-A +A

afwerven personeel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De vrijheid van handel en concurrentie impliceert dat cliënteel maar ook personeel geen eigendom is van een onderneming en principieel vatbaar is aan de harde regels van de concurrentie.

Aan deze vrijheid wordt slechts in beperkte mate grenzen gesteld.

Deze grenzen worden in het wetboek van economisch recht slechts op zeer algemene wijze vastgelegd door in zeer algemene termen elke daad te verdienden die strijdig is met de eerlijke handelspraktijken, zodat dit begrip in concreto door de rechtbank dient ingevuld.

De regel die door de rechtbank gehanteerd wordt gaat uit van het principe dat de concurrentie vrij is en het afwerven dus principieel geoorloofd.

Voorbeelden van verboden handelingen van afwerving van cliënteel die als strijdig met de eerlijke concurrentie (WHPC) werden aanzien.

- verspreiden van valse berichten over de concurrentie inzake solvabiliteit, stopzetting, faillissement;
- valselijk beweren dat men de opvolger van de concurrent is;
- gebruik maken van personeelslijsten die op onrechtmatige wijze werden verkregen;
- laten uitschijnen aan een partij dat hij eigenlijk met de concurrent handelt, terwijl dit niet zo is;
- laster en eerroof verspreiden;
- wanneer de motieven (van afwerving) niet ingegeven zijn uit economische overwegingen maar enkel met de overweging te schaden;

Het verbod op afwerven van cliënteel in het arbeidsrecht

Ex-werknemer die niet gebonden zijn door een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst kunnen een concurrerende onderneming opstarten, of overstappen naar een concurrerende onderneming en kunnen hierbij gebruik maken van hun opgebouwde know-how, en als concurrent de klanten en het personeel van hun exwerkgever benaderen.

Afwerving personeel

Er bestaat evenmin een principieel verbod op afwerving van personeel zelfs niet wanneer de concurrent het financieel moeilijk heeft, voorzover de afwerving niet kan aanzien worden als een daad van oneerlijke concurrentie.

Sanctie bij afwerving van personeel of cliënteel: de vordering tot staking zoals voorzien in het WER

Toch bestaat er rechtspraak die het respect afdwingt voor een concurrentiebeding door de nieuwe werkgever.

In een bepaalde zaak had een onderneming haar concurrent gedagvaard, omdat deze een handelsvertegenwoordiger had aangeworven, die amper een week voordien nog voor haar werkte en die bovendien gebonden was door een concurrentiebeding. De onderneming eiste een schadevergoeding van haar concurrent. Het Hof van Beroep bevond de nieuwe werkgever medeplichtig aan de schending van het concurrentiebeding. De gedupeerde onderneming kreeg 25.000 euro toegewezen.

Rechtspraak:

• Rechtbank Koophandel Antwerpen, Afdeling Turnhout, zetelend zoals in kortgeding, 13 februari 2015, NJW 2015, 326, 555 met noot D. Bruloot, Oneerlijke marktpraktijken tussen onderneming

De vrijheid van handel (Decreet D’Allarde) impliceert de vrijheid van mededinging die alle ondernemingen toelaat inspanningen te doen om cliënteel tot zich te trekken. Elke onderneming is derhalve gemachtigd om de ganse markt te prospecteren, dus ook jhet cliënteel van zijn concurrenten.

Dat cliënteel moet worden beschouwd als een res nullius, een zaak die aan niemand toebehoort. Een onderneming kan derhalve cliënteel niet voor zich houden of zich toe-eigenen.

Wanneer een onderneming klanten afwerft van een ex-werkgever (hoofdaannemer), geldt in principe hetzelfde. Bij afwezigheid van een geldig niet-concurrentiebeding heeft een ex-werknemer na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in principe het recht om zich als zelfstandige te vestigen en zijn ex-werkgever te beconcureren.

De afwerving van clië,nteel kan slechts als onrechtmatig worden beschouwd omwille van haar doelstellingen en/of de bijzondere omstandigheden waarin ze plaatsvindt.

Daden van loutere concurrentie, daden van afwerving van cliënteel of afwerving van personeel worden op zich niet beteugeld door art. IV.104 WER en 105 WER.

Opdat er sprake zou zijn van derden medeplichtigheid aan contractbreuk, dient vooreerst aangetoond dat er een geldige contractuele verbintenis bestaat, die door de andere contractpartij wordt geschonden en waarvan de derde op de hoogte was of behoorde te zijn en desondanks toch heeft meegewerkt aan deze contractbreuk.

