-A +A

Afstand hoogstammige bomen en erfdienstbaarheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtspraak:

•• Vredegerecht Westerlo, 9/01/06 (R.W. 2005-2006, 1354) 

1. Er kan van de bepalingen van art. 35 van het Veldwetboek inzake de afstand van de beplantingen worden afgeweken door de vestiging van een erfdienstbaarheid van plantrecht die de eigenaar van het heersende erf het recht verleent om beplantingen te hebben op een kortere afstand van het lijdend erf dan door art. 35 van het Veldwetboek wordt toegelaten. Deze erfdienstbaarheid kan worden gevestigd door een titel, door bestemming van de huisvader. Deze erfdienstbaarheid kan ook door verkrijgende verjaring worden gevestigd indien het gaat om een zichtbare en voortdurende erfdienstbaarheid en er een deugdelijk bezit voorhanden is in de zin van art. 2229 B.W.  

2. Wanneer de bovenmatige burenhinder erin bestaat dat takken van een boom van de nabuur overhangen die het zonlicht tegenhouden en ernstige bladafval veroorzaken, bestaat de billijke en passende compensatie hierin dat aan de nabuur wordt bevolen om die overhangende takken af te toppen en zodanig te snoeien dat ze geen bovenmatige hinder meer berokkenen, maar zonder dat het voortbestaan van die boom wordt aangetast of zelfs maar wordt bedreigd, en dat aan die nabuur tevens wordt opgedragen om de toekomstige groei van die boom binnen redelijke perken te houden.   

Overwegende dat er zich ter hoogte van de scheidingslijn tussen de percelen gelegen te ..., respectievelijk eigendom van eerste comparant en van tweede comparanten, een beukenboom bevindt («Fagus Sylvatica»). Wat betreft de ligging van deze onbetwistbaar hoogstammige boom ten opzichte van de scheidingslijn van de kwestieuze percelen, stelde de deskundige in zijn eindverslag van 3 september 2004 vast dat het plantgat van de boom op 0,48 meter van de scheidingslijn staat, geheel op het perceel eigendom van tweede comparanten.

De deskundige voegt hieraan wel toe dat de boom zich op een hoogte van 2 meter bevindt, zowel boven de eigendom van eerste comparant als boven de eigendom van tweede comparanten. 

Overwegende dat eerste comparant de verwijdering van de boom vordert en de betaling van een schadevergoeding ten bedrage van 4.670,00 euro, minstens subsidiair de verwijdering van de overhangende takken en uitschietende wortels van de boom.

Een en ander wordt door tweede comparanten formeel betwist.  Overwegende dat art. 35 van het Veldwetboek ondermeer het volgende bepaalt: «Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant». 

Bij afwezigheid van een dergelijk vast en erkend gebruik moet de onderhavige Fagus Sylvatica bijgevolg in beginsel op twee meter van de scheidingslijn staan, bij gebreke waarvan de nabuur (in casu eerste comparant) op grond van art. 36 van het Veldwetboek de rooiing ervan kan eisen, wat in casu het geval is. 

Overwegende dat de boom onbetwistbaar op minder dan 2 meter van de scheiding staat, maar dat tweede comparanten zich beroepen op verjaring. 

Overwegende dat op de bovenstaande regeling inzake de afstand van beplantingen drie uitzonderingen bestaan: 

1) allereerst voorziet art. 35, tweede en derde lid, Veldwetboek zelf in een uitzondering op de in het eerste lid van voormeld artikel vooropgezette principiële regeling (in casu niet van toepassing); 

2) voorts kunnen partijen door middel van het vestigen van een erfdienstbaarheid inhoudende kortere afstand, afwijken van voormelde principiële regeling (in casu van toepassing); 

3) ten slotte wordt nog aangenomen dat de wettelijke regeling van art. 35 Veldwetboek niet van toepassing is ten aanzien van het openbaar domein van de overheid (ook deze uitzondering is in casu niet van toepassing).  Overwegende dat in het onderhavige geval, tweede comparanten zich beroepen op voormelde tweede uitzondering.

