-A +A

Alcohol en regres door ziekenfonds

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Het ziekenfonds wordt principieel voor het geheel van de door hem betaalde bedragen in de rechten gesteld van zijn verzekerde en kan deze integraal verhalen op de aansprakelijke, zonder dat deze laatste evenwel tot meer kan gehouden zijn dan hetgeen hij in gemeen recht aan de getroffene verschuldigd was, indien het ziekenfonds niet zou zijn tussengekomen (Pol. Brugge 27 december 2001, RW 2002-03, 108, noot D. Simoens).

Het subrogatierecht van het ziekenfonds heeft een dubbele grens: enerzijds kan het ziekenfonds nooit meer terugvorderen dan de eigen uitgaven en anderzijds is de betalingsplicht van de aansprakelijke beperkt tot datgene waarop het slachtoffer zelf recht heeft in gemeen recht.

In de verhouding “ziekenfonds – sociaal gerechtigde” beschikt het ziekenfonds over een prioriteitsrecht; met andere woorden dient eerst de vordering van het ziekenfonds t.a.v. de aansprakelijke derde te worden voldaan. Wanneer de vordering in gemeen recht van de sociaal gerechtigde tegen de derde aansprakelijke beperkt is tot twee derden van de schade, moet de vordering van het gesubrogeerde ziekenfonds niet worden verminderd tot twee derden van het bedrag van de uitkeringen, daar zij integendeel slaat op het gehele bedrag van de uitkeringen, evenwel beperkt tot het bedrag dat de sociaal verzekerde van de derde mede-aansprakelijke kan vorderen (Cass. 3 mei 2004, Arr.Cass. 2004, 761). Bij wijze van voorbeeld: indien de geneeskosten in totaliteit 100 euro bedragen, moet de aansprakelijke in gemeen recht bij een verdeelsleutel van 2/3 ten laste van de aansprakelijke een bedrag van 66,66 euro ten laste nemen; indien per hypothese het ziekenfonds tussengekomen is tot beloop van 70 euro, kan het ziekenfonds op basis van zijn prioriteitsrecht 66,66 euro terugvorderen van de aansprakelijke en blijft er niets meer over voor de verzekerde om terug te vorderen, omdat de aansprakelijke in gemeen recht niet tot meer dan 66,66 euro kan gehouden zijn (P. Graulus, “Nogmaals de splitsingsmethode” (noot onder Pol. Brugge 5 mei 2000), De Verz. 2001, 589).

 

• Pol. Brugge 13 februari 2013, RW 2015-2016, 32

Openbaar ministerie t/ S.P., De M. M. en NV N.V.

1. Op strafrechtelijk gebied

...

1.2. De telastleggingen t.a.v. S.P.

S.P. werd door het openbaar ministerie gedagvaard wegens (A) een personenauto onder invloed van alcohol te hebben bestuurd (ademanalyse van ten minste 0,35 mg/l UAL); (B) als bestuurder niet in alle omstandigheden te hebben kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis (art. 10.1.3o Wegverkeersreglement) en (C) door gebrek aan voorzichtigheid een verkeersongeval te hebben veroorzaakt waarbij onopzettelijk slagen of verwondingen werden toegebracht aan Ma. De M., M. De M. en K.D (art. 418-420 Sw.).

Het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol (telastlegging A)

Wat het verloof van de alcoholprocedure betreft, voert S.P. ten onrechte aan dat het resultaat van de ademanalyse niet bewijskrachtig zou zijn omdat er maar één mondstuk werd gebruikt voor zowel de ademtest als de ademanalyse.

Het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol is een wanbedrijf waarvan het bewijs, wanneer het door een adem- of bloedanalyse wordt geleverd, bijzonder bij wet is geregeld. Wanneer de rechter zijn beslissing grondt op de resultaten van een meting van de alcoholconcentratie per liter uitgeademde alveolaire lucht of per liter bloed, is hij, in de regel, gebonden door de bepalingen die de bijzondere gebruiksmodaliteiten van de gebruikte toestellen vaststellen. Het verzuim van gelijk welk vormvereiste, dat voorgeschreven wordt door de bepalingen die de bijzondere gebruiksmodaliteiten van de gebruikte toestellen vaststellen, is op zich evenwel niet noodzakelijk een afdoende reden om geen wettelijke bewijswaarde te hechten aan de analyse. Opdat het verzuim aldus tot een sanctie zou kunnen leiden, is immers tevens vereist dat het niet-nageleefde voorschrift tot doel heeft de kwaliteit van de intrinsieke waarde van het bijzonder bij wet geregelde bewijs te waarborgen.

