-A +A

Aliments ne s’arréragent pas

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Letterlijk: "Onderhoudsplicht schept/laat geen achterstallen" of "Geen toekenning van onderhoudsgeld met terugwerkende kracht" of "Onderhoudsschuld met terugwerkende kracht bestaat niet"

Dit adagium stelt:

"Wanneer een onderhoudsgerechtigde aanspraak maakt op te toekenning van een onderhoudsgeld, kan hij dit enkel voor de toekomst vorderen en niet voor het verleden. HImmers de onderhoudsgerechtigde die in het verleden geen onderhoudsgeld vorderde, wordt verondersteld in het verleden niet behoeftig te zijn geweest. Immers de afwezigheid van het instellen van het bekomen van onderhoudsgeld geldt als vermoeden van gebrek aan behoeftigheid (hoe zou de onderhoudsgerechtigde in het verleden anders en zonder onderhoudsgeld hebben kunnen overleven."

Een zelfde vermoeden geldt bij huwelijk en samenwoning waarbij de bijdrage in de huishouding verondersteld wordt bij gebreke aan enige vordering verrekend en geregeld te zijn.

Het adagium maakt duidelijk een onderscheid tussen het abstracte recht op onderhoudsplicht en de bij vonnis of bij akte geconcretiseerde onderhousschuld ingevolge veroordeling tot een bepaald periodiek bedrag onderhoudsgeld.

Verschuldigde onderhoudsgelden ingevolge vonnis, arrest, beschikking of akte vervallen zeker niet door niet betaling. Zij verjaren in toepassing van artikel 2277 BW pas na 5 jaar.

« Aliments ne s’arréragent pas », heeft zeker geen absolute werking in het Belgisch positief recht. Het is niet meer dan een indicatief vermoeden, een middel van verweer, waarvan de rechter in concreto kan afwijken bij vraagstukken over de toekenning van onderhoudsgeld met terugwerkende kracht.

L’obligation alimentaire ne s’applique qu’à partir du moment où le bénéficiaire potentiel la réclame et qu'ainsi, on ne peut réclamer de la nourriture rétrospectivement.

Rechtspraak:

• Cass. AR 5826, 2 september 1988, Arr.Cass. 1988-89, 4, advies DU JARDIN; Bull. 1989, 4; Pas. 1989, I, 4.

samenvatting

Noch art. 209 B.W., noch enig rechtsbeginsel, noch de rechtspreuk 'onderhoudsgeld laat geen achterstallen' staan eraan in de weg dat ontheffing of vermindering van een rechterlijk vastgestelde uitkering tot levensonderhoud wordt toegestaan over een tijdspanne die is verlopen vóór de dag van de vordering tot ontheffing of vermindering.

Conclusie parket-Generaal

Advocaat-generaal du Jardin heeft in substantie gezegd:

Eiser vorderde, wegens een wijziging in zijn financiële toestand, vermindering van zijn alimentatieschuld, op grond van artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek. Zijn vordering werd gedeeltelijk ingewilligd. (...)

Met het tweede onderdeel van het tweede middel wordt de volgende rechtsvraag gesteld: mag de rechter een wijziging van het bedrag van de uitkering tot levensonderhoud toestaan over een tijdspanne van vóór de dag van de vordering tot wijziging? De rechter zegt ten deze dat dit niet kan.

Wat was de stelling van eiser? Als krachtens artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek ontheffing of vermindering van het onderhoudsgeld kan worden gevorderd wegens een wijziging in de bestaansvoorwaarden van de schuldenaar, die niet meer in staat is het levensonderhoud te betalen, moet die ontheffing of die vermindering logischerwijze van toepassing kunnen zijn vanaf het ogenblik waarop de gewijzigde toestand is ontstaan, dus vóór het vonnis dat de ontheffing of de vermindering toekent, en zelfs vóór de inleiding van het verzoekschrift daartoe.

Het recht op wijziging van de uitkering tot levensonderhoud bestaat inderdaad onafhankelijk van de vordering, die slechts de uitvoering van de onderhoudsverplichting kan betreffen.

