-A +A

afwerven cliënteel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtsleer: Handboek Consumentenbescherming en Handelspraktijken, R. Steennot

D. Mertens, Bescherming van cliënteel, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 179-317, nrs. 124-237.

Afwerving van cliëntèle behoort tot het wezen van de concurrentie en is enkel onrechtmatig als zij gepaard gaat met bijzondere bijkomende omstandigheden

De desorganisatie bij de concurrent is pas wederrechtelijk als de afwerving intentioneel gebeurt met het oog op het toebrengen van schade bij de concurrent, wat in dit geval niet bewezen is.
 

 

De vrijheid van handel en concurrentie impliceert dat cliënteel geen eigendom is van een onderneming en principieel ook voor de ondernemer vrij is tot concurrentie.

Aan deze vrijheid wordt slechts in beperkte mate grenzen gesteld.

Deze grenzen worden in de wet op de handelspraktijken zie WHPC (wet 14 juli 1991), slechts op zeer algemene wijze vastgelegd door in zeer algemene termen elke daad te verdienden die strijdig is met de eerlijke handelspraktijken, zodat dit begrip in concreto door de rechtbank dient ingevuld.

De regel die door de rechtbank gehanteerd wordt gaat uit van het principe dat de concurrentie vrij is en het afwerven dus principieel geoorloofd.

Voorbeelden van verboden handelingen van afwerving van cliënteel die als strijdig met de eerlijke concurrentie (WHPC) werden aanzien.

- aanklampen van restaurantbezoekers door zogenaamde portiers waardoor de klanten gehinderd worden in de vrije keuze van restaurant.
- verspreiden van valse berichten over de concurrentie inzake solvabiliteit, stopzetting, faillissement;
- valselijk beweren dat men de opvolger van de concurrent is;
- gebruik maken van klantenlijsten die op onrechtmatige wijze werden verkregen;
- laten uitschijnen aan de consument dat hij eigenlijk met de concurrent handelt, terwijl dit niet zo is;
- laster en eerroof verspreiden;
- wanneer de motieven (van afwerving) niet ingegeven zijn uit economische overwegingen maar enkel met de overweging te schaden;

 

Het verbod op afwerven van cliënteel in het arbeidsrecht

Ex-werknemer die niet gebonden zijn door een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst kunnen een concurrerende onderneming opstarten, of overstappen naar een concurrerende onderneming en kunnen hierbij gebruik maken van hun opgebouwde know-how, en als concurrent de klanten van hun ex-werkgever benaderen. Dit geldt evenzeer voor samenwerkingsvormen, onderaanneming. Een en ander komt zeer vaak voor. Een kapster neemt een bediende in dienst, die vijf jaar op "haar eigen begint" en waarbij de klanten naar haar overlopen. Idem bij beenhouwers, Horecazaken, dierenartsen, advocaten, ICT 


Afwerving personeel 

Er bestaat evenmin een principieel verbod op afwerving van personeel zelfs niet wanneer de concurrent het financieel moeilijk heeft, voorzover de afwerving niet kan aanzien worden als een daad van oneerlijke concurrentie.

Sanctie bij afwerving van personeel of cliënteel: de vordering tot staking zoals voorzien in WHPC (wet 14 juli 1991): zie vordering tot staking WHPC

Rechtspraak:

•• Brussel 20 februari 1996, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 1996, 568; , R.W. 1996-97,

Handelspraktijken strijdig met de eerlijke gebruiken, afwerven van personeel of cliënteel
De onrechtmatige afwerving van het cliënteel is niet bewezen, nu niet blijkt dat op onrechtmatige wijze kennis en informatie ook omtrent het klantenbestand werd verkregen.
Eventuele loutere contractuele tekortkomingen, voor zover al bewezen, maken op zichzelf geen daden strijdig met de eerlijke handelsgebruiken uit.
 

•• Luik 19 oktober 1993, Jaarboek Handelspraktijken 1993, 499.