Uit de bepalingen van art. 24 van het KB van 21 april 2007 en art. 3.2.1 en 3.2.2 van bijlage 2 van dit KB (art. 3.2.2 bepaalt dat de mondstukken bij elke meting moeten worden vervangen), die enkel betrekking hebben op de voorwaarden waaraan de mondstukken moeten voldoen met het oog op het verhinderen van de inademing van besmette lucht en op het gebruik van de analysatoren in hygiënische omstandigheden, evenals op de technische vereisten waaraan de ademanalysator moet voldoen om de aanwezige mondalcohol te detecteren, kan echter niet worden afgeleid dat het bedoelde voorschrift tot doel heeft de kwaliteit van de intrinsieke waarde van het bijzonder bij wet geregelde bewijs te waarborgen (Cass. 11 december 2012, nr. P.12.0467.N, onuitg.).

Het feit dat in voorliggend geval door de verbalisant hetzelfde mondstuk werd gebruikt voor de ademtest en de ademanalyse, betekent niet dat de rechtbank geen wettelijke bewijswaarde zo mogen hechten aan de ademanalyse. Het gebruik van telkens een nieuw mondstuk is geen substantieel vormvereiste. Uit de verklaring van de verbalisant die de ademanalyse heeft verricht en die door de rechtbank onder eed werd verhoord, is gebleken dat er geen gevaar was voor de hygiëne of besmetting. Zoals wettelijk voorgeschreven, werd een verpakt mondstuk getoond, de verpakking geopend en het mondstuk op het toestel aangebracht zonder het mondstuk aan te raken. Het mondstuk bevatte een anti-terugslaginrichting die de inademing van besmette lucht uit voorgaand gebruik verhindert. Met hetzelfde mondstuk werden de ademtest én de ademanalyse afgenomen. Gedaagde P. werd in kennis gesteld van de mogelijkheid een tweede ademanalyse af te leggen, maar hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Zijn eigen verklaring dat hij een zestal glazen bier had gedronken, strookt met het resultaat van de ademanalyse en wijst ook reeds op een strafbare alcoholintoxicatie. De rechtbank heeft dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan de wetenschappelijke betrouwbaarheid van het resultaat van de ademanalyse.

Volledigheidshalve beklemtoont de rechtbank dat de meerderheidsstrekking in de rechtspraak in die zin is geëvolueerd dat de niet-vermelding in het aanvankelijk proces-verbaal van de naleving van art. 24 van het KB van 21 april 2007 geen schending van het recht van verdediging inhoudt, indien nadien blijkt (door een navolgend proces-verbaal of een verklaring onder eed door de verbalisant) dat de hygiënevoorschriften van voormeld art. 24 wel degelijk werden nagekomen (zie o.m. Rb. Brugge 26 oktober 2012, 13e kamer, vonnisnr. 2262, onuitg.; Rb. Brugge 26 oktober 2012, 13e kamer, vonnisnr. 2261, onuitg.).

Omdat de ademanalyse als resultaat 0,42 mg/l UAL (wat overeenstemt met 0,96 pro mille alcohol in het bloed) gaf, komt de telastlegging A bewezen voor.

...

2. Op burgerrechtelijk gebied

...

Medische kosten – ziekenvervoer

Bij de beoordeling van deze vordering moet rekening worden gehouden met het prioriteitsrecht van het ziekenfonds.

Het ziekenfonds wordt principieel voor het geheel van de door hem betaalde bedragen in de rechten gesteld van zijn verzekerde en kan deze integraal verhalen op de aansprakelijke, zonder dat deze laatste evenwel tot meer kan gehouden zijn dan hetgeen hij in gemeen recht aan de getroffene verschuldigd was, indien het ziekenfonds niet zou zijn tussengekomen (Pol. Brugge 27 december 2001, RW 2002-03, 108, noot D. Simoens).