Een aanpassing van die uitkering op basis van artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek moet mitsdien kunnen terugwerken tot het tijdstip waarop de oorzaak van de wijziging is ontstaan.

Eiser betoogt dat artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek geschonden werd door de beslissing dat de toegekende vermindering principieel niet kan worden toegestaan voor een tijdspanne die de datum van de aanvraag voorafgaat.

De vraag naar het aanvangspunt van de onderhoudsverplichting of van de wijziging ervan moet vanuit een bredere gezichtshoek beoordeeld worden, op grond namelijk van de ontleding van de grondslag van de onderhoudsverplichting zelf.

Vanaf wanner is de uitkering tot levensonderhoud verschuldigd? Drie antwoorden zijn theoretisch mogelijk:
– vanaf de rechterlijke beslissing die ze toekent;
– vanaf de datum waarop de vordering daartoe wordt ingediend;
– vanaf het moment waarop de behoefte-toestand is ontstaan.

Meestal wordt aanvaard dat het recht op onderhoudsgeld en de correlatieve verplichting dit te betalen niet ontstaan uit en door een rechterlijke beslissing, maar rechtstreeks uit de wet, d.w.z. zodra de wettelijke voorwaarden verenigd zijn, en, nog beter uitgedrukt, uit een feitelijke toestand aan dewelke de wet juridische gevolgen verbindt. De vordering wordt dan ook enkel ingesteld ten einde de uitvoering te verkrijgen van een verbintenis, die evenwel bestaat, afgezien van elke vordering.

In dit opzicht heeft de rechterlijke beslissing geen attributief of creatief maar enkel een declaratief karakter(1).

Hieruit volgt ook dat de beslissing een beperkt gezag van gewijsde heeft(2) omdat zij op grond van artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek vatbaar is voor wijziging.

Op basis van die principiële stelling, en nu het recht op uitkering tot levensonderhoud, de verplichting die te betalen en het recht op ontheffing of vermindering ex art. 209, door hun betrokkenheid met hetzelfde probleem – de uitkering tot levensonderhoud – ontegensprekelijk in nauw correlatief verband staan, kan men reeds stellen dat het aanvangspunt van een wijziging van die uitkering op grond van art. 209 zeker niet in de rechterlijke beslissing die de wijziging toestaat, kan gelegen zijn, in zoverre aan die beslissing slechts een declaratief karakter wordt toegekend.

De arresten van het Hof die geoordeeld hebben dat de beslissing waarbij de uitkering wordt toegekend, haar uitwerking behoudt zolang de schuldenaar, op basis van artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek geen wijziging of ontheffing heeft «verkregen», zijn met die zienswijze niet in strijd. Zij betreffen immers enkel het strafrechtelijk aspect van de aangelegenheid: het vonnis dat onderhoudsgeld toekent, moet worden uitgevoerd totdat een nieuw vonnis de schuldenaar van die uitvoering ontlast, en de door de strafwet gesanctioneerde verplichting houdt enkel verband met de uitvoering van een uitvoerbare beslissing; de regel die het Hof in strafzaken hieruit heeft afgeleid betreft alleen de procedure; zij raakt de grond van het recht niet(3).

Zou het aanvangspunt van de onderhoudsverplichting en – mutatis mutandis – van de wijziging ex. art. 209 van het Burgerlijk Wetboek de dag van de vordering kunnen zijn?

Men zou geneigd zijn dit te aanvaarden op grond van de overweging dat zolang niets wordt gevraagd, de rechter uit het uitblijven van zulke vordering mag afleiden dat de onderhoudsgerechtigde in staat is om in zijn onderhoud te voorzien, of, wat het huidig probleem aangaat, dat de onderhoudsplichtige in staat is het onderhoudsgeld te betalen.

Die stelling vindt steun in het arrest van 2 juni 1978(4); «Uit de artikelen 205 tot 211 van het Burgerlijk Wetboek dient afgeleid te worden dat onderhoudsgelden in principe slechts verschuldigd worden wanneer zij door de schuldeiser aangevraagd worden.»

