-A +A

afwezigheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

9 MEI 2007
Wet tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden
 

procedure en bepalingen in het gerechtelijk wetboek

rechtsleer: afwezigheid en gerechtelijke verklaring van overlijden. Commentaar op de wetten van 9 en 10 mei 2007, Cathleen Aerts, in tijdschriften voor familierecht 2008/4 pagina 65

uittreksel uit het Burgerlijk Wetboek:

TITEL IV. - AFWEZIGHEID.
Afdeling I. - VERMOEDEN VAN AFWEZIGHEID.
Art. 112. § 1. Wanneer een persoon sinds meer dan drie maanden niet meer verschijnt in zijn woon- of verblijfplaats en men van hem gedurende ten minste drie maanden geen nieuws heeft ontvangen en daaruit onzekerheid voortvloeit over zijn leven of zijn dood, kan de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, het vermoeden van afwezigheid vaststellen.

§ 2. Een eensluidend verklaard afschrift van de beslissing houdende vaststelling van het vermoeden van afwezigheid wordt door de griffier ter kennis gebracht van de vrederechter van de laatste woonplaats in België van de vermoedelijk afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, van de vrederechter van het eerste kanton te Brussel. De territoriaal bevoegde vrederechter handelt overeenkomstig artikel 113.

§ 3. Het openbaar ministerie is ermede belast te waken over de belangen van de vermoedelijk afwezigen. Het wordt gehoord over alle rechtsvorderingen die hen aangaan.

Art. 113.Art. 113. § 1. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg vaststelt dat er een vermoeden van afwezigheid is en de vermoedelijk afwezige geen algemeen gevolmachtigde heeft aangewezen om zijn goederen te beheren, wijst de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een gerechtelijk bewindvoerder aan met inachtneming van de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.

Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking van de vrederechter aan de bewindvoerder. De gerechtelijk bewindvoerder laat binnen acht dagen na zijn aanwijzing schriftelijk weten of hij die aanvaardt.
Wordt de aanwijzing, bedoeld in het vorige lid, niet aanvaard, dan stelt de vrederechter ambtshalve een andere gerechtelijk bewindvoerder aan.

Na de aanvaarding door de gerechtelijk bewindvoerder wordt een afschrift van de beschikking van zijn aanwijzing medegedeeld aan de procureur des Konings.

§ 2. De vrederechter kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende, van de procureur des Konings of van de gerechtelijk bewindvoerder, bij een met redenen omklede beschikking, een einde maken aan het mandaat van deze laatste, de bevoegdheden wijzigen die hem werden opgedragen of hem vervangen.
De vrederechter kan daartoe eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten.

§ 3. Elke beslissing tot aanwijzing of tot vervanging van een gerechtelijk bewindvoerder, tot beëindiging van zijn mandaat of tot wijziging van zijn bevoegdheden, wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en in twee dagbladen verspreid in het gerechtelijk arrondissement van de laatste woonplaats in België van de vermoedelijk afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, van het gerechtelijk arrondissement Brussel en in één nationaal verspreid dagblad in de taal van de procedure.

De bekendmaking moet geschieden binnen vijftien dagen na de uitspraak; de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten zou zijn, zijn aansprakelijk jegens de betrokkenen indien bewezen wordt dat de vertraging of het verzuim het gevolg is van collusie.

Binnen dezelfde termijn wordt de beslissing door de griffier betekend aan de burgemeester van de woonplaats van de beschermde persoon teneinde te worden aangetekend in het bevolkingsregister.

Art. 114. Art. 114. § 1. Uiterlijk één maand na de aanvaarding van zijn aanwijzing stelt de gerechtelijk bewindvoerder een verslag op met betrekking tot de vermogenstoestand van de vermoedelijk afwezige en zendt dit over aan de vrederechter.

