-A +A

Afstand van verjaring door proceshouding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Art. 2224 stelt formeel dat verjaring in elke stand van het geding kan worden ingesteld. Door het instellen van een dagvaarding wordt de verjaring geschorst. Deze schorsing duurt voort tot het einde van het geding. De verjaring kan zelfs voor het eerst worden ingeroepen maar niet voor het eerst voor het Hof van Cassatie.Maar dit alles belet niet dat een partij uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van de verjaring.

In een cassatiearrest van 23 september 1988, RW 1988-89, 649) werd gesteld dat een partij die jarenlang in de procedure gewacht had om de verjaring in te roepen, niet kan geacht worden om stilzwijgend aan de verjaring gezaakt te hebben.

Een gans anders geluid was te horen in de hiernavermelde rechtspraak van het Hof van Beroep te Bergen:

toelichting aan de hand van rechtspraak:

• Hof van Beroep Antwerpen, 15/06/2009, jaargang : 2009-2010 (73), Pagina : 930 

...

Het voorval dateert van 16 mei 1994 en de vordering strekkende tot vergoeding wegens schade aan de zuigwagen/oplegger dateert van 9 januari 1996.

Art. 9 van de nationale vervoerwet van 25 augustus 1891 was in onderhavige zaak nog geldend. Vanaf 10 juli 1999 is de wet van 3 mei 1999 inzake vervoer van zaken over de weg van toepassing geworden met onder meer de toepassing van art. 32 C.M.R.

Evenwel is de korte verjaring van voormeld art. 9, eerste lid, niet van toepassing op een vordering strekkende tot herstel van de schade aangericht aan het voertuig van de vervoerder. Deze vordering is niet te beschouwen als een vordering voortspruitend uit de vervoerovereenkomst voor goederen, namelijk een vordering wegens averij/verlies aan de te vervoeren goederen veroorzaakt door de vervoerder in verband met zijn verplichting tot het vervoer van de goederen en de verplichting om de goederen ter bestemming af te leveren.

De gemeenrechtelijke verjaring geldend onder (oud en in 1994 geldend) art. 2262 B.W. is van toepassing, zodat de verjaring niet was ingetreden op het ogenblik dat de vordering door H.C.I. werd ingesteld.

Overigens is het (voor het eerst) inroepen van de verjaring meer dan vijftien jaar na het voorval en meer dan dertien jaar na het instellen van de vordering en na ongeveer tien conclusies te hebben gewisseld niet in overeenstemming met de constante houding die NV A. in dezen ab initio had aangenomen en aangehouden, namelijk de exceptie van verjaring wordt niet ingeroepen. Nadat H.C.I. haar aanspraak tot schadevergoeding aan NV A. per brief van 19 mei 1994 had bezorgd, heeft NV A. deze claim/aanspraak doorgeleid aan C., zoals blijkt uit de brieven van 20 mei 1994, 26 mei 1994 en 6 juni 1994 aan C. In deze laatste brief werd de vordering aan de zuigwagen in detail mee op genomen in de vordering van NV A. geadresseerd aan C.

Hoe dan ook kan worden aangenomen dat de houding van NV A. dient te worden aangemerkt als een afstand van het middel van de verjaring op grond van art. 9 van de wet van 25 augustus 1891.

lees dit vonnis met noot met het paswoord RW

Rechtspraak: 

Cassatie 18/02/2016 AR C.15.0215.N, juridat

samenvatting

De bepalingen van de artikelen 2220, 2221 en 2224 Burgerlijk Wetboek laten in zaken van privaat belang toe afstand te doen niet alleen van een verkregen verjaring, maar ook van de reeds verlopen tijd van een nog steeds lopende verjaring, afstand van de reeds verkregen verjaring of van de reeds verlopen tijd van een nog steeds lopende verjaring wordt niet vermoed en kan alleen worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn; het behoort aan de rechter hieromtrent in feite te oordelen

Tekst arrest

Nr. C.15.0215.N
ALGEMENE BOUWONDERNEMING VLASSAK-VERHULST nv, met zetel te 2970 Schilde, Moerstraat 53,
eiseres,

tegen
MEELBERGHS nv, met zetel te 3583 Paal (Beringen), Zwanenbergstraat 39,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 november 2014.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 2220 Burgerlijk Wetboek kan men vooraf geen afstand doen van de verjaring, maar kan wel afstand worden gedaan van een verkregen verjaring.

Krachtens artikel 2221 Burgerlijk Wetboek geschiedt afstand van verjaring uit-drukkelijk of stilzwijgend en wordt de stilzwijgende afstand afgeleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.

Krachtens artikel 2224 Burgerlijk Wetboek kan men zich op verjaring beroepen in elke stand van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandighe-den doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

2. Deze bepalingen laten in zaken van privaat belang toe afstand te doen niet alleen van een verkregen verjaring, maar ook van de reeds verlopen tijd van een nog steeds lopende verjaring.

Afstand van de reeds verkregen verjaring of van de reeds verlopen tijd van een nog steeds lopende verjaring wordt niet vermoed en kan alleen worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitleg vatbaar zijn. Het behoort aan de rechter hier-omtrent in feite te oordelen.

3. De appelrechters stellen vast dat de eiseres op 16 juni 2003 de verweerster in kort geding heeft gedagvaard voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, dat bij beschikking van 20 juni 2003 E. Germijns als ge-rechtsdeskundige werd aangesteld en dat deze deskundige zijn eindverslag heeft neergelegd op 11 maart 2005.

Zij oordelen dat waar de eiseres zich zelf beriep op de bevindingen van deskundi-ge Germijns, haar houding tijdens het deskundigenonderzoek met betrekking tot het openstaand saldo niet anders kan geïnterpreteerd worden dan als een afstand van recht om de verjaring nog in te roepen. Aldus geven de appelrechters ook te kennen dat de eiseres afstand heeft gedaan van de op 11 maart 2005 reeds verlo-pen tijd van de lopende verjaring.

4. Aangezien uit de redenen van het arrest volgt dat de eiseres op 11 maart 2005 afstand heeft gedaan van de reeds verstreken termijn van de lopende verja-ring met betrekking tot de factuurschuld van 5 maart 2003, konden de appelrech-ters wettig oordelen dat de vordering van de verweerster die werd ingesteld bij op 13 maart 2013 neergelegde conclusie, niet is verjaard.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 653,85 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Noot:

• Cass. 3 februari 1950, AC 1950, 357;

• Cass. 23 oktober 1986, AR nr. 7608, AC 1986-87, nr. 119;

• A. VAN OEVELEN, Het afstand doen van het reeds verstreken gedeelte van een lopende verjaring, TBBR 1988, 209;

• S. STIJNS, I. SAMOY en A. LENAERTS, De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring, RW 2010-2011, 1544.

• Cass. 23 september 1988, AR nr. 6013, AC 1988-89, nr. 48;

• Cass. 16 december 2013, AR S.10.0111.N, AC 2013, nr. 684.

Gerelateerd
0
Uw beoordeling Geen
Aangemaakt op: zo, 31/01/2010 - 19:21
Laatst aangepast op: do, 25/05/2017 - 12:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.