-A +A

afwerven klanten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 Afwerving van cliëntèle behoort tot het wezen van de concurrentie en is enkel onrechtmatig als zij gepaard gaat met bijzondere bijkomende omstandigheden

De desorganisatie bij de concurrent is pas wederrechtelijk als de afwerving intentioneel gebeurt met het oog op het toebrengen van schade bij de concurrent, wat in dit geval niet bewezen is.

De vrijheid van handel en concurrentie impliceert dat cliënteel geen eigendom is van een onderneming en principieel ook voor de ondernemer vrij is tot concurrentie.

Aan deze vrijheid wordt slechts in beperkte mate grenzen gesteld.

Deze grenzen worden in de wet op de handelspraktijken zie WER, slechts op zeer algemene wijze vastgelegd door in zeer algemene termen elke daad te verdienden die strijdig is met de eerlijke handelspraktijken, zodat dit begrip in concreto door de rechtbank dient ingevuld.
 

De regel die door de rechtbank gehanteerd wordt gaat uit van het principe dat de concurrentie vrij is en het afwerven dus principieel geoorloofd.

Voorbeelden van verboden handelingen van afwerving van cliënteel die als strijdig met de eerlijke concurrentie (WHPC) werden aanzien.

- aanklampen van restaurantbezoekers door zogenaamde portiers waardoor de klanten gehinderd worden in de vrije keuze van restaurant.
- verspreiden van valse berichten over de concurrentie inzake solvabiliteit, stopzetting, faillissement;
- valselijk beweren dat men de opvolger van de concurrent is;
- gebruik maken van klantenlijsten die op onrechtmatige wijze werden verkregen;
- laten uitschijnen aan de consument dat hij eigenlijk met de concurrent handelt, terwijl dit niet zo is;
- laster en eerroof verspreiden;
- wanneer de motieven (van afwerving) niet ingegeven zijn uit economische overwegingen maar enkel met de overweging te schaden;

 

Het verbod op afwerven van cliënteel in het arbeidsrecht

Ex-werknemer die niet gebonden zijn door een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst kunnen een concurrerende onderneming opstarten, of overstappen naar een concurrerende onderneming en kunnen hierbij gebruik maken van hun opgebouwde know-how, en als concurrent de klanten van hun exwerkgever benaderen.

Afwerving personeel

Er bestaat evenmin een principieel verbod op afwerving van personeel zelfs niet wanneer de concurrent het financieel moeilijk heeft, voorzover de afwerving niet kan aanzien worden als een daad van oneerlijke concurrentie.

Sanctie bij afwerving van personeel of cliënteel: de vordering tot staking zoals voorzien in WER:  vordering tot staking

Rechtspraak:

•• Brussel 20 februari 1996, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 1996, 568; , R.W. 1996-97,

Handelspraktijken strijdig met de eerlijke gebruiken, afwerven van personeel of cliënteel
De onrechtmatige afwerving van het cliënteel is niet bewezen, nu niet blijkt dat op onrechtmatige wijze kennis en informatie ook omtrent het klantenbestand werd verkregen.
Eventuele loutere contractuele tekortkomingen, voor zover al bewezen, maken op zichzelf geen daden strijdig met de eerlijke handelsgebruiken uit.
 

•• Luik 19 oktober 1993, Jaarboek Handelspraktijken 1993, 499.

Handelspraktijken strijdig met de eerlijke gebruiken, afwerven van personeel of cliënteel
Een ex-werknemer die niet door een niet-concurrentiebeding jegens zijn gewezen werknemer gebonden is, kan niet verboden worden het cliënteel van deze laatste te bezoeken met het oog op het afsluiten van contracten na de afloop van hun contracten met zijn gewezen werkgever. Het gebruik maken van de opportuniteit dat hij het cliënteel van zijn gewezen werkgever kent, is niet vatbaar voor kritiek wanneer hij niet verwijst naar zijn vroegere activiteit, geen geheime informatie of technische documentatie gebruikt, en geen andere abnormale of frauduleuze middelen aanwendt bij de benadering van de cliënteel van zijn ex-werkgever.

• Rechtbank Koophandel Antwerpen, Afdeling Turnhout, zetelend zoals in kortgeding, 13 februari 2015, NJW 2015, 326, 555 met noot D. Bruloot, Oneerlijke marktpraktijken tussen onderneming

De vrijheid van handel (Decreet D’Allarde) impliceert de vrijheid van mededinging die alle ondernemingen toelaat inspanningen te doen om cliënteel tot zich te trekken. Elke onderneming is derhalve gemachtigd om de ganse markt te prospecteren, dus ook jhet cliënteel van zijn concurrenten.