Inderdaad wordt klassiek in de rechtsleer en de rechtspraak aanvaard dat van de wettelijke voorschriften inzake de afstand van de beplantingen kan worden afgeweken door de vestiging van een erfdienstbaarheid. Het «plantrecht» of «servitude de plantations» verleent de eigenaar van het heersend erf (tweede comparanten) het recht om beplantingen te hebben op een kortere afstand van het lijdend erf dan door het Veldwetboek wordt toegelaten.

Deze erfdienstbaarheid kan worden gevestigd door een titel (in casu niet van toepassing), bestemming van de huisvader (in casu evenmin van toepassing, cf. deskundigenverslag p. 11) of verjaring (waarop tweede comparanten zich in casu beroepen) (cf. F. Baudoncq en M. Debaene, «Afstand van beplantingen. Het onderwerp herbekeken», in Zakenrecht, Brugge, die Keure 2005, p. 257, nr. 96; Vred. Westerlo 26 mei 2003, T.B.B.R. 2004, 289; Vred. Oudergem 25 maart 1983, T. Vred. 1984, 174). 

Overwegende dat wie op minder dan de wettelijke of gebruikelijke plantafstand gedurende meer dan dertig jaar beplantingen heeft, niet op grond van de artikelen 35-36 Veldwetboek tot wegruiming kan worden gedwongen (cf. J. Kokelenberg, H. Vuye en T. Van Sinay, «Overzicht van rechtspraak (1994-1999). Zakenrecht», T.P.R. 2001, 1140; C. Mostin, Les troubles de voisinage, Brussel, Kluwer, 1998, p. 51, nr. 73; C. Renard en E. Vieujean, «Examen de jurisprudence (1956-1960). Personnes et Biens», R.C.J.B. 1962, p. 280, nr. 129; Rb. Gent 14 januari 1986, T. Agr. R. 1986, 154).

Omtrent de kwestie of het hier gaat om een bevrijdende verjaring (van de erfdienstbaarheid «niet planten») dan wel om een verkrijgende verjaring (van het recht om op kortere dan de wettelijke of gebruikelijke afstand beplantingen te hebben), is het thans een uitgemaakte zaak dat het hier een verkrijgende verjaring betreft (cf. F. Baudoncq en M. Debaene, o.c., p. 260, nr. 102).

De bewijslast nopens het feit dat de onwettige situatie reeds meer dan dertig jaar duurt en het vorderingsrecht van de nabuur (eerste comparant) bijgevolg uitgedoofd is door verjaring, rust op degene die deze exceptie inroept (tweede comparanten). Laatstgenoemden dienen aan te tonen dat aan de toepassingsvoorwaarden voor verkrijgende verjaring is voldaan. 

Overwegende dat het hier gaat om de drie volgende toepassingsvoorwaarden.

1) Opdat een erfdienstbaarheid door verjaring zou kunnen worden verkregen, moet deze zichtbaar en voortdurend zijn: enkel zichtbare en voortdurende erfdienstbaarheden kunnen immers door verjaring worden verkregen. Het plantrecht voldoet aan dit vereiste, aangezien het gebaseerd is op een bezit van beplantingen op een kortere afstand van de grens van het lijdend erf, wat een zichtbare en bestendige toestand uitmaakt (cf. G. Baert, Privaatrechtelijk bouwrecht, Antwerpen, Kluwer 1994, 275; L. Lindemans, Erfdienstbaarheden, in A.P.R. 1958, p. 143, nr. 345, en p. 185, nr. 419). 

2) Er kan voorts geen enkele twijfel over bestaan dat aan de voorwaarde van een tijdsverloop van dertig jaren is voldaan. De deskundige verklaarde bij de plaatsopneming met partijen op 16 december 2003, nominatim dat hij er «100% zeker» van is dat de kwestieuze boom ouder is dan dertig jaren. Aangestipt wordt volledigheidshalve dat het aanvangspunt van de verjaring het ogenblik van de aanplanting is, en het eindpunt het ogenblik waarop de vordering wordt ingesteld (dus de datum van vrijwillige verschijning). 

