-A +A

afstand van geding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

 

Het is een handeling waarbij de eiser afziet van de rechtspleging die hij is begonnen of waarbij de andere partijen afzien van hun tussenvordering.

Deze afstand doet geen afbreuk aan het recht zelf en is toegelaten in alle zaken (art. 823, 2e lid, Ger.W).

Na een afstand van geding kan later een nieuwe vordering worden ingesteld.

De partijen bevinden zich opnieuw in de situatie van voor de inleiding van het geding.

Het betreft dus een louter verlaten van de rechtspleging.
Het gaat in principe om een éénzijdige rechtshandeling. Indien de tegenpartij evenwel reeds conclusies heeft genomen over het onderwerp van de vordering, is afstand van geding slechts mogelijk als de tegenpartij dit aanvaardt.

Zoniet wordt de afstand door de rechter ingewilligd of geweigerd (art. 825, Ger.W).

De kosten zijn ten laste van de partij die afstand doet (art. 827, Ger.W).

De doorhaling heeft in wezen immers hetzelfde gevolg als de afstand van geding : het geding vervalt (art. 730, § 3, Ger.W).
 

uittreksel uit het gerechtelijk wetboek

Afstand van geding.

Art. 820. Bij afstand van geding ziet de partij af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of met een tussenvordering.
Afstand van geding heeft niet ten gevolge dat het recht zelf wordt prijsgegeven.

Art. 821. Bij afstand van rechtsvordering ziet de hoofdeiser, de eiser tot vrijwaring of de wedereiser af zowel van de rechtspleging als van het recht zelf.
Afstand van rechtsvordering doet het recht teniet om te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de rechter was gebracht.

Art. 822. Bij afstand van een proceshandeling ziet de partij af van de gevolgen die er voor haar uit voortvloeien.

Art. 823. Afstand van rechtsvordering is slechts mogelijk met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken.
Afstand van geding is geoorloofd in alle zaken.

Art. 824. De afstand kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden.
Uitdrukkelijke afstand geschiedt bij een gewone akte, die ondertekend wordt door de partij of door haar gemachtigde die, tenzij de wet anders bepaalt, een bijzondere volmacht heeft, en die aan de tegenpartij betekend wordt, indien deze de afstand niet vooraf heeft aangenomen.

Stilzwijgende afstand mag alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering.

Art. 825. Om geldig te zijn moet de afstand van geding aangenomen worden door de partij aan wie hij is betekend, tenzij hij wordt gedaan alvorens de tegenpartij conclusie heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien.
In geval van betwisting wordt de afstand ingewilligd of in voorkomend geval geweigerd bij beslissing van de rechter.

Art. 826. Afstand van geding die aangenomen is, houdt van rechtswege in dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest was.
Afstand van geding maakt evenwel de stuiting van de verjaring niet ongedaan, wanneer hij gegrond is op de onbevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is en dezelfde akte dagvaarding voor de bevoegde rechter inhoudt.

Art. 827. Iedere afstand brengt verplichting mee tot betaling van de kosten, die de voorzitter aan de afstanddoende partij oplegt bij gewone beschikking, gesteld onderaan op de begroting van de kosten, de partijen tegenwoordig zijnde of door de griffier opgeroepen.
Die beschikking is uitvoerbaar niettegenstaande iedere voorziening.
 

Rechtspraak:

• Burgerlijke Rechtbank te Gent, 14e Kamer – 10 maart 2009, RW 2008-2009, 1524

samenvatting

Wie afstand pleegt van geding ten aanzien van een partij die reeds conclusie heeft genomen, stelt geen louter eenzijdige proceshandeling, immers, die afstand dient in de regel aangenomen. Wanneer deze door de tegenpartij wordt geweigerd, beslist de rechter.

Wanneer de rechter de afstand van het geding verleent, dan brengt zij beslissing het geding in dezelfde staat als zou er nooit een geding zijn geweest.
 

tekst van het vonnis


II. Relevante elementen van het geschil en vorderingen

1. Jacques en Jean C. zijn de kinderen en zodoende de enige erfgenamen van enerzijds wijlen de heer Amand(us-Isidoris) C. (overleden te Gent op 25 februari 1992) en anderzijds wijlen mevrouw Celina (Octavia-Maria) M. (overleden te Gent op 11 oktober 2005).

Het echtpaar/ouderpaar C.-M. was gehuwd onder een gemeenschapsstelsel (met een verblijvingsbeding in de zin van art. 1461-1464 B.W.).