De gerechtelijk bewindvoerder geeft jaarlijks rekenschap van zijn beheer aan de vrederechter door voorlegging van een schriftelijk verslag dat minstens de volgende gegevens vermeldt :
1° de naam, de voornaam en de woon- of verblijfplaats van de gerechtelijk bewindvoerder;
2° de naam, de voornaam en de laatste bekende woonplaats van de vermoedelijk afwezige;
3° een overzicht van de inkomsten en uitgaven tijdens de voorbije periode en een overzicht van de stand van het beheerde vermogen bij de aanvang en op het einde van deze periode.
Indien hij zulks nodig acht, kan de vrederechter van de gerechtelijk bewindvoerder waarborgen eisen, hetzij bij zijn aanwijzing, hetzij gedurende de uitoefening van zijn mandaat.

§ 2. De schriftelijke verslagen opgemaakt met toepassing van § 1, worden op de griffie van het vredegerecht bewaard in een dossier op naam van de vermoedelijk afwezige.

Het dossier omvat eveneens :
1° een afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg tot vaststelling van het vermoeden van afwezigheid;
2° een afschrift van de beschikking tot aanstelling van een gerechtelijk bewindvoerder;
3° een afschrift van alle beschikkingen getroffen met toepassing van dit hoofdstuk;
4° de door de vrederechter gevoerde briefwisseling met betrekking tot het gerechtelijk bewind.
Aan het dossier wordt een inventaris van de stukken met vermelding van de datum van hun neerlegging toegevoegd.

§ 3. De vrederechter kan aan de gerechtelijk bewindvoerder, bij een met redenen omklede beslissing, na de overlegging door deze van het verslag bedoeld in § 1, een bezoldiging toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan drie procent van de inkomsten van de goederen van de vermoedelijk afwezige. Naast de bezoldiging worden de gemaakte kosten vergoed, na door de vrederechter behoorlijk te zijn nagezien. Hij kan hem nochtans, na overlegging van met redenen omklede staten, een bezoldiging toekennen in verhouding tot de vervulde buitengewone ambtsverrichtingen.

Het is de gerechtelijk bewindvoerder verboden, buiten de in het eerste lid vermelde bezoldigingen, enige bezoldiging of voordeel, van welke aard ook of van wie ook, te ontvangen met betrekking tot het uitoefenen van het mandaat van gerechtelijk bewindvoerder. »

Art. 115.

§ 1. De gerechtelijk bewindvoerder heeft tot taak de goederen van de vermoedelijk afwezige als een goede huisvader te beheren. Hij kan zich in zijn beheer laten bijstaan door een of meer personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden.

§ 2. Wanneer de belangen van de gerechtelijk bewindvoerder in strijd zijn met die van de vermoedelijk afwezige, kan hij slechts optreden krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter. Deze machtiging wordt verleend bij een met redenen omklede beschikking op verzoek van de gerechtelijk bewindvoerder. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.

§ 3. Bij gebreke van aanwijzingen in de in artikel 113 bedoelde beschikking, vertegenwoordigt de gerechtelijk bewindvoerder de vermoedelijk afwezige in alle rechtshandelingen en procedures als eiser of als verweerder, behalve wanneer de echtgenoot van de vermoedelijk afwezige gemachtigd is om alleen te handelen overeenkomstig artikel 220, § 2, of artikel 1420.

De gerechtelijk bewindvoerder kan slechts krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter :
1° de vermoedelijke afwezige in rechte vertegenwoordigen als eiser bij de andere rechtsplegingen en handelingen dan die :
- met betrekking tot huurcontracten;
- met betrekking tot bewoning zonder akte of bewijs;
- met betrekking tot sociale wetgeving ten gunste van de vermoedelijk afwezige;
- met betrekking tot de burgerlijke partijstelling;
- bedoeld in de artikelen 1187, tweede lid, 1193bis en 1225 van het Gerechtelijk Wetboek;
2° de roerende en onroerende goederen van de vermoedelijk afwezige vervreemden;
3° leningen aangaan en hypotheken toestaan alsook toestemming geven tot het doorhalen van een hypothecaire inschrijving, met of zonder kwijting, en tot de overschrijving van een bevel tot uitvoerend beslag zonder betaling;
4° berusten in een vordering betreffende onroerende rechten;
5° een nalatenschap, een algemeen legaat of een legaat onder algemene titel verwerpen of aanvaarden, wat slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan geschieden;
6° een schenking of een legaat onder bijzondere titel aanvaarden;
7° een pachtovereenkomst of een handelshuurovereenkomst sluiten alsook een handelshuurovereenkomst hernieuwen en een huurovereenkomst voor een duur van meer dan negen jaar sluiten;
8° een dading aangaan of een arbitrageovereenkomst sluiten;
9° een onroerend goed aankopen.

