-A +A

Afstand van geding en instemming door de tegenpartij

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Vooraf:

Afstand van geding is een handeling waarbij de eiser afziet van de rechtspleging die hij is begonnen of waarbij de andere partijen afzien van hun tussenvordering.

Deze afstand doet geen afbreuk aan het recht zelf en is toegelaten in alle zaken (art. 823, 2e lid, Ger.W).

Er kan later een nieuwe vordering worden ingesteld.

De partijen bevinden zich opnieuw in de situatie van voor de inleiding van het geding.

Het betreft dus een louter verlaten van de rechtspleging.
Het gaat in principe om een éénzijdige rechtshandeling. Indien de tegenpartij evenwel reeds conclusies heeft genomen over het onderwerp van de vordering, is afstand van geding slechts mogelijk als de tegenpartij dit aanvaardt.

Zoniet wordt de afstand door de rechter ingewilligd of geweigerd (art. 825, Ger.W).

De kosten zijn ten laste van de partij die afstand doet (art. 827, Ger.W).

De doorhaling heeft in wezen immers hetzelfde gevolg als de afstand van geding : het geding vervalt (art. 730, § 3, Ger.W).


De afstand van het geding en de instemming hiermee door de tegenpartij

Volgens artikel 825 Ger.W. moet de afstand van geding aangenomen worden door de partij aan wie hij betekend is, tenzij hij wordt gedaan alvorens de tegenpartij conclusie heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien. Wanneer afstand van geding wordt gedaan alvorens een tegenpartij conclusie heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien is de instemming van de tegenpartij dus niet nodig.

Wanneer een procespartij afstand doet van geding nadat zij een conclusie heeft ontvangen van haar tegenpartij maar waarvan het origineel nog niet werd neergelegd op de griffie, is geen aanvaarding van afstand van geding door de tegenpartij vereist.

Zie Vredegerecht Landen-Zoutleeuw (zetel Zoutleeuw), 02.12.2013, tijdschrift van de Vrederechters, 2013, 3-4 en Brussel, 06.10.1982, Pas, 1982, II, 112; Brussel, 25.11.1980, Pas, 1981, II, 16; Comm. Ger., Ger. W. artikel 825, pagina 2, nr. 1.

Wanneer bijgevolg afstand van geding wordt gedaan door een eiser vooraleer de verweerder een conclusie op de griffie had neergelegd, dient de afstand niet aanvaard te worden door verweerders.

Maar ook al dienen verweerders de afstand niet aan te nemen, toch kunnen zij zich er nog tegen verzetten, meerbepaald wanneer zij aantonen dat door de afstand bepaalde uit het geding ontstaan de rechten gekrenkt zouden worden (Comm. Ger., Ger.W., artikel 825, pagina 2, nr. 1 met talrijke verwijzingen in voetnoot 9).

Een afstand van geding heeft een groot praktisch nut in gevallen waar een procedure onregelmatig of voorbarig werd ingesteld (zie A. Fettwis, Manuel du procédure civile, pagina 457-464, nrs. 671-683).

Een eiser kan dus geen misbruik van de wettelijke mogelijkheid op afstand van geding plegen wanneer hij de afstand doet na vastgesteld te hebben dat er zich voordien procedurele onregelmatigheden hebben voorgedaan die de behandeling ten gronde zouden kunnen verhinderen, zelfs wanneer deze moeilijkheden door de verweerders op welke wijze ook, bijvoorbeeld in niet neergelegde conclusies, zouden hebben medegedeeld.

Is het overigens niet de bedoeling dat wanneer een dagvaarding wordt uitgestuurd hierop informeel kan worden gereageerd waarbij aldus een eisende partij kan overtuigd worden van zijn ongelijk, dan wel de onregelmatigheid van de ingestelde procedure waardoor het voor de eisende partij moet mogelijk zijn om afstand te doen van het geding en het geding in een normale correcte manier te hernemen, dan wel zelfs afstand te doen van alle eisen op definitieve wijze, hetgeen echter geen afstand van geding meer is maar een afstand van vordering.

