerde/nieuwe versie van de L.D.-juridische woordenboeken.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 8 mei 2012 op tegenspraak verleend door de rechtbank van koophandel te Antwerpen, zetelend zoals in kort geding:
- wordt de vordering van de appellanten niet toelaatbaar verklaard, voor zover ze betrekking heeft op de staking van het verder reproduceren, aanbieden en/of verkopen van het viertalig juridisch woordenboek L.D. Frans-Spaans-Engels-Duits op basis van een vermeende inbreuk op de vermogensrechten na de opzegging van de licentieovereenkomst van onbepaalde duur bij brief van 12 december 2011;
- worden de overige vorderingen van de appellanten toelaatbaar, maar ongegrond verklaard;
wordt de tegeneis van de geïntimeerde (tot schadeloosstelling wegens de beweerde onrechtmatige opzegging van de licentieovereenkomst) niet toelaatbaar verklaard;
- en wordt elk van de partijen veroordeeld tot de eigen gedingkosten.

2.2. Bij hun op 6 juni 2012 ter griffie neergelegd "verzoekschrift tot hoger beroep" tekenen de appellanten hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 8 mei 2012.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, § 2, 3<le lid Ger.W. en behandeld op de terechtzitting van 25 september 2012.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van hun op 7 september 2012 ter griffie neergelegde "aanvullende en hernemende conclusie in hoger beroep" vragen de appellanten:
- hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het bestreden vonnis te hervormen;
- opnieuw te oordelen;
- hun vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- derhalve te zeggen voor recht dat de geïntimeerde door het verder commercialiseren van:
1. "L.D .1" een inbreuk pleegt op het recht op eerbied waarvan zij de titularis zijn;
2. "L.D.2" een inbreuk pleegt op de vermogensrechten en de morele rechten (recht op eerbied) die zij bezitten;
- vervolgens de geïntimeerde te bevelen om het verder reproduceren, aanbieden en/of verkopen van "L.D.1" en "L.D.2" te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom van 500,00 EUR per inbreuk die wordt vastgesteld na de betekening van het tussen te komen arrest;
- en de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

3.2. Bij haar op 21 september 2012 ter griffie neergelegde "aanvullende en samenvattende conclusie" vraagt de geïntimeerde:
- de vordering van de appellanten niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren;
- haar recht te erkennen om "L.D.1" en "L.D.2" verder te commercialiseren, minstens tot uitputting van de huidige voorraad;
- en de appellanten te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

4. Beoordeling
(".)
4.2. Grond van de betwisting
(".)
4.2.3. Aangaande de gegrondheid van de vordering van de appellanten, voor zover gebaseerd op de beweerde schending van de morele rechten

4.2.3.1. Met de appellanten is dit hof van oordeel dat zij titularis zijn van de morele rechten op de werken "L.D.1" en "L.D.2", inbegrepen het recht op eerbied. Zij kunnen die rechten derhalve in eigen naam uitoefenen. Iets anders is dat bij de beoordeling van de vraag of het recht op eerbied hier al dan niet werd geschonden, rekening moet worden gehouden met de wil en de opvattingen van de overleden auteur. Met niet-ontvankelijkheid van de vordering van de appellanten, heeft dat evenwel geen uitstaans.

4.2.3.2. De appellanten laten nu gelden dat het recht op eerbied hier door de geïntimeerde wordt geschonden door het verder commercialiseren van de inmiddels verouderde werken "L.D.1" en "L.D.2".

4.2.3.3. Krachtens artikel 1, § 2 auteurswet, heeft de auteur het recht op eerbied voor zijn werk dat het hem mogelijk maakt zich te verzetten tegen elke wijziging van zijn werk. Niettegenstaande enige afstand, behoudt de auteur het recht om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dit werk dan wel tegen enige andere aantasting van het werk, die zijn eer of zijn reputatie kunnen schaden.