Handelspraktijken strijdig met de eerlijke gebruiken, afwerven van personeel of cliënteel
Een ex-werknemer die niet door een niet-concurrentiebeding jegens zijn gewezen werknemer gebonden is, kan niet verboden worden het cliënteel van deze laatste te bezoeken met het oog op het afsluiten van contracten na de afloop van hun contracten met zijn gewezen werkgever. Het gebruik maken van de opportuniteit dat hij het cliënteel van zijn gewezen werkgever kent, is niet vatbaar voor kritiek wanneer hij niet verwijst naar zijn vroegere activiteit, geen geheime informatie of technische documentatie gebruikt, en geen andere abnormale of frauduleuze middelen aanwendt bij de benadering van de cliënteel van zijn ex-werkgever.

• Rechtbank van Koophandel te Hasselt, Zoals in kort geding – 13 januari 2012, RW 2013-2014, 31

BVBA L.O. t/ A.U. en K.L.

I. Antecedenten

De betwisting tussen partijen betreft de beweerde onrechtmatige handelspraktijken waaraan mevr. U. zich schuldig maakt.

L.O heeft bij overeenkomst van 1 juli 2011 het kapsalon annex schoonheidssalon “S.B.”, gevestigd te Hamont-Achel, overgenomen van de heer E.K.

Mevr. U. en mevr. L. waren beiden in dienst van het kapsalon en zijn werden door L.O. verder in dienst gesteld met arbeidsovereenkomsten ondertekend op 30 juni 2011 en 1 juli 2011.

Bij brief van 17 oktober 2011 heeft mevr. U. haar opzeg gegeven met ingang van 1 november 2011. Vervolgens heeft ook mevr. L. op 7 november 2011 haar opzeg gegeven.

Mevr. U. heeft dan met ingang van 1 december 2011 een eigen kapperszaak geopend in Hamont-Achel, enkele honderden meters verwijderd van de zaak van L.O. Zij heeft mevr. L. met een arbeidsovereenkomst van 1 december 2011 bij haar in dienst genomen.

Volgens eigen zeggen heeft L.O. vanaf november 2011 een significante daling van het aantal bezoeken moeten vaststellen, waarbij zelfs talrijke vastgelegde bezoeken eenvoudigweg werden geannuleerd. Volgens L.O. zou het niet voor betwisting vatbaar zijn dat mevr. U. misbruik heeft gemaakt van de vertrouwelijke informatie met namen en adressen van de cliëntèle (talrijke klantenfiches zijn verdwenen) die het haar mogelijk heeft gemaakt de cliëntèle op grote schaal af te werven. Dit heeft tot de destabilisatie en de desorganisatie van het bedrijf van L.O. geleid, temeer daar mevr. U. ook mevr. L. heeft afgeworven.

De vordering van L.O. strekt ertoe:

– de schending van art. 95 WMPC vast te stellen;

– de staking te bevelen gedurende een periode van twee jaar van de gewraakte handelingen en mevr. U. het verbod op te leggen de cliëntèle van L.O. die bestond per 1 juli 2011, zoals uit de klantenfiches blijkt, nog verder te bedienen, en dit op straffe van verval van een dwangsom van 250 euro per overtreding en per klant;

– het vonnis gemeen en tegenwerpelijk te verklaren ten aanzien van mevr. L.;

– voorbehoud te verlenen voor de schade die L.O. lijdt en die kan worden geraamd op minimum 20.000 euro provisioneel op heden;

– de publicatie te bevelen van het vonnis in het Belang van Limburg en door aanplakking op de deuren van de zaak van mevr. U.

II. De beoordeling

...

A. Ten aanzien van mevr. L.

Het is niet betwist dat mevr. L. in dienst is van mevr. U. Als werkneemster voldoet zij niet aan de definitie van onderneming vervat in art. 2, 1° WMPC.

L.O. kan bijgevolg wegens schending van art. 95 WMPC geen stakingsvordering instellen tegen mevr. L., noch een afgeleide vordering, zoals de gemeenverklaring van het vonnis.

De vordering is ongegrond ten aanzien van mevr. L.

B. Ten aanzien van mevr. U.

L.O. verwijt mevr. U. in essentie dat zij de facto nagenoeg de volledige cliëntèle van haar voormalige werkgever heeft overgenomen, zonder daarvoor enige vergoeding te betalen.