Nog dit: 

Hof van Beroep Gent, 18/11/2013, RW 2013-2014, 1187

BVBA V.-S. t/ BVBA Q.

I. Bestreden beslissing – rechtspleging in hoger beroep

1. Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 21 maart 2013 tegen een vonnis van de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, zitting houdend zoals in kort geding, van 17 december 2012.

...

II. Feiten – procedure in eerste aanleg

2. De overblijvende betwisting betreft de vraag of de BVBA Q. een inbreuk heeft begaan op de goede marktpraktijken door in het weekblad Passe-Partout Westhoek een aankondiging te plaatsen.

3. Voor de relevante feiten kan worden volstaan met een verwijzing naar wat in het bestreden vonnis onder “Korte schets van de feitelijke gegevens van de betwisting en het standpunt van de partijen” werd uiteengezet. Het hof verwijst de partijen naar deze uiteenzetting die geen verdere aanvulling behoeft.

4. Ook wat de vorderingen betreft, verwijst het hof naar wat in het bestreden vonnis (onder: “De vorderingen”) werd uiteengezet, waarbij het hof vaststelt dat BVBA V.-S. in haar inleidende dagvaarding verwees naar de volgende aankondiging van Q. in het weekblad Passe-Partout Westhoek, uitgave week 41 en geciteerd als volgt: “Bent u tewerkgesteld bij een ander dienstenchequebedrijf? Stapt u over naar “hulp in huis” voor 31 oktober, dan ontvangt u een nettopremie tot 500 euro”.

5.1. De voorzitter verklaarde de vordering zoals uitgebreid tot het laken van de vermeldingen “Beste werkgever van België” en “de hoogste verloning” niet ontvankelijk. Hij overwoog daarbij: “In de inleidende dagvaarding is enkel het principe geviseerd van de afwerving van personeel door de geplaatste publiciteit, namelijk dat bij overstap naar de verweerster vóór 31 oktober het overstappend personeelslid een nettopremie zal ontvangen van 500 euro, met als gevolg dat ook cliënteel naar het bedrijf van de verweerster zal overstappen. Op die gronden baseert de eiseres haar vordering tot het staken van de door de verweerster gevoerde publiciteit. In de inleidende dagvaarding wordt geen feit of akte aangevoerd in verband met verwarring van handelsbenaming of van misleidende en/of vergelijkende reclame. De vorderingen daaromtrent gesteld in de syntheseconclusies achten wij met de verweerster een niet-ontvankelijke uitbreiding van de oorspronkelijke vordering”.

5.2. Hij oordeelde voorts dat de BVBA Q. zich niet schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige afwerving van cliënteel en personeel en dat de vordering, zoals gesteld in de inleidende dagvaarding, bijgevolg ongegrond is. De voorzitter motiveerde deze beslissing als volgt: “Op grond van het principe van vrijheid van handel is de afwerving van personeel geoorloofd tenzij bijzonder begeleidende bezwarende omstandigheden aan deze afwerving een onrechtmatig karakter geven. Rechtspraak en rechtsleer beschouwen de afwerving van personeel als onrechtmatig wanneer deze gebeurt,

– in een bewuste poging tot verwarringstichting tussen twee bedrijven;

– met derdemedeplichtigheid aan een eventuele contractbreuk van de werknemer;

– met het oog om vertrouwelijke gegevens van de concurrent te verkrijgen, of,

– met de desorganisatie van het bedrijf als gevolg (R. Steennot, F. Bogaert, D. Bruloot en D. Coens, Wet Marktpraktijken, Antwerpen, Intersentia, 2010, nr. 96; P. Wytinck, “Over de afwerving van personeel – Zelden strijdig met WHPC” (noot onder Voorz. Kh. Leuven 8 mei 2007), RABG 2007, 1375-1380). Wij sluiten ons aan bij die rechtspraak en die rechtsleer.

“Verwarring tussen de eiseres en de verweerster wordt naar ons oordeel door de geviseerde publiciteit niet gesticht. Het gebruik door de verweerster van haar handelsbenaming en de naam van haar website in gevoerde publiciteit is niet als onrechtmatig en/of verwarringstichtend te weerhouden.

“Van aansporing tot contractbreuk is er evenmin sprake. “Overstappen naar” een ander bedrijf kan perfect via de naleving van de arbeidsrechtelijke bepalingen, via naleving van het bestaande contract. Derdemedeplichtigheid aan een eventuele contractbreuk van de verweerster wordt in elk geval niet bewezen.