Het subrogatierecht van het ziekenfonds heeft een dubbele grens: enerzijds kan het ziekenfonds nooit meer terugvorderen dan de eigen uitgaven en anderzijds is de betalingsplicht van de aansprakelijke beperkt tot datgene waarop het slachtoffer zelf recht heeft in gemeen recht.

In de verhouding “ziekenfonds – sociaal gerechtigde” beschikt het ziekenfonds over een prioriteitsrecht; met andere woorden dient eerst de vordering van het ziekenfonds t.a.v. de aansprakelijke derde te worden voldaan. Wanneer de vordering in gemeen recht van de sociaal gerechtigde tegen de derde aansprakelijke beperkt is tot twee derden van de schade, moet de vordering van het gesubrogeerde ziekenfonds niet worden verminderd tot twee derden van het bedrag van de uitkeringen, daar zij integendeel slaat op het gehele bedrag van de uitkeringen, evenwel beperkt tot het bedrag dat de sociaal verzekerde van de derde mede-aansprakelijke kan vorderen (Cass. 3 mei 2004, Arr.Cass. 2004, 761). Bij wijze van voorbeeld: indien de geneeskosten in totaliteit 100 euro bedragen, moet de aansprakelijke in gemeen recht bij een verdeelsleutel van 2/3 ten laste van de aansprakelijke een bedrag van 66,66 euro ten laste nemen; indien per hypothese het ziekenfonds tussengekomen is tot beloop van 70 euro, kan het ziekenfonds op basis van zijn prioriteitsrecht 66,66 euro terugvorderen van de aansprakelijke en blijft er niets meer over voor de verzekerde om terug te vorderen, omdat de aansprakelijke in gemeen recht niet tot meer dan 66,66 euro kan gehouden zijn (P. Graulus, “Nogmaals de splitsingsmethode” (noot onder Pol. Brugge 5 mei 2000), De Verz. 2001, 589).

Rekening houdend met de bovenvermelde beperkingen kan voor deze schaderubriek enkel een voorbehoud worden toegekend.

...

Nog dit: 

Regres is een recht om bepaalde sommen die een partij reeds betaald heeft terug te vorderen. vb. Een verzekeringsmaatschappij vergoed een slachtoffer van een verkeersongeval. Hierna oefent zij regres uit op haar verzekerde die het ongeval in dronken toestand veroorzaakte, teneinde terugbetaling te bekomen van de door haar betaalde schadevergoeding.

Regres is dus het woord dat gebruikt wordt voor de vordering die een persoon of een instantie instelt tot het terugbekomen van hetgeen die persoon of instantie betaald heeft op basis van een of andere wettelijke of contractuele verplichting.

Regres is echter niet gesteund op subrogatie

Het regres is een eigen recht van de verzekeraar, dat als zodanig geen verband houdt met subrogatie. Een verkeerd uitgangspunt door naar de subrogatie te verwijzen, is dat art. 41 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst de verzekeraar die de schadevergoeding heeft betaald in de rechten laat treden van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden; maar de aansprakelijkheidsverzekeraar is niet gesubrogeerd tegen zijn eigen verzekerde (I. Boone, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, 2009, nr. 5.8.1; J.B. Petitat, Regres in de WAM in Recht en Praktijk, 53, p. 6). De auteurs wijzen erop dat het toekennen van een subrogatoir verhaal tegen de verzekerde de economie van het verzekeringscontract, dat ertoe strekt de financiële last van de schade te laten dragen door de verzekeraar, volledig zou uithollen.

De verzekeraar kan in de aansprakelijkheidsverzekering echter een aantal excepties, die hij kan laten gelden tegen zijn verzekerde, niet tegenwerpen aan de derde benadeelde, die hij ondanks die excepties of verweermiddelen niettemin moet schadeloos stellen.

Als correctie daarop stelt art. 88 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst de mogelijkheid in van een contractueel verhaal op de verzekeringnemer en/of de verzekerde, welk contractueel verhaal grondig verschilt van het subrogatoire verhaal (I. Boone, o.c., nr. 582; J.B. Petitat, o.c., p. 1-4; K. Bernauw, “Het verhaal van de WAM-verzekeraar” in C. Engels en P. Lecocq (eds.), Dossiers Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters, 15, Rechtskroniek voor de Vrede- en Politierechters, 2011, 158; G. Jocqué, “Excepties, nietigheid en verval van recht in de aansprakelijkheidsverzekering” in Dossiers Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters, 4, Rechtskroniek voor de Vrede- en Politierechters, 2006, p. 170, nr. 47).