3) Ten slotte moet er een deugdelijk bezit voorhanden zijn, dit is een bezit in de zin van art. 2229 B.W. (voortdurend, onafgebroken, openbaar, ongestoord en ondubbelzinnig). Ook hieraan is voldaan, waarbij volledigheidshalve nog wordt aangemerkt dat de enkele omstandigheid dat het erf waarop de beplantingen zijn aangebracht van eigenaar verandert, niet de discontinuïteit van het bezit meebrengt (cf. H. Bocken, I. Traest en L. De Jager, Bomen in het recht. Een overzicht van het recht in het Vlaamse Gewest van toepassing op bomen, Antwerpen, Kluwer 1992, p. 64, nr. 97). 

Overwegende dat derhalve dient te worden geconcludeerd dat tweede comparanten geenszins op grond van de artikelen 35-36 Veldwetboek tot de rooiing van de boom kunnen worden gedwongen omdat reeds verjaring is ingetreden. 

Overwegende dat de artikelen 35 en 36 van het Veldwetboek wel de specifieke maar zeker niet de exclusieve grondslagen zijn waarop de nabuur (eerste comparant) kan terugvallen ingeval van problemen van allerlei aard veroorzaakt door bomen op het erf van de andere nabuur. Hij kan ook een beroep doen op de algemene gemeenrechtelijke regels: in casu doet eerste comparant aldus vervolgens een beroep op art. 544 en art. 1382 B.W.

Overwegende dat het wel belangrijk is allereerst te wijzen op het fundamentele verschil tussen de voormelde grondslagen. De specifieke regelen van art. 35 en 36 Veldwetboek kunnen worden aangewend zonder dat enige fout met schade of hinder moet worden aangetoond (het niet naleven van de plantafstand is op zichzelf reeds voldoende), terwijl bij aanwending van de algemene gemeenrechtelijke regels van art. 544 en art. 1382 B.W. wél het bewijs moet worden geleverd van het bestaan van foutloze hinder (art. 544 B.W.) of van het bestaan van een fout met schade als gevolg (art. 1382 B.W.).

Overwegende dat voor de toepassing van art. 1382 B.W. drie constitutieve elementen zijn vereist: een fout, een schade en een oorzakelijk verband tussen beide. In casu is geen foutieve gedraging van tweede comparanten aangetoond en evenmin een schending van de algemene zorgvuldigheidsplicht (erin bestaande dat zij het ontstaan van een hypothetische schade in de toekomst moesten voorzien en de nodige maatregelen om die te voorkomen niet troffen), zodat eerste comparant tevergeefs deze bepaling inroept. 

Overwegende dat het Hof van Cassatie met de beginselarresten van 6 april 1960 (Arr. Cass. 1960, 722; J.T. 1960, 339 met noot A. De Meulder; R.C.J.B. 1960, 257) op het vlak van burenhinder definitief de mogelijkheid heeft aanvaard van het bestaan van een foutloze en objectieve aansprakelijkheid op grond van art. 544 B.W. (de zgn. «evenwichtsleer»).

Sindsdien is de eigenaar van een onroerend goed die, door een niet-foutieve gedraging, het bestaande evenwicht tussen naburige erven verbreekt door zijn nabuur een hinder op te leggen die de grens van de normale ongemakken die uit het nabuurschap voortspruiten, overschrijdt, aan deze laatste een billijke en passende compensatie verschuldigd teneinde het verbroken evenwicht terug te herstellen.

Om een beroep te kunnen doen op deze «aansprakelijkheid» voor abnormale burenhinder op grond van art. 544 B.W. dient dus in de eerste plaats een hinder of schade te worden aangetoond, die de normale en aanvaardbare burenhinder overschrijdt.

In casu toont eerste comparant aan dat de kwestieuze beukenboom voor hem een hinder meebrengt, die de normale grenzen van de normale ongemakken uit het nabuurschap in beperkte mate overschrijdt. Deze stoornis werd reeds vastgesteld en beschreven in het proces-verbaal van plaatsopneming met de partijen van 6 mei 2003 (erg ver overhangende takken, tegenhouden zonlicht, ernstige bladafval). Van de andere kant is het natuurlijk zo dat de boom er (al lang) stond op het ogenblik dat eerste comparant en eerder zijn ouders, de heer en mevrouw O.-D., aldaar eigenaar werden. Zij kenden dus de toestand en «wisten waaraan zij begonnen». 