Dat cliënteel moet worden beschouwd als een res nullius, een zaak die aan niemand toebehoort. Een onderneming kan derhalve cliënteel niet voor zich houden of zich toe-eigenen.

Wanneer een onderneming klanten afwerft van een ex-werkgever (hoofdaannemer), geldt in principe hetzelfde. Bij afwezigheid van een geldig niet-concurrentiebeding heeft een ex-werknemer na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in principe het recht om zich als zelfstandige te vestigen en zijn ex-werkgever te beconcureren.

De afwerving van clië,nteel kan slechts als onrechtmatig worden beschouwd omwille van haar doelstellingen en/of de bijzondere omstandigheden waarin ze plaatsvindt.

Daden van loutere concurrentie, daden van afwerving van cliënteel of afwerving van personeel worden op zich niet beteugeld door art. IV.104 WER en 105 WER.

Opdat er sprake zou zijn van derden medeplichtigheid aan contractbreuk, dient vooreerst aangetoond dat er een geldige contractuele verbintenis bestaat, die door de andere contractpartij wordt geschonden en waarvan de derde op de hoogte was of behoorde te zijn en desondanks toch heeft meegewerkt aan deze contractbreuk

--------------------------------------------------------------------------------

• Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 2e Kamer – 15 oktober 2009, RW 2011-2012, 1134

NV C. t/ BVBA I.
...

2. Voorwerp van de vorderingen

Eiseres vordert te horen zeggen voor recht dat verweerster zich schuldig maakt aan de met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daden, waardoor zij schade heeft geleden; daarnaast vraagt zij de veroordeling van verweerster tot betaling van 420.000 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten (...).

3. Samenvatting van de standpunten van partijen

De stelling van eiseres:

– zij is actief in de sector van relatiegeschenken sedert 1989;

– mevrouw P.J., mede-oprichter of zaakvoerder van de huidige verweerster, was bij haar in dienst van 2002 tot 2007;

– deze had beloofd dat zij geen concurrerende activiteit zou ondernemen; zij zou verklaard hebben iets in de sfeer van de evenementen te ondernemen;

– thans blijkt zij echter opnieuw werkzaam in dezelfde sector van relatiegeschenken als mede-oprichter en zaakvoerder van verweerster;

– het vertrek van mevrouw J. en de gelijktijdige oprichting van verweerster was weldoordacht en voorbereid, met het oog op haar volledige destabilisatie;

– er is sprake van onrechtmatige afwerving van cliënteel met een drastische omzetdaling tot gevolg: verweerster, die destijds haar “gezicht” was, maakt zich schuldig aan schendingen van art. 94.3 van de Wet Handelspraktijken;

– het is niet correct dat mevrouw J. enkel instond voor de interne kantooradministratie (zij verwijst in dat opzicht bv. ook naar een visitekaartje, de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen, een tankkaart en de interne taakverdeling tussen het personeel); zij was dus wel degelijk commerciële vertegenwoordiger en kon op die manier met de klanten een vertrouwensrelatie uitbouwen;

– mevrouw J. maakt systematisch gebruik van klantenbestanden en bestelbons die zij bij haar heeft bemachtigd kort vóór haar vertrek; ook maakt zij misbruik van de connecties die zij als werknemer bij haar had opgebouwd; ...

De stelling van verweerster:

– mevrouw J. was enkel een bediende met een bescheiden maandloon;

– er is enkel een onwettig (ongeldig) beding van niet-concurrentie in de arbeidsovereenkomst van deze dame opgenomen;

– mevrouw J. diende eiseres zelfs in gebreke te stellen voor achterstallige betalingen (vakantiegeld, eindejaarspremie) en sociale bescheiden die nog moesten worden bezorgd;

– zij werd opgericht toen de arbeidsovereenkomst van mevrouw J. reeds was beëindigd;

...

– er is sprake van “eerlijke” concurrentie, hetgeen toegelaten is;

– als zodanig bestaat er zelfs geen recht op “cliënteel”;

– er is nooit sprake geweest van het kopiëren van bestelbons, klantenlijsten of andere documenten; ...

4. Beoordeling

4.1. Mevrouw P.J., in feite de spilfiguur in dit dossier, is niet in de zaak betrokken door eiseres. Het is dan ook niet haar proces dat hier moet worden gemaakt.