Volgens de rechtbank is het niet bewezen dat mevr. U. zich heeft schuldig gemaakt aan onrechtmatige marktpraktijken.

Het uitgangspunt inzake afwerving van cliëntèle is het gegeven dat dit tot het wezen van concurrentie behoort. Het wordt enkel onrechtmatig als dit gepaard gaat met bijzondere bijkomende omstandigheden.

Het gebruik van onrechtmatig verkregen bedrijfsgeheimen kan zo een omstandigheid zijn.

De bijzondere omstandigheden waarop L.O. zich in casu beroept, zijn het massale karakter van de afwerving, wat tot een destabilisatie van haar zaak heeft geleid, en het feit dat mevr. U. gebruik zou hebben gemaakt van onrechtmatig verkregen klantenlijsten.

De rechtbank sluit zich aan bij de stelling dat het loutere feit dat de afwerving van cliëntèle een zekere desorganisatie bij de concurrent tot gevolg heeft, op zich niet onrechtmatig is maar wel het logische gevolg is van het vrije marktspel (J. Stuyck, Beginselen van Belgisch privaatrecht, XIII, Handels- en economisch recht, Deel II. Mededingingsrecht, A. Handelspraktijken, 2004, p. 177, nr. 216; B. Michaux, “Concurrence déloyale et anciens co-contractants. Les mises au point de la dernière jurisprudence”, TBH 1994, (578) 588).

De desorganisatie is wederrechtelijk als de afwerving intentioneel gebeurde met het oog op het toebrengen van schade bij de concurrent.

In deze zaak is een dergelijke intentie niet aangetoond.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat mevr. U. niet verbonden was door een niet-concurrentieverplichting. Na haar ontslag stond het mevr. U. vrij om in dezelfde sector actief te blijven.

Het is niet meer dan normaal dat de overstap van een kapster met een lange staat van dienst in een plaatselijke onafhankelijke kapperszaak ook de overstap van een aanzienlijk gedeelte van de cliëntèle met zich meebrengt.

Tussen kapsters en de klanten bestaat er een grote vertrouwensband, en dit ingevolge de aard zelf van de dienstverlening. De meeste klanten veranderen niet graag van kapster eens dat men een goede kapster heeft gevonden. Dit is zeker het geval voor klanten van onafhankelijke kapsalons die geen deel uitmaken van een keten.

L.O. had zich bij de overname van het handelsfonds daarvan rekenschap moeten geven. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen of partijen bij de verkoop van het handelsfonds geen verkoopprijs hebben afgesproken die rekening houdt met de omzet gedurende een bepaalde periode na de overdracht. L.O. legt de contractuele bepaling inzake de verkoopprijs niet voor.

De rechtbank acht het evenmin bewezen dat mevr. U. zich schuldig zou hebben gemaakt aan het gebruik van onrechtmatig verkregen klantenlijsten. De foto’s die L.O. dienaangaande bijbrengt, bewijzen niets. De rechtbank acht het plausibel dat de overgang van die cliëntèle heeft plaatsgevonden door de eigen informatiecampagne die mevr. U. vanaf november heeft opgezet en door de verspreiding van het nieuws via mond-tot-mondreclame in de gemeente.

Tijdens de behandeling ter zitting is wel gebleken dat mevr. U. nog tijdens haar dienstverband een aanvang heeft genomen met de organisatie van de opening van haar eigen handelszaak. Zo heeft zij de handelshuurovereenkomst reeds midden oktober ondertekend, tijdens haar opzegperiode. De rechtbank kan zich niet uitspreken of deze handelingen een schending vormen van de arbeidsovereenkomst en de Arbeidsovereenkomstenwet (schending loyauteitsverplichting). Maar zelfs als een dergelijke schending zou voorliggen, kan dit de stakingsvordering niet rechtvaardigen, omdat de bewuste schendingen hebben plaatsgevonden op het ogenblik dat mevr. U. nog werkneemster was.

Wel acht de rechtbank het niet bewezen dat mevr. U. noch mevr. L. op aangeven van mevr. U., vanaf 15 oktober 2011 op stelselmatige wijze klanten in de zaak zelf hebben ingelicht over de op stapel staande opening van de nieuwe zaak. In de verklaring van de werkneemster van L.O. is sprake van één dergelijk voorval, maar mevr. U. en mevr. L. hebben dit steeds ontkend.

