-A +A

aftrekbeperking 50% voor beroepsmatig gedane receptiekosten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
   

Rechtspraak:

HOF van BEROEP te BRUSSEL
14 NOVEMBER 2007
Zesde fiscale kamer
Nl. van de zaak : 2005//AR/1196
Openbare terechtzitting van 14 -11 - 2007
IN ZAKE VAN:
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie
van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector directe belastingen,
in de persoon van de heer gewestelijke directeur van Leuven, met kantoor
te 3001 Leuven, Philipssite 3 A bus 1,
appellant,
geïntimeerde op incidenteel beroep,
vertegenwoordigd door Meester V.d.V., loco Meester F.C., advocaat te …,
TEGEN:
DE N.V. S.A., met maatschappelijk zetel te …, ingeschreven in het H.R. te
Leuven onder nummer …, ingeschreven in het rechtspersonenregister met
ondernemingsnummer …,
geïntimeerde,
appellante op incidenteel beroep,
vertegenwoordigd door Meester D., loco Meester S.S., advocaat te …,
*****
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit:
Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het
vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te
Leuven, op tegenspraak gewezen op 4 februari 2005 (A.R. nr.
01/1247/A), vonnis dat werd betekend op 5 april 2005 en waartegen door
appellant een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld
bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 4 mei 2005.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
Het vonnis verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en
gedeeltelijk gegrond.
De vordering van geïntimeerde strekte ertoe de aanslag zoals bevestigd in
de directoriale beslissing te vernietigen; appellant te veroordelen tot
terugbetaling van alle sommen die op grond van deze aanslag zouden zijn
geïnd, vermeerderd met de nalatigheidinteresten van art. 418 W.I.B.
1992.
I. De feiten
Geïntimeerde is een productiehuis van televisieprogramma's dat
hoofdzakelijk werkt voor ….
Voor het aanslagjaar 1997 diende zij tijdig een aangifte in de
vennootschapsbelasting (Venn. B.) in.
In de loop van het jaar 1999 onderwierpen de diensten van het AOIFcontrolecentrum
te Leuven geïntimeerde aan een grondige
belastingcontrole.
Op 4 november 1999 ontving geïntimeerde voor het aanslagjaar 1997 een
bericht van wijziging, waarin een verhoging van de belastbare grondslag,
door een bedrag van 3.735.091 BEF toe te voegen aan de verworpen
uitgaven, werd aangekondigd. Dit bedrag omvatte de volgende verworpen
uitgaven:
- reis Malta: 2.400.000 BEF;
- brandstofkosten: 125.491 BEF;
- kilometervergoeding N.A. : 49.500 BEF;
- onkostenvergoeding: 412.500 BEF;
- catering E. : 747.500 BEF.
Op 6 december 1999 gaf geïntimeerde via haar raadsman te kennen dat
zij, uitgezonderd wat de verwerping van de kilometervergoeding N.A.
betrof, niet akkoord kon gaan met de voorgestelde wijzigingen.
Op 20 december 1999 liet de administratie weten dat zij slechts
gedeeltelijk rekening hield met de opmerkingen van geïntimeerde.
Op 23 december 1999 werd een supplementaire aanslag ingekohierd
onder artikel nummer … voor het aanslagjaar 1997.
Op 7 maart 2000 diende geïntimeerde een bezwaarschrift in tegen deze
supplementaire aanslag.
Op 12 april 2001 werd dit bezwaarschrift bij directoriale beslissing
afgewezen.
Op 23 mei 2001 legde geïntimeerde een tegensprekelijk verzoekschrift
neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
Bij het bestreden vonnis van 4 februari 2005 verklaarde de rechtbank de
vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Zij stelde dat de fiscale
administratie de kwestieuze cateringkosten ten onrechte had onderworpen
aan de aftrekbeperking van art. 50, 8° W.I.B. 1992 en besliste dat
geïntimeerde voor deze cateringkosten een bedrag van 1.680.000 BEF in
aftrek mocht brengen.
II. Voorwerp van het hoger beroep.
Het hoger beroep van appellant heeft betrekking op gratis door
geïntimeerde verstrekte maaltijden aan de zelfstandige medewerkers
tijdens opnamedagen (cateringkosten). Per verstrekte maaltijd nam
geïntimeerde een bedrag van 44 BEF als sociaal voordeel op onder de
verworpen uitgaven, en dit zowel voor haar eigen personeelsleden, als
voor de zelfstandige medewerkers. De acteurs en medewerkers die hun
prestaties factureerden onder vennootschapsvorm genoten eveneens dit
voordeel.
