-A +A

Alcoholintoxicatie en uitsluiting van dekking bij omniumverzekering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Bij de wettelijk verplichte auto-verzekering geldt volgens de wet op de landverzekering enkel de uitsluiting van dekking in geval van dronkenschap.

Maar niets belet dat de niet verplichte verzekeringen zoals de omniumverzekering en de familiale verzekering (die tussenkomt wanneer de aansprakelijkheid van een fietser of voetganger betrokken is) de alcoholintoxicatie als uitsluitingsgrond wordt gehanteerd.

Tal van oudere polissen voorzien echter niet in deze uitsluitingsgrond.

Evenwel werden er in het verleden heel wat brieven verstuurd naar verzekerden met wijziging van de verzekeringspolis in die zin dat alcoholintoxicatie een uitsluitingsgrond zou zijn bij de tussenkomst van de alcoholintoxicatie.

Wel nu, bij gebreke aan een ondertekende overeenkomst waarbij de verzekerde zich expliciet akkoord verklaarde met deze uitsluitingsgrond, kan deze uitsluitingsgrond niet worden ingeroepen.

De wet op de landverzekeringsovereenkomst stelt in artikel 10 § 1 wat het bewijs en inhoud van de overeenkomst betreft: “onder voorbehoud van de bekentenis en de eed, en ongeacht het bedrag van de verbintenis, worden de verzekeringsovereenkomst als ook de wijzigingen ervan tussen partijen door geschrift bewezen. Geen enkel bewijs door getuigen of door vermoedens tegen en boven de inhoud van het geschrift is toegelaten. Indien evenwel een begin van bewijs door geschrift wordt geleverd, is het bewijs door getuigen of vermoedens toegelaten.

Wanneer een verzekeraar zich wil beroepen op algemene voorwaarden van de polis om een verzekerde een uitsluitingsgrond voor dekking tegen te werpen, moet zij het bewijs leveren dat deze algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst tussen partijen en dus dat deze algemene voorwaarden door de verzekerde werden aanvaard.

Artikel 10 van de landverzekeringsovereenkomst is van dwingend recht.

Er kan dus niet van af gestapt worden en dus ook niet van de vereiste van het geschrift tot het bewijs van de inhoud van deze verzekering betreft.

In een analoge zaak heeft het Hof van Cassatie (cassatie 06.02.2004, tbh 2005, met noot C. Van Schouwbroeck) gewezen op deze dwingende bepaling en geoordeeld dat de verzekeraar die zich wil beroepen op een uitsluitingsbeding in de polis moet aantonen dat dit precieze beding deel uitmaakt van een tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst en (tenzij er een bekentenis voorligt of een eed werd afgelegd) dit bewijs moet leveren door een geschrift of door een begin van bewijs door geschrift dat wordt aangevuld met getuigen en vermoedens.

Van een begin van bewijs door geschrift kan enkel sprake zijn indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1347, 2de lid B.W, met name: “men noemt begin van bewijs door geschrift, elke geschreven akte die uitgegaan is van diegene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt”.

“Diegene tegen wie de vordering wordt ingesteld” in de zin van deze bepaling is diegene tegen wie men het geschrift wil gebruiken dus niet noodzakelijk de eiser in de procedure.

Wanneer een verzekering (eigen schade – omnium) bestond voor de in het ongeval beschadigde wagen en wanneer het niet bewezen werd dat de algemene voorwaarden zouden aanvaard zijn nu de alcoholintoxicatie als uitsluitingsgrond voorzien, kan deze uitsluitingsgrond niet worden ingeroepen tegen de verzekerde.

In verweer van de verzekeringsmaatschappijen er in bestaan dat de vordering dient afgewezen wanneer de verzekerde er niet in slaagt tegen welke voorwaarde er volgens de verzekerde dan wel toepasselijk zijn kan niet worden gevolgd.

Het bestaan van een verzekering is op zich voldoende.

Deze redenering werd opgebouwd door de Politierechtbank te Antwerpen op 12.02.2010, T.O. 2011, 187 en werd gevolgd door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 02.05.2011, T.Pol. 2011, 189.

Rechtspraak

• Burgerlijke Rechtbank te Brugge, 10e Kamer – 21 januari 2010, R.W. 552

F.V. t/ NV A.B.

..

II. Bijzonderste gegevens van de zaak

Op basis van de grieven zoals geformuleerd in het inleidend verzoekschrift tot hoger beroep, die hier als nader herhaald dienen te worden beschouwd en bij de beoordeling ten gronde nader zullen worden ontmoet, wordt door appellant hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de Politierechtbank te Brugge, 3e burgerlijke kamer, van 28 mei 2008, waarin de eerste rechter op basis van de door hem vermelde motieven, die hier ook als volledig herhaald moeten worden beschouwd, de oorspronkelijke vordering van partij V., thans appellant, ontvankelijk verklaarde, maar als ongegrond afwees.