Gelet op de goede verstandhouding tussen mevr. U. en mevr. L. en de (verre) familieband die tussen hen beiden bestaat, was het voorzienbaar dat mevr. L. graag bij mevr. U. ging werken. Aan het ontslag van mevr. L. is bijgevolg evenmin een onrechtmatig karakter verbonden.

Volgens de rechtbank is het verlies van de cliëntèle niet veroorzaakt door onaanvaardbare begeleidende omstandigheden, maar is dit te wijten aan het normale spel van concurrentie en de eigenheid van de kappersbranche.

De vordering van L.O. is ongegrond. 

Nog dit: 

Hof van Beroep Gent, 18/11/2013, RW 2013-2014, 1187

BVBA V.-S. t/ BVBA Q.

I. Bestreden beslissing – rechtspleging in hoger beroep

1. Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 21 maart 2013 tegen een vonnis van de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk, zitting houdend zoals in kort geding, van 17 december 2012.

...

II. Feiten – procedure in eerste aanleg

2. De overblijvende betwisting betreft de vraag of de BVBA Q. een inbreuk heeft begaan op de goede marktpraktijken door in het weekblad Passe-Partout Westhoek een aankondiging te plaatsen.

3. Voor de relevante feiten kan worden volstaan met een verwijzing naar wat in het bestreden vonnis onder “Korte schets van de feitelijke gegevens van de betwisting en het standpunt van de partijen” werd uiteengezet. Het hof verwijst de partijen naar deze uiteenzetting die geen verdere aanvulling behoeft.

4. Ook wat de vorderingen betreft, verwijst het hof naar wat in het bestreden vonnis (onder: “De vorderingen”) werd uiteengezet, waarbij het hof vaststelt dat BVBA V.-S. in haar inleidende dagvaarding verwees naar de volgende aankondiging van Q. in het weekblad Passe-Partout Westhoek, uitgave week 41 en geciteerd als volgt: “Bent u tewerkgesteld bij een ander dienstenchequebedrijf? Stapt u over naar “hulp in huis” voor 31 oktober, dan ontvangt u een nettopremie tot 500 euro”.

5.1. De voorzitter verklaarde de vordering zoals uitgebreid tot het laken van de vermeldingen “Beste werkgever van België” en “de hoogste verloning” niet ontvankelijk. Hij overwoog daarbij: “In de inleidende dagvaarding is enkel het principe geviseerd van de afwerving van personeel door de geplaatste publiciteit, namelijk dat bij overstap naar de verweerster vóór 31 oktober het overstappend personeelslid een nettopremie zal ontvangen van 500 euro, met als gevolg dat ook cliënteel naar het bedrijf van de verweerster zal overstappen. Op die gronden baseert de eiseres haar vordering tot het staken van de door de verweerster gevoerde publiciteit. In de inleidende dagvaarding wordt geen feit of akte aangevoerd in verband met verwarring van handelsbenaming of van misleidende en/of vergelijkende reclame. De vorderingen daaromtrent gesteld in de syntheseconclusies achten wij met de verweerster een niet-ontvankelijke uitbreiding van de oorspronkelijke vordering”.

5.2. Hij oordeelde voorts dat de BVBA Q. zich niet schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige afwerving van cliënteel en personeel en dat de vordering, zoals gesteld in de inleidende dagvaarding, bijgevolg ongegrond is. De voorzitter motiveerde deze beslissing als volgt: “Op grond van het principe van vrijheid van handel is de afwerving van personeel geoorloofd tenzij bijzonder begeleidende bezwarende omstandigheden aan deze afwerving een onrechtmatig karakter geven. Rechtspraak en rechtsleer beschouwen de afwerving van personeel als onrechtmatig wanneer deze gebeurt,

– in een bewuste poging tot verwarringstichting tussen twee bedrijven;

– met derdemedeplichtigheid aan een eventuele contractbreuk van de werknemer;

– met het oog om vertrouwelijke gegevens van de concurrent te verkrijgen, of,

– met de desorganisatie van het bedrijf als gevolg (R. Steennot, F. Bogaert, D. Bruloot en D. Coens, Wet Marktpraktijken, Antwerpen, Intersentia, 2010, nr. 96; P. Wytinck, “Over de afwerving van personeel – Zelden strijdig met WHPC” (noot onder Voorz. Kh. Leuven 8 mei 2007), RABG 2007, 1375-1380). Wij sluiten ons aan bij die rechtspraak en die rechtsleer.

“Verwarring tussen de eiseres en de verweerster wordt naar ons oordeel door de geviseerde publiciteit niet gesticht. Het gebruik door de verweerster van haar handelsbenaming en de naam van haar website in gevoerde publiciteit is niet als onrechtmatig en/of verwarringstichtend te weerhouden.

“Van aansporing tot contractbreuk is er evenmin sprake. “Overstappen naar” een ander bedrijf kan perfect via de naleving van de arbeidsrechtelijke bepalingen, via naleving van het bestaande contract. Derdemedeplichtigheid aan een eventuele contractbreuk van de verweerster wordt in elk geval niet bewezen.

“Het verkrijgen van vertrouwelijke gegevens is in casu niet het voorwerp van de discussie – wij stellen ons de vraag wat die vertrouwelijke gegevens in de dienstenchequesector wel zouden kunnen zijn – en van desorganisatie van het bedrijf van de eiseres ligt er evenmin enig bewijs voor.

“Het feit dat de verweerster geldelijke vergoedingen belooft/toekent voor het overstappen door personeel is volgens ons geen onrechtmatige afwerving van personeel. Personeelsverloop doet zich in alle sectoren voor, waarbij als de onderliggende argumenten – al dan niet openlijk verwoord – de betere vertoning of de gunstigere voordelen in natura bij de nieuwe werkgever gelden.

“Dat er door het personeelsverloop in de dienstenchequebranche ook cliënteel overstapt naar de concurrentie, kunnen we aanvaarden. Maar zoals bij het overgaan van personeel, is een en ander slechts onrechtmatig en moet het worden beteugeld, indien het gepaard gaat met bijzondere omstandigheden die het een onrechtmatig aspect verlenen (Gent, 7e kamer, 8 november 2010, inzake 2009/AR/2962 inzake NV A.I.B. t/ NV M., onuitg.). Dergelijke bijzondere omstandigheden worden door de eiseres niet aangevoerd.

“We zijn dan ook van oordeel dat de door de eiseres gevorderde verboden tot het voeren van de bewuste publiciteit door de verweerster en tot de aanwerving van het personeel van de eiseres door de verweerster, zelfs tegen de betaling van een premie of een ander voordeel, niet kunnen worden opgelegd”.

III. Grieven/voorwerp van het hoger beroep

6. Voor een omstandige uiteenzetting van de grieven en de argumentatie van partijen verwijst het hof naar de beroepsakte en de conclusies voor de partijen.

6.1. Samengevat argumenteert de BVBA V.-S.dat:

– haar oorspronkelijke vordering, zoals uitgebreid in de loop van de procedure in eerste aanleg, wel degelijk gebaseerd is op een feit dat in de inleidende dagvaarding werd vermeld (namelijk op de door de BVBA Q. geplaatste aankondiging in het weekblad Passe-Partout Westhoek), zodat haar vordering, zoals uitgebreid, ontvankelijk is;

– de BVBA Q. verwarring sticht door het gebruik van de handelsbenaming “Hulp in huis”, zijnde een handelsbenaming die wordt gebruikt door andere ondernemingen in dezelfde sector, en dit zonder vermelding van een maatschappelijke benaming en/of ondernemingsnummer;

– de BVBA Q. misleidende reclame maakt door zich in de aankondiging te profileren als “beste” werkgever van België (schending van art. 91, 2o WMPC); te beweren dat zij de “hoogste verloning” biedt (vergelijkende reclame, schending van art. 19 WMPC); de geldigheid van het aanbod te beperken in de tijd (schending van art. 91, 7o WMPC); een nettopremie van 500 euro te beloven bij overstap en met naleving van “Voorwaarden en reglement in ons kantoor”, zonder nader te specificeren in welke gevallen men aanspraak kan maken op de premie;