Een rechterlijke beslissing die onderhoudsgelden toekent zou mitsdien slechts uitwerking hebben vanaf de inleiding van de vordering(5).

M.b.t. het onderhavige probleem neemt men aan dat de onderhoudsplichtige, die in zodanige staat komt dat hij het onderhoudsgeld niet meer kan verschaffen, niet wacht om de vordering tot ontheffing of vermindering in te stellen. Zolang hij die ontheffing of vermindering niet vraagt, blijft het recht op onderhoudsgeld bestaan.

Het aanvangspunt van de wijziging kan mitsdien niet anders zijn dan de datum van de vordering.

Het declaratief karakter van de beslissingen inzake onderhoudsgeld verschaft immers een argument, ten gunste van die stelling(6).

Het Hof heeft evenwel in datzelfde arrest van 2 juni 1978 zijn principiële stelling aanzienlijk genuanceerd:
«Overwegende echter dat de in de artikelen 203 en 303 van het Burgerlijk Wetboek vermelde verbintenissen ten behoeve van de kinderen bestaan, afgezien van elke vordering ingesteld ten einde uitvoering ervan te bekomen.» Het Hof leidde hieruit af dat die onderhoudsverplichtingen kunnen bestaan over een tijdspanne die de inleidende vordering voorafgaat(7).

Een zelfde regel werd reeds toegepast t.a.v. de onderhoudsverplichting tussen echtgenoten, op basis van artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek(8) omdat «l'article 213 fait naître l'obligation du seul fait du mariage(9)».

Uit een nauwlettende lezing van het arrest van 2 juni 1978 blijkt dat het Hof alleen uitspraak deed over het tijdstip vanaf hetwelk onderhoudsgeld opeisbaar wordt, doch niet over het tijdstip vanaf hetwelk de onderhoudsverplichting bestaat of ontstaat(10).

Op grond van dat arrest is men ook niet gerechtigd een radicaal onderscheid te maken tussen de vorderingen ex. art. 203 of 213 van het Burgerlijk Wetboek enerzijds en de vorderingen ex. artt. 205 tot 211 anderzijds(11).

Alle wettelijke onderhoudsvergoedingen bestaan inderdaad, afgezien van de vordering ingesteld om de uitvoering ervan te verzekeren.

Het recht op onderhoudsgeld ontstaat zodra de wettelijke voorwaarden daartoe verenigd zijn: de behoeftetoestand van de gerechtigde en de financiële mogelijkheden van de plichtige. Om het tijdstip te bepalen vanaf wanneer het recht en de correlatieve verplichting ontstaan of verdwijnen, kan de dag van de vordering dus niet doorslaggevend zijn.

Wanneer de rechtbank over zulke vorderingen uitspraak doet, dan doet zij niet meer dan vaststellen dat de wettelijke voorwaarde voor het ontstaan van de verplichting, respectievelijk voor de ontheffing of vermindering ervan, aanwezig zijn. Niets belet de rechter vast te stellen dat die voorwaarden reeds aanwezig waren tijdens een tijdspanne verlopen vóór de dag van de vordering.

«Il ne faut pas confondre le droit aux aliments et le titre qui éventuellement consacre ce droit» schreef Renchon(12).

Vieujean houdt een gelijkaardige beschouwing:

«Les obligations (alimentaires) légales (...) résultent de la conjonction des éléments requis par la loi (...) et le juge n'a d'autre rôle que de les sanctionner, au besoin en en constatant l'existence et en arrêtant les précisions nécessaires à leur exécution»(13).

Nogmaals komt het declaratief karakter van de beslissingen inzake uitkering tot levensonderhoud die stelling steunen.

De stelling van het arrest van 2 juni 1978, toegepast t.a.v. het onderhoudsgeld ten behoeve van de kinderen, moet kunnen gelden t.a.v. alle onderhoudsverplichtingen.

De opeisbaarheid van een rechterlijke beslissing die onderhoudsgeld toekent, impliceert wellicht dat een van rechtswege ontheffing van de verplichting niet mogelijk zou zijn en dat een rechterlijke beslissing op basis van artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek noodzakelijk is. «Mais la variation du droit s'opère instantanément du moment où les besoins du créancier subissent une modification(14).»