De vrederechter wordt geadieerd bij eenzijdig verzoekschrift. Hij wint alle dienstige inlichtingen in; hij kan de mening vragen van eenieder die hij geschikt acht om hem in te lichten, onverminderd de artikelen 1186 en 1193bis van het Gerechtelijk Wetboek, inzake verkopingen van onroerende goederen.

De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.

Indien de vrederechter dat nuttig acht, wordt de handelszaak van de vermoedelijk afwezige voortgezet door zijn gerechtelijk bewindvoerder onder de door de vrederechter vastgestelde voorwaarden. Het bestuur ervan kan worden opgedragen aan een bijzondere bewindvoerder onder het toezicht van de gerechtelijk bewindvoerder. De bijzondere bewindvoerder wordt aangewezen door de rechtbank van koophandel op verzoek van de vrederechter.

§ 4. Onverminderd het eventueel bestaande huwelijksvermogensstelsel tussen de vermoedelijk afwezige en de gerechtelijk bewindvoerder, worden de gelden en de goederen van de vermoedelijk afwezige volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de bewindvoerder. De banktegoeden van de vermoedelijk afwezige worden op zijn naam ingeschreven.

Art. 116. Is de vermoedelijk afwezige betrokken bij een verdeling of een erfenis, dan wordt hij vertegenwoordigd door de gerechtelijk bewindvoerder aangewezen overeenkomstig artikel 113.

Is er geen bewindvoerder aangewezen en heeft de vermoedelijk afwezige geen algemeen gevolmachtigde aangewezen om zijn goederen te beheren, dan kan de vrederechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, een notaris aanwijzen om hem te vertegenwoordigen.

Iedere verdeling waarbij de vermoedelijk afwezige betrokken is, geschiedt overeenkomstig artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 117.

§ 1. Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis waarbij de rechtbank van eerste aanleg het vermoeden van afwezigheid heeft vastgesteld.

Indien de vermoedelijk afwezige terugkeert of indien men van hem nieuws ontvangt tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de vermoedelijk afwezige, van de procureur des Konings of van iedere belanghebbende.

De vermoedelijk afwezige krijgt de goederen terug die tijdens de periode van de vermoedelijke afwezigheid voor zijn rekening werden beheerd of verworven. De handelingen die de gerechtelijk bewindvoerder of de notaris bedoeld in artikel 116, tweede lid, op regelmatige wijze heeft verricht, kunnen hem worden tegengeworpen, behalve wanneer daarbij bedrog is gepleegd.

§ 2. Indien de vermoedelijk afwezige afwezig wordt verklaard, indien hij overleden is of indien hij gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de vrederechter bij een met redenen omklede beschikking een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de procureur des Konings of van iedere belanghebbende.

§ 3. Onverminderd de toepassing van de artikelen 1358 tot 1369 van het Gerechtelijk Wetboek, dient de gerechtelijk bewindvoerder binnen dertig dagen na de beschikking waarmee een eind wordt gemaakt aan zijn mandaat, zijn eindverslag in ter griffie van het vredegerecht.

Indien de vermoedelijk afwezige gehuwd was op de dag van zijn verdwijnen en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen die deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen dat toebehoort aan de vermoedelijk afwezige en aan zijn echtgenoot, en dient hij de inventaris binnen de in § 1 bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht.

Indien de vermoedelijk afwezige wettelijk samenwoonde op de dag van zijn verdwijning en indien hij afwezig of gerechtelijk overleden wordt verklaard, maakt de gerechtelijk bewindvoerder een inventaris op van alle roerende en onroerende goederen die geacht worden in onverdeeldheid te zijn op grond van artikel 1478 en dient hij die inventaris binnen de in het eerste lid bedoelde termijn in ter griffie van het vredegerecht.