– het afwerven van personeel en cliënteel door Q. onrechtmatig gebeurde, gezien de bijzondere omstandigheden, daar de BVBA Q. het personeel en/of cliënteel ertoe aanzette onmiddellijk naar haar over te stappen onder het voorwendsel van het verkrijgen van een premie en de hoogste verloning en er dan ook toe aanzette contractbreuk te plegen; het geringste verlies van klanten de goede werking van de BVBA V.-S. in het gedrang brengt; de aankondiging enkel tot doel heeft de concurrerende ondernemingen te destabiliseren (gelet op de maatregel van 17 augustus 2012); de beloofde premie bij overstap gekoppeld wordt aan voorwaarden en de naleving van een reglement dat enkel verkrijgbaar is op het kantoor.

De BVBA V.-S. vordert dan ook de inwilliging van haar hoger beroep, de vernietiging van het bestreden vonnis en de inwilliging van haar vordering, zoals uitgebreid in de loop van de procedure in eerste aanleg.

6.2. De BVBA Q. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert de integrale bevestiging van het bestreden vonnis.

Ondergeschikt vraagt zij de vordering in ieder geval af te wijzen, waar wordt gevraagd dat zij geen personeel van andere dienstenchequebedrijven mag verzoeken over te stappen naar haar en dat zij geen werknemers van de BVBA V.-S. in dienst mag nemen tegen betaling van een premie of welkdanig in geld waardeerbaar voordeel.

Meer ondergeschikt, de gevorderde dwangsom te herleiden en de vordering tot publicatie te beperken.

IV. Beoordeling

Uitbreiding van de vordering voor in eerste aanleg

7. Daar de BVBA V.-S. haar oorspronkelijke vordering, zoals uitgebreid in de loop van de procedure in eerste aanleg, onder meer stoelt op een feit dat in de inleidende dagvaarding werd vermeld, namelijk op de door de BVBA Q. geplaatste aankondiging in het weekblad Passe-Partout Westhoek, is deze vordering zoals uitgebreid, ontvankelijk.

Verwarrende handelsbenaming

8. Het is juist dat de geïntimeerde, de BVBA Q., haar handelsbenaming niet gebruikt in de door appellante gewraakte publiciteit en “Hulp in Huis” als titel gebruikt. Maar de geïntimeerde – zonder hierin door de appellante te worden tegengesproken –, bezit “hulp in huis” als webdomeinnaam al sinds 2005. In haar tegemoet treden van de markt mag de geïntimeerde er alleszins gebruik van maken tot iemand anders met sterkere rechten desbetreffend ertegen wenst op te treden. In alle geval is de appellante geen dergelijke andere persoon.

Het gebruiken van “hulp in huis” is weinig “identificerend” naar een concrete onderneming toe, daar het precies aangeeft wat er aan activiteiten wordt verricht.

Dat “P.” van dat begrip ook gebruik maakt, blijkt uit de door de beide partijen neergelegde stukken, maar “P.” drijft onder die naam geen handel. Dit leidt echter blijkbaar niet tot verwarring, alleszins niet met de appellante.

Misleidende reclame

9. Het is juist dat de geïntimeerde zichzelf bestempelt als de “Beste werkgever – België”.

De publiciteit is verschenen in 2012, terwijl de geïntimeerde blijkbaar de beste werkgever is geweest in 2008 en 2009.

De loutere vermelding “beste werkgever” is niet misleidend. Vele handelaars prijzen zichzelf dan wel hun producten aan, als de beste.

Desbetreffend hebben de publiciteit en de activiteit betrekking op de sector van de dienstencheques. De publiciteit betreft dus het “product” van de geïntimeerde: werknemers zoeken voor het systeem van de dienstencheques. De bewering van “beste werkgever” is makkelijk te begrijpen binnen die context en is dan ook niet onrechtmatig.

Een en ander geldt evenzo en evenzeer in zoverre de vermelding “hoogste verloning” wordt gelaakt door de appellante.