De rechtbank heeft bovendien van partijen ter zitting vernomen dat deze dame een procedure voor de Arbeidsrechtbank zou hebben ingesteld tegen eiseres wegens niet-betaling vakantiegeld en eindejaarspremie, maar dit geschil zou inmiddels geregeld zijn.

Het bestaan van enige strafklacht of een andere (strafrechtelijke dan wel burgerlijke) procedure van eiseres tegen voornoemde dame is evenmin bekend en wordt door eiseres ook als zodanig niet aangevoerd.

4.2. Eiseres vordert schadevergoeding van verweerster

In feite baseert eiseres zich op de buitencontractuele aansprakelijkheid van verweerster wegens onrechtmatige daad (art. 1382 e.v. BW), zodat eiseres fout, schade en causaal verband dient te bewijzen.

Dat het gedrag van verweerster volgens eiseres tevens een schending zou uitmaken van de eerlijke handelspraktijken (waarbij ook wordt verwezen naar art. 94 WHPC), doet hieraan geen afbreuk. De schending van eender welke wettelijke bepaling bij de uitoefening van de handel kan door de feitenrechter worden aangemerkt als een met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad (Cass. 2 mei 1985, TBH 1985, 631).

De regels inzake eerlijke concurrentie en eerlijke handelspraktijken, zoals opgenomen in de Handelspraktijkenwet, zijn trouwens een concretisering van de algemene zorgvuldigheidsnorm voor het handelsleven (Voorz. Kh. Gent 25 februari 2008, T.App. 2009, 33; J. Stuyck, Handelspraktijken in Beginselen van Belgisch privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2003, p. 143, nr. 179).

Bovendien houdt de overtreding van een specifieke en wetskrachtige norm op zich reeds een onrechtmatig handelen in (H. Vandenberghe et al., “Overzicht van rechtspraak: aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad”, TPR 2000, p. 1563, nr. 6; Cass. 3 oktober 1994, RW 1996-97, 1227): naar huidig Belgisch recht geldt immers een identiteit tussen onwettigheid en onrechtmatigheid.

4.3. Allereerst rijst de vraag naar de fout van verweerster

Een stakingsvordering is door eiseres nooit ingeleid. Hoewel het uiteraard mogelijk is om een vordering tot vergoeding van de schade naar aanleiding van een daad van onrechtmatige mededinging in te stellen, zonder dat vooraf een stakingsvordering werd ingeleid (J. Stuyck, o.c., p. 112, nr. 139), dient wel te worden vastgesteld dat eiseres per definitie thans niet beschikt over een vonnis waarin de onrechtmatigheid van de daad van verweerster in rechte is vastgesteld. Bijgevolg draagt eiseres de integrale bewijslast en dit zowel van de fout, de schade en het oorzakelijk verband.

4.4. Eiseres faalt in haar bewijslast

Enige fout of schending van de regels inzake eerlijke mededinging wordt niet ten genoege van rechte aangetoond.

Uitgangspunt is dat het afwerven van cliënteel niet onrechtmatig is en zelfs tot de essentie behoort van de concurrentiestrijd, die inherent is aan de vrijheid van handel (zie o.a. decreet d’Allarde van 2-17 maart 1791); in een stelsel van vrije mededinging kan een handelaar immers zijn klantenkring enkel maar uitbreiden ten kosten van zijn concurrenten. Dit is een ijzeren wet van de vrije markt. Het staat iedereen vrij om, met eerlijke en gelijke wapens en open vizier, te pogen zoveel mogelijk cliënteel voor zich te winnen, zeker aangezien geen enkele handelaar enig afdwingbaar recht kan laten gelden op het cliënteel, dat traditioneel wordt bestempeld als een zgn. res nullius, dat niet vatbaar is voor toe-eigening of monopolisering. Concurrenten halen vaak elkaar het bloed vanonder de nagels. Dat kan pijn doen, maar het mag. Meer zelfs: het moet. Want zo werkt onze markt. Een onzichtbare hand echter stuurt dit proces, zo staat in elke basiscursus economie te lezen. De premisse in onze bestaande rechtsorde luidt dat concurrentie efficiënt is en leidt tot welvaartsverbetering.

Slechts onder bijzondere omstandigheden (bv. via slechtmaking of laster, verspreiden van onjuiste of denigrerende berichten, bewuste miskenning van niet-concurrentiebedingen, derde-medeplichtigheid aan contractbreuk, verwarring, misleiding, ...) die dan duidelijk moeten worden aangetoond door de partij die zich beroept op onrechtmatige afwerving van cliënteel, is deze afwerving foutief en ongeoorloofd. In het bewijs van dergelijke specifieke omstandigheden slaagt eiseres niet.