Op basis van de regel dat de onderhoudsverplichting ontstaat zodra de wettelijke elementen tegelijk aanwezig zijn – d.w.z. behoeftigheid van de gerechtigde en vermogen van de plichtige – moet men tevens aannemen dat de onderhoudsverplichting ook een «einde» neemt op het ogenblik dat de bestaansvoorwaarden ervan niet meer aanwezig zijn. De rechter kan dus ontheffing of vermindering toestaan voor het verleden.

Gerlo schreef hieromtrent: «Als de onderhoudsschuldeiser onderhoudsgeld kan vragen voor het verleden, dan moet de schuldenaar met terugwerkende kracht herziening kunnen vragen, indien hij bewijst dat de gewijzigde verhouding tussen behoefte en vermogen dergelijke herziening wettigt(15).»

M.b.t. de vaststelling van het aanvangspunt van de wijziging van de onderhoudsvergoeding ex. art. 209 van het Burgerlijk Wetboek, moet men dus tot het besluit komen dat, indien de plichtige het bewijs levert dat hij vanaf een bepaalde dag niet meer in staat was het onderhoud te verschaffen, geen enkele rechtsregel zich verzet tegen het toestaan van die wijziging over een tijdspanne die de dag van de inleiding van de vordering voorafgaat.

Die oplossing berust op de ruim aanvaarde stelling dat «la décision de justice accordant une pension alimentaire ne crée pas de droits nouveaux mais consacre des droit préexistants. L'action (...) ne fait que mettre en forme une obligation préexistante(16).»

Op basis van een logische en correlatieve redenering moet men dan ook aannemen dat de rechter die, op grond van artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek, een ontheffing of een vermindering van het onderhoudsgeld toestaat, zich ertoe beperkt vast te stellen dat die toestand op een bepaald tijdstip aanwezig is, een tijdstip dat niet noodzakelijk de dag van de vordering zal zijn.

Het bestreden vonnis beschouwt evenwel als een dwingende regel dat de ontheffing of de vermindering enkel vanaf de vordering daartoe kan worden toegestaan.

Dit houdt een schending van artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek in.

Ik besluit dus tot cassatie op grond van het tweede onderdeel van het middel.

Arrest

 

HET HOF;
Gelet op het bestreden vonnis, op 30 juni 1986 in hoger beroep door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel gewezen;
Over het tweede middel: schending van de artikelen 97 van de Grondwet, 203, 205, zoals vervangen bij artikel 3 van de wet van 14 mei 1981, 207, 208, 209, 212 en 221 van het Burgerlijk Wetboek, de drie laatste bepalingen zoals gewijzigd bij de wet van 30 april 1958, onder meer artikelen 1 en 8, en bij de wet van 14 juli 1976, artikel 1.

doordat het bestreden vonnis beslist dat «het duidelijk is, zoals de eerste rechter terecht onderstreept, dat de toegekende vermindering van alimentatiegeld niet kan worden toegestaan vóór de datum van de aanvraag, t.t.z. 13 mei 1985» en de eerste bodemrechter er zich in het beroepen vonnis toe beperkt heeft te stellen dat «de vermindering van alimentatiegeld nochtans niet (kan) worden toegestaan vóór de datum van de aanvraag».
terwijl, (...)

tweede onderdeel, naar luid van artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek, wanneer hij die het levensonderhoud verstrekt, of hij die het geniet, tot zodanige staat komt dat de ene het niet meer kan verschaffen of de andere het niet meer nodig heeft, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, ontheffing of vermindering ervan kan worden gevorderd; uit deze wetsbepaling kan worden afgeleid dat de onderhoudsverplichting zich wijzigt op het ogenblik dat er een wijziging in de bestaansvoorwaarden ervan tussenkomt, waaruit volgt dat de rechter de ontheffing of de vermindering van deze verplichting kan toestaan vanaf een ogenblik dat aan de inleiding van de rechtsvordering voorafgaat, ten deze de ingeroepen wijzigingen in de toestand der partijen, waarop de vordering is gegrond, dagtekenen van vóór de inleiding van de eis, te weten van de maand februari 1984; zodat het bestreden vonnis, met bevestiging van het beroepen vonnis van de eerste bodemrechter, niet wettig op grond van de in het middel aangehaalde overwegingen heeft kunnen beslissen tot de vermindering van het onderhoudsgeld vanaf de datum der inleiding van de eis, dit wil zeggen op 13 mei 1985, zonder schending van de in dit middel vermelde wetsbepalingen, met uitzondering van artikel 97 van de Grondwet:

Wat het tweede onderdeel betreft:

Overwegende dat de partij die tot levensonderhoud werd veroordeeld, maar tot zodanige staat komt dat zij het voor het geheel of voor een gedeelte niet meer kan verschaffen, ontheffing of vermindering ervan kan vorderen op grond van artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek;

Overwegende dat artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek, noch enig rechtsbeginsel, noch de rechtsspreuk «onderhoudsgeld laat geen achterstallen» eraan in de weg staan dat opheffing of vermindering van een rechterlijk vastgestelde uitkering tot onderhoud wordt toegestaan over een tijdvak verlopen vóór de dag van de vordering tot opheffing of vermindering;

Overwegende dat het bestreden vonnis, dat, blijkens zijn context, als rechtsregel stelt dat «de toegekende vermindering van alimentatiegeld niet kan worden toegestaan vóór de datum van de aanvraag», de beslissing niet naar recht verantwoordt;

Dat het onderdeel in zoverre gegrond is;

OM DIE REDENEN,
vernietigt het bestreden vonnis; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zitting houdende in hoger beroep.

(1) «L'obligation alimentaire naît de la conjonction des éléments requis par la loi. L'obligation existe indépendamment de toute action en justice ayant pour objet d'en obtenir l'exécution.

Par ailleurs la décision de justice accordant une pension alimentaire ne crée pas de droits nouveaux mais consacre des droits préexistants à l'action. Le jugement statuant en matière de pension alimentaire ne fait que mettre en forme une obligation préexistante.», M. Krings, «La répétition d'arrérages payés à un créancier d'aliment», noot sub. Rechtbank Brussel, 6 mei 1980, Rev. trim. dr. fam., 1980, 328, 329 (voetnoot 19).

Over het declaratief karakter van de beslissing die onderhoudsgeld toekent, zie nog:
– De Page, I, nr. 553, blz. 697; J.L. Renchon, noot sub. Cass., 2 juni 1978, «L'adage: Aliments ne s'arréragent pas», Rev. trim. dr. fam., 1979, 79;
– Vieujean, «Les personnes, chronique de jurisprudence», R.C.J.B., 1970, blz. 568.

(2) Zie de concl. van proc.-gen. R. Leclercq, Cass., 6 maart 1930 (Pas., 1930, 150); De Page, D. III, nr. 953.

(3) Cass., 20 mei 1942, (A.C., 1942, 61); 4 sept. 1961 (Pas., 1962, 1); 9 sept. 1975 (A.C., 1976, 49); 5 sept. 1979 (A.C., 1979–80, nr. 4).
Zie ook: «Onderhoudsgeld», (collectief werk U.I.A.) 21 en de voetnoot 70; J. Gerlo, Onderhoudsgelden (Kluwer, 1979), nr. 79, blz. 58.

(4) Cass., 2 juni 1978 (A.C., 1978, 1173).

(5) De Page, I, nr. 553, 562; Kluyskens, VII, 361; Swennen, «De onderhoudsplicht in het burgerlijk recht», in Onderhoudsgeld (1978), 20; Delva, Baeteman en Bax, «Personen- en familierecht, Overzicht van rechtspraak», T.P.R., 1976, nr. 134, blz. 487; R.P.D.B., Aliments, nr. 64; J.L. Renchon, op. cit., nr. 8, blz. 83.

(6) De Page, op. cit., nr. 553.