2. Even ten onrechte verwijst tweede comparante naar de subrogatie op basis van art. 29bis, § 4 WAM-wet, wegens de aansprakelijkheid van haar verzekerde (eerste comparant).

Art. 29bis, § 4, eerste lid WAM-wet doet aan het bovenstaande geen afbreuk. De tekst luidt: “De verzekeraar of het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds treden in de rechten van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden”.

Welnu, ten aanzien van zijn verzekeraar is de verzekerde of de verzekeringnemer (in casu eerste comparant) geen derde.

B. Het regres bij art. 29bis WAM-wet

De gekende stelling uit rechtsleer en rechtspraak dat de verzekerde die het slachtoffer van een verkeersongeval vergoedde op grond van art. 29bis WAM-wet, tegen de verzekerde of de verzekeringnemer een recht van verhaal kan uitoefenen dat beperkt is tot het bedrag waartoe de verzekeraar op grond van de burgerlijke aansprakelijkheid van zijn verzekerde zou zijn gehouden, werd volledig door het Hof van Cassatie bevestigd (Cass. 7 februari 2011, NJW 2011, 338).

Hoewel de verzekeraar op grond van art. 29bis WAM-wet gehouden is tot vergoeding, ongeacht de aansprakelijkheid voor het ongeval, kan hij het contractuele verhaalsrecht van art. 24 en 25 van de modelpolis slechts uitoefenen op voorwaarde en in de mate dat de verzekerde aansprakelijk is voor de schade (I. Boone, “Verhaal van WAM-verzekeraar op verzekeringsnemer voor vergoedingen betaald op grond van art. 29bis WAM-wet” (noot onder Cass. 7 februari 2011), NJW 2011, 339).

Al even tevergeefs zou eiseres zich beroepen op een beding in de verzekeringsovereenkomst dat toch in die verhaalsmogelijkheid voorziet (art. 39, vierde lid van de overgelegde polis). De rechtbank moet op de haar voorgelegde feiten en stukken het vigerende recht toepassen, ook indien partijen de rechtsregel niet specifiek aanvoeren, tenzij de partijen een geschilpunt uit het debat hebben willen sluiten. Dat beding is onwettig. De bepalingen van de modelpolis, gevoegd bij het KB van 14 december 1992, zijn van dwingend recht; art. 1 van het KB laat alleen toe af te wijken van de modelpolis in het voordeel van de verzekerde, de verzekeringnemer of een belanghebbende derde; het genoemde beding dat een meer uitgebreide verhaalsmogelijkheid in het voordeel van de verzekeraar bedingt, is derhalve niet toegelaten (Cass. 7 februari 2011, NJW 2011, 338, noot I. Boone).

Rechtspraak Pol. Oudenaarde, 17/12/2012, RW 2013-2014, 313

J.E. t/ NV V.

Met haar oorspronkelijke vordering oefende huidige tweede comparante regres uit voor de schadevergoedingen die zij als WAM-verzekeraar van eerste comparant betaalde aan derde benadeelden ingevolge een verkeersongeval te Sint-Lievens-Houtem op 16 februari 2008.

Het regres wordt gebaseerd op de tegen eerste comparant aangevoerde dronkenschap aan het stuur, in oorzakelijk verband met het ongeval.

Eerste comparant voert thans ter betwisting van het regres volgende middelen aan:

1. Er wordt geen door eerste comparant onderschreven verzekeringsovereenkomst voorgelegd waaruit de aanvaarding van de algemene voorwaarden blijkt.

2. De schadeloosstellingen werden uitbetaald op basis van art. 29bis WAM-wet, dat geen regres toelaat.

3. Subsidiair, de toegekende interest is niet correct.

De elementen van de betwisting, waaronder het verweer van tweede comparante tegen bovenstaande middelen, zullen blijken uit de hiernavolgende beoordeling ten gronde.