Dat mevrouw P.J., voornoemd, zich bedrijfsgeheimen of andere gevoelige en wettelijk beschermde informatie zou hebben toegeëigend (om die dan vervolgens aan verweerster door te spelen), wordt niet afdoende aannemelijk gemaakt. Dat er effectief klantenlijsten zouden zijn gekopieerd, wordt evenmin aangetoond, en het feit dat eiseres kennelijk geen enkel initiatief of demarche heeft ondernomen tegen haar voormalige werkneemster, is van aard elke bewering dienaangaande als ongeloofwaardig te doen overkomen; de verklaringen die eiseres thans voorlegt, acht de rechtbank grotendeels irrelevant (in de mate dat deze verklaringen handelen over de precieze functie van mevrouw J.) en alleszins onvoldoende bewijskrachtig, temeer daar de auteurs van deze verklaringen personeelsleden zijn van eiseres en bijgevolg in een niet-objectieve en zelfs ondergeschikte verhouding staan tot haar.

Alleszins had mevrouw J., voornoemd, mede bij gebrek aan rechtsgeldig niet-concurrentiebeding in haar arbeidsovereenkomst (de ongeldigheid van art. 8 van de arbeidsovereenkomst die verweerster inroept wordt door eiseres kennelijk ook niet weerlegd), het recht om een vennootschap op te richten met een soortgelijke of zelfs concurrerende activiteit als die van eiseres alsook om actief te zijn in een dergelijke vennootschap: de vrijheid van handel houdt in beginsel in dat eenieder vrij is zijn betrekking bij zijn werkgever op te zeggen en bij een concurrent in dienst te treden of een eigen onderneming te starten.

De vrijheid van handel brengt eveneens mee dat aan een gewezen werknemer niet kan worden verboden het cliënteel van zijn gewezen werkgever te bezoeken in het raam van een nieuwe activiteit, en met het oog op het sluiten van overeenkomsten met hemzelf of met een nieuwe opdrachtgever, zelfs indien zulks systematisch gebeurt. Vandaar dat het door eiseres neergelegde stuk 4 (verklaring E.) niet relevant is als doorslaggevend bewijs voor enige foutieve handeling, afgezien nog van het feit dat de eigen interpretatie die deze onderneming in haar verklaring geeft omtrent de werkwijze van het bezoek door mevrouw J., de objectiviteit van de verklaring ernstig bezwaart.

In nerveuze markten wisselen werknemers wel eens van bedrijf. Ook dat kan een bedrijf doen bloeden, maar opnieuw: dat mag. Ook concurrentie na de arbeidsovereenkomst is toegestaan (behalve uiteraard zo een rechtsgeldig concurrentiebeding speelt), mits die concurrentie eerlijk is en niet gepaard gaat met het bekendmaken van zakengeheimen en dergelijke (B. Lietaert, “Concurrentie in het arbeidsrecht en procedurekwesties: bloed, zweet en tranen”, RABG 2007 112 e.v.).

De werknemer die ontslag heeft gekregen of die op regelmatige wijze zelf een einde heeft gemaakt aan zijn arbeidsovereenkomst om te gaan werken bij een concurrerende onderneming, kan in principe profiteren van de ervaring en de vorming die hij verworven heeft bij zijn vorige werkgever. Hij kan cliënteel benaderen om de diensten van zijn nieuwe werkgever aan te bieden, zelfs indien hij voordien hetzelfde cliënteel benaderde voor rekening van zijn vorige werkgever. De werknemer dient de (potentiële) klant er wel van te informeren dat hij werkt voor een andere onderneming (met mogelijk dezelfde activiteiten). Het is dan aan de klant om uit te maken naar wie zijn vertrouwen gaat.

Bij veronderstelling heeft mevrouw J. ervaring en kennis van de markt. Zij mag die kennis en ervaring aanwenden voor haar nieuwe werkgever/vennootschap, op voorwaarde dat zij geen verwarring zaait (tussen haar vorige en haar nieuwe werkgever), wat in casu niet is aangetoond. Bovendien is een feitelijke reconstructie van klantenlijsten door een voormalige werknemer niet ongebruikelijk en evenmin onrechtmatig; men kan bezwaarlijk verwachten van ex-werknemers dat zij hun geheugen zouden wissen of hun opgedane kennis zouden vergeten enkel en alleen om hun voormalige werkgever te plezieren. Dat connecties uit een vroegere beroepsactiviteit worden aangewend, is evenmin verboden; het gebruik van voorheen ter gelegenheid van een vroegere tewerkstelling verworven knowhow en ervaring is op zich legitiem, ook al wordt deze gebruikt om een vroegere werkgever, a fortiori een andere handelaar, te beconcurreren.