Wanneer een verweerder, geconfronteerd met een eiser die afstand doet van geding niet aanduidt welke rechten het geding reeds had toegestaan die door deze afstand kunnen geschaad worden, kan zij zich niet meer tegen de afstand verzetten.

De vraag stelt zich dan wat er gebeurd met de tegenvordering.

Bij afstand van geding worden de zaken krachtens artikel 826 Ger.W. over en weer in dezelfde staat terug gebracht alsof er geen geding aanhangig was geweest.

Toch zal de afstand geen invloed hebben op tegenvorderingen die reeds ingesteld waren voor dat de afstand van geding werd gedaan, want de afstand mag de rechten die reeds ontstaan zijn door het geding niet schenden. Het is echter onmogelijk het debat ten gronde nog aan te gaan door pas een tegenvordering in te stellen nadat de eisende partij reeds afstand van geding heeft gedaan.

Immers, de gevolgen van een geldige afstand van geding (namelijk terugkeren naar het ogenblik waarop er nog geen geding bestond) gaat in vanaf het ogenblik waarop de afstand van geding wordt gedaan, en niet pas vanaf het ogenblik dat de rechter bij vonnis de reeds eerder gedane afstand van geding geldig verklaart door de afstanddoener er akte van te verlenen.

Iedere afstand van geding brengt krachtens artikel 827 Ger.W. de verplichting mee tot betaling van de proceskosten, die aan de afstanddoende partij worden opgelegd.

Hoewel er bij afstand van het geding strikt gezien geen daadwerkelijk in het gelijk gestelde partij is, kan, gelet op de context, de verweerder als de in het gelijk gestelde partij worden beschouwd. Bijgevolg dient de afstanddoende partij ook veroordeeld te worden tot betaling van de rechtsplegingvergoeding die deel uitmaakt van de proceskosten (Rechtbank Gent, 21.04.2009, RW, 2009-2010, 682, Comm. Ger., artikel 827, pagina 1).

De hoogte van de rechtsplegingvergoeding wordt bepaald op de hoogte van de vorderingen. Wanneer sommige vordering in geld uitgedrukt zijn en andere niet wordt de hoogste rechtsplegingvergoeding genomen.

Wanneer de afstand van het geding gebeurt op basis van juridische argumenten kan niet ingegaan worden om de rechtsplegingvergoeding te verminderen, zeker wanneer er uit de zaak blijkt dat de advocaat van de verweerders materieel en intellectueel werk heeft besteed, reden waarom er bij afstand van geding na motivering door de verweerder aanleiding tot betaling van het basisbedrag en niet het verminderd bedrag aan rechtsplegingvergoeding.

Dit alles neemt niet weg wanneer de verweerder zich verzet tegen de afstand van het geding en de rechter meent dat dit verzet ongegrond is terwijl er bovendien ook nog eens tegeneisen worden ingesteld door de verweerder, de rechter de kosten kan omslaan, ofwel op gelijke of ongelijke wijze kan verdelen.

Voor een toepassingsgeval en tevens inspiratie en bron van deze bijdrage zie Vred. Landen-Zoutleeuw, zetel Zoutleeuw, 02.12.2010.

Het vredegerecht te Westerloo oordeelde evenwel in een vonnis van 08.01.2007 (RW 2013-2014)

"Wanneer afstand van geding wordt gedaan alvorens een tegenpartij conclusie heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien is de instemming van de tegenpartij niet nodig.

Dit neemt evenwel niet weg dat de tegenpartij zelfs na de afstand van geding een conclusie met een tegeneis kan formuleren zodat vooreerst het lot van deze tegeneis dient onderzocht te worden.

Er kan afstand van geding worden gedaan ook al werd er een tegeneis ingesteld.