Beoordeling

I. De contractuele bedingen inzake het regres

a. Het verhaalsrecht is facultatief, in die zin dat de verzekeraar slechts verhaal kan uitoefenen in de mate dat hij zich dat recht contractueel heeft voorbehouden.

b. Op basis van die regel, die onverkort blijft, had zich bij tal van feitenrechters een rechtspraak ontwikkeld die van oordeel was dat de verzekeraar, die regres wilde uitoefenen, moest bewijzen dat hij dat recht contractueel had bedongen en dat daarvoor een door de verzekeringnemer ondertekende verzekeringsovereenkomst, die de bedingen betreffende het verhaalsrecht bevatte, moest worden voorgelegd.

c. Het Hof van Cassatie volgde die rechtspraak en opteerde resoluut voor de tweede benadering. Het Hof van Cassatie gaat uit van art. 1 van het KB van 14 december 1992 dat voorschrijft dat overeenkomsten betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen moeten beantwoorden aan de bepalingen van de bij dit besluit gevoegde modelovereenkomsten, waarvan alleen kan worden afgeweken ten gunste van de verzekeringnemer, de verzekerde of elke derde die bij de uitvoering van de overeenkomst betrokken is, zonder afbreuk te doen aan de dwingende bepalingen van de Wet Landverzekeringsovereenkomst. Daarvan uitgaande oordeelt het Hof van Cassatie dat de WAM-verzekeraar, behoudens afwijkende overeenkomst ten gunste van de verzekeringnemer of van de verzekerde, over een recht van verhaal beschikt zoals bepaald in art. 24 en 25 van de modelovereenkomst, dat – voor zover zij er niet contractueel zijn van afgeweken – de partijen bij een WAM-verzekeringsovereenkomst geacht worden de toepassing van de bepalingen van de modelovereenkomst, waaronder die met betrekking tot het verhaal van de verzekeraar, op hun overeenkomst te hebben aanvaard, dat de WAM-verzekeraar derhalve niet hoeft te bewijzen dat de verzekeringsovereenkomst een recht van verhaal in de gevallen opgesomd in art. 25 van de modelpolis voorbehoudt, maar dat integendeel de verzekeringnemer of de verzekerde, die dit beweren, moeten bewijzen dat in hun voordeel van de modelpolis is afgeweken wat het verhaalsrecht betreft (Cass. 9 maart 2007, T.Pol. 2007, 148). Bovenstaande regeling is verenigbaar met de bepaling van art. 88 Wet Landverzekeringsovereenkomst dat bepaalt dat de verzekeraar zich een recht op verhaal kan voorbehouden, omdat het KB van 14 december 1992 (modelpolis) de verzekeraar niet verplicht steeds het verhaalsrecht op te nemen (Cass. 18 januari 2010, RW 2010-11, 1129).

d. Dat bewijs levert eiser op verzet niet. De betwisting is op dat punt ongegrond.

II. Regres en art. 29bis WAM-wet?

Het wordt als zodanig niet betwist dat er initieel betalingen werden gedaan in het raam van art. 29bis WAM-wet.

A. Subrogatie?

1. Ten onrechte verwijst tweede comparante naar de subrogatie als basis van haar regres.

Het regres is een eigen recht van de verzekeraar, dat als zodanig geen verband houdt met subrogatie. Een verkeerd uitgangspunt door naar de subrogatie te verwijzen, is dat art. 41 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst de verzekeraar die de schadevergoeding heeft betaald in de rechten laat treden van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden; maar de aansprakelijkheidsverzekeraar is niet gesubrogeerd tegen zijn eigen verzekerde (I. Boone, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, 2009, nr. 5.8.1; J.B. Petitat, Regres in de WAM in Recht en Praktijk, 53, p. 6). De auteurs wijzen erop dat het toekennen van een subrogatoir verhaal tegen de verzekerde de economie van het verzekeringscontract, dat ertoe strekt de financiële last van de schade te laten dragen door de verzekeraar, volledig zou uithollen.

De verzekeraar kan in de aansprakelijkheidsverzekering echter een aantal excepties, die hij kan laten gelden tegen zijn verzekerde, niet tegenwerpen aan de derde benadeelde, die hij ondanks die excepties of verweermiddelen niettemin moet schadeloos stellen.