Enige verwarringstichting of parasitaire aanhaking wordt door eiseres evenmin aangetoond.

Eiseres moet overigens ook de gevolgen dragen van het feit dat zij het niet nodig achtte te voorzien in een contractuele bescherming, via de inlassing van een in alle opzichten rechtsgeldig, daadkrachtig en afdwingbaar beding van niet-concurrentie in de arbeidsovereenkomst of door het sluiten van een andersoortige overeenkomst met soortgelijke strekking. Dat zij ook naderhand geen enkele procedurele of andere maatregel nam tegen mevrouw J. is een eigen keuze van eiseres, met mogelijk voor haar nadelige gevolgen op het vlak van de bewijslevering.

Eiseres beperkt zich tot gissingen, loutere veronderstellingen of vage en diffuse vermoedens; gewichtige, bepaalde en overeenstemmende vermoedens van oneerlijke concurrentie, onrechtmatige afwerving van cliënteel of oneerlijke handelspraktijken worden door eiseres niet aangebracht.

De loutere “mogelijkheid” dat een (voormalige) werknemer vertrouwelijke gegevens of bedrijfsinformatie zou aanwenden, zonder duidelijke materiële aanwijzingen, kan uiteraard geen bewijs opleveren van onrechtmatige afwerving van cliënteel.

Evenmin volstaat de loutere vaststelling dat bepaalde klanten van eiseres zouden zijn overgegaan naar verweerster om te besluiten dat het hier om een onrechtmatige afwerving van cliënteel zou gaan. Er zij overigens ook opgemerkt dat een bepaald concurrentiegedrag niet het predicaat “oneerlijk” mag krijgen enkel en alleen omdat het schade toebrengt aan gevestigde belangen. In het huidige recht bestaat geen zgn. “kampprijsnorm” (die bescherming biedt tegen nieuwe spelers op de markt); gevestigde posities worden als zodanig niet beschermd, behalve de bescherming die geboden wordt door de intellectuele rechten, de bindende kracht van wettig aangegane overeenkomsten en de toepassing van zgn. per se-bepalingen inzake handelspraktijken (bv. art. 40, 43, 52, 72 WHPC).

Het is trouwens ook niet uitgesloten dat de gebeurlijke overgang van klanten van eiseres naar verweerster het gevolg is van omstandigheden die niet in de hand werden gewerkt door verweerster, zoals meer in het bijzonder het ontslag van mevrouw J. met wie het cliënteel een persoonlijke vertrouwensband had. In de bewuste sector (relatiegeschenken) lijkt de persoonlijke verhouding met de klant trouwens een zeer belangrijk gegeven.

Bij gebrek aan bewijs betreffende weloverwogen en tevens ongeoorloofde initiatieven van de verweerster om het cliënteel van eiseres af te werven, kan niet worden ingegaan op de vordering van eiseres.  

Nog dit: 

NOOT – Over onrechtmatige afwerving van cliënteel. Veel geblaat, weinig wol onder dit vonnis in  het RW Dave Mertens

Rechtsleer:

• “Onrechtmatige afwerving van cliënteel” is een vaste waarde geworden in de rechtsleer inzake onrechtmatige mededinging (zie hierover meer uitgebreid: D. Mertens, Bescherming van cliënteel, Antwerpen, Intersentia, p. 249-317, nrs. 174-237).

• D. Dessard,Les usages honnêtes, Brussel, Larcier, 2007, p. 175-189, nrs. 150-189;

E. Ballon, “Onrechtmatige Mededinging: capita selecta” in Handelspraktijken anno 1996, Antwerpen, Kluwer, 1996, p. 220-222, nrs. 20-25;

• A. De Caluwe et al., Les pratiques de commerce, Brussel, Larcier, 1994, 30.6;

• P. De Vroede en G.L. Ballon,Handboek handelspraktijken, Antwerpen, Kluwer, 1985, p. 574-576, nrs. 1160-1163;

• J. Heenen en J. Van Ryn, Principes de droit commercial, I, Brussel, Bruylant, 1976, p. 171-172, nr. 163; Ph. Coppieters De Gibson, La concurrence déloyale, Brussel, Larcier, 1936, 363 p.).