Hij handelt op dezelfde wijze ingeval de wettelijk samenwonende van de vermoedelijk afwezige na de vaststelling van het vermoeden van afwezigheid de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1476, § 2, tweede lid, beëindigt. De ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de gerechtelijk bewindvoerder in kennis van de beslissing om de wettelijke samenwoning te beëindigen.
Het eindverslag en, in voorkomend geval, de inventaris worden bij het dossier bedoeld in artikel 114, § 2, gevoegd.

Afdeling II. - Verklaring van afwezigheid

Art. 118.

§ 1. Wanneer er vijf jaar verlopen zijn sinds het vonnis waarbij het vermoeden van afwezigheid werd vastgesteld, of zeven jaar sinds men voor het laatst nieuws ontvangen heeft van de afwezige, kan de verklaring van afwezigheid worden uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings.

§ 2. De griffier moet, in voorkomend geval, een eensluidend verklaard afschrift van het vonnis houdende verklaring van afwezigheid ter kennis brengen van de in artikel 112, § 2, bedoelde vrederechter. »

Art. 119. Het in artikel 118 bedoelde verzoek wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, in twee dagbladen verspreid in het gerechtelijk arrondissement van de laatste woonplaats in België van de afwezige of, indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, in het gerechtelijk arrondissement Brussel en in één nationaal verspreid dagblad in de taal van de procedure.

De rechtbank kan alle andere maatregelen bevelen die zij nodig acht om dit verzoek bekend te maken.

Art. 120. De rechtbank van eerste aanleg mag een vonnis houdende verklaring van afwezigheid eerst wijzen een jaar na de laatste bekendmaking bepaald in artikel 119, eerste lid.

Het vonnis houdende verklaring van afwezigheid wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de wijze bepaald in artikel 119, binnen de termijn bepaald door de rechtbank.


Art. 121.

§ 1. Het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid vermeldt de gegevens opgesomd in artikel 79; het stelt, in voorkomend geval, de onmogelijkheid vast om sommige van die gegevens te vermelden.

Op verzoek van de procureur des Konings wordt het beschikkend gedeelte van de beslissing houdende verklaring van afwezigheid die in kracht van gewijsde is gegaan, overgeschreven in de lopende registers van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats in België van de afwezige. Heeft deze nooit een woonplaats in België gehad, dan geschiedt de overschrijving te Brussel.

§ 2. De beslissing houdende verklaring van afwezigheid die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt als een akte van de burgerlijke stand.

Zij heeft alle gevolgen van het overlijden vanaf de datum van de overschrijving.

Deze akte kan worden verbeterd overeenkomstig artikel 101 van dit Wetboek en de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid wanneer het bewijs wordt geleverd dat de afwezig verklaarde persoon nog in leven is.

Art. 122. Indien de afwezige terugkeert, kan hij derdenverzet instellen tegen het vonnis van verklaring van afwezigheid uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg, waarna artikel 121, § 2, derde lid wordt toegepast.

Indien het bewijs van het bestaan van de afwezige geleverd wordt na de dag waarop de beslissing houdende verklaring van afwezigheid in kracht van gewijsde is gegaan, wordt artikel 121, § 2, derde lid, toegepast.

Art. 123. Het op grond van artikel 122 gewezen vonnis houdende verbetering wordt bij uittreksel bekendgemaakt op de bij artikel 119 bepaalde wijze en binnen de door de rechtbank bepaalde termijn.

Art. 124. Indien de afwezige terugkeert of indien het bewijs van zijn bestaan geleverd wordt, krijgt de afwezige door het vonnis houdende verbetering zijn goederen en de goederen die hij tijdens zijn afwezigheid had moeten verkrijgen, terug in de staat waarin zij zich bevinden, alsook de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd, en de goederen die door wederbelegging mochten zijn verkregen.