De vordering van appellant is gebaseerd op een polis eigen schade tussen partijen afgesloten m.b.t. een voertuig Land Rover Discovery, eigendom van appellant, waarmee hij op 20 juni 2004 om 0 u 15 te Oostkamp op het kruispunt Larestraat-Vliegweg-Kuipenstraat in aanrijding kwam met een van rechts komend voertuig Mercedes, bestuurd door I.D., terwijl bij appellant een alcoholintoxicatie van 1,06 pro mille werd vastgesteld. Geïntimeerde betwist tot dekking van de eigen schade m.b.t. dit ongeval te zijn gehouden op grond van art. 4 van de betreffende algemene polisvoorwaarden.

De politierechtbank is van oordeel dat de bewijslast van het oorzakelijk verband tussen de intoxicatie en het schadegeval bij geïntimeerde berust. Voorts meent de eerste rechter dat geïntimeerde aan deze bewijslast voldoet door te verwijzen naar de beslissing van de strafrechter, waarbij appellant op tegenspraak werd veroordeeld tot één straf voor het niet verlenen van de voorrang van rechts, het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen en het sturen in staat van strafbare alcoholintoxicatie. Ten overvloede besluit de eerste rechter dat het duidelijk is dat de toestand van intoxicatie het onvoorzichtig rijgedrag van appellant heeft beïnvloed en dus mede oorzaak is van het ongeval.

Appellant kan zich niet verzoenen met dit vonnis, omdat hij meent dat geïntimeerde het oorzakelijk verband tussen de intoxicatie en het ongeval niet kan bewijzen door te verwijzen naar het strafvonnis, waarbij hij werd veroordeeld tot één straf. Volgens appellant verhindert een dergelijke veroordeling tot één straf hem niet om het oorzakelijk verband te betwisten in een later geding tegen zijn verzekeraar. Ten slotte meent appellant dat geïntimeerde het oorzakelijk verband tussen zijn geringe intoxicatie en het ongeval niet bewijst, zodat zijn vordering tot terugbetaling van zijn eigen voertuigschade moet worden toegekend. Dientengevolge verzoekt appellant het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en, opnieuw wijzende, zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van het bedrag van 8.028,08 euro, vermeerderd met de interesten vanaf 8 januari 2007.

Geïntimeerde is van oordeel dat zij zich wel degelijk kan baseren op het gezag van het strafrechtelijk gewijsde, zo niet meent geïntimeerde dat het vaststaat dat het ongeval werd veroorzaakt door de bewezen alcoholintoxicatie van appellant, zodat zij op grond van art. 4 van de algemene voorwaarden geen dekking verschuldigd is. (...). Geïntimeerde verzoekt de rechtbank het hoger beroep van appellant ontvankelijk te verklaren, maar af te wijzen als ongegrond, het bestreden vonnis te bevestigen en bijgevolg de vordering van appellant af te wijzen als ongegrond.

III. Beoordeling

...

B. Nopens de bevoegdheid van de eerste rechter

1. De appelrechter behoort ambtshalve zijn materiële bevoegdheden te onderzoeken, zelfs wanneer het hoger beroep beperkt is tot de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de voor de eerste rechter aanhangig gemaakte vordering en de bevoegdheid van de eerste rechter noch uitdrukkelijk, noch impliciet in hoger beroep wordt bestreden (Cass. 19 april 2002, Arr.Cass. 2002, 1063).

De bevoegdheid van de appelrechter wordt in beginsel niet bepaald door het gerecht dat de beroepen beslissing heeft gewezen, maar door de zaak zelf, die krachtens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek al dan niet onder de bevoegdheid van de eerste rechter valt (Cass. 3 februari 1972, Arr.Cass. 1972, 526), zodat de appelrechter bij de beoordeling van zijn bevoegdheid incidenteel de bevoegdheid van de eerste rechter dient te onderzoeken (zie conclusie van advocaat-generaal Henkes voor Cass. 19 april 2002, Arr.Cass. 2002, 1067).

2. De politierechtbank neemt, krachtens art. 601bis Ger.W., kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval.

Bij nazicht van de dagvaarding uitgaande van appellant blijkt dat deze ertoe strekt geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 8.028,08 euro in hoofdsom. Appellant beroept zich in de dagvaarding uitdrukkelijk op art. 4 van de polis eigen schade tussen partijen afgesloten m.b.t. een voertuig Land Rover Discovery, eigendom van appellant. Een dergelijke vordering is geen vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval in de zin van art. 601bis Ger.W. Dat het verkeersongeval de oorzaak is van het in werking treden van dit art. 4 van de polis eigen schade, is op zich onvoldoende om het geschil onder art. 601bis Ger.W. te kunnen brengen.

Het geschil behoorde aldus niet tot de bijzondere bevoegdheid van de politierechtbank ingevolge art. 601bis Ger.W., maar tot die van de rechtbank van eerste aanleg.

3. Hieruit volgt dat deze rechtbank, die bevoegd was om kennis te nemen van de oorspronkelijke vordering, krachtens art. 1070 Ger.W. de zaak aan zich trekt en over de oorspronkelijke vordering oordeelt in eerste aanleg.

C. Nopens de gegrondheid

1. Nopens de bewijslast

Volgens art. 4 van de tussen partijen gesloten eigen schade-overeenkomst zijn van de verzekering uitgesloten schadegevallen die voortvloeien uit grove schuld van de verzekerde, zoals een schadegeval overkomen terwijl de bestuurder zich in een staat van alcoholintoxicatie bevindt van meer dan 0,8 g/l bloed of dronkenschap of in een soortgelijke toestand ten gevolge van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken; de tegemoetkoming zal evenwel worden verleend indien de verzekerde het bewijs levert dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de aangevoerde tekortkoming en het schadegeval.