Deze afstand van geding heeft geen gevolgen voor de tegeneis van verwerende partij.De tegeneis blijft onafhankelijk van de hoofdeis verder bestaan (A. Fettwis, manuel de procédure civile, 1987, 464; J. De Mot en Ph. Thion, “Effect van de tegenvordering op het procesverloop”, nieuw juridisch weekblad 2004, 234-441; Koophandel Oudenaarde, 26.12.2000, rechtskundig weekblad, 2003, 1235)".

Cassatie 09/06/2017, RW 2017-2018, 778,

met noot B. Van den Bergh, Over de rechtsplegingsvergoeding bij afstand van geding, hoger beroep inzake de veroordeling tot de gerechtskosten en cassatie zonder verwijzing

samenvatting

Uit de samenhang van de artt. 827, eerste lid, 1027, eerste lid, 1028 en 1022, eerste lid Ger.W. volgt dat in geval van afstand van geding de afstanddoende partij in de kosten dient te worden verwezen en dat deze kosten de rechtsplegingsvergoeding ten gunste van de wederpartij omvatten.

tekst arrest

AR nr. C.16.0339.N

A.U.d.S.W. t/ Vlaams Gewest

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 19 januari 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Art. 1017, eerste lid Ger.W. bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens art. 1018 Ger.W. omvatten de kosten onder meer: 6o de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in art. 1022.

Krachtens art. 1022, eerste lid Ger.W. is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

2. Art. 827, eerste lid Ger.W., dat een bijzondere wet is zoals bedoeld in art. 1017, eerste lid Ger.W., bepaalt dat iedere afstand de verplichting meebrengt tot betaling van de kosten, die de voorzitter aan de afstanddoende partij oplegt bij gewone beschikking, gesteld onderaan op de begroting van de kosten, de partijen tegenwoordig zijnde of door de griffier opgeroepen.

3. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat in geval van afstand van geding de afstanddoende partij in de kosten dient te worden verwezen en dat deze kosten de rechtsplegingsvergoeding ten gunste van de wederpartij omvatten.

4. Het middel dat aanvoert dat de in art. 827, eerste lid Ger.W. bedoelde kosten niet de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in de artt. 1018, 6o, en 1022 Ger.W. omvatten of dat de rechter minstens in concreto moet onderzoeken of de partij die afstand doet beschouwd kan worden als de in het ongelijk gestelde partij, is gebaseerd op een verkeerde rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Tweede middel

Tweede onderdeel

5. Krachtens art. 2, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt het bedrag van een in geld waardeerbare vordering vastgesteld overeenkomstig de artt. 557 tot 562 en 618 Ger.W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

Krachtens art. 2, eerste lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen die meer bedragen dan 10.000,01 euro en minder dan 20.000 euro, na tweede indexatie krachtens art. 8 van dit besluit, 1.210 euro.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de vordering van de eiseres in hoger beroep betrekking had op de rechtsplegingsvergoeding van 11.000 euro tot betaling waarvan zij door de eerste rechter was veroordeeld.

De vordering in hoger beroep betrof aldus een in geld waardeerbare vordering, waarvoor het basisbedrag overeenkomstig art. 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding 1.210 euro bedraagt.

7. Door, na afwijzing van het hoger beroep, de eiseres te veroordelen tot betaling van een basisbedrag van 1.320 euro voor de procedure in hoger beroep, schenden de appelrechters de voormelde wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Kosten

8. Wanneer cassatie wordt uitgesproken zonder verwijzing, doet het Hof uitspraak over de kosten krachtens art. 1111, laatste lid Ger.W.

Nog dit: 

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

Afstand van geding.

Art. 820. Bij afstand van geding ziet de partij af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of met een tussenvordering.
Afstand van geding heeft niet ten gevolge dat het recht zelf wordt prijsgegeven.

Art. 821. Bij afstand van rechtsvordering ziet de hoofdeiser, de eiser tot vrijwaring of de wedereiser af zowel van de rechtspleging als van het recht zelf.
Afstand van rechtsvordering doet het recht teniet om te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de rechter was gebracht.

Art. 822. Bij afstand van een proceshandeling ziet de partij af van de gevolgen die er voor haar uit voortvloeien.