Carol en Sarah C. zijn de kinderen van Jean C. en zodoende de kleinkinderen van wijlen de heer Armand C. en wijlen mevrouw Celina M.

Terwijl Jacques C. in de gedinginleidende dagvaarding van 2 oktober 2006 gewag maakt van een authentiek testament van 30 januari 1995 van wijlen mevrouw Celina M., geven Carol en Sarah C. in hun conclusie van 26 december 2008 aan dat zowel wijlen de heer Armand C. als wijlen mevrouw Celina M. testamentloos zijn overleden. Blijkens de notariële akte van bekendheid van 21 november 2005 zou het bedoelde testament van 30 januari 1995 slechts enkele wensen en enkele particuliere legaten zonder grote waarde omvatten.

2. De (bij dagvaarding van 2 oktober 2006 ingestelde) oorspronkelijke vordering van Jacques C. strekt er in wezen toe de gerechtelijke vereffening- verdeling te doen bevelen van de huwelijksgemeenschap C.-M., zo ook de uitonverdeeldheidtreding en de gerechtelijke vereffening-verdeling van de nalatenschappen van wijlen de heer Armand C. en wijlen mevrouw Celina M. In die optiek vraagt Jacques C. ook om, bij wijze van voorlopige maatregel in de zin van art. 19, tweede lid, Ger. W., Jean C. (onder verbeurte van een dwangsom) te doen veroordelen tot het verlenen van een mandaat aan de Luxemburgse bank BNP P. om een volledig historisch beeld te bezorgen van de verrichtingen/geldbewegingen op de rekeningen van wijlen de heer Armand C. en/of wijlen mevrouw Celina M.

Bij dagvaardingen van 21 september 2007 en vervolgens 5 oktober 2007 stelt Jacques C. tegen Carol en Sarah C. een vordering tot gedwongen tussenkomst in, voornamelijk teneinde Carol en Sarah C. te doen veroordelen tot teruggave (gebeurlijk bij wijze van inkorting) van beweerdelijk onrechtmatig ontvangen gelden van wijlen de heer Armand C. en/of wijlen mevrouw Celina M.

3. Nadat zowel Jean C. als Carol C. conclusie hebben genomen (respectievelijk op 11 februari 2008 en op 8 februari 2008), doet Jacques C. bij conclusie van 6 juni 2008 afstand van geding (art. 820 Ger. W.).

Bij daaropvolgende conclusies voeren zowel Jean C. als Carol en Sarah C. aan deze afstand van geding niet te willen aannemen. Jean C. voegt eraan toe hierbij enkel genoegen te kunnen nemen met een afstand van rechtsvordering (art. 821 Ger. W.). Carol en Sarah C. stellen bovendien nog een tussenvordering in teneinde Jacques C. te doen veroordelen tot een schadevergoeding van 2 x 7.500,00 euro wegens beweerdelijk tergend en roekeloos geding.

III. Beoordeling

1. Bij afstand van geding ziet de partij (in casu Jacques C.) af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering (in casu bij dagvaarding van 2 oktober 2006) of met een tussenvordering (in casu bij dagvaardingen van 21 september 2007 en 5 oktober 2007), zonder dat het onderliggende (subjectieve) recht (en de rechtsvordering) wordt prijsgegeven (art. 820 Ger. W.).

Op die manier wil Jacques C. in globo afzien van de begonnen rechtspleging, wat hem niet belet later een nieuw/gelijk geding te starten en dezelfde vordering(en) opnieuw in te stellen.

Afstand van geding is te allen tijde mogelijk in de loop van het geding.

De advocaat van Jacques C. legt daartoe de in art. 824, tweede lid, Ger. W. vereiste bijzondere volmacht over.

Nu ten tijde van de afstand van het geding door Jacques C., zowel Jean C. als Carol C. reeds conclusie hebben genomen (over het voorwerp van de vorderingen in het geding waarvan Jacques C. afstand doet), behelst de bedoelde afstand geen louter eenzijdige rechtshandeling. Krachtens art. 825, eerste lid, Ger. W. moet de afstand worden aangenomen.

Zowel Jean C. als Carol en Sarah C. voeren echter aan deze afstand van geding niet te willen aannemen, zodat de rechtbank de knoop moest doorhakken (art. 825, tweede lid, Ger. W.).