Volgens appellant is dit beding onrechtmatig en nietig. Hij verwijst daartoe naar het arrest van het Hof van Cassatie van 12 oktober 2007, waarin werd geoordeeld dat de feitenrechter wettig kan beslissen dat bovenvermelde clausule in het verzekeringscontract, waarbij de bewijslast van de afwezigheid van een oorzakelijk verband tussen de grove fout en het schadegeval bij de verzekerde wordt gelegd, een onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van partijen.

Het kan immers niet worden betwist dat het leveren van een negatief bewijs nopens het oorzakelijk verband tussen de intoxicatie van appellant en het ongeval, voor appellant veel moeilijker is dan het leveren van het positief bewijs door geïntimeerde. Dit heeft voor gevolg dat deze bewijslastclausule in art. 4 nietig moet worden verklaard, maar het uitsluitingsbeding zelf blijft uiteraard bestaan, met dien verstande dat het, ingevolge het hierboven vermelde cassatiearrest, aan de verzekeringsmaatschappij is om te bewijzen dat er een oorzakelijk verband is tussen de zware fout en het ongeval. Derhalve moet door geïntimeerde worden bewezen dat het ongeval van 20 juni 2004 te Oostkamp verband houdt met de toestand van alcoholintoxicatie, waarin appellant verkeerde.

2. Nopens het oorzakelijk verband

Appellant meent dat geïntimeerde het oorzakelijk verband tussen de intoxicatie en het ongeval niet kan bewijzen door te verwijzen naar het gezag van gewijsde van de strafvonnissen waarbij hij werd veroordeeld tot één straf.

Bij vonnis op tegenspraak van de Politierechtbank te Brugge van 6 september 2005 werd appellant strafrechtelijk veroordeeld voor het niet verlenen van de voorrang van rechts, het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen en het sturen in staat van strafbare alcoholintoxicatie samen tot één straf, welk vonnis werd bevestigd in beroep bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brugge van 23 december 2005.

Door toepassing te maken van art. 65, eerste lid Sw. heeft de strafrechter in deze vonnissen definitief geoordeeld dat de verschillende aan appellant ten laste gelegde misdrijven uit éénzelfde opzet voortkomen, dat zij dus onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en aldus één strafbaar feit opleveren. Concreet heeft de strafrechter aldus in feite op onaantastbare wijze geoordeeld dat er een onderlinge band bestaat tussen het niet verlenen van de voorrang van rechts (tenlastelegging A), het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen (tenlastelegging B) en het sturen in staat van strafbare alcoholintoxicatie (tenlastelegging C). In dit verband kan overigens worden verwezen naar de overwegingen van de politierechter in het strafvonnis van 6 september 2005: “Overwegende dat er samenloop bestaat tussen de tenlasteleggingen A, B en C ten laste van V.F. (...). Niettegenstaande de talrijke sensibiliseringscampagnes van de overheid heeft de beklaagde zich toch in een dergelijke toestand met zijn voertuig in het verkeer begeven, waardoor hij zowel zichzelf als zijn medeweggebruikers in gevaar heeft gebracht (...)”.

De politierechtbank, daarin volledig gevolgd door de correctionele rechtbank, besliste met deze overwegingen zeker en noodzakelijk dat al de ten laste van appellant gelegde misdrijven samen het ongeval en de schadelijke gevolgen hebben veroorzaakt. Deze rechtbank kan, op het gevaar af tot een tegenstrijdige beslissing te komen, dan ook niet meer oordelen dat er geen oorzakelijk verband is tussen de alcoholintoxicatie en het ongeval.

Het feit dat deze uitspraak van de strafrechter gezag van gewijsde heeft voor de burgerlijke rechter, is een algemeen rechtsbeginsel dat met name voortvloeit uit art. 4, eerste lid Voorafgaande Titel Sv. Dat beginsel betekent dat de burgerlijke rechter niet mag terugkomen op wat de strafrechter definitief, zeker en noodzakelijk heeft beslist. Het gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken is normalerwijs totaal en betreft zowel het dictum van de beslissing als de redenen die de grondslag ervan vormen.

Volgens de vaststaande cassatierechtspraak, waarnaar appellant overvloedig verwijst, behelst dat beginsel echter één uitzondering, die voortvloeit uit art. 6.1 EVRM, namelijk wanneer een van de gedingpartijen in een later burgerlijk proces niet tegenwoordig was op het strafproces of daar haar belangen niet vrij heeft kunnen doen gelden. In dat geval moet die partij de mogelijkheid hebben om de uit het strafvonnis afgeleide gegevens te betwisten. Die uitzondering op het algemeen rechtsbeginsel dat de uitspraak van de strafrechter gezag van gewijsde heeft voor de burgerlijke rechter, moet op beperkende wijze worden uitgelegd. Het geval waarop zij doelt, geldt enkel voor de partijen die niet de mogelijkheid hebben gehad partij te zijn in het strafproces en kan enkel door hen worden aangevoerd. In dat geval immers vereist art. 6.1 EVRM dat de gedingpartijen in een later burgerlijk proces er hun argumenten kunnen aanvoeren en zo nodig het gezag van de door het strafgerecht uitgesproken beslissing kunnen betwisten. Dit geldt dus niet wanneer die partij de mogelijkheid had in het strafproces tussen te komen teneinde er haar argumenten te kunnen doen gelden maar, doelbewust, beslist heeft dat niet te doen. In dat geval kan zij niet langer afbreuk doen aan het algemeen rechtsbeginsel dat de beslissing van de strafrechter gezag van gewijsde heeft in een later burgerlijk proces.