De administratie oordeelde dat met betrekking tot de zelfstandige
medewerkers de beperking van 50 % overeenkomstig art. 53, 8° W.I.B.
1992 diende te worden toegepast op de kostprijs van de aan deze
medewerkers verstrekte maaltijden.
Bij gebrek aan gegevens vermeld op de callsheets werden de kosten in
verband met de maaltijden voor de zelfstandige medewerkers geraamd op
1.680.000 BEF, zijnde 40 personen gedurende 105 draaidagen aan 400
BEF per maaltijd.
In toepassing van voormeld art. 53, 8° W.I.B. 1992 werd 50 % van dit
bedrag, zijnde 840.000 BEF, onder de verworpen uitgaven opgenomen.
III. Discussie.
A. Wat het hoofdberoep van appellant betreft : wat de toepassing
van art. 53. 8° W.I.B. 1992 betreft
De eerste rechter oordeelde dat in deze de nadruk niet ligt op het
commerciële aspect van de relatie geïntimeerde - zelfstandige
medewerkers, maar wel op de noodzaak deze personen in optimale
omstandigheden te laten werken. Volgens de eerste rechter moeten
receptiekosten een commerciële bedoeling hebben om aan de
aftrekbeperking van art. 53, 8° te kunnen worden onderworpen.
Appellant merkt op dat de wet dit onderscheid niet maakt.
Appellant wijst er verder op dat geïntimeerde de maaltijdkosten voor
zelfstandige medewerkers ten onrechte op dezelfde wijze heeft behandeld
als de maaltijden aangeboden aan de eigen personeelsleden. Het gaat hier
immers om voor derden gemaakte kosten die in hoofde van geïntimeerde
niet als sociale kosten kunnen worden aangemerkt, nu er geen
arbeidsovereenkomst bestaat tussen geïntimeerde en deze zelfstandige
medewerkers, overeenkomst waaruit enige verplichting voor geïntimeerde
kan voortvloeien tot het verstrekken van maaltijden.
Slechts indien deze kosten als voordelen van alle aard belastbaar worden
gesteld bij de zelfstandige medewerkers, konden de kosten in kwestie als
volledig aftrekbare beroepskosten van geïntimeerde worden beschouwd.
***
Het hof sluit zich niet aan bij de zienswijze van geïntimeerde volgens
dewelke de door haar gemaakte kosten zonder meer kwalificeren als
werkingskosten die voor haar volledig aftrekbaar zouden zijn.
Het hof meent daarentegen dat het wel degelijk om receptiekosten in de
zin van art. 53, 8° W.I.B. 1992 gaat.
In tegenstelling tot hetgeen geïntimeerde voorhoudt, beantwoorden de
kosten in kwestie wel degelijk aan de omschrijving die terug te vinden is
in nr. 53/144 van de Comm.I.B. 1992. Daar worden receptiekosten
omschreven als kosten die de belastingplichtige maakt in het kader van
zijn externe relaties, voor de ontvangst van derden. Hiermee zijn meer
bepaald de kosten bedoeld die verbonden zijn aan de ontvangst van
mogelijke klanten of leveranciers, zakenrelaties en andere personen die
de belastingplichtige in zijn eigen lokalen of elders ontvangt. Het betreft
kosten van traiteurs, van de aankoop van dranken en voedingswaren enz
...
Derhalve dienen de kosten van voeding en drank die een onderneming
maakt tijdens de uitoefening van haar beroepsactiviteit in het kader van
de ontvangst van derden (in casu de zelfstandige medewerkers) en die
niet als restaurantkosten kunnen worden aangemerkt, nu ze niet
beantwoorden aan de specifieke kenmerken van restaurantkosten, als
receptiekosten te worden gekwalificeerd.
Terecht merkt appellant nog op dat art. 53, go W.I.B. 1992 geen
onderscheid maakt in functie van het opzet waarmee deze kosten worden
gemaakt. Het is dan ook volkomen ten onrechte dat de eerste rechter
oordeelde dat bij de cateringkosten de nadruk niet ligt op het commerciële
aspect van de relatie geïntimeerde - zelfstandige medewerkers, maar wel
op de noodzaak deze personen in optimale omstandigheden te laten
werken, en dat receptiekosten een commerciële bedoeling moeten hebben
om aan de aftrekbeperking van art. 53, go W.I.B. 1992 te kunnen worden
onderworpen.