(7) «Uit de artt. 205 tot 211 van het Burgerlijk Wetboek kan niet afgeleid worden dat de onderhoudsgelden “in principe” – zoals het arrest van 2 juni 1978 het stelt – slechts verschuldigd worden wanneer zij door de schuldeiser aangevraagd waren, of slechts ophouden verschuldigd te zijn wanneer de schuldenaar de ontheffing heeft aangevraagd, ja zelfs bekomen. Uit art. 209 blijkt eerder het tegendeel.» Baeteman en Gerlo, «Personen- en familierecht, Overzicht van rechtspraak (1975–1980)», T.D.P., 1981, 919–920, nr. 219; J.L. Renchon, op. cit., nr. 11, blz. 85; Vieujean, op. cit., blz. 568–569; J. Gerlo, Onderhoudsgelden (Kluwer, 1979), nrs. 161 en 163.

(8) Cass., 10 jan. 1958 (Pas., 1958, 478); 20 feb. 1964 (Pas., 1964, 657); R.P.D.B., Aliments, nr. 64. Raadpl. ook Cass., 25 mei 1984, A.R. nr. 4127 (A.C., 1983–84, nr. 545, 6°).

(9) Vieujean, op. cit. blz. 568.

(10) J. Gerlo, Onderhoudsgelden (Kluwer, 1979), nrs. 78–79, blz. 56.

(11) J.L. Renchon, op. cit., blz. 83, nr. 8 (voetnoot 16), blz. 84, nr. 9.

(12) J.L. Renchon, ibid., nr. 10, blz. 84.

(13) Vieujean, ibid.

(14) M. Krings, op. cit., blz. 329 en de geciteerde rechtsleer onder voetnoot 27.

(15) J. Gerlo, op. cit., nr. 79, blz. 57.

(16) M. Krings, op. cit., blz. 328, en de voetnoten 17 en 19.
 

• Cass. 2 juni 1978, Arr.Cass. 1978, 1173; Pas. 1979, I, 1142; RW 1978-79, 804, noot.,

Samenvatting

Het beginsel 'onderhoudsgeld laat geen achterstallen' is alszodanig geen algemeen rechtsbeginsel. Het kan wel van toepassing zijn op de onderhoudsverplichting ex art. 205 en 211 B.W. De verplichtingen ex art. 203 en 303 B.W. bestaan, los van elke eis voor de rechter.

Zo het adagium «Onderhoudsgeld laat geen achterstallen» niet tegelijk een rechtsregel is die betrekking heeft op alle alimentatie- of onderhoudsverplichtingen, moet nochtans o.m. uit de artikelen 205 tot 211 van het Burgerlijk Wetboek worden afgeleid dat het onderhoudsgeld, waarvan in die wettelijke bepalingen sprake is, in principe, slechts verschuldigd is wanneer de schuldeiser het vordert.

De bij de artikelen 203 en 303 van het Burgerlijk Wetboek vastgestelde verbintenissen ten behoeve van de kinderen bestaan afgezien van elke vordering in rechte om de uitvoering eran te bekomen.

Tekst arrest

HET HOF;

Gelet op het bestreden vonnis, op 2 mei 1977 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel;

Over het middel afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 203, 205, 207, 208, 303, 1234, 2277 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 20 november 1896, en van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk onderhoudsgeld geen achterstallen laat,

doordat het vonnis voor recht zegt dat de onderhoudsbijdrage die eiser verschuldigd is voor zijn zoon Johan, geboren op 24 september 1959, vanaf 1 augustus 1972 een bedrag van 5.000 frank per maand bedraagt en bijgevolg eiser veroordeelt om aan verweerster een som te betalen van 220.000 frank op grond dat het adagium «Aliments ne s'arréragent point» niet toepasselijk is op onderhavige vordering gesteund op artikel 303 van het Burgerlijk Wetboek omdat deze wetsbepaling verplichtingen tot stand brengt waarvan het bestaan niet van het instellen van een rechtsvordering afhankelijk is; dat het kind bovendien de schuldeiser is van het onderhoud; dat een ouder als vertegenwoordiger, zonder machtiging van de rechter, daarvan geen afstand kan doen; dat het toekennen van alimentatiegeld met terugwerkende kracht derhalve wel gerechtvaardigd is,