Als correctie daarop stelt art. 88 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst de mogelijkheid in van een contractueel verhaal op de verzekeringnemer en/of de verzekerde, welk contractueel verhaal grondig verschilt van het subrogatoire verhaal (I. Boone, o.c., nr. 582; J.B. Petitat, o.c., p. 1-4; K. Bernauw, “Het verhaal van de WAM-verzekeraar” in C. Engels en P. Lecocq (eds.), Dossiers Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters, 15, Rechtskroniek voor de Vrede- en Politierechters, 2011, 158; G. Jocqué, “Excepties, nietigheid en verval van recht in de aansprakelijkheidsverzekering” in Dossiers Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters, 4, Rechtskroniek voor de Vrede- en Politierechters, 2006, p. 170, nr. 47).

2. Even ten onrechte verwijst tweede comparante naar de subrogatie op basis van art. 29bis, § 4 WAM-wet, wegens de aansprakelijkheid van haar verzekerde (eerste comparant).

Art. 29bis, § 4, eerste lid WAM-wet doet aan het bovenstaande geen afbreuk. De tekst luidt: “De verzekeraar of het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds treden in de rechten van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden”.

Welnu, ten aanzien van zijn verzekeraar is de verzekerde of de verzekeringnemer (in casu eerste comparant) geen derde.

B. Het regres bij art. 29bis WAM-wet

De gekende stelling uit rechtsleer en rechtspraak dat de verzekerde die het slachtoffer van een verkeersongeval vergoedde op grond van art. 29bis WAM-wet, tegen de verzekerde of de verzekeringnemer een recht van verhaal kan uitoefenen dat beperkt is tot het bedrag waartoe de verzekeraar op grond van de burgerlijke aansprakelijkheid van zijn verzekerde zou zijn gehouden, werd volledig door het Hof van Cassatie bevestigd (Cass. 7 februari 2011, NJW 2011, 338).

Hoewel de verzekeraar op grond van art. 29bis WAM-wet gehouden is tot vergoeding, ongeacht de aansprakelijkheid voor het ongeval, kan hij het contractuele verhaalsrecht van art. 24 en 25 van de modelpolis slechts uitoefenen op voorwaarde en in de mate dat de verzekerde aansprakelijk is voor de schade (I. Boone, “Verhaal van WAM-verzekeraar op verzekeringsnemer voor vergoedingen betaald op grond van art. 29bis WAM-wet” (noot onder Cass. 7 februari 2011), NJW 2011, 339).

Al even tevergeefs zou eiseres zich beroepen op een beding in de verzekeringsovereenkomst dat toch in die verhaalsmogelijkheid voorziet (art. 39, vierde lid van de overgelegde polis). De rechtbank moet op de haar voorgelegde feiten en stukken het vigerende recht toepassen, ook indien partijen de rechtsregel niet specifiek aanvoeren, tenzij de partijen een geschilpunt uit het debat hebben willen sluiten. Dat beding is onwettig. De bepalingen van de modelpolis, gevoegd bij het KB van 14 december 1992, zijn van dwingend recht; art. 1 van het KB laat alleen toe af te wijken van de modelpolis in het voordeel van de verzekerde, de verzekeringnemer of een belanghebbende derde; het genoemde beding dat een meer uitgebreide verhaalsmogelijkheid in het voordeel van de verzekeraar bedingt, is derhalve niet toegelaten (Cass. 7 februari 2011, NJW 2011, 338, noot I. Boone).

III. Het regres ten gronde

1. De conclusie uit het bovenstaande is dat tweede comparante tegen eerste comparant regres kan uitoefenen voor het gedeelte van de bedragen die zij aan de derde benadeelde betaalde op basis van art. 29bis WAM-wet, indien zij betwist dat zij die betaling ook had moeten doen indien ze op basis van burgerlijke aansprakelijkheid gevorderd was geweest.

2. Bij vonnis van de Politierechtbank te Oudenaarde van 11 februari 2009 werd eerste comparant veroordeeld voor onopzettelijke slagen of verwondingen naar aanleiding van het ongeval. Het gezag van gewijsde van dat vonnis is aan eerste comparant tegenwerpelijk. Hij kon in de strafprocedure vrij zijn belangen verdedigen (I. Boone, “Gezag van het strafrechtelijk gewijsde en de burgerlijke rechter”, NJW 2002, 336).

3. Bovendien werd eerste comparant door genoemd vonnis samen met de tenlastelegging van onopzettelijke slagen of verwondingen tot één straf veroordeeld wegens alcoholintoxicatie en dronken sturen.