• P. De Vroede en Y. Merchiers, “Overzicht van rechtspraak”, TPR 1999, 267-270;

• P. De Vroede, “Overzicht van rechtspraak: De wet op de handelspraktijken (1983-1989)”, TPR 1989, p. 295-297, nrs. 204-208

• P. De Vroede, “Overzicht van rechtspraak: Wet op de handelspraktijken (1976-1982)”, TPR 1983, p. 964, nrs. 299-300).

• G. Schricker et al., La répression de la concurrence déloyale, II/1, Parijs, Dalloz, 1974, 1039 p.;

• M. Gotzen, Vrijheid van beroep en bedrijf en onrechtmatige mededinging, II, Brussel, Larcier, 1963, 721 p.;

• A. Moreau, Traité de la concurrence illicite, Brussel, Bruylant, 1904, 323 p.)

• J. Stuyck,Handelspraktijken in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, E. Story-Scientia, 2004, p. 163, nr. 197 en p. 177-178, nr. 218).

• D. Mertens, “Het Hof van Cassatie over “parasitaire mededinging” en “aanhaking”. Scherpstelling of genadeschot?” (noot onder Cass. 29 mei 2009), RW 2010-11, 1562-1566;

• G. Straetmans en J. Stuyck, “De Wet marktpraktijken en consumentenbescherming” in Jaarboek CBR 2009-2010, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 588-593, nrs. 173-185). 

 

Rechtspraak

• Arbh. Luik 22 september 2005, Soc.Kron. 2006, 356;

• Brussel 7 mei 2002, Jb.Hand.Med., 2002, 461, noot H. De Bauw; Antwerpen 6 september 1999,

• Jb.Hand.Med., 1999, 550; S. Claeys, Franchising, Brugge, die Keure, 2009, p. 523, nr. 649).

• Cass. 29 mei 2009, Jb.Hand.Med., 2009, 325, noot H. De Bauw, NJW 2010, 151, noot R. Steennot, Pas. 2009, 1374, RABG 2011, 3, noot A. Clerens, RW 2010-11, 1561, noot D. Mertens).

Nuttige tips: 

 

Wanneer u personeel aanwerft, met onderaannemers werkt of met zelfstandige medewerkers, denk dan steeds dat er een dag komt dat zij u kunnen en wellicht zullen verlaten. Behou het contact met uw cliënteel en stel in de overeenkomst clausules op die overname van cliënteel, lees cliënteel verloop verhinderen, door een verbod na contractontbinding te werken voor uw cliënteel of klanten dan wel een concurrentiebeding. Zorg dat dit beding geldig is en laat u hiervoor bijstaan door een advocaat.
 
• Rechtbank van Koophandel te Hasselt, Zoals in kort geding – 13 januari 2012, RW 2013-2014, 31
BVBA L.O. t/ A.U. en K.L.


I. Antecedenten
De betwisting tussen partijen betreft de beweerde onrechtmatige handelspraktijken waaraan mevr. U. zich schuldig maakt.
L.O heeft bij overeenkomst van 1 juli 2011 het kapsalon annex schoonheidssalon “S.B.”, gevestigd te Hamont-Achel, overgenomen van de heer E.K.
Mevr. U. en mevr. L. waren beiden in dienst van het kapsalon en zijn werden door L.O. verder in dienst gesteld met arbeidsovereenkomsten ondertekend op 30 juni 2011 en 1 juli 2011.


Bij brief van 17 oktober 2011 heeft mevr. U. haar opzeg gegeven met ingang van 1 november 2011. Vervolgens heeft ook mevr. L. op 7 november 2011 haar opzeg gegeven.


Mevr. U. heeft dan met ingang van 1 december 2011 een eigen kapperszaak geopend in Hamont-Achel, enkele honderden meters verwijderd van de zaak van L.O. Zij heeft mevr. L. met een arbeidsovereenkomst van 1 december 2011 bij haar in dienst genomen.
Volgens eigen zeggen heeft L.O. vanaf november 2011 een significante daling van het aantal bezoeken moeten vaststellen, waarbij zelfs talrijke vastgelegde bezoeken eenvoudigweg werden geannuleerd. Volgens L.O. zou het niet voor betwisting vatbaar zijn dat mevr. U. misbruik heeft gemaakt van de vertrouwelijke informatie met namen en adressen van de cliëntèle (talrijke klantenfiches zijn verdwenen) die het haar mogelijk heeft gemaakt de cliëntèle op grote schaal af te werven. Dit heeft tot de destabilisatie en de desorganisatie van het bedrijf van L.O. geleid, temeer daar mevr. U. ook mevr. L. heeft afgeworven.