Overwegende dat eerste comparant terecht aanspraak maakt op een billijke en passende compensatie op grond van art. 544 B.W. Deze compensatie bestaat hierin dat de hinder moet worden verholpen door het verbroken evenwicht te herstellen, d.i. door de hinder opnieuw binnen de normale lasten van het nabuurschap te brengen. Zulks wordt geëffectueerd door aan tweede comparanten op te dragen om

1) van de litigieuze beukenboom de over het perceel van eerste comparant overhangende takken af te toppen en te snoeien zodanig dat deze takken aan eerste comparant geen bovenmatige hinder bezorgen en hem evenmin hinderen in zijn rechtmatige aspiraties, dit alles zonder dat het voortbestaan van deze boom wordt aangetast of zelfs maar wordt bedreigd;

2) de toekomstige groei van deze boom aan de zijde van eerste comparant binnen redelijke perken te houden, zodat de takkenmassa niet zodanig volumineus wordt in de hoogte en/of de breedte dat deze als manifest bovenmatig hinderlijk wordt ervaren (cf. Vred. Gent 1 juli 1996, T.B.B.R. 1998, 474; S. Stijns en H. Vuye, Zakenrecht IV, Burenhinder, in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Story Scientia, 2000, p. 421 en 423, nr. 243).

Daarbij wordt rekening gehouden met de verklaring van de deskundige bij de plaatsopneming met partijen op 16 december 2003, waarbij hij poneerde dat het zeer wel mogelijk is om zonder bedreiging voor het voortbestaan van de boom zélf, hiervan enkele takken te verwijderen (bijvoorbeeld die welke door eerste comparant als het meest hinderlijk worden ervaren).  Overwegende dat het overige van de vordering van eerste comparant ongegrond dient te worden verklaard bij gebrek aan bewijs. Het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de verwijdering van uitschietende wortels is bovendien ongegrond omdat het hier gaat om een actio ad futurum (cf. Vred. Luik 13 mei 1965, Jur. Liège 1965-1966, 7).  ...

•• Vred. Westerlo, 26 mei 2003, T. Vred. 512, 2006

Afwijzing van een vordering tot rooiing van een notenboom die zich op minder dan 2 meter van de scheidingslijn bevindt wegens bestemming van de huisvader.

Feiten

Eerste comparanten zijn sedert 2 oktober 2001 eigenaar van een perceel grond gelegen te Westmeerbeek (Hulshout) aan de ...straat ten kadaster gekend wijk A, nummer ..., groot volgens meting 8 aren. Tweede comparanten zijn sedert 29 september 1978 eigenaar van een huis met aanhorigheden en tuin gelegen te Westmeerbeek (Hulshout) aan zelfde ...straat volgens kadaster wijk A, nummers ..., groot volgens meting 8 aren 13 ca 70 dm2. Beide voormelde eigendommen palen aan elkaar en op het perceel van tweede comparanten bevindt zich op 58 cm van de scheidingslijn met het perceel van eerste comparanten een tamme notenboom (“Juglans regia”) die ouder is dan 30 jaar. Eerste comparanten vorderen de wegruiming van deze boom, hetgeen door tweede comparanten formeel wordt betwist.

In rechte

Overwegende dat conform artikel 35 van het Veldwetboek de betreffende boom in beginsel op twee meter van de scheidingslijn moet staan, bij gebreke waarvan de nabuur (in casu eerste comparanten) op grond van artikel 36 van het Veldwetboek de rooiing ervan kan eisen, hetgeen in casu het geval is. Overwegende dat tweede comparanten de vordering tot rooiing formeel betwisten.