2. De rechtbank ziet geen enkele reden om de afstand van het geding door Jacques C. te weigeren. De conclusies van enerzijds Jean C. en anderzijds Carol en Sarah C. kunnen dienaangaande niet overtuigen. Voorts gaat het niet op zich zonder gefundeerde reden tegen de bedoelde afstand te verzetten (S. Cnudde, «Afstand van geding», in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, VII, Tussengeschillen, Hoofdstuk 7, Afdeling 3, p. 10, nr. 29.730; zie bv. ook: Antwerpen 20 september 2001, R.W. 2004-05, 1106).

Het gegeven dat de reden van de bedoelde afstand blijkbaar te vinden is in een zogeheten «deontologisch incident» (de verwijzing door Jacques C. naar niet- vertrouwelijke briefwisseling in de gedinginleidende dagvaarding van 2 oktober 2006 – een daarop volgende beslissing van de stafhouder van de balie te Gent van 16 april 2008) en niet in een regeling tussen de partijen, kan de rechtbank niet verhinderen aan Jacques C. van zijn afstand akte te verlenen. Voorts kan Jean C. de door hem gewenste afstand van rechtsvordering niet opdringen.

3. Als de rechtbank aan Jacques C. van zijn afstand akte verleent, brengt zulks het geschil in dezelfde staat als zou er geen geding zijn geweest (art. 826, eerste lid, Ger. W.).

De excepties die inzonderheid Carol en Sarah C. bij conclusie te berde brengen, worden zodoende zonder voorwerp; het door Jean C. en het door Carol en Sarah C. gevoerde verweer evenzeer.

4. Hoewel Carol en Sarah C. op de valreep nog met een ontvankelijke tussenvordering kunnen komen aandraven teneinde Jacques C. te doen veroordelen tot een schadevergoeding van 2 x 7.500,00 euro wegens beweerdelijk tergend en roekeloos geding (zie over de mogelijkheid voor een partij om bij afstand van geding door een andere partij alsnog op ontvankelijke wijze proceshandelingen te stellen: Cass. 16 oktober 1992, Arr. Cass. 1991-92, 1201, Pas. 1992, I, 1160, P & B 1993, 12 en R.W. 1993-94, 86; S. Cnudde, «Afstand van geding», in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, VII, Tussengeschillen, Hoofdstuk 7, Afdeling 3, p. 12, nr. 29.750), kan deze tussenvordering hoe dan ook niet slagen.

Dat Jacques C. in globo wil afzien van de begonnen rechtspleging, kan op zichzelf niet worden beschouwd als een fout die aanleiding geeft tot het toekennen van een schadeloosstelling op grond van art. 1382 B.W. Hiertoe is enkel aanleiding indien de bedoelde rechtspleging blijk geeft van kwade trouw of van een lichtzinnigheid waarvan elke normale, redelijke en behoedzame persoon zich zou hebben onthouden (zie o.m.: Cass. 31 oktober 2003, Arr. Cass. 2003, 2011, J.T. 2004, 135, noot J.-F. Van Drooghenbroeck, Pas. 2003, 1747 en R.W. 2006-07, 1216; Antwerpen 11 april 2000, A.J.T. 2000-01, 696).

In het voorliggende geval is kwade trouw of een dergelijke lichtzinnigheid aan de zijde van Jacques C. niet afdoende bewezen. De omstandigheid dat de verhouding tussen de partijen is verstoord en dat noch Jean C. noch Carol en Sarah C. (deze laatsten als niet rechtstreeks erfgerechtigden in voormelde nalatenschappen, maar als mogelijk begiftigden) allicht niet zijn opgezet met deze procedure, betekent nog niet dat Jacques C. de rechtspleging te kwader trouw of op een te lichtzinnige wijze is begonnen.

Daarbij komt dat Carol en Sarah C., benevens het voor niemand aangename tijdverlies, niet afdoende preciseren, laat staan bewijzen, voor welke schade zij thans een vergoeding vragen. Het bewijs van een fout volstaat niet om recht te hebben op schadeloosstelling.

...

Bij gebrek aan bewijs van een fout en van precieze schade moet voormelde tussenvordering worden afgewezen.

5. Krachtens art. 827 Ger. W. moet Jacques C. de gerechtskosten dragen.

...
 

• Cassatie 11/03/2010, RABG, 2010, 711, met noot Berusting en afstand van geding. Lees deze noot met het paswoord Jurisquare

samenvatting van het arrest:

Een stilzwijgende berusting kan enkel afgeleid worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

Krachtens artikel 820 Ger.W. ziet de partij, bij afstand van geding, af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of met een tussenvordering.