De vordering van L.O. strekt ertoe:
– de schending van art. 95 WMPC vast te stellen;
– de staking te bevelen gedurende een periode van twee jaar van de gewraakte handelingen en mevr. U. het verbod op te leggen de cliëntèle van L.O. die bestond per 1 juli 2011, zoals uit de klantenfiches blijkt, nog verder te bedienen, en dit op straffe van verval van een dwangsom van 250 euro per overtreding en per klant;
– het vonnis gemeen en tegenwerpelijk te verklaren ten aanzien van mevr. L.;
– voorbehoud te verlenen voor de schade die L.O. lijdt en die kan worden geraamd op minimum 20.000 euro provisioneel op heden;
– de publicatie te bevelen van het vonnis in het Belang van Limburg en door aanplakking op de deuren van de zaak van mevr. U.
II. De beoordeling
...
A. Ten aanzien van mevr. L.
Het is niet betwist dat mevr. L. in dienst is van mevr. U. Als werkneemster voldoet zij niet aan de definitie van onderneming vervat in art. 2, 1° WMPC.
L.O. kan bijgevolg wegens schending van art. 95 WMPC geen stakingsvordering instellen tegen mevr. L., noch een afgeleide vordering, zoals de gemeenverklaring van het vonnis.
De vordering is ongegrond ten aanzien van mevr. L.


B. Ten aanzien van mevr. U.
L.O. verwijt mevr. U. in essentie dat zij de facto nagenoeg de volledige cliëntèle van haar voormalige werkgever heeft overgenomen, zonder daarvoor enige vergoeding te betalen.


Volgens de rechtbank is het niet bewezen dat mevr. U. zich heeft schuldig gemaakt aan onrechtmatige marktpraktijken.
Het uitgangspunt inzake afwerving van cliëntèle is het gegeven dat dit tot het wezen van concurrentie behoort. Het wordt enkel onrechtmatig als dit gepaard gaat met bijzondere bijkomende omstandigheden.


Het gebruik van onrechtmatig verkregen bedrijfsgeheimen kan zo een omstandigheid zijn.


De bijzondere omstandigheden waarop L.O. zich in casu beroept, zijn het massale karakter van de afwerving, wat tot een destabilisatie van haar zaak heeft geleid, en het feit dat mevr. U. gebruik zou hebben gemaakt van onrechtmatig verkregen klantenlijsten.


De rechtbank sluit zich aan bij de stelling dat het loutere feit dat de afwerving van cliëntèle een zekere desorganisatie bij de concurrent tot gevolg heeft, op zich niet onrechtmatig is maar wel het logische gevolg is van het vrije marktspel (J. Stuyck, Beginselen van Belgisch privaatrecht, XIII, Handels- en economisch recht, Deel II. Mededingingsrecht, A. Handelspraktijken, 2004, p. 177, nr. 216; B. Michaux, “Concurrence déloyale et anciens co-contractants. Les mises au point de la dernière jurisprudence”, TBH 1994, (578) 588).


De desorganisatie is wederrechtelijk als de afwerving intentioneel gebeurde met het oog op het toebrengen van schade bij de concurrent.
In deze zaak is een dergelijke intentie niet aangetoond.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat mevr. U. niet verbonden was door een niet-concurrentieverplichting. Na haar ontslag stond het mevr. U. vrij om in dezelfde sector actief te blijven.


Het is niet meer dan normaal dat de overstap van een kapster met een lange staat van dienst in een plaatselijke onafhankelijke kapperszaak ook de overstap van een aanzienlijk gedeelte van de cliëntèle met zich meebrengt.


Tussen kapsters en de klanten bestaat er een grote vertrouwensband, en dit ingevolge de aard zelf van de dienstverlening. De meeste klanten veranderen niet graag van kapster eens dat men een goede kapster heeft gevonden. Dit is zeker het geval voor klanten van onafhankelijke kapsalons die geen deel uitmaken van een keten.


L.O. had zich bij de overname van het handelsfonds daarvan rekenschap moeten geven. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen of partijen bij de verkoop van het handelsfonds geen verkoopprijs hebben afgesproken die rekening houdt met de omzet gedurende een bepaalde periode na de overdracht. L.O. legt de contractuele bepaling inzake de verkoopprijs niet voor.