In de hierboven vermelde vonnissen heeft de strafrechter door toepassing te maken van art. 65, eerste lid Sw., zoals gezegd, definitief, zeker en noodzakelijk geoordeeld dat de alcoholintoxicatie van appellant medeoorzaak was van het ongeval. Appellant, die partij was in het strafgeding en de mogelijkheid had zijn argumenten te doen gelden om de toepassing van art. 65, eerste lid Sw. te weerleggen, maar doelbewust beslist heeft dit niet te doen (om een mildere straf te krijgen), kan thans bezwaarlijk het gezag van gewijsde van dit strafvonnis gaan betwisten.

3. Besluit

De rechtbank meent aldus te moeten besluiten dat het oorzakelijk verband tussen de alcoholintoxicatie en het ongeval door het gezag van gewijsde van de strafvonnissen waarbij appellant werd veroordeeld, bewezen is, zodat ook de uitsluitingsgrond van art. 4 van de verzekeringspolis bewezen is en de oorspronkelijke vordering van appellant tegen geïntimeerde tot dekking van zijn eigen schade als ongegrond dient te worden afgewezen.

Maar zie nochtans:

• Cass. 11/02/2016, juridat en verwijzing naar dit arrest door Glenn Heirman en Eva Leuven in De Juristenkrant 335 van 12 oktober 2016, pagina 1, Verzekeraar kan dronken chauffeur met omnium niet meer uitsluiten

Samenvatting

Aangezien artikel 11, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals hier van toepassing, krachtens artikel 3 van voormelde wet, van dwingend recht is, dient de rechter na te gaan of een clausule van de verzekeringsovereenkomst die op een andere manier wordt verwoord, geen vervalbeding is

Tekst arrest

Nr. C.15.0180.N
DEVOSA bvba, met zetel te 9031 Gent (Drongen), Jan-Baptist Lombaertdreef 11,
eiseres,
tegen
KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Roger Van Overstraetenplein 2,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 5 juni 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens, artikel 11, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals hier van toepassing, mag in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeel-telijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het ongeval.

2. Aangezien deze bepaling, krachtens artikel 3 van voormelde wet, van dwin-gend recht is, dient de rechter na te gaan of een clausule van de verzekeringsover-eenkomst die op een andere manier wordt verwoord, geen vervalbeding is.

3. Het beding op grond waarvan de verzekeraar zijn dekking kan weigeren wegens de niet-nakoming door de verzekerde van zijn contractuele verplichtingen vormt een vervalbeding in de zin van voormeld artikel 11.

4. De appelrechters stellen vast dat artikel 4b van de verzekeringsovereenkomst bepaalt dat "de verzekering niet geldt wanneer u of de toegelaten bestuurder (...) het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0.65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijkaardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken".

5. De appelrechters die, ondanks de in dit artikel opgenomen contractuele ver-plichtingen, oordelen dat in artikel 4b van de verzekeringsovereenkomst geen verval van dekking wordt omschreven en dat het bijgevolg aan de eiseres als ver-zekerde behoort het bewijs te leveren dat het schadegeval niet werd veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 pro mille, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

6. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiseres ongegrond verklaart en oordeelt over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,  en in openbare rechtszitting van 11 februari 2016 uitgesproken

24084/W/10
VOORZIENING IN CASSATIE

Aan het Hof van Cassatie van België

geeft te kennen:

bvba DEVOSA, met zetel te 9031 GENT, aan de Jan-Baptist Lombaert-dreef 11 en met ondernemingsnummer 0896.503.001,
eiseres tot cassatie,wat volgt.

De eiseres, voornoemd, ver¬klaart hierbij zich in cassatie te voorzien tegen het hieronder nader omschreven arrest en cassatieberoep aan te tekenen tegen de hier-onder nader aangewezen partij.


I. BESTREDEN UITSPRAAK EN PARTIJ WAARTEGEN CASSATIE-BEROEP WORDT AANGETEKEND

Dit cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 5 juni 2014 door de eerste kamer van het hof van beroep te Gent op tegen¬spraak werd gewezen in de zaak, ingeschreven op de algemene rol onder het nummer 2012/AR/1305, van de eise-res, als eerste appellante, tegen:

de naamloze vennootschap KBC VERZEKERINGEN, met zetel te 3000 LEUVEN, aan het Professor Roger Van Overstraetenplein 2 en met ondernemingsnummer 0403.552.563,
toen geïntimeerde, thans verweerster in cassatie,

en tegen die verwerende partij.