Overwegende dat de eigenaar van een boom op de volgende manieren het recht kan verkrijgen om deze op een kortere dan de wettelijke afstand te mogen hebben:

- door titel
- of door dertigjarige verjaring
- of door bestemming van de huisvader (cf. Vred. Oudergem 25 maart 1983, T. Vred. 1984, 174).

Overwegende dat de “bestemming door de huisvader” een handeling is (in casu het aanplanten van een Juglans regia) waardoor iemand tussen twee delen van zijn hem toebehorend erf een feitelijke toestand schept, die een erfdienstbaarheid zou uitmaken indien die twee delen van dit erf aan verschillende eigenaars toebehoorden.

Wanneer beide delen van het betrokken erf aan verschillende personen gaan toebehoren en de inrichting van beide delen blijft ten opzichte van elkaar ongewijzigd (de Juglans regia bleef staan waar hij werd aangeplant), dan ontstaat de erfdienstbaarheid door de bestemming van de huisvader, d.w.z. door de wil van diegene die eenmaal eigenaar was van beide delen van het betrokken erf. Zolang die beide delen aan dezelfde eigenaar toebehoorden, was de erfdienstbaarheid latent aanwezig.

Overwegende dat de in vorige considerans theoretisch beschreven casuspositie zich in het onderhavige geval in concreto voordoet. De beide erven, in aanhef vermeld onder de rubriek “feiten” (thans toebehorende aan eerste, resp. tweede comparanten) behoorden vóór 29 september 1978 (datum van de verkoop van het ene erf aan tweede comparanten) toe aan de huwgemeenschap H.B.-A.M., ingevolge akte van aankoop verleden voor notaris ... te Westerlo op 18 april 1953, en de latere rechtsopvolgers van de echtgenoten B.-M. (cf. beide eigendomstitels).

Welnu, het staat vast dat de kwestieuze boom werd aangeplant vóór 29 september 1978 gezien onze deskundige ons bij de plaatsopneming d.d. 26 november 2002 heeft verklaard (cf. proces-verbaal) dat de boom ouder is dan 30 jaar: hij moet dus geplant zijn vóór 26 november 1972, dit is vóór 29 september 1978.

De boom is dus door de toenmalige eigenaar van beide erven geplant, voordat deze erven gesplitst werden. Er is dus voldaan aan de door artikel 693 B.W. gestelde voorwaarden onder dewelke een erfdienstbaarheid kan verkregen worden door middel van de bestemming van de huisvader, nl. de twee thans van elkaar gescheiden erven – het “lijdende” en het “heersende” – hebben aan éénzelfde eigenaar (de huwgemeenschap B.-M. en hun rechtsopvolgers) toebehoord en deze heeft de zaken (de erven) in de toestand gesteld waaruit de erfdienstbaarheid voortvloeit.

Overwegende dat de erfgenamen B.-M. – door enerzijds de Juglans regia aan te planten op 58 cm van de scheidingslijn en dus zonder inachtname van de verplichting vervat in artikel 35 van het Veldwetboek en door anderzijds de betreffende scheidingslijn te bepalen op merkelijk minder dan 2 meter afstand van de boom (óók een belangrijk gegeven dat soms wel eens uit het oog wordt verloren (cf. Vred. Gent VII, 11 augustus 1997, T.G.R. 1998, 14-15) – een erfdienstbaarheid hebben gevestigd waarbij het erf waarop de boom werd geplant (eigendom tweede comparanten) het heersend erf wordt en het andere (aanpalende) erf (eigendom eerste comparanten) het lijdend erf.

Het betreft hier een erfdienstbaarheid “om de betreffende boom op een kortere afstand te behouden dan de wettelijke”. Vermits het hier gaat om een voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid kan ze worden gevestigd door de bestemming van de huisvader (cf. B. DERVEAUX, De afstand van beplantingen, Heule, UGA, 1990, p. 59-60, nr. 78 met verwijzing naar o.a. KLUYSKENS, nr. 350).

Immers: alleen zichtbare, voortdurende erfdienstbaarheden kunnen door bestemming door de huisvader gevestigd worden, en deze bestemming door de huisvader geldt als titel (art. 692 B.W.). Eerste comparanten dienen deze titel te eