-A +A

Arbitragebeding en bevoegdheid van de rechtbank

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een arbitragebeding of een arbitrageovereenkomst onttrekt een geschil aan de bevoegdheid en de rechtsmacht van de rechter. Enkel de arbiters zijn nog bevoegd uitspraak te doen over het geschil.

In toepassing van artikel 1676.1. Ger. W. kan elk geschil dat reeds is ontstaan of nog kan ontstaan uit een bepaalde rechtsbetrekking waarover een dading mag worden aangegaan, bij overeenkomst aan arbitrage worden onderworpen.

Een overeenkomst tot arbitrage behoort te zijn vervat in een door partijen ondertekend geschrift, of in andere hem bindende stukken, waarin zij blijk hebben gegeven van hun wil om het geschil aan arbitrage te onderwerpen (artikel 1677 Ger. W.).

Het voornoemd geschrift inzake arbitrage geldt enkel ad probationem en niet ad validitatem zodat de wilsovereenstemming hieromtrent kan blijken uit de algemene voorwaarden van één van de partijen waarmede de andere akkoord ging.

Het ontbreken van een “ondertekening voor akkoord” op de algemene verkoopsvoorwaarden impiceert niet dat er geen wilsovereenstemming is met de arbitrage wanneer de arbitrage voorzien is in de aanvaarde algemene voorwaarden.
was. Nergens, noch bij wet noch bij overeenkomst, is bepaald of voorzien dat alsdan dé algemene verkoopsvoorwaarden nog afzonderlijk moeten worden ondertekend.

Het feit dat een arbitragebeding werd opgenomen sluit niet uit dat men zich tot de kortgedingrechter kan en mag wenden.

Artikel 1679,2° Ger. W. stelt dienaangaande:
“ Met een overeenkomst tot arbitrage is niet onverenigbaar dat een partij zich tot de rechter wendt in verband met het nemen van bewarende maatregelen of ter verkrijging van een voorlopige voorziening: dit betekent niet dat die partij van arbitrage afziet. “

Het berusten in een kortgedingbeschikking impliceert niet dat de rechtsmacht van de gewone rechtbanken wordt aanvaard en houdt derhalve geen impliciete afstand in van het arbitragebeding.

toepassing:

Hof van Beroep Gent 7 januari 2011, NJW 246, 503, met noot.

Rechtspraak:

• Vredegerecht Zottegem-Herele, 23 juni 2010, RW 2011-2012, 376

NV D.T. e.a. t/ BVBA I.P.D. e.a.

...

De verweerders concluderen als eerste middel tot de onontvankelijkheid van de vordering van de eisers doordat de tussen hen gesloten handelshuurovereenkomst een arbitragebeding bevat dat als volgt luidt:

“De partijen komen overeen alle bovenstaande overeenkomsten loyaal en te goeder trouw uit te voeren.

“De partijen gaan er vanaf heden mee akkoord om elk geschil dat tussen hen kan ontstaan snel en via een eenvoudige procedure op te lossen. Bijgevolg wordt elk geschil betreffende de bovenstaande overeenkomsten en al haar gevolgen beslecht door de Kamer van Arbitrage en Bemiddeling (info@arbitrage-mediation.be – www.arbitrage-mediation.be) in overeenstemming met haar reglement”.

Art. 1679, eerste lid, Ger.W. bepaalt dat de rechter bij wie een aan arbitrage onderworpen geschil aanhangig is gemaakt, zich, op verzoek van een partij, onbevoegd verklaart om daarvan kennis te nemen, tenzij er ten aanzien van dat geschil geen geldige overeenkomst tot arbitrage is of deze is geëindigd; de exceptie moet voor elke andere exceptie of verweer worden voorgedragen.

Juridisch-technisch dient te worden opgemerkt dat de opgeworpen exceptie geen exceptie van onbevoegdheid is maar van afwijzing van rechtsmacht, wat een fundamenteel onderscheid uitmaakt (M. Storme en M. Voordeckers, “Overzicht van rechtspraak: Arbitrage (1989-2005)”, TPR 2005, p. 1259 e.v., nrs. 21 e.v.).

De geadieerde overheidsrechter moet steeds op de eerste plaats nagaan in hoeverre hij rechtsmacht heeft en kan zich slechts bevoegd verklaren wanneer de beslechting van het geschil aan de rechterlijke macht waartoe hij behoort, werd toevertrouwd (J. Laenens, “Rechtmacht versus bevoegdheid”, P.&B. 1994, 84).

Dit art. 1679 Ger.W. is het scharnierartikel van het hele arbitragerecht: in geval van arbitrage wordt de overheidsrechter buitenspel gezet, behoudens voor bewarende maatregelen of voorlopige voorzieningen (cf. infra).

De eisers betwisten de rechtsgeldigheid van het arbitragebeding niet, maar voeren aan dat de verweerders de exceptie niet voor elke andere exceptie of verweer hebben voorgedragen (niet in limine litis) doordat aan de huidige procedure een gewone verzoeningsprocedure overeenkomstig art. 731 e.v. Ger.W. is voorafgegaan waarbij een proces-verbaal met akkoord aangaande de beëindiging van de tussen de partijen bestaande overeenkomst werd bereikt. Volgens de eisers hebben de verweerders bijgevolg de bevoegdheid van de vrederechter aanvaard en kunnen zij, doordat zij nagelaten hebben in de procedure van minnelijke schikking de onbevoegdheid van de vrederechter aan te voeren, in de huidige procedure in rechte niet meer beweren dat de exceptie in limine litis is voorgedragen.

Een exceptie van onbevoegdheid (in casu van afwijzing van rechtsmacht) dient echter niet noodzakelijkerwijze reeds voorgedragen te worden ter gelegenheid van de verzoening om te voldoen aan het begrip “in limine litis”. In limine litis onderstelt immers een contentieuze fase; bovendien is een verzoek tot oproeping in verzoening geen akte van rechtsingang (M. Verrycken, G. Van Oosterwijck, J. Laenens en W. Lambrechts, Taak en bevoegdheid van de vrederechter, p. 283, nr. 46).

De vaststelling dat de verweerders tijdens de verzoeningsfase voor dit vredegerecht niet de hier opgeworpen exceptie hebben aangevoerd en zelfs het proces-verbaal met akkoord tot de beëindiging van de overeenkomst ondertekenden, verhindert hen derhalve niet in de onderhavige procedure die betrekking heeft op andere betwistingen dan de beëindiging van de overeenkomst, de exceptie aan te voeren; deze aanvoering van de exceptie van afwijzing van rechtsmacht gebeurde in limine litis, zodat de overheidsrechter (de vrederechter) zich zonder rechtsmacht moet verklaren om van het geschil kennis te nemen.

Het is ook belangrijk niet uit het oog te verliezen dat de partijen krachtens de wettelijke bepalingen zich tot (onder meer, aangezien ook een notariële akte mogelijk was) de vrederechter-overheidsrechter dienden te wenden om hun akkoord met de voortijdige beëindiging van de als handelshuurovereenkomst aangegane overeenkomst te laten vaststellen.

Normaliter dient deze beëindiging te geschieden overeenkomstig art. 3, vierde lid, Handelshuurwet, maar in casu werd geopteerd voor de weg van de gewone facultatieve minnelijke schikking om tot hetzelfde resultaat te komen.

Art. 1679, tweede lid, Ger.W. bepaalt vervolgens dat met een overeenkomst tot arbitrage niet onverenigbaar is dat een partij zich tot de rechter wendt in verband met het nemen van bewarende maatregelen of ter verkrijging van een voorlopige voorziening; dit betekent niet dat die partij van arbitrage afziet.

In casu is het echter de partij die ten onrechte aanvoert dat haar tegenpartij zich niet (meer) op het arbitragebeding kan beroepen en die zelf het arbitragebeding verwerpt die in subsidiaire orde vordert dat de overheidsrechter een voorlopige voorziening treft in afwachting van de arbitrage.

Precies de conventionele aard van arbitrage leidt ertoe dat arbitrageprocedures geen voldoende efficiënt middel vormen tot het vorderen van voorlopige of bewarende maatregelen.

Voorlopige en bewarende maatregelen dienen echter van tijdelijke aard te zijn, mogen slechts worden gevorderd bij urgentie en kunnen geen nadeel berokkenen aan de berechting van de zaak ten gronde (Commentaar Gerechtelijk Recht, art. 1679, tweede lid).

De eisers vorderen een provisionele maatregel in de vorm van de veroordeling van de verweerders tot de betaling van een provisie van 48.663,73 euro wegens achterstallige huur, bijhorigheden en kosten alsook de blokkering van de som van 36.000 euro (verbrekingsvergoeding) op een geblokkeerde rekening.

Hoewel in eerste instantie aan de voorzitter der rechtbank, rechtsprekende in kort geding zou worden gedacht als bevoegde rechtsinstantie om een dergelijke vordering in te leiden of te stellen, lijkt geen wettelijke bepaling te verhinderen dat ook de ratione materiae en derhalve de ten gronde bevoegde rechter kan worden geadieerd; inzake huur is dit de vrederechter.

De aan de overheidsrechter toegekende mogelijkheid om bij arbitrage een voorlopige voorziening te treffen, heeft tot doel om een reeds provisioneel en gewaarborgd recht toe te kennen wanneer de toekenning van een dergelijk recht wegens haar evidentie niet kan worden geweigerd en men een substantieel nadeel zou berokkenen wanneer de rechthebbende tot na de afronding van de procedure ten gronde zou moeten wachten (Commentaar Gerechtelijk Recht, art. 1679, tweede lid).

De overheidsrechter vermag in deze context enkel marginaal en zonder onderzoek ten gronde, omdat dit de arbiters toekomt, te onderzoeken of de door de eisers provisioneel gevormde aanspraak dermate evident is dat zij niet geweigerd kan worden. Er zou immers een belangrijk conflict in jurisdictie kunnen ontstaan wanneer de overheidsrechter de verweerders zou veroordelen om aan de eisers een provisioneel bedrag te betalen en de arbiters vervolgens tot de vaststelling zouden komen dat deze toekenning volledig of ten dele ongegrond is wegens de gegrondheid van het verweer van de verweerders ten gronde.

In dit verband voeren de verweerders in hun conclusie aan dat er een inhoudelijke discussie blijft, daar de eisers op het ogenblik van de contractsluiting elementaire informatie hebben verzwegen aangaande de uitbating van de handelszaak, en dat zij zich het recht voorbehouden om dit element in het verdere verloop van de procedure verder toe te lichten.

Het door de eisers beweerde recht wordt derhalve door de verweerders, zij het zeer summier en zonder in detail te treden, in hun conclusie betwist; dit kon hen ook bezwaarlijk ten kwade worden geduid, omdat zij in deze conclusie hoofdzakelijk verweer voerden tegen de door de eisers voorgenomen toepassing van de korte debatten-procedure en in primaire orde, bovendien terecht, concludeerden tot de afwijzing van de rechtsmacht van de vrederechter.

Deze betwisting ten gronde is niet a priori en absoluut evident van elke rechtmatigheid ontdaan, met als gevolg dat het recht op achterstallige huur en verbrekingsvergoeding van de eisers binnen de huidige beoordelingsmacht van de vrederechter onvoldoende vaststaat om hierover provisionele voorzieningen in hun voordeel te kunnen treffen.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 01/10/2011 - 09:14
Laatst aangepast op: za, 08/10/2011 - 13:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.