“Het verkrijgen van vertrouwelijke gegevens is in casu niet het voorwerp van de discussie – wij stellen ons de vraag wat die vertrouwelijke gegevens in de dienstenchequesector wel zouden kunnen zijn – en van desorganisatie van het bedrijf van de eiseres ligt er evenmin enig bewijs voor.

“Het feit dat de verweerster geldelijke vergoedingen belooft/toekent voor het overstappen door personeel is volgens ons geen onrechtmatige afwerving van personeel. Personeelsverloop doet zich in alle sectoren voor, waarbij als de onderliggende argumenten – al dan niet openlijk verwoord – de betere vertoning of de gunstigere voordelen in natura bij de nieuwe werkgever gelden.

“Dat er door het personeelsverloop in de dienstenchequebranche ook cliënteel overstapt naar de concurrentie, kunnen we aanvaarden. Maar zoals bij het overgaan van personeel, is een en ander slechts onrechtmatig en moet het worden beteugeld, indien het gepaard gaat met bijzondere omstandigheden die het een onrechtmatig aspect verlenen (Gent, 7e kamer, 8 november 2010, inzake 2009/AR/2962 inzake NV A.I.B. t/ NV M., onuitg.). Dergelijke bijzondere omstandigheden worden door de eiseres niet aangevoerd.

“We zijn dan ook van oordeel dat de door de eiseres gevorderde verboden tot het voeren van de bewuste publiciteit door de verweerster en tot de aanwerving van het personeel van de eiseres door de verweerster, zelfs tegen de betaling van een premie of een ander voordeel, niet kunnen worden opgelegd”.

III. Grieven/voorwerp van het hoger beroep

6. Voor een omstandige uiteenzetting van de grieven en de argumentatie van partijen verwijst het hof naar de beroepsakte en de conclusies voor de partijen.

6.1. Samengevat argumenteert de BVBA V.-S.dat:

– haar oorspronkelijke vordering, zoals uitgebreid in de loop van de procedure in eerste aanleg, wel degelijk gebaseerd is op een feit dat in de inleidende dagvaarding werd vermeld (namelijk op de door de BVBA Q. geplaatste aankondiging in het weekblad Passe-Partout Westhoek), zodat haar vordering, zoals uitgebreid, ontvankelijk is;

– de BVBA Q. verwarring sticht door het gebruik van de handelsbenaming “Hulp in huis”, zijnde een handelsbenaming die wordt gebruikt door andere ondernemingen in dezelfde sector, en dit zonder vermelding van een maatschappelijke benaming en/of ondernemingsnummer;

– de BVBA Q. misleidende reclame maakt door zich in de aankondiging te profileren als “beste” werkgever van België (schending van art. 91, 2o WMPC); te beweren dat zij de “hoogste verloning” biedt (vergelijkende reclame, schending van art. 19 WMPC); de geldigheid van het aanbod te beperken in de tijd (schending van art. 91, 7o WMPC); een nettopremie van 500 euro te beloven bij overstap en met naleving van “Voorwaarden en reglement in ons kantoor”, zonder nader te specificeren in welke gevallen men aanspraak kan maken op de premie;

– het afwerven van personeel en cliënteel door Q. onrechtmatig gebeurde, gezien de bijzondere omstandigheden, daar de BVBA Q. het personeel en/of cliënteel ertoe aanzette onmiddellijk naar haar over te stappen onder het voorwendsel van het verkrijgen van een premie en de hoogste verloning en er dan ook toe aanzette contractbreuk te plegen; het geringste verlies van klanten de goede werking van de BVBA V.-S. in het gedrang brengt; de aankondiging enkel tot doel heeft de concurrerende ondernemingen te destabiliseren (gelet op de maatregel van 17 augustus 2012); de beloofde premie bij overstap gekoppeld wordt aan voorwaarden en de naleving van een reglement dat enkel verkrijgbaar is op het kantoor.

De BVBA V.-S. vordert dan ook de inwilliging van haar hoger beroep, de vernietiging van het bestreden vonnis en de inwilliging van haar vordering, zoals uitgebreid in de loop van de procedure in eerste aanleg.

6.2. De BVBA Q. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert de integrale bevestiging van het bestreden vonnis.

Ondergeschikt vraagt zij de vordering in ieder geval af te wijzen, waar wordt gevraagd dat zij geen personeel van andere dienstenchequebedrijven mag verzoeken over te stappen naar haar en dat zij geen werknemers van de BVBA V.-S. in dienst mag nemen tegen betaling van een premie of welkdanig in geld waardeerbaar voordeel.

Meer ondergeschikt, de gevorderde dwangsom te herleiden en de vordering tot publicatie te beperken.

IV. Beoordeling

Uitbreiding van de vordering voor in eerste aanleg

7. Daar de BVBA V.-S. haar oorspronkelijke vordering, zoals uitgebreid in de loop van de procedure in eerste aanleg, onder meer stoelt op een feit dat in de inleidende dagvaarding werd vermeld, namelijk op de door de BVBA Q. geplaatste aankondiging in het weekblad Passe-Partout Westhoek, is deze vordering zoals uitgebreid, ontvankelijk.

Verwarrende handelsbenaming

8. Het is juist dat de geïntimeerde, de BVBA Q., haar handelsbenaming niet gebruikt in de door appellante gewraakte publiciteit en “Hulp in Huis” als titel gebruikt. Maar de geïntimeerde – zonder hierin door de appellante te worden tegengesproken –, bezit “hulp in huis” als webdomeinnaam al sinds 2005. In haar tegemoet treden van de markt mag de geïntimeerde er alleszins gebruik van maken tot iemand anders met sterkere rechten desbetreffend ertegen wenst op te treden. In alle geval is de appellante geen dergelijke andere persoon.

Het gebruiken van “hulp in huis” is weinig “identificerend” naar een concrete onderneming toe, daar het precies aangeeft wat er aan activiteiten wordt verricht.

Dat “P.” van dat begrip ook gebruik maakt, blijkt uit de door de beide partijen neergelegde stukken, maar “P.” drijft onder die naam geen handel. Dit leidt echter blijkbaar niet tot verwarring, alleszins niet met de appellante.

Misleidende reclame

9. Het is juist dat de geïntimeerde zichzelf bestempelt als de “Beste werkgever – België”.

De publiciteit is verschenen in 2012, terwijl de geïntimeerde blijkbaar de beste werkgever is geweest in 2008 en 2009.

De loutere vermelding “beste werkgever” is niet misleidend. Vele handelaars prijzen zichzelf dan wel hun producten aan, als de beste.

Desbetreffend hebben de publiciteit en de activiteit betrekking op de sector van de dienstencheques. De publiciteit betreft dus het “product” van de geïntimeerde: werknemers zoeken voor het systeem van de dienstencheques. De bewering van “beste werkgever” is makkelijk te begrijpen binnen die context en is dan ook niet onrechtmatig.

Een en ander geldt evenzo en evenzeer in zoverre de vermelding “hoogste verloning” wordt gelaakt door de appellante.

Bijkomend zij er overwogen dat de geïntimeerde niet overgaat tot vergelijking van zichzelf met de appellante noch met wie anders dan ook. Daar het aanbod geldig is tot einde oktober 2012 – volgens de publiciteit – is dit naar inzicht van het hof voldoende lang. Aan de potentiële kandidaat-werknemer wordt voldoende tijd gegeven om over het aanbod na te denken en zo nodig de gepaste inlichtingen te verwerven (één week respectievelijk twee weken).

Afwerving personeel en cliënteel

10. Het hof acht de motivering van de voorzitter tot afwijzing van de aanspraken van de appelante hier uitdrukkelijk als hernomen, behalve in zoverre deze strijdig zou zijn met wat hierna verder wordt overwogen.

Dat er te dezen sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die de publiciteit een onrechtmatig karakter zouden verlenen, ziet het hof niet in.

De publiciteit van een andere “speler” in de sector (“G.H.), die eveneens 500 euro aanbiedt aan wie van werkgever wil veranderen, toont aan dat er niet alleen een grote beweging is van de ene naar de andere werkgever, maar dat een en ander hoegenaamd niet als destabiliserend kan worden ervaren.

Ten slotte is de 500 euro die als maximumpremie wordt vooropgesteld voor wie van werkgever verandert, weinig helder in concreto, maar dat kan in een publiciteit – die het moet hebben van slogans – niet in het lang en het breed worden uiteengezet. Voor de werknemer die wegtrekt wordt dit aanbod niet als onrechtmatig ervaren. Dit klemt des te meer daar men zich niet kan voorstellen dat een werknemer eerst ontslag zou nemen en dan pas zou gaan uitvissen aan welke concrete voorwaarden hij elders aan de slag zou kunnen gaan.

Ook na het ontvankelijk verklaren van de uitbreiding van de oorspronkelijke vordering voor de voorzitter, blijven de aanspraken van de geïntimeerde dan ook afgewezen.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: di, 31/10/2017 - 17:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.