Het hof komt aldus tot het besluit dat de in art. 53, 8° W.I.B. 1992
bepaalde aftrekbeperking in deze wel degelijk toepassing vindt.
B. Wat het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde betreft
Ter openbare terechtzitting van het hof van 17 oktober 2001 verklaarde
geïntimeerde dat indien het hof haar stelling inzake het hoger beroep van
appellant niet volgt, zij incidenteel beroep instelde en daartoe de volgende
middelen inriep.
a) Wat het beweerde willekeurige karakter van de taxatie betreft
Geïntimeerde houdt voor dat de taxatie willekeurig is. Zij meent dat
appellant het bewijsmiddel van het feitelijk vermoeden niet correct heeft
toegepast. Geïntimeerde meent dat de manier waarop de controlediensten
het belastbare bedrag hebben berekend volstrekt willekeurig is. Deze
berekening is ontegensprekelijk het resultaat van een steekproef. Een
vermoeden dient steeds te steunen op een bekend feit. Welnu, het
resultaat van een steekproef is geen bekend feit dat een bewijs bij feitelijk
vermoeden kan ondersteunen, maar is per definitie zelf een vermoeden.
Het gaat in deze derhalve om een opeenstapeling van vermoedens.
Terzake verwijst het hof naar de oordeelkundige motieven van de eerste
rechter, die het middel van de willekeur als ongegrond afwees, motieven
die het hof de zijne maakt.
b) Wat de beginselen van behoorlijk bestuur betreft
Geïntimeerde stelt dat de verwerping van de cateringkosten
onverenigbaar is met de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid
het rechtszekerheids - en vertrouwensbeginsel. Tijdens een voorgaande
fiscale controle werd geen enkele opmerking geformuleerd door de
taxatiediensten aangaande de praktijk van geïntimeerde om de
cateringkosten voor zelfstandige medewerkers op dezelfde wijze te
behandelen als de cateringkosten voor haar eigen personeelsleden.
Geïntimeerde meent dat tussen haar en de fiscale administratie een
stilzwijgend akkoord tot stand is gekomen met betrekking tot de
kwestieuze cateringkosten.
***
Appellant wijst er evenwel terecht op dat de toepassing van de beginselen
van behoorlijk bestuur in de regel geen afwijking van de wet kan
rechtvaardigen. Wel is het zo dat het legaliteitsbeginsel zich niet tegen de
toepassing van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel verzet
wanneer de administratie een vaste gedragsregel hanteert met betrekking
tot een feitelijke kwestie.
In deze betreft het evenwel een inhoudelijke beoordeling van het
wetsbegrip 'receptiekosten' , d.w.z. een loutere toepassing van de wet en
geen beoordeling in feite door de administratie.
Derhalve meent appellant terecht dat het legaliteitsbeginsel zich ertegen
verzet dat geïntimeerde zich in casu kan beroepen op een afgesloten
akkoord of een vaste gedrags- of beleidsregel van de administratie.
Bijgevolg dient ook het middel van de schending van de beginselen van
behoorlijk bestuur te worden afgewezen.
Het hof komt aldus tot het besluit dat het bestreden vonnis, binnen de
perken van het hoger beroep, teniet dient te worden gedaan voor zoverre
het de aftrekbeperking van art. 53, 8° W.I.B. 1992 niet van toepassing
achtte op de kwestieuze cateringkosten.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend op tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in
gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate
gegrond;
Verleent geïntimeerde akte van het instellen van haar incidenteel beroep;
Verklaart dit ontvankelijk, doch ongegrond;
Doet het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven
van 4 februari 2005, binnen de perken van het hoger beroep, teniet voor
zoverre het de aftrekbeperking van art. 53, go W.I.B. 1992 niet van
toepassing achtte op de kwestieuze cateringkosten en, opnieuw wijzende
op dit punt, zegt voor recht dat de aftrekbeperking van art. 53, go W.I.B.
1992 wel degelijk van toepassing is op deze cateringkosten;
Beveelt de herberekening van de bestreden aanslag rekening houdend
met hetgeen voorafgaat;
Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten, begroot in graad van hoger
beroep op 495,79 EUR voor appellant en op 495,79 EUR voor
geïntimeerde;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde
fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 4-11-2007
alwaar aanwezig waren en zitting namen:
- J.V., alleenzetelend raadsheer,
- C.D.N., griffier

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.