4.2.3.4. Bij toepassing van die wetsbepaling is slechts sprake van een miskenning van het recht op eerbied, mits wordt aangetoond dat:
- een beschermd werk een wijziging, een misvorming, een verminking of een aantasting heeft ondergaan;
- daardoor de eer of de reputatie van de auteur van dat werk wordt geschaad.

4.2.3.5. De eerste voorwaarde impliceert dat een wijziging aan het oorspronkelijk werk moet zijn aangebracht. Die wijziging kan materieel zijn (door een ingreep in het werk zelf), doch ook intellectueel of contextueel (vgl. Cass. 8 mei 2008, TBH 2010, 769, noot). In dit verband laten de appellanten enkel gelden dat "L.D.1" en "L.D.2" contextueel zijn gewijzigd. Een materiële of intellectuele wijziging wordt niet aangevoerd.
Met de geïntimeerde is het hof van oordeel dat van een wijziging, zelfs contextueel, slechts sprake is wanneer door de persoon aan wie het recht van eerbied wordt tegengeworpen (hier de geïntimeerde) zonder toestemming van de auteur een wijziging aan het oorspronkelijk werk werd aangebracht, hetgeen een handeling of een actief ingrijpen van de betrokkene vereist.

Aan die voorwaarde is hier niet voldaan. De door de geïntimeerde gecommercialiseerde werken zijn nog steeds de oorspronkelijke werken die door wijlen L.D.E. werden gecreëerd en bijgewerkt tot kort vóór zijn overlijden in 1995. Door de geïntimeerde werd aan die werken geen enkele wijziging aangebracht, ook niet contextueel of inzake de bestemming. Het betreft inderdaad nog steeds een uitgave van professionele juridische literatuur. Ter zake is er alleen maar het voortschrijden van de tijd (waarop niemand vat heeft) waardoor het juridisch taalgebruik van de beschermde werken inmiddels verouderd is.
Dat is geen wijziging door de geïntimeerde van de context. De geïntimeerde heeft niets anders gedaan dan de betrokken werken op een gangbare wijze gereproduceerd en uitgegeven conform de contractuele afspraken tussen haar en de auteur, dit telkens met vermelding van de publicatiedatum. Aan de geest van de werken werd helemaal niet geraakt. De rechtspraak waarnaar de appellanten in dit verband verwijzen, kan daaraan niets veranderen.

4.2.3.6. Bij gebrek aan bewijs van enige wijziging door de geïntimeerde van de context, is de eerste voorwaarde (wijziging van het oorspronkelijk werk) niet vervuld opdat sprake zou kunnen zijn van een miskenning van het recht op eerbied waarvan de appellanten titularis zijn. Op de tweede voorwaarde (het schaden van de eer of de reputatie van de auteur) moet bijgevolg niet verder worden ingegaan.

4.2.3.7. Slotsom van wat voorafgaat is dat het hoger beroep van de appellanten ongegrond is. Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

4.2.4. Aangaande de kosten van het hoger beroep

Als in het ongelijk gestelde partijen worden de appellanten veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt vereffend op het geïndexeerde basistarief van 1.320,00 EUR (niet in geld waardeerbare vordering).

5. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Het hof:
- verklaart het hoger beroep van de appellanten ontvankelijk, maar ongegrond;
- bevestigt het bestreden vonnis, met die wijziging dat voor recht wordt gezegd dat
de stakingsrechter niet bevoegd is om te oordelen over de vordering van de appellanten wegens schending van de vermogensrechten en over de tegeneis van de geïntimeerde wegens onrechtmatige beëindiging van de licentieovereenkomst;
- veroordeelt de appellanten tot de kosten van het hoger beroep en vereffent de aan de zijde van de geïntimeerde gevallen kosten als volgt:
- de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 1.320,00 EUR.
( ... )

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 23/06/2013 - 18:48
Laatst aangepast op: zo, 23/06/2013 - 18:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.