Art. 823. Afstand van rechtsvordering is slechts mogelijk met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken.
Afstand van geding is geoorloofd in alle zaken.

Art. 824. De afstand kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden.
Uitdrukkelijke afstand geschiedt bij een gewone akte, die ondertekend wordt door de partij of door haar gemachtigde die, tenzij de wet anders bepaalt, een bijzondere volmacht heeft, en die aan de tegenpartij betekend wordt, indien deze de afstand niet vooraf heeft aangenomen.

Stilzwijgende afstand mag alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering.
Art. 825. Om geldig te zijn moet de afstand van geding aangenomen worden door de partij aan wie hij is betekend, tenzij hij wordt gedaan alvorens de tegenpartij conclusie heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien.

In geval van betwisting wordt de afstand ingewilligd of in voorkomend geval geweigerd bij beslissing van de rechter.

Art. 826. Afstand van geding die aangenomen is, houdt van rechtswege in dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest was.
Afstand van geding maakt evenwel de stuiting van de verjaring niet ongedaan, wanneer hij gegrond is op de onbevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is en dezelfde akte dagvaarding voor de bevoegde rechter inhoudt.

Art. 827. Iedere afstand brengt verplichting mee tot betaling van de kosten, die de voorzitter aan de afstanddoende partij oplegt bij gewone beschikking, gesteld onderaan op de begroting van de kosten, de partijen tegenwoordig zijnde of door de griffier opgeroepen.
Die beschikking is uitvoerbaar niettegenstaande iedere voorziening.

Rechtspraak:

• Burgerlijke Rechtbank te Gent, 14e Kamer – 10 maart 2009, RW 2008-2009, 1524

samenvatting

Wie afstand pleegt van geding ten aanzien van een partij die reeds conclusie heeft genomen, stelt geen louter eenzijdige proceshandeling, immers, die afstand dient in de regel aangenomen. Wanneer deze door de tegenpartij wordt geweigerd, beslist de rechter.

Wanneer de rechter de afstand van het geding verleent, dan brengt zij beslissing het geding in dezelfde staat als zou er nooit een geding zijn geweest.

tekst van het vonnis

II. Relevante elementen van het geschil en vorderingen

1. Jacques en Jean C. zijn de kinderen en zodoende de enige erfgenamen van enerzijds wijlen de heer Amand(us-Isidoris) C. (overleden te Gent op 25 februari 1992) en anderzijds wijlen mevrouw Celina (Octavia-Maria) M. (overleden te Gent op 11 oktober 2005).

Het echtpaar/ouderpaar C.-M. was gehuwd onder een gemeenschapsstelsel (met een verblijvingsbeding in de zin van art. 1461-1464 B.W.).

Carol en Sarah C. zijn de kinderen van Jean C. en zodoende de kleinkinderen van wijlen de heer Armand C. en wijlen mevrouw Celina M.

Terwijl Jacques C. in de gedinginleidende dagvaarding van 2 oktober 2006 gewag maakt van een authentiek testament van 30 januari 1995 van wijlen mevrouw Celina M., geven Carol en Sarah C. in hun conclusie van 26 december 2008 aan dat zowel wijlen de heer Armand C. als wijlen mevrouw Celina M. testamentloos zijn overleden. Blijkens de notariële akte van bekendheid van 21 november 2005 zou het bedoelde testament van 30 januari 1995 slechts enkele wensen en enkele particuliere legaten zonder grote waarde omvatten.

2. De (bij dagvaarding van 2 oktober 2006 ingestelde) oorspronkelijke vordering van Jacques C. strekt er in wezen toe de gerechtelijke vereffening- verdeling te doen bevelen van de huwelijksgemeenschap C.-M., zo ook de uitonverdeeldheidtreding en de gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschappen van wijlen de heer Armand C. en wijlen mevrouw Celina M. In die optiek vraagt Jacques C. ook om, bij wijze van voorlopige maatregel in de zin van art. 19, tweede lid, Ger. W., Jean C. (onder verbeurte van een dwangsom) te doen veroordelen tot het verlenen van een mandaat aan de Luxemburgse bank BNP P. om een volledig historisch beeld te bezorgen van de verrichtingen/geldbewegingen op de rekeningen van wijlen de heer Armand C. en/of wijlen mevrouw Celina M.