4. De rechtbank stelt vast dat de verantwoordelijkheid van eerste comparant voor het ongeval als zodanig niet betwist wordt, zodat tweede comparante wel degelijk bewijst dat zij (het gedeelte van) de bedragen, betaald op basis van art. 29bis WAM-wet ook had moeten betalen in het raam van een op burgerlijke aansprakelijkheid gebaseerde vordering. De rechtbank stelt voorts vast dat de dronkenschap en haar causaal verband met het ongeval evenmin als zodanig betwist worden. Het regres is gegrond.

IV. De betwisting over de interest

1. Het regres is een eigen recht van de verzekeraar, dat als zodanig geen verband houdt met subrogatie. Gelet op de contractuele grondslag van het regres kan de verzekeraar met toepassing van art. 1153 BW inderdaad alleen maar verwijlinterest vanaf de ingebrekestelling vorderen (Gent 2 juni 1995, RGAR 1999, nr. 13041; Rb. Nijvel 13 juni 1997, RGAR 1999, nr. 13075; Rb. Brussel 16 april 1975, RGAR 1976, nr. 9671; E. Brewaeys, “De informatieplicht van de verzekeraar in geval van mogelijk regres”, Verkeersrecht 1997, p. 331, nr. 11, p. 334; E. Brewaeys, “De regresvordering van de verzekeraar” in Verzekeringsrecht, Vlaamse Conferentie der balie van Gent, 1998, p. 7, nr. 4; Antwerpen 12 september 2001, TAVW 2002, 332, noot; zie ook: D. Van Trimpont, “De regresvordering en de verwijlinterest: het gemene verbintenissenrecht”, TAVW 2001, 91; E. Desmedt, “Het recht van verhaal van de WAM-verzekeraar”, T.Vred. 2004, 245, met talrijke verwijzingen aldaar; G. Jocqué, “Excepties, nietigheid en verval van recht in de aansprakelijkheidsverzekeringen” in Dossiers Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters, 4, Rechtskroniek voor de Vrede- en Politierechters, 2006, p. 170, nr. 56, p. 208 met verwijzingen aldaar; K. Marchand en S. Vereecken, “Capita selecta interest” in Dossiers Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters, 4, Rechtskroniek voor de Vrede- en Politierechters, 2008, p. 311, nr. 51, p. 333, met verwijzingen aldaar).

Gelet op de contractuele aard van de vordering kunnen derhalve alleen verwijlinteresten worden toegekend vanaf de ingebrekestelling, wat als zodanig niet betwist wordt.

De ingebrekestelling mag niet worden verward met de waarschuwing van het inzicht regres uit te oefenen op grond van art. 88, tweede lid Wet op de Landverzekeringsovereenkomst. Laatstgenoemde kennisgevingsverplichting ontstaat wanneer de feiten die het regres wettigen voldoende vaststaan en gaat vooraf aan de beslissing regres uit te oefenen. Laatstgenoemde kennisgeving geldt niet als ingebrekestelling. Al moet de ingebrekestelling niet in sacramentele woorden geformuleerd zijn, toch behoort tot haar essentie dat zij de duidelijke en ondubbelzinnige wil van de schuldeiser bevat dat de verbintenis moet worden uitgevoerd (Cass. 18 december 1986, RW 1987-88, 55).

Deze draagwijdte heeft laatstgenoemde brief niet: de brief zegt alleen dat eiseres zich een recht op regres voorbehoudt. Een echte ingebrekestelling is die waarbij verweerder gesommeerd wordt tot betaling van een concreet bedrag. Het is vanaf een dergelijke brief dat de verwijlinterest zou kunnen worden toegekend (Antwerpen 12 september 2001, TAVW 2002, 332, noot).

Volledigheidshalve kan nog worden gezegd dat de kennisgeving op grond van art. 88, tweede lid Wet op de Landverzekeringsovereenkomst eventueel als ingebrekestelling kan gelden indien zij tegelijk de sommatie tot terugbetaling van de concrete bedragen inhoudt, wat zelden zal voorkomen maar mogelijk is, maar wat te dezen niet het geval is.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 03/09/2015 - 12:48
Laatst aangepast op: do, 03/09/2015 - 12:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.