-A +A

Afstand van recht en dading

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Luidens art. 2048 BW blijven dadingen beperkt tot hun voorwerp: wordt daarbij afstand gedaan van alle rechten, vorderingen en eisen, dan geldt zulks alleen voor hetgeen betrekking heeft op het geschil dat tot de dading aanleiding heeft gegeven.

Art. 2049 BW bepaalt dat dadingen slechts de geschillen regelen die daarin zijn begrepen, hetzij partijen hun bedoeling in bijzondere of in algemene bewoordingen hebben uitgedrukt, hetzij die bedoeling als een noodzakelijk gevolg wordt afgeleid van hetgeen is uitgedrukt.

Afstand van recht wordt niet vermoed en kan alleen worden afgeleid uit feiten die niet voor een andere uitlegging vatbaar zijn.

zie Cass. 06/02/2012, RW 2014-2015, 437

“Het bestreden vonnis stelt het volgende vast:

– het appartement van de eiser vertoonde in 1983 voor het eerst een vochtprobleem;

– op 16 januari 1985 hebben de heer Z., de vorige eigenaar van dat appartement, en de verweerster een dading aangegaan waarvan akte is genomen in een proces-verbaal van de algemene vergadering van de mede-eigenaars, volgens welk beide partijen, “met het oog op een snelle en minnelijke regeling van deze zaak”, zich ertoe verbonden “de herstellings- en verbeteringskosten elk voor de helft te dragen”.

– “die dading werd uitgevoerd en het probleem leek opgelost tot [de eiser] nieuwe klachten indiende met betrekking tot vocht in de litigieuze vertrekken”;

– op de algemene vergadering van 18 september 1996 heeft de verweerster, naar aanleiding van die klachten, beslist “het terras en het tuintje van het flatgebouw opnieuw te laten onderzoeken en een aangifte “waterschade” in te dienen bij de verzekeringsmaatschappij”; tevens preciseerde zij in welke mate de verweerster de werkzaamheden zou bekostigen.

“Het vonnis stelt niet vast dat de tekst van de dadingsovereenkomst een andere afstand bevat dan die welke betrekking heeft op de bijdrage in de helft van de herstellings- en verbeteringskosten, die in 1985 gemaakt moesten worden om de toenmalige toestand te verhelpen.

“De appelrechters hebben uitsluitend op grond dat “het vochtprobleem dat [de eiser] thans aanklaagt, kennelijk is veroorzaakt door dezelfde factoren als die welke ten grondslag liggen aan het vochtprobleem in 1983-1984, dat uitgerekend tot de dading van 16 januari 1985 heeft geleid” en dat “de dading werd gesloten met het oog op het te voorziene gegeven [dat] het vochtprobleem vroeg of laat, na verloop van tijd, opnieuw zou opduiken”, niet wettig kunnen beslissen dat het geschil dat tussen de eiser en de verweerster in 1996 is ontstaan, begrepen was in de dading die de verweerster en de heer Z. hadden aangegaan”.

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: di, 11/11/2014 - 17:14
Laatst aangepast op: di, 11/11/2014 - 17:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.