Bijkomend zij er overwogen dat de geïntimeerde niet overgaat tot vergelijking van zichzelf met de appellante noch met wie anders dan ook. Daar het aanbod geldig is tot einde oktober 2012 – volgens de publiciteit – is dit naar inzicht van het hof voldoende lang. Aan de potentiële kandidaat-werknemer wordt voldoende tijd gegeven om over het aanbod na te denken en zo nodig de gepaste inlichtingen te verwerven (één week respectievelijk twee weken).

Afwerving personeel en cliënteel

10. Het hof acht de motivering van de voorzitter tot afwijzing van de aanspraken van de appelante hier uitdrukkelijk als hernomen, behalve in zoverre deze strijdig zou zijn met wat hierna verder wordt overwogen.

Dat er te dezen sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die de publiciteit een onrechtmatig karakter zouden verlenen, ziet het hof niet in.

De publiciteit van een andere “speler” in de sector (“G.H.), die eveneens 500 euro aanbiedt aan wie van werkgever wil veranderen, toont aan dat er niet alleen een grote beweging is van de ene naar de andere werkgever, maar dat een en ander hoegenaamd niet als destabiliserend kan worden ervaren.

Ten slotte is de 500 euro die als maximumpremie wordt vooropgesteld voor wie van werkgever verandert, weinig helder in concreto, maar dat kan in een publiciteit – die het moet hebben van slogans – niet in het lang en het breed worden uiteengezet. Voor de werknemer die wegtrekt wordt dit aanbod niet als onrechtmatig ervaren. Dit klemt des te meer daar men zich niet kan voorstellen dat een werknemer eerst ontslag zou nemen en dan pas zou gaan uitvissen aan welke concrete voorwaarden hij elders aan de slag zou kunnen gaan.

Ook na het ontvankelijk verklaren van de uitbreiding van de oorspronkelijke vordering voor de voorzitter, blijven de aanspraken van de geïntimeerde dan ook afgewezen.

Rechtbank Koophandel Antwerpen, Afdeling Turnhout, zetelend zoals in kortgeding, 13 februari 2015, NJW 2015, 326, 555 met noot D. Bruloot, Oneerlijke marktpraktijken tussen onderneming

De vrijheid van handel (Decreet D’Allarde) impliceert de vrijheid van mededinging die alle ondernemingen toelaat inspanningen te doen om cliënteel tot zich te trekken. Elke onderneming is derhalve gemachtigd om de ganse markt te prospecteren, dus ook jhet cliënteel van zijn concurrenten.

Dat cliënteel moet worden beschouwd als een res nullius, een zaak die aan niemand toebehoort. Een onderneming kan derhalve cliënteel niet voor zich houden of zich toe-eigenen.

Wanneer een onderneming klanten afwerft van een ex-werkgever (hoofdaannemer), geldt in principe hetzelfde. Bij afwezigheid van een geldig niet-concurrentiebeding heeft een ex-werknemer na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in principe het recht om zich als zelfstandige te vestigen en zijn ex-werkgever te beconcureren.

De afwerving van clië,nteel kan slechts als onrechtmatig worden beschouwd omwille van haar doelstellingen en/of de bijzondere omstandigheden waarin ze plaatsvindt.

Daden van loutere concurrentie, daden van afwerving van cliënteel of afwerving van personeel worden op zich niet beteugeld door art. IV.104 WER en 105 WER.

Opdat er sprake zou zijn van derden medeplichtigheid aan contractbreuk, dient vooreerst aangetoond dat er een geldige contractuele verbintenis bestaat, die door de andere contractpartij wordt geschonden en waarvan de derde op de hoogte was of behoorde te zijn en desondanks toch heeft meegewerkt aan deze contractbreuk

 

Nuttige tips: 

Wanneer u personeel aanwerft, met onderaannemers werkt of met zelfstandige medewerkers, denk dan steeds dat er een dag komt dat zij u kunnen en wellicht zullen verlaten. Behou het contact met uw cliënteel en stel in de overeenkomst clausules op die overname van cliënteel, lees cliënteel verloop verhinderen, door een verbod na contractontbinding te werken voor uw cliënteel of klanten dan wel een concurrentiebeding. Zorg dat dit beding geldig is en laat u hiervoor bijstaan door een advocaat.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: vr, 13/10/2017 - 18:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.