Afstand van geding heeft niet ten gevolge dat het recht zal worden prijsgegeven. Wanneer een partij afziet van een geding in hoger beroep, geeft zij het recht zelf om opnieuw hoger beroep in te stellen niet prijs, zodat een afstand van het geding in hoger beroep niet noodzakelijk impliceert dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.
 

tekst van het arrest:

1. Krachtens artikel 1044 van het Gerechtelijk Wetboek is berusten in een beslissing afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend.
Krachtens artikel 1045 kan de berusting uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn.
De uitdrukkelijke berusting geschiedt bij eenvoudige akte, ondertekend door de partij of haar bijzondere gemachtigde.

De stilzwijgende berusting kan alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

2. Krachtens artikel 820 van het Gerechtelijk Wetboek ziet, bij afstand van geding, de partij af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of met een tussenvordering. Afstand van geding heeft niet ten gevolge dat het recht zal worden prijsgegeven.

3. Uit deze bepalingen volgt dat wanneer een partij afziet van een geding in hoger beroep, zij het recht zelf om opnieuw hoger beroep in te stellen niet prijsgeeft, zodat een afstand van het geding in hoger beroep niet noodzakelijk impliceert dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt:

– de eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde van 22 oktober 2001 bij verzoekschrift ingeschreven op de algemene rol onder nummer 2001/2418;

– in deze appelprocedure verzocht de raadsman van de eiser tot afstand van geding onder de volgende motieven: “(de verweerster) was evenwel van oordeel dat bepaalde passages strijdig waren met de deontologie en oordeelde dat deze dienden te worden geweerd. Hij werd daarin uiteindelijk gevolgd door de stafhouders van onze respectievelijke balies. Ik kan in de gegeven omstandigheden de procedure enkel oplossen via een afstand van geding (...) waarna via een gezuiverd beroepsverzoekschrift een nieuwe procedure wordt opgestart”;

– de afstand werd gedecreteerd bij arrest van 20 november 2003;

– een nieuwe appelakte werd neergelegd op 10 december 2003 door de eiser.

De appelrechter oordeelt:

– van een eerder hoger beroep tegen voormeld vonnis werd door de eiser afstand gedaan;
– de afstand van geding werd gedecreteerd bij arrest van deze kamer van 20 november 2003;
– de afstand houdt in dat de eiser heeft berust in het bestreden vonnis en dat zijn later hoger beroep derhalve niet ontvankelijk is.

5. Door louter op grond van een afstand van het appelgeding de berusting in de beroepen beslissing af te leiden, zonder na te gaan of hieruit het vaste voornemen van de partij om haar instemming te betuigen met die beslissing kan worden afgeleid, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum
Het Hof,
eenparig beslissend,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigd arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

• Vredegerecht te Antwerpen, 2e Kanton – 26 december 2013, RW 2014-2015, 715

NV I. t/ F.A. e.a.

I. Probleemstelling

Op 6 december 2013 ging de NV I. over tot dagvaarding van A.F., de BVBA B.A. en de BVBA G.

NV I. is verhuurder van een handelspand aan de (...) te Antwerpen en vordert de ontbinding daarvan lastens A.F., BVBA B.A. en BVBA G. omdat er aanzienlijke huurachterstallen zouden bestaan. Naast de ontbinding wordt veroordeling van de verweerders gevorderd tot betaling van de achterstallen en een wederverhuringsvergoeding, vermeerderd met de interesten en de kosten.

A.F. en BVBA B.A legden op de inleidende zitting van 19 december 2013 conclusies neer. Daarin vragen zij primair de vordering onontvankelijk te verklaren wegens schending van art. 14, vierde lid van de KBO-wet. Subsidiair wordt gevraagd de zaak naar de rol te verzenden met het oog op de verdere instaatstelling ervan.

Bij antwoordconclusie van de NV I., eveneens neergelegd ter inleidende zitting, verklaarde deze bij monde van haar raadsman afstand te doen van geding.

Hierop werd door A.F. en BVBA B.A. geantwoord dat zij zich verzetten tegen deze afstand. Zij wensten dat de vrederechter na onderzoek van de zaak de vordering onontvankelijk zou verklaren met de toekenning aan hen van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 euro.

II. Beoordeling

1. Art. 825 Ger.W. bepaalt dat de afstand van geding om geldig te zijn moet worden aangenomen door de partij aan wie hij is betekend, tenzij hij wordt gedaan alvorens de tegenpartij conclusies heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien. In geval van betwisting wordt de afstand ingewilligd of in voorkomend geval geweigerd bij beslissing van de rechter.

Gelet op de voorliggende betwisting, zal de vrederechter bijgevolg moeten oordelen of de afstand van geding door NV I. al dan niet kan ingewilligd worden.