Zijn huwelijk en zijn huwelijksvermogensstelsel blijven ontbonden. Onverminderd de toepassing van de artikelen 1205 tot 1224 van het Gerechtelijk Wetboek, krijgt de afwezige zijn deel van de goederen van het gemeenschappelijk vermogen in de staat waarin zij zich bevinden, alsook de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd, op grond van de inventaris opgemaakt overeenkomstig artikel 117, § 3, tweede lid.

Ingeval de afwezige wettelijk samenwoonde, krijgt hij zijn deel van de goederen die geacht worden in onverdeeldheid te zijn terug in de staat waarin zij zich bevinden, alsmede het deel van de prijs van de goederen die mochten zijn vervreemd op grond van de inventaris die werd opgesteld overeenkomstig artikel 117, § 3, derde lid.

Er wordt een einde gemaakt aan de maatregelen ten aanzien van de minderjarige kinderen.

Afdeling III. - Gevolgen van de afwezigheid of van het vermoeden van afwezigheid voor de minderjarige kinderen ».

Art. 125. Indien er minderjarige kinderen zijn, moet de griffier een eensluidend verklaard afschrift van elke beslissing gewezen op grond van de artikelen 112, 113, 117, 118 en 122 ter kennis brengen van de territoriaal bevoegde vrederechter. Deze laatste handelt overeenkomstig de regels voor de voogdij.

Hoofdstuk lI. - Gerechtelijke verklaring van overlijden

Art. 126. Bij ontstentenis van een akte van overlijden, kan de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van iedere belanghebbende of van de procureur des Konings, die ambtshalve optreedt of op verzoek van de minister van Justitie, het overlijden verklaren van iedere persoon die in levensbedreigende omstandigheden verdween, indien zijn lichaam niet kon worden teruggevonden of niet kon worden geïdentificeerd, en zijn overlijden, gelet op de omstandigheden, als zeker kan worden beschouwd.

Art. 127. Onverminderd de toepassing van artikel 1226 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de procureur des Konings het verzoek tot verklaring van overlijden van diverse personen instellen bij een enkel verzoekschrift en kan de rechtbank in dat geval uitspraak doen bij een enkel vonnis.

Art. 128. Is de verdwenen persoon betrokken bij een verdeling of een erfenis, dan gaat de rechtbank, overeenkomstig artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek, over tot het aanwijzen van de notaris die zijn belangen moet vertegenwoordigen tot het tijdstip waarop het vonnis houdende verklaring van overlijden wordt uitgesproken.

Art. 129. De rechtbank kan bepalen dat het verzoek in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. In dat geval bepaalt de rechtbank de termijn tijdens welke hij, na deze bekendmaking, zijn uitspraak over het verzoek zal opschorten

Art. 130. Binnen vijftien dagen na de uitspraak brengt de griffier het beschikkend gedeelte van het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van de partijen.

De termijn van hoger beroep bedraagt twee maanden te rekenen van deze kennisgeving.

Het hoger beroep wordt bij verzoekschrift bij het hof van beroep ingesteld.

Op straffe van nietigheid moet het binnen acht dagen na de datum waarop het verzoekschrift is ontvangen bij deurwaardersexploot of bij een ter post aangetekende brief ter kennis worden gebracht van de griffie van de rechtbank die de bestreden beslissing heeft gewezen. De griffier maakt van het beroep melding op de kant van de bestreden beslissing. De regels die gelden in eerste aanleg zijn van toepassing voor hoger beroep.

De griffier van het hof van beroep geeft kennis van het arrest overeenkomstig de bepalingen die gelden in eerste aanleg. De termijn voor voorziening in cassatie bedraagt één maand vanaf deze kennisgeving.
De termijn voor voorziening in cassatie en de voorziening tegen het arrest waarbij het overlijden wordt vastgesteld hebben schorsende kracht.

Art. 131. De gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden stelt de datum van het overlijden vast, rekening houdend met de vermoedens voortvloeiend uit de omstandigheden van de zaak; zo niet stelt ze die datum vast op de dag van de verdwijning. Deze datum mag niet onbepaald zijn.

Het beschikkend gedeelte van de gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden bevat de in artikel 79 omschreven vermeldingen; het stelt in voorkomend geval de onmogelijkheid vast melding te maken van sommige ervan.