terwijl, eerste onderdeel, verweerster die slechts met verzoekschrift van 12 mei 1976 onderhoudsgeld vanwege eiser voor hun minderjarige zoon heeft gevraagd, niet met retroactieve kracht, met name vanaf 1 augustus 1972, de veroordeling van eiser kon bekomen; het onderhoudsgeld slechts begint te lopen vanaf de vraag tot veroordeling (schending van de artikelen 2, 203, 205, 207, 208, 303, 2277 van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel);

tweede onderdeel, verweerster vanaf 1 augustus 1972 tot einde mei 1976 vrijwillig zelf voor het onderhoud van de minderjarige zoon van partijen heeft gezorgd, zonder vanwege eiser enige tussenkomst te verlangen, zodat de onderhoudsverplichting van eiser voor die periode geëindigd is en eiser te dien titel ten onrechte tot betaling veroordeeld werd (schending van de artikelen 203, 205, 207, 208, 303, 1234 van het Burgerlijk Wetboek):

Overwegende dat, nu het niet aanduidt waardoor het arrest de 2, 205, 207, 208 en 2277 van het Burgerlijk Wetboek schendt, het middel dienaangaande niet ontvankelijk is;

Overwegende dat, zo de rechtsspreuk «Onderhoudsgeld laat geen achterstallen» geen rechtsregel met algemene toedracht van ons positief recht uitmaakt, uit de artikelen 205 tot 211 van het Burgerlijk Wetboek dient afgeleid te worden dat de onderhoudsgelden in principe slechts verschuldigd worden wanneer zij door de schuldeiser aangevraagd worden;

Overwegende echter dat de in de artikelen 203 en 303 vermelde verbintenissen ten behoeve van de kinderen bestaan afgezien van elke vordering ingesteld ten einde uitvoering ervan te bekomen;

Overwegende derhalve dat, zonder enige wetsbepaling te schenden, het vonnis beslist dat, hoewel verweerster pas met een gedinginleidend verzoekschrift van 12 mei 1976 gevorderd heeft dat eiser veroordeeld zou worden tot het nakomen van de verbintenissen die hem opgelegd worden door de artikelen 203 en 303 van het Burgerlijk Wetboek, eiser verplicht was bij te dragen in het onderhoud en de opvoeding van hun minderjarige zoon, vanaf 1 augustus 1972, de datum vanaf welke hij aan deze verplichtingen was te kort gekomen;
Dat het middel dienaangaande naar recht faalt;

OM DIE REDENEN,
verwerpt de voorziening; veroordeelt eiser in de kosten.

Noot onder dit arrest: (J.-L. RENCHON, ‘L’adage ‘Aliments ne s’arréragent pas’’, (noot onder Cass. 2 juni 1978: ), Rev. trim. dr. fam. 1978, 79;
Wanneer het Hof van Cassatie zegt ‘dat de onderhoudsgelden in principe slechts verschuldigd worden wanneer ze door,de schuldeiser aangevraagd worden’ (Cass. 2 juni 1978, Arr. Cass. 1978, 1173, Pas. 1978, I, 1142, R.W. 1978-79, 904, Rev.trim. dr. fam. 1979, 78, noot J.L. RENCHON), doet het hof alleen uitspraak over het ogenblik vanaf wanneer onderhoudsgeld opeisbaar wordt, niet over het ogenblik vanaf wanneer de onderhoudsverplichting bestaat (zie J. GERLO,
Onderhoudsgelden 55-57).
E. VIEUJEAN, ‘Examen de jurisprudence (1965-1969): Les personnes’, R.C.J.B. 1970, 564;
Cass. 10 januari 1958, Pas. 1958, I, 478).

Rechtsleer: P. Courbe et A. Gouttenoire, Droit de la famille, 6e éd., Sirey Université, 2013, nos292 et 1423.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 01/11/2015 - 12:56
Laatst aangepast op: ma, 02/11/2015 - 18:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.