2. Ter terechtzitting argumenteerden A.F. en BVBA B.A. dat art. 14, vierde lid van de KBO-wet van openbare orde was, want strafrechtelijk beteugeld, wat de afstand van geding onmogelijk zou maken.

Algemeen wordt aangenomen dat art. 14, vierde lid van de KBO-wet de openbare orde niet raakt, aangezien de exceptie op grond van die bepaling in limine litis moet worden opgeworpen, wat het openbare-ordekarakter van de exceptie uitsluit, wat de vrederechter slechts kan beamen (W. Cloet, “De exceptie van onontvankelijkheid in geval van onvolledige inschrijving in de Kruispuntbank der Ondernemingen”, TBH 2012, 692).

Wat er ook van zij, afstand van geding is geoorloofd in alle zaken (art. 823 Ger.W.), wat met zich meebrengt dat ook in materies die de openbare orde aanbelangen afstand van geding in beginsel mogelijk is, in tegenstelling tot afstand van rechtsvordering (T. De Haan, “Le point sur les désistements”, JT 2011, 281). Bijgevolg kan NV I. geldig afstand doen van huidige procedure.

3. De partij aan wie de afstand van geding werd betekend, in dit geval verwerende partijen, waaronder A.F. en BVBA B.A., kan zich enkel geldig verzetten tegen deze afstand als zij “conclusie heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien” (art. 825 Ger.W.). Dit betekent dat de partij die zich verzet tegen de afstand werkelijk over de grond van de zaak conclusies moet hebben genomen (A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit de Liège, 1987, 459).

In deze zaak kan de vrederechter slechts vaststellen dat A.F. en BVBA B.A. geen conclusies hebben genomen over het onderwerp van de vordering zoals uiteengezet in de dagvaarding, zodat zij zich niet geldig tegen de afstand van geding door NV I. kunnen verzetten.

Voor zover als nodig voegt de vrederechter hieraan toe dat, zelfs als aangenomen wordt dat conclusies over de ontvankelijkheid volstaan om zich als verweerder tegen de afstand van geding te verzetten, de rechter de afstand nog steeds kan inwilligen als de partij die zich tegen de afstand verzet hiervoor geen ernstige reden heeft (A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, Faculté de droit de Liège, 1987, 460).

Het motief van A.F. en BVBA B.A. om zich te verzetten tegen de afstand is dat zij de vordering onontvankelijk willen horen verklaren en in aansluiting daarop de basisrechtsplegingsvergoeding willen verkrijgen. De vrederechter is van oordeel dat dit geen afdoende reden is om zich met succes tegen de afstand te verzetten (Arbh. Luik 15 maart 1985, www.juridat.be).

De vrederechter willigt de afstand van geding gedaan door NV I. dan ook in.

4. Iedere afstand brengt de verplichting mee tot het betalen van de kosten (art. 827 Ger.W.), zodat de dagvaardingskosten alleszins ten laste blijven van NV I.

Rest nog de vraag of A.F. en BVBA B.A. op grond van deze bepaling recht hebben op een rechtsplegingsvergoeding ten laste van NV I.

Hoewel er bij een ingewilligde afstand van geding strikt gezien geen daadwerkelijk in het gelijk gestelde partij is, kunnen A.F. en BVBA B.A. als in het gelijk gestelde partijen beschouwd worden, omdat de afstand van geding duidelijk het gevolg was van de door hen opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid.

Zij hebben dan ook recht op een rechtsplegingsvergoeding (Rb. Gent 21 april 2009, RW 2009-10, 682).

Gelet op het gebrek aan complexiteit van de zaak zou het kennelijk onredelijk zijn de basisrechtsplegingsvergoeding die 1.320 euro bedraagt, toe te kennen. De vrederechter kent dan ook het minimumbedrag van 82,50 euro toe.

Nog dit: 

Afstand van geding en rechtsplegingsvergoeding

De afstand van het geding brengt niet met zich mee dat de rechtsplegingsvergoeding verminderd worden tot het wettelijk minimum.

De afstand van het geding brengt niet met zich mee dat een tegeneis tot vergoeding wegens procesrecht, dan wel tergend of roekeloos geding dient afgewezen.

Zie vredegerecht te Doornik tweede Kanton 26 juni 2012 tijdschrift van de vrederechters 2014,544
 

Nuttige tips: 

Rechtsleer:

• S. Cnudde, Commentaar Gerechtelijk Recht, Deel IV, Burgerlijke rechtspleging

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: wo, 06/09/2017 - 14:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.