Bij dagvaardingen van 21 september 2007 en vervolgens 5 oktober 2007 stelt Jacques C. tegen Carol en Sarah C. een vordering tot gedwongen tussenkomst in, voornamelijk teneinde Carol en Sarah C. te doen veroordelen tot teruggave (gebeurlijk bij wijze van inkorting) van beweerdelijk onrechtmatig ontvangen gelden van wijlen de heer Armand C. en/of wijlen mevrouw Celina M.

3. Nadat zowel Jean C. als Carol C. conclusie hebben genomen (respectievelijk op 11 februari 2008 en op 8 februari 2008), doet Jacques C. bij conclusie van 6 juni 2008 afstand van geding (art. 820 Ger. W.).

Bij daaropvolgende conclusies voeren zowel Jean C. als Carol en Sarah C. aan deze afstand van geding niet te willen aannemen. Jean C. voegt eraan toe hierbij enkel genoegen te kunnen nemen met een afstand van rechtsvordering (art. 821 Ger. W.). Carol en Sarah C. stellen bovendien nog een tussenvordering in teneinde Jacques C. te doen veroordelen tot een schadevergoeding van 2 x 7.500,00 euro wegens beweerdelijk tergend en roekeloos geding.

III. Beoordeling

1. Bij afstand van geding ziet de partij (in casu Jacques C.) af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering (in casu bij dagvaarding van 2 oktober 2006) of met een tussenvordering (in casu bij dagvaardingen van 21 september 2007 en 5 oktober 2007), zonder dat het onderliggende (subjectieve) recht (en de rechtsvordering) wordt prijsgegeven (art. 820 Ger. W.).

Op die manier wil Jacques C. in globo afzien van de begonnen rechtspleging, wat hem niet belet later een nieuw/gelijk geding te starten en dezelfde vordering(en) opnieuw in te stellen.

Afstand van geding is te allen tijde mogelijk in de loop van het geding.

De advocaat van Jacques C. legt daartoe de in art. 824, tweede lid, Ger. W. vereiste bijzondere volmacht over.

Nu ten tijde van de afstand van het geding door Jacques C., zowel Jean C. als Carol C. reeds conclusie hebben genomen (over het voorwerp van de vorderingen in het geding waarvan Jacques C. afstand doet), behelst de bedoelde afstand geen louter eenzijdige rechtshandeling. Krachtens art. 825, eerste lid, Ger. W. moet de afstand worden aangenomen.

Zowel Jean C. als Carol en Sarah C. voeren echter aan deze afstand van geding niet te willen aannemen, zodat de rechtbank de knoop moest doorhakken (art. 825, tweede lid, Ger. W.).

2. De rechtbank ziet geen enkele reden om de afstand van het geding door Jacques C. te weigeren. De conclusies van enerzijds Jean C. en anderzijds Carol en Sarah C. kunnen dienaangaande niet overtuigen. Voorts gaat het niet op zich zonder gefundeerde reden tegen de bedoelde afstand te verzetten (S. Cnudde, «Afstand van geding», in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, VII, Tussengeschillen, Hoofdstuk 7, Afdeling 3, p. 10, nr. 29.730; zie bv. ook: Antwerpen 20 september 2001, R.W. 2004-05, 1106).

Het gegeven dat de reden van de bedoelde afstand blijkbaar te vinden is in een zogeheten «deontologisch incident» (de verwijzing door Jacques C. naar niet- vertrouwelijke briefwisseling in de gedinginleidende dagvaarding van 2 oktober 2006 – een daarop volgende beslissing van de stafhouder van de balie te Gent van 16 april 2008) en niet in een regeling tussen de partijen, kan de rechtbank niet verhinderen aan Jacques C. van zijn afstand akte te verlenen. Voorts kan Jean C. de door hem gewenste afstand van rechtsvordering niet opdringen.