Art. 132. Op verzoek van de procureur des Konings wordt het beschikkend gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden overgeschreven in de lopende registers van de burgerlijke stand van de laatste woonplaats van de overledene in België. Ingeval deze persoon nooit zijn woonplaats in België heeft gehad, geschiedt de overschrijving te Brussel.

In geval van een collectief vonnis geschiedt de overschrijving overeenkomstig het eerste lid, bij uittreksels in de registers.
Van de overschrijving wordt melding gemaakt in de tabellen van de registers van het jaar van overlijden.

Art. 133. De in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing tot verklaring van overlijden geldt als akte van de burgerlijke stand.
Zij heeft uitwerking op de datum van het overlijden dat erin wordt verklaard.

De akte die deze beslissing vormt, kan worden verbeterd overeenkomstig de bepalingen van artikel 101 van dit Wetboek en de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid wanneer het bewijs wordt geleverd dat de overleden verklaarde persoon nog in leven is.

De vonnissen en arresten waarbij een verzoek tot verklaring van overlijden wordt afgewezen, beletten niet dat een soortgelijk verzoek later ontvankelijk zou zijn, ingeval het gegrond is op nieuw bewijsmateriaal.

Art. 134. Indien de persoon die gerechtelijk overleden is verklaard terugkeert, worden de artikelen 123 en 124 toegepast. »

Art. 135. De hoofdgriffiers van de hoven en rechtbanken stellen de minister van Buitenlandse Zaken onmiddellijk in kennis van enige krachtens dit hoofdstuk gevoerde rechtspleging.


Art. 140. (Opgeheven) <W 14-05-1981, Art. 1>

AFDELING IV. - GEVOLGEN VAN AFWEZIGHEID TEN AANZIEN VAN DE KINDEREN. <W 31-03-1987, art. 15>

Art. 141. (Opgeheven) <W 31-03-1987, art. 16>

Art. 142. <W 2001-04-29/39, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Indien een van de ouders overleden is, wordt zes maanden na de verdwijning van de andere ouder het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn goederen voorlopig geregeld overeenkomstig de artikelen 389 en volgende.

Hetzelfde geldt wanneer de afstamming slechts vaststaat ten aanzien van een ouder en die verdwenen is.

Op verzoek van het openbaar ministerie wordt een eensluidend verklaard afschrift van elk vonnis gewezen op grond van de artikelen 112, 113 of 117 toegezonden aan de vrederechter bevoegd voor de organisatie van de voogdij over de minderjarige kinderen.

Procedure: uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Hoofdstuk VII. - Vermoeden en verklaring van afwezigheid en gerechtelijke verklaring van overlijden ».

Art. 1226.

§ 1. Verzoeken op grond van de artikelen 112, 118, 126 en 127 van het Burgerlijk Wetboek worden bij verzoekschrift ingesteld, vergezeld van de stukken tot staving.

De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, onverminderd de bepalingen die volgen, artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 118 tot 135 van hetzelfde Wetboek.

§ 2. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid :

1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker evenals de graad van verwantschap of de aard van de betrekkingen die bestaan tussen de verzoeker en de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon;
3° het onderwerp en in het kort de gronden van het verzoek;
4° de naam, de voornaam, de verblijfplaats of de woonplaats van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon en, in voorkomend geval, van de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten in de erfelijke graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon;
5° de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen.

Wanneer de aanvraag gegrond is op artikel 126 van het Burgerlijk Wetboek, bevat het verzoekschrift, op straffe van nietigheid, de naam, voornaam en woonplaats van de notaris die de belangen van de verdwenen persoon moet vertegenwoordigen bij iedere verdeling of erfenis die hem kan aanbelangen, tot het tijdstip waarop het vonnis wordt uitgesproken.

Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker, door zijn notaris of zijn advocaat. Indien de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon een woonplaats in België heeft gehad, moet het verzoekschrift vergezeld zijn van een attest van woonplaats van deze persoon dat ten hoogste vijftien dagen oud is.

Het verzoekschrift vermeldt bovendien, voor zover mogelijk, de plaats en datum van geboorte van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon, alsmede de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.

Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de rechter de verzoeker om het binnen de door hem vooropgestelde termijn aan te vullen.

§ 3. De procureur des Konings wint alle dienstige inlichtingen in, in voorkomend geval bij de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten tot de vierde graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon.

Ingeval de verdwijning in het buitenland is gebeurd, kan hij bovendien de medewerking vorderen van de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken en van de Belgische diplomatieke en consulaire ambtenaren in het buitenland. Deze verstrekken hem alle inlichtingen en afschriften van documenten die hij nuttig acht voor het voortzetten van het onderzoek.

De rechtbank doet uitspraak na het advies van het openbaar ministerie te hebben gehoord.

§ 4. Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend.

De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. De griffier geeft de partijen kennis ervan in de gerechtsbrief.

Deze kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook hun opmerkingen schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de rechter meedelen.

Art. 1227.

§ 1. Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek waarbij het aanhangig maken bij de rechter ambtshalve wordt toegestaan, worden de verzoeken op grond van de artikelen 113 tot 117 van het Burgerlijk Wetboek bij verzoekschrift ingesteld, vergezeld van de stukken tot staving.

De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, onverminderd de bepalingen die volgen.

§ 2. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid, de gegevens bedoeld in artikel 1226, § 2, eerste lid. Het bevat daarenboven, op straffe van nietigheid, de naam, de voornaam en de woonplaats van de gerechtelijk bewindvoerder.

Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker, door zijn notaris of zijn advocaat.

Het verzoekschrift vermeldt bovendien, voor zover mogelijk, de plaats en datum van geboorte van de vermoedelijk afwezige persoon, alsmede de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.

Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de rechter de verzoeker om het binnen acht dagen aan te vullen.

§ 3. De procureur des Konings wint alle dienstige inlichtingen in bij de gerechtelijk bewindvoerder en, in voorkomend geval, bij de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten tot de vierde graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon.

De rechtbank doet uitspraak na het advies van het openbaar ministerie te hebben gehoord.

§ 4. Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde gerechtelijk bewindvoerder en familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend.

De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. De griffier geeft de partijen kennis ervan in de gerechtsbrief

Deze personen kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook hun opmerkingen schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de rechter meedelen.

Overgangsbepalingen wet 9 mei 2007

Art. 54. Deze wet is van toepassing op personen die, vóór haar inwerkingtreding, verdwenen zijn of niet meer verschenen zijn in hun woon- of verblijfplaats en van wie men geen tijding heeft ontvangen.

Art. 55. Wanneer uitspraak is gedaan volgens de oude artikelen 112 en 113 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen de voorgeschreven maatregelen indien nodig worden gewijzigd in de vorm en onder de voorwaarden bepaald in de nieuwe artikelen 112 tot 117 van dat Wetboek.

Art. 56. Wanneer het verzoekschrift tot verklaring van afwezigheid is ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wet, wordt het verzoek behandeld en berecht volgens de oude wet; het vonnis houdende verklaring van afwezigheid zal de gevolgen hebben die aan die wet verbonden zijn.

Art. 57. Elk vonnis houdende verklaring van afwezigheid gewezen vóór de inwerkingtreding van deze wet of na de inwerkingtreding ervan, met toepassing van artikel 49 zal na verloop van vijf jaar te rekenen van de bekendmaking ervan, de gevolgen hebben die deze wet eraan verbindt.

Art. 58. De bepalingen van deze wet betreffende de gerechtelijke verklaring van overlijden zijn van overeenkomstige toepassing op de aan gang zijnde procedures, inclusief die welke worden gevolgd overeenkomstig de wet van 28 juli 1921 op de geldigverklaring van de akten van de burgerlijke stand, de verbetering van de tijdens de oorlog opgemaakte akten van overlijden en de rechterlijke bevestiging van het overlijden en de wet van 20 augustus 1948 betreffende de verklaringen van overlijden en van vermoedelijk overlijden, alsmede betreffende de overschrijving en de administratieve verbetering van sommige akten van overlijden.