De rechtbank acht het evenmin bewezen dat mevr. U. zich schuldig zou hebben gemaakt aan het gebruik van onrechtmatig verkregen klantenlijsten. De foto’s die L.O. dienaangaande bijbrengt, bewijzen niets. De rechtbank acht het plausibel dat de overgang van die cliëntèle heeft plaatsgevonden door de eigen informatiecampagne die mevr. U. vanaf november heeft opgezet en door de verspreiding van het nieuws via mond-tot-mondreclame in de gemeente.
Tijdens de behandeling ter zitting is wel gebleken dat mevr. U. nog tijdens haar dienstverband een aanvang heeft genomen met de organisatie van de opening van haar eigen handelszaak. Zo heeft zij de handelshuurovereenkomst reeds midden oktober ondertekend, tijdens haar opzegperiode. De rechtbank kan zich niet uitspreken of deze handelingen een schending vormen van de arbeidsovereenkomst en de Arbeidsovereenkomstenwet (schending loyauteitsverplichting). Maar zelfs als een dergelijke schending zou voorliggen, kan dit de stakingsvordering niet rechtvaardigen, omdat de bewuste schendingen hebben plaatsgevonden op het ogenblik dat mevr. U. nog werkneemster was.


Wel acht de rechtbank het niet bewezen dat mevr. U. noch mevr. L. op aangeven van mevr. U., vanaf 15 oktober 2011 op stelselmatige wijze klanten in de zaak zelf hebben ingelicht over de op stapel staande opening van de nieuwe zaak. In de verklaring van de werkneemster van L.O. is sprake van één dergelijk voorval, maar mevr. U. en mevr. L. hebben dit steeds ontkend.


Gelet op de goede verstandhouding tussen mevr. U. en mevr. L. en de (verre) familieband die tussen hen beiden bestaat, was het voorzienbaar dat mevr. L. graag bij mevr. U. ging werken. Aan het ontslag van mevr. L. is bijgevolg evenmin een onrechtmatig karakter verbonden.
Volgens de rechtbank is het verlies van de cliëntèle niet veroorzaakt door onaanvaardbare begeleidende omstandigheden, maar is dit te wijten aan het normale spel van concurrentie en de eigenheid van de kappersbranche.
De vordering van L.O. is ongegrond. 

 

Commentaar: 

Bronnenmateriaal:

• D. Dessard,Les usages honnêtes, Brussel, Larcier, 2007, p. 175-189, nrs. 150-189; E. Ballon, “Onrechtmatige Mededinging: capita selecta” in Handelspraktijken anno 1996, Antwerpen, Kluwer, 1996, p. 220-222, nrs. 20-25;

• A. De Caluwe et al., Les pratiques de commerce, Brussel, Larcier, 1994, 30.6;

• P. De Vroede en G.L. Ballon,Handboek handelspraktijken, Antwerpen, Kluwer, 1985, p. 574-576, nrs. 1160-1163;

• J. Heenen en J. Van Ryn, Principes de droit commercial, I, Brussel, Bruylant, 1976, p. 171-172, nr. 163;

• Ph. Coppieters De Gibson, La concurrence déloyale, Brussel, Larcier, 1936, 363 p.).

• Y. Merchiers, “Overzicht van rechtspraak”, TPR 1999, 267-270; P.

• De Vroede, “Overzicht van rechtspraak: De wet op de handelspraktijken (1983-1989)”, TPR 1989, p. 295-297, nrs. 204-208

• P. De Vroede, “Overzicht van rechtspraak: Wet op de handelspraktijken (1976-1982)”, TPR1983, p. 964, nrs. 299-300).

• G. Schricker et al., La répression de la concurrence déloyale, II/1, Parijs, Dalloz, 1974, 1039 p.; M. Gotzen, Vrijheid van beroep en bedrijf en onrechtmatige mededinging, II, Brussel, Larcier, 1963, 721 p.;

• A. Moreau, Traité de la concurrence illicite, Brussel, Bruylant, 1904, 323 p.)

• J. Stuyck,Handelspraktijken in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, E. Story-Scientia, 2004, p. 163, nr. 197 en p. 177-178, nr. 218).

• Gent 9 februari 2009, TBH 2009, 901).

• Arbh. Luik 22 september 2005, Soc.Kron. 2006, 356; Brussel 7 mei 2002, 

• Jb.Hand.Med., 2002, 461, noot H. De Bauw; Antwerpen 6 september 1999, 

• Jb.Hand.Med., 1999, 550; S. Claeys, Franchising, Bruggedie Keure, 2009, p. 523, nr. 649).

• Cass. 29 mei 2009, Jb.Hand.Med., 2009, 325, noot H. De Bauw, NJW 2010, 151, noot R. SteennotPas. 2009, 1374, RABG 2011, 3, noot A. Clerens,RW 2010-11, 1561, noot D. Mertens.


Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 21:58
Laatst aangepast op: za, 19/09/2015 - 14:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.