 

Deze voorziening in cassatie is gesteund op de volgende middelen en conclusie.


II. FEITEN EN RETROACTA VAN DE PROCEDURE

1. Op 15 april 2008 sloot de eiseres als verzekeringsnemer een polis-personenauto af bij de verweerster, met als verzekerde waarborgen burgerrech-telijke aansprakelijkheid, rechtsbijstand en "omnium alle risico's".

Mevrouw An-Sofie De Vos, die geen partij is in deze cassatieprocedure, werd aangeduid als courante bestuurder van het verzekerde voertuig.

Op 8 juli 2010 om 0 uur 05 was An-Sofie De Vos betrokken bij een verkeerson-geval.

De ademanalyse, uitgevoerd om 1.32 uur, gaf als resultaat 0,64 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht

De verweerster weigerde aan de eiseres een vergoeding uit te keren voor de door haar geleden eigen schade, op grond van artikel 4 van de algemene voorwaarden "omnium alle risico's", dat luidt als volgt:

"Artikel 4. "Uitsluitingen": "Deze verzekering geldt niet: [...] b. wanneer u of de toegelaten bestuurder: [...] het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijkaardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken."

Bij dagvaarding van 21 september 2011 vorderde de eiseres de veroordeling van de verweerster tot het vergoeden van de schade aan het voertuig, vermeerderd met de niet-aftrekbare btw en de belasting op de inverkeerstelling (biv) of in totaal 11.209,82 euro, meer de interest.

Bij vonnis van 2 april 2012 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Gent de vordering van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond.


2. Tegen dat vonnis tekende de eiseres hoger beroep aan.

Bij arrest van 5 juni 2014 verklaart het hof van beroep te Gent het hoger beroep van de eiseres ongegrond en beslist het, met bevestiging van het bestreden von-nis, dat artikel 4 b van de verzekeringspolis een geval van uitsluiting beschrijft en geen verval van dekking of grove schuld. Aangezien de graad van alcoholintoxi-catie van bestuurster An-Sofie De Vos op het ogenblik van het ongeval meer be-droeg dan 0,65 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht, is de verweerster volgens het hof van beroep dan ook niet tot dekking gehouden.

Tegen dat arrest voert de eiseres het volgende middel tot cassatie aan.

III. MIDDELEN

Enig middel

MIDDEL

Geschonden wettelijke bepalingen

de artikelen 3, 8, tweede lid en 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, vóór de opheffing van die laatste twee bepalingen door de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep, recht sprekend over de vordering van de eiseres strekkende tot de betaling, door de verweerster, van een vergoeding op grond van de door de eiseres bij de verweerster afgesloten verzeke-ringspolis "omnium alle risico's", het hoger beroep van de eiseres ongegrond en beslist het, met bevestiging van het beroepen vonnis, dat de verweerster niet tot dekking is gehouden. Het hof van beroep neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden inte-graal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"[De verweerster] weigert dekking te verlenen en verwijst daarvoor naar art. 4 van de verzekeringspolis waarin onder meer wordt uitgesloten:
"Deze verzekering geldt niet:
b. wanneer u of de toegelaten bestuurder:
- het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijk-aardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken."
[...]
Wat de grond van de zaak betreft zijn [de eiseres en An-Sofie De Vos] de me-ning toegedaan dat er geen sprake is van een uitsluiting maar wel van een vervalbeding dat overeenkomstig art. 11 van de wet op de landverzekerings-overeenkomsten maar uitwerking kan hebben voor zover het oorzakelijk ver-band tussen de reden van het verval en het schadebeding wordt bewezen.
De door [de verweerster] genoemde uitsluiting betreft een geval van grove schuld waarop art. 8 van de wet op de landverzekeringsovereenkomsten van toepassing is, zodat het aan de verzekeringsmaatschappij toekomt het oorza-kelijk verband te bewijzen tussen de alcoholintoxicatie en het ongeval, bewijs dat zij niet levert [...]

c. gegrondheid van de vordering van [de eiseres]

De [eiseres] houdt voor dat art. 4 b van de verzekeringspolis ten onrechte in de polis wordt omschreven als een geval van uitsluiting.
Zij kan hierin niet gevolgd worden.

Door middel van uitsluitingen beperkt de verzekeraar een algemeen omschre-ven dekking. Dit wordt ook zo verwoord in artikel 1 van de polis waarin wordt gezegd dat de verzekering het voertuig dekt tegen alle risico's, wat betekent dat in principe elk schadegeval verzekerd is tenzij het onder de beperkte lijst van niet-verzekerde gevallen valt.
Het staat de verzekeraar, voor wat betreft een omniumverzekering auto, vrij de grenzen van de door hem verleende waarborg vast te leggen.

In art. 4 b wordt geen verval van dekking of geval van grove schuld omschre-ven. Er is maar prestatieverval wanneer de verzekerde tekort schiet in een contractueel opgelegde verplichting en er een oorzakelijk verband bestaat tussen deze tekortkoming en het schadegeval. Het feit dat een schadegeval niet verzekerd is wanneer de bestuurder een schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l) is geen geval van het niet naleven van een contractuele verplichting en evenmin te be-schouwen als een in de polis omschreven geval van grove schuld.

Dit betekent dat het aan [de eiseres] toekomt het bewijs te leveren dat het schadegeval niet werd veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l)."
(p. 3 t.e.m. 6 van het arrest).

Grieven

Krachtens artikel 3 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereen-komst (hieronder afgekort als Wet Landverzekeringsovereenkomst) zijn de bepa-lingen van die wet van dwingend recht, tenzij uit de bepalingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten ervan af te wijken bij bijzondere bedingen.

Krachtens artikel 8, tweede lid, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, dekt de verzekeraar de schade veroorzaakt door de schuld, zelfs de grove schuld, van de verzekerde. Volgens diezelfde bepaling kan de verzekeraar zich enkel van zijn verplichtingen bevrijden voor de gevallen van grove schuld die op uitdrukkelijke en beperkende wijze in de overeenkomst zijn bepaald.

Overeenkomstig artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, even-eens vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 april 2014, mag in de verzeke-ringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzeke-ringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval.

Eerste onderdeel

1.1. Het beding op grond waarvan de verzekeraar zijn dekking kan weigeren we-gens de niet-nakoming door de verzekerde van zijn contractuele verbintenissen vormt een vervalbeding in de zin van voormeld artikel 11.

 

Aangezien die bepaling van dwingend recht is, dient de rechter na te gaan of een clausule van de verzekeringsovereenkomst die op een andere manier wordt ver-woord, geen vervalbeding is.

Dat geldt ook wanneer het gaat om een verzekering-eigen schade ("omniumver-zekering auto"), waarbij het de verzekeraar in beginsel vrij staat de grenzen van de door hem verleende waarborg vast te leggen.

Uw Hof is bevoegd na te gaan of de rechter wettig heeft beslist of een beding van een verzekeringsovereenkomst een vervalbeding is in de zin van artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

1.2. Volgens de vaststellingen van het hof van beroep wordt in artikel 1 van de verzekeringspolis "omnium alle risico's" die de eiseres bij de verweerster afsloot, gezegd dat de verzekering het voertuig dekt tegen alle risico's (p. 5, voorlaatste alinea, van het bestreden arrest).

Het hof van beroep stelt voorts vast dat het beding in artikel 4 b van die polis be-paalt dat de verzekering "niet geldt" wanneer de verzekeringsnemer of de toege-laten bestuurder het schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), in een staat van dronkenschap of in een gelijkaardige toestand die het gevolg is van het gebruik van andere producten dan alcoholische dranken.

Het besturen van een wagen in een staat van alcoholintoxicatie, een staat van dronkenschap of een gelijkaardige toestand wordt bestraft door de artikelen 34 tot en met 37/1 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

Uit wat voorafgaat, volgt dat het voornoemde artikel 4 b geen risico beschrijft dat als zodanig buiten het toepassingsgebied van de door de eiseres bij de verweer-ster afgesloten verzekeringspolis "omnium alle risico's" valt (dat zijn trouwens, volgens de vaststellingen van het hof van beroep op basis van artikel 1 van de polis "alle risico's"), maar met het verval van het recht op een verzekeringspresta-tie, de tekortkoming bestraft aan een bepaalde, in de verzekeringsovereenkomst opgelegde verplichting, waarvan de miskenning deels ook een strafrechtelijke overtreding uitmaakt.

Zoals de eiseres voor het hof van beroep aanvoerde (zie de nrs. 19-21 op de bladzijden 8-10 van de "tweede conclusie in hoger beroep" voor de eiseres, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 27 mei 2013), gaat het dan ook om een vervalbeding in de zin van artikel 11 van de Wet Landverzekeringsover-eenkomst, dat pas uitwerking kan hebben wanneer de verzekeraar het bewijs le-vert van het oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en het schadegeval.

Door te beslissen dat de eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat arti-kel 4 b van de verzekeringspolis ten onrechte wordt omschreven als een geval van uitsluiting, op de overwegingen dat de verzekeraar door middel van uitsluitin-gen een algemeen omschreven dekking beperkt, dat dit ook zo wordt verwoord in artikel 1 van de polis waarin wordt gezegd dat de verzekering het voertuig dekt tegen alle risico's, wat betekent dat in principe elk schadegeval is verzekerd, tenzij het onder de beperkte lijst van niet-verzekerde gevallen valt en dat het aan de verzekeraar, voor wat betreft een omniumverzekering auto, vrij staat de grenzen van de door hem verleende waarborg vast te leggen, en vervolgens te beslissen dat in artikel 4 b van de verzekeringspolis geen verval van dekking wordt om-schreven, aangezien er maar prestatieverval is wanneer de verzekerde tekort-schiet in een contractueel opgelegde verplichting en er een oorzakelijk verband bestaat tussen deze tekortkoming en het schadegeval, en het feit dat een scha-degeval niet verzekerd is wanneer de bestuurder een schadegeval veroorzaakt in een staat van alcoholintoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), geen geval is van het niet naleven van een contractuele verplichting (p. 5, onder c, - pagina 6, 1ste en 2de alinea, van het bestreden arrest), neemt het hof van beroep niet wettig aan dat sprake is van een uitsluitingsbeding en niet van een vervalbeding in de zin van artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, waardoor het het wettelijk begrip vervalbeding schendt.