3. Als de rechtbank aan Jacques C. van zijn afstand akte verleent, brengt zulks het geschil in dezelfde staat als zou er geen geding zijn geweest (art. 826, eerste lid, Ger. W.).

De excepties die inzonderheid Carol en Sarah C. bij conclusie te berde brengen, worden zodoende zonder voorwerp; het door Jean C. en het door Carol en Sarah C. gevoerde verweer evenzeer.

4. Hoewel Carol en Sarah C. op de valreep nog met een ontvankelijke tussenvordering kunnen komen aandraven teneinde Jacques C. te doen veroordelen tot een schadevergoeding van 2 x 7.500,00 euro wegens beweerdelijk tergend en roekeloos geding (zie over de mogelijkheid voor een partij om bij afstand van geding door een andere partij alsnog op ontvankelijke wijze proceshandelingen te stellen: Cass. 16 oktober 1992, Arr. Cass. 1991-92, 1201, Pas. 1992, I, 1160, P & B 1993, 12 en R.W. 1993-94, 86; S. Cnudde, «Afstand van geding», in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, VII, Tussengeschillen, Hoofdstuk 7, Afdeling 3, p. 12, nr. 29.750), kan deze tussenvordering hoe dan ook niet slagen.

Dat Jacques C. in globo wil afzien van de begonnen rechtspleging, kan op zichzelf niet worden beschouwd als een fout die aanleiding geeft tot het toekennen van een schadeloosstelling op grond van art. 1382 B.W. Hiertoe is enkel aanleiding indien de bedoelde rechtspleging blijk geeft van kwade trouw of van een lichtzinnigheid waarvan elke normale, redelijke en behoedzame persoon zich zou hebben onthouden (zie o.m.: Cass. 31 oktober 2003, Arr. Cass. 2003, 2011, J.T. 2004, 135, noot J.-F. Van Drooghenbroeck, Pas. 2003, 1747 en R.W. 2006-07, 1216; Antwerpen 11 april 2000, A.J.T. 2000-01, 696).

In het voorliggende geval is kwade trouw of een dergelijke lichtzinnigheid aan de zijde van Jacques C. niet afdoende bewezen. De omstandigheid dat de verhouding tussen de partijen is verstoord en dat noch Jean C. noch Carol en Sarah C. (deze laatsten als niet rechtstreeks erfgerechtigden in voormelde nalatenschappen, maar als mogelijk begiftigden) allicht niet zijn opgezet met deze procedure, betekent nog niet dat Jacques C. de rechtspleging te kwader trouw of op een te lichtzinnige wijze is begonnen.

Daarbij komt dat Carol en Sarah C., benevens het voor niemand aangename tijdverlies, niet afdoende preciseren, laat staan bewijzen, voor welke schade zij thans een vergoeding vragen. Het bewijs van een fout volstaat niet om recht te hebben op schadeloosstelling.

...

Bij gebrek aan bewijs van een fout en van precieze schade moet voormelde tussenvordering worden afgewezen.

5. Krachtens art. 827 Ger. W. moet Jacques C. de gerechtskosten dragen.

...

• Cassatie 11/03/2010, RABG, 2010, 711, met noot Berusting en afstand van geding. Lees deze noot met het paswoord Jurisquare

samenvatting van het arrest:

Een stilzwijgende berusting kan enkel afgeleid worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

Krachtens artikel 820 Ger.W. ziet de partij, bij afstand van geding, af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of met een tussenvordering.

Afstand van geding heeft niet ten gevolge dat het recht zal worden prijsgegeven. Wanneer een partij afziet van een geding in hoger beroep, geeft zij het recht zelf om opnieuw hoger beroep in te stellen niet prijs, zodat een afstand van het geding in hoger beroep niet noodzakelijk impliceert dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

tekst van het arrest:

1. Krachtens artikel 1044 van het Gerechtelijk Wetboek is berusten in een beslissing afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend.
Krachtens artikel 1045 kan de berusting uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn.
De uitdrukkelijke berusting geschiedt bij eenvoudige akte, ondertekend door de partij of haar bijzondere gemachtigde.

De stilzwijgende berusting kan alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

2. Krachtens artikel 820 van het Gerechtelijk Wetboek ziet, bij afstand van geding, de partij af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of met een tussenvordering. Afstand van geding heeft niet ten gevolge dat het recht zal worden prijsgegeven.

3. Uit deze bepalingen volgt dat wanneer een partij afziet van een geding in hoger beroep, zij het recht zelf om opnieuw hoger beroep in te stellen niet prijsgeeft, zodat een afstand van het geding in hoger beroep niet noodzakelijk impliceert dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt:

– de eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde van 22 oktober 2001 bij verzoekschrift ingeschreven op de algemene rol onder nummer 2001/2418;

– in deze appelprocedure verzocht de raadsman van de eiser tot afstand van geding onder de volgende motieven: “(de verweerster) was evenwel van oordeel dat bepaalde passages strijdig waren met de deontologie en oordeelde dat deze dienden te worden geweerd. Hij werd daarin uiteindelijk gevolgd door de stafhouders van onze respectievelijke balies. Ik kan in de gegeven omstandigheden de procedure enkel oplossen via een afstand van geding (...) waarna via een gezuiverd beroepsverzoekschrift een nieuwe procedure wordt opgestart”;

– de afstand werd gedecreteerd bij arrest van 20 november 2003;

– een nieuwe appelakte werd neergelegd op 10 december 2003 door de eiser.

De appelrechter oordeelt:

– van een eerder hoger beroep tegen voormeld vonnis werd door de eiser afstand gedaan;
– de afstand van geding werd gedecreteerd bij arrest van deze kamer van 20 november 2003;
– de afstand houdt in dat de eiser heeft berust in het bestreden vonnis en dat zijn later hoger beroep derhalve niet ontvankelijk is.

5. Door louter op grond van een afstand van het appelgeding de berusting in de beroepen beslissing af te leiden, zonder na te gaan of hieruit het vaste voornemen van de partij om haar instemming te betuigen met die beslissing kan worden afgeleid, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum
Het Hof,
eenparig beslissend,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigd arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

• Cassatie 23/06/2016, AR C.13.0573.N, juridat (voor volledig arrest klik hier)

Volgens artikel 820 Gerechtelijk Wetboek ziet de partij bij afstand van geding af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of een tussenvordering. Afstand van geding heeft niet tot gevolg dat het recht zelf wordt prijsgegeven.

Krachtens artikel 821 Gerechtelijk Wetboek ziet de eiser bij afstand van rechtsvordering af zowel van de rechtspleging als van het recht zelf.

Afstand van rechtsvordering doet het recht teniet om te handelen met betrekking tot de aan-spraak die voor de rechter was gebracht.

Artikel 822 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat bij afstand van een proceshandeling de partij afziet van de gevolgen die er voor haar uitvloeien.

Overeenkomstig artikel 823, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is afstand van rechtsvordering slechts mogelijk met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken.

Afstand van geding daarentegen is krachtens artikel 823, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek geoorloofd in alle zaken.

Overeenkomstig artikel 826, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek houdt afstand van geding die aangenomen is, van rechtswege in dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest was.

Uit die bepalingen volgt dat de afstand van geding niet belet dat de vordering later opnieuw wordt ingesteld, tenzij zij om een andere reden is uitgedoofd.
Hieruit volgt dat de afstand van geding in hoger beroep niet noodzakelijk impliceert dat de partij het vast voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing. Wanneer echter op het ogenblik waarop afstand van geding in hoger beroep wordt gedaan, het hoger beroep niet meer opnieuw kan worden ingesteld omdat de termijn daarvoor is verstreken, komt dit neer op een berusting in het beroepen vonnis.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 07/12/2013 - 21:11
Laatst aangepast op: za, 06/01/2018 - 11:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.