10 MEI 2007
Wet tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden (1)

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 2. In artikel 231, a), van het Gerechtelijk Wetboek, worden de woorden « die afwezig zijn in de zin van de artikelen 112 tot 119 van het Burgerlijk Wetboek » vervangen door de woorden « die vermoedelijk afwezig zijn in de zin van artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek. »

Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 596bis ingevoegd, luidende :
« Art. 596bis. De vrederechter is bevoegd inzake het gerechtelijk beheer va de goederen van een vermoedelijk afwezige, overeenkomstig de artikelen 113 tot 117 van het Burgerlijk Wetboek. »

Art. 4. Artikel 628 van hetzelfde Wetboek, voor het laatst gewijzigd bij de wet van 5 mei 2003, wordt aangevuld als volgt :
« 23° de rechter van de laatste woonplaats in België van de verdwenen, afwezige of vermoedelijk afwezige persoon, of indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, de rechter van het arrondissement Brussel.

17 JUNI 2008. — Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (bespreking zie NJW 189,724)

Toelichting (uit het verslag aan de Koning):

De verschillende categorieën van personen die beschouwd worden als tijdelijk afwezig uit hun gezin, worden opgesomd in artikel 18 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister.

Het betreft bijvoorbeeld de studenten, of de Belgische diplomaten.

Door de personen die het voorwerp uitmaken van een langdurige verdwijning hieraan toe te voegen wordt benadrukt dat zij deel blijven uitmaken van het gezin, totdat er een einde komt aan hun tijdelijke afwezigheid hetzij door hun terugkeer, hetzij door hun overlijden.

Zo wordt een voorbarige ambtshalve afschrijving door de gemeente vermeden.

Het ontwerp kwam tot stand op verzoek van Child Focus. Child Focus, Stichting voor Vermiste en Sexueel Uitgebuite Kinderen, opgericht met als doel tussenbeide te komen in alle gevallen van verdwijning van kinderen en seksuele uitbuiting en dit in eender welk stadium, heeft vastgesteld dat vele ouders van een verdwenen kind nog post van overheidsinstanties ontvangen die aan het kind gericht is.

Zoiets kan schokkend overkomen : de verdwijning van het kind werd immers gesignaleerd aan de politie en/of aan Child Focus. Overeenkomstig het « protocol tot regeling van de samenwerking tussen Child Focus en de gerechtelijke instanties » bestaat er een wederzijdse informatieplicht tussen beide organismen.

Er werd een oplossing gezocht om te vermijden dat de ouders nog ongewenste post zouden ontvangen :
in het bestaande informatietype 026 (tijdelijke afwezigheid) van het Rijksregister zal een code worden opgenomen om de verdwenen personen te onderscheiden van de andere tijdelijk afwezigen.

Daarmee weet de medewerker van een overheidsinstantie die toegang heeft tot het Rijksregister dat de langdurige verdwijning gesignaleerd is en kan hij oordelen of het opportuun is al dan niet de geplande brief te verzenden. Zo kunnen pijnlijke situaties voorkomen worden.

Uiteraard dienen de ouders of de persoon die de voogdij uitoefent daarvoor hun toestemming te geven indien het gaat om een minderjarige : zij oefenen immers het ouderlijk gezag uit.

Langdurige verdwijning wordt in het ontwerp gedefinieerd als een verdwijning van 6 maanden of meer.
Tevens bepaalt het ontwerp hoe de tijdelijke afwezigheid eindigt : dit gebeurt hetzij door de terugkeer van de verdwenen persoon, hetzij door zijn overlijden.

tekst van het KB:

Artikel 1. Artikel 18, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister wordt aangevuld als volgt :
« 10° de personen waarvan de verdwijning sinds zes maanden of langer gesignaleerd werd aan de lokale of federale politie en dit zonder afbreuk te doen aan de bepalingen met betrekking tot de afwezigen in titel IV van het burgerlijk wetboek. De tijdelijke afwezigheid eindigt met de terugkeer van de verdwenen persoon of met de vaststelling van zijn overlijden. » Art. 2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 17 juni 2008.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: wo, 22/02/2017 - 13:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.