Het hof van beroep beslist op die overwegingen dan ook niet wettig, zonder aan de verweerster het bewijs op te leggen van het oorzakelijk verband tussen de bij An-Sofie De Vos vastgestelde alcoholintoxicatie en het schadegeval, dat de ver-weerster niet gehouden is tot dekking van de door de eiseres geleden schade (schending van de artikelen 3 en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst).

Conclusie
Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de eiseres en haar oorspron-kelijke vordering niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 3 en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst).

Tweede onderdeel

Uit de artikelen 8, tweede lid en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, die van dwingend recht zijn in het voordeel van de verzekerde, volgt dat de ver-zekeraar die zich beroept op een grond van ontheffing van aansprakelijkheid in de zin van voormeld artikel 8, tweede lid, de schade alleen dan niet hoeft te dekken indien hij bewijst dat er een oorzakelijk verband is tussen de in de overeenkomst omschreven grove schuld en het schadegeval.

Zoals de eiseres voor het hof van beroep aanvoerde, bepaalt artikel 4 b van de verzekeringspolis op uitdrukkelijke en beperkende wijze een geval van grove schuld (zie blz. 10, onder C, van de "tweede conclusie in hoger beroep" voor de eiseres neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 27 mei 2013), zodat het gaat om een beding in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Wet Landverzeke-ringsovereenkomst en de verweerster, om op grond van dat beding waarborg te kunnen weigeren, een oorzakelijk verband diende te bewijzen tussen de grove schuld en het schadegeval.

Door op de hierboven, in het eerste onderdeel weergegeven overwegingen van het bestreden arrest, te beslissen dat het feit dat een schadegeval niet verzekerd is wanneer de bestuurder een schadegeval veroorzaakt in een staat van alcohol-intoxicatie van meer dan 1,5 promille (0,65 mg/l), niet is te beschouwen als een in de polis omschreven geval van grove schuld, schendt het hof van beroep de arti-kelen 3, 8, tweede lid en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst en be-slist het niet wettig, zonder aan de verweerster het bewijs op te leggen van het oorzakelijk verband tussen de bij An-Sofie De Vos vastgestelde alcoholintoxicatie en het schadegeval, dat de verweerster niet gehouden is tot dekking van de door de eiseres geleden schade.

Conclusie
Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de eiseres en haar oorspron-kelijke vordering niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 3, 8, tweede lid, en 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst).

 

 

TOELICHTING

Met betrekking tot het eerste onderdeel

1. Uitsluiting van dekking heeft te maken met een als regel vrij bedongen om-vang van de dekking en veronderstelt niet noodzakelijk het bestaan van een schadegeval. Prestatieverval impliceert daarentegen een contractuele wanpres-tatie en het bestaan van een schadegeval (L. SCHUERMANS, Grondslagen van het Belgisch verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia Rechtswetenschappen, 2001, 45, 712).

De verzekerde die aanspraak maakt op dekking, moet het bewijs leveren dat het schadegeval onder de waarborg valt en er niet van uitgesloten is (Cass. 5 januari 1995, Arr.Cass. 1995, 19).

2. Wanneer de verzekeraar echter een beroep doet op een verval van dekking, is de toepassing ervan onderworpen aan de voorwaarden bepaald in artikel 11 Wet Landverzekeringsovereenkomst en moet bovendien de verzekeraar het be-wijs leveren van het oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en het schade-geval. Deze bewijslastregeling zet verzekeraars ertoe aan tekortkomingen van de verzekerde in de polis te omschrijven als uitsluitingen.

In een arrest van 20 september 2012 leidt uw Hof uit het dwingende karakter van artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst af dat de rechter een uitsluitingsbeding moet toetsen op zijn werkelijke inhoud en zo nodig herkwalificeren als een vervalbeding wanneer het in werkelijkheid een tekortkoming van de verzekerde aan een contractuele verplichting bestraft (Cass. 20 september 2012, Pas. 2012, afl. 9, 1704, concl. J. GENICOT; G. JOCQUE, "Uitsluitingsbeding of vervalbeding", NJW 2013, afl. 279, 269).

Het feit dat een bepaalde verplichting niet alleen wordt opgelegd door de verzeke-ringsovereenkomst, maar ook door het verkeersreglement wordt bestraft, ontneemt daaraan niet het karakter van verplichting die in de overeenkomst wordt opgelegd, zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst.

 

 

Met betrekking tot het tweede onderdeel

Uit de artikelen 3, 8, tweede lid, en 11 van de Landverzekeringsovereenkomst, die dwingend zijn in het voordeel van de verzekerde, volgt dat de verzekeraar die zich beroept op een grond van ontheffing van aansprakelijkheid in de zin van voormeld artikel 8, tweede lid, de schade alleen dan niet hoeft te dekken wanneer hij het oorzakelijk verband tussen de in de overeenkomst bepaalde grove schuld en het schadegeval aantoont (Cass. 12 oktober 2007, Arr. Cass. 2007, afl. 10, 1931 Cass. 13 september 2010, Pas. 2010, afl. 9, 2241, concl. J. GENICOT).

Voor het begrip "grove schuld" in verzekeringstechnische zin dienen twee ele-menten verenigd te zijn: een objectief element, zijnde de vaststelling dat de be-trokken daad of handeling een risicoverzwaring inhoudt, zodat de kans op risico-verwezenlijking objectief groter wordt, en een subjectief element, inhoudende dat de verzekerde wist of alleszins behoorde te weten dat zijn daad de kans op de verwezenlijking van het risico vergrootte. Een auto besturen in staat van dronken-schap wordt als grove fout beschouwd (Ph. COLLE, Algemene beginselen van het Belgisch verzekeringsrecht, Intersentia, Antwerpen, 2006, 82).

OM DEZE REDENEN

Concludeert de eiseres dat het uw Hof behage
- de bestreden beslissing te vernietigen,
- de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep,
- uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Gent, 16 april 2015

Noot:

• Verkeer, Aansprakelijkheid, Verzekering [VAV] BREWAEYS, Luc: Noot onder cassatie. 2016, nr. 2, p. 4-8.
• De Juristenkrant HEIRMAN, Glenn; VAN LEUVEN, Eva; Noot 'Verzekeraar kan dronken chauffeur met omnium niet meer uitsluiten' 2016, nr. 335, p. 1.

Nog dit: 

Cassatie 26 juni 2012, RW 2012-2013, 949 met noot C. Idomon, Dronkenschap en alcoholintoxicatie in de niet-verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen: de oorzaak gaat uiteindelijk toch aan het gevolg vooraf.

Krachtens art. 87, § 2, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst kan, voor de andere dan de verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen, de verzekeraar slechts de excepties, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst aan de benadeelde persoon tegenwerpen voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat aan het schadegeval voorafgaat.

De staat van alcoholintoxicatie die oorzaak of medeoorzaak is van het ongeval, is een feit dat aan het schadegeval voorafgaat, waardoor de verzekeraar het hierop gebaseerde verweer aan de benadeelde kan tegenwerpen.

Dit cassatiearrest lijkt een evidentie, doch voorheen oordeelde het Hof van Cassatie in een arrest van 24/10/2000, de staat van alcoholintoxicatie die oorzaak of medeoorzaak is van het ongeval, geen feit is dat het schadegeval voorafgaat waardoor de excepties, de nietigheid en het verval van recht, voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst, aan de benadeelde persoon kan worden tegengeworpen. De rechtsleer reageerde terecht furieus met krachttermen op dit arrest en kon niet begrijpen hoe het Hof van Cassatie zich dermate, zo opzienbarend, zo onbegrijpelijk kon vergissen (P. Colle, Algemene beginselen van het Belgisch verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 224, nr. 263; L. Schuermans, Grondslagen van het Belgisch verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 486, nr. 651; C. Van Schoubroeck, G. Jocqué, A. De Graeve, M. De Graeve en H. Cousy, “Overzicht van rechtspraak (1992-2003). Wet op de landverzekeringsovereenkomst”, TPR 2003, p. 1998, nr. 71.3; J.L. Fagnart, o.c., p. 480, nr. 960; D. Callewaert, “Actualités législatives et jurisprudentielles dans les assurances de la responsabilité” in C. Paris, en B. Dubuisson (eds.), Actualités en droit des assurances, Luik, Anthemis, 2008, p. 229, nr. 39).H. Cousy, “Pikante details over een beruchte driehoeksverhouding: de rechtstreekse vordering in de aansprakelijkheidsverzekering” in Aansprakelijkheid, Aansprakelijkheidsverzekering en andere schadevergoedingssystemen, XXXIIIste postuniversitaire cyclus Delva, Mechelen, Kluwer, 2007, p. 447, nr. 19.

Er werd zelfs geopperd dat het Hopf van Cassatie eerder uit compassie voor de dader en de onzekere omstandigheden van het ongeval haar oordeel velde dan uit correcte juridische overwegingen.

Het hof deed haar onbegrijpelijke argumentatie nog eens over bij arrest van 25 mei 2007 (Arr.Cass. 2007, nr. 274, RW 2008-09, 494, noot C. Van Schoubroeck, “Dronkenschap en alcoholintoxicatie niet tegenwerpelijk aan de benadeelde in een niet-verplichte aansprakelijkheidsverzekering”; G. Jocqué, “Verzekeringsrecht. Kroniek 2007-2009)”, NJW 2009, 571).

Pas op 26 juni 2012 kwam het Hof van Cassatie terug bij haar zinnen en velde het bovenstaande correcte arrest.

 

 

.

Rechtsleer:

• L. Fagnart, Traité pratique de droit commercial, III, Droit privé des assurances terrestres. Principes généraux, Waterloo, Kluwer, 2011, p. 479, nr. 958;

• M. Fontaine, Droit des assurances, Brussel, Larcier, 2010, p. 470, nr. 479;

• B. Dubuisson, “L’action directe et l’action récursoire” in B. Dubuisson en P. Jadoul (eds.), La loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre. Dix années d’application, Brussel, Bruylant, 2003, 159).
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 10/11/2012 - 00:30
Laatst aangepast op: vr, 28/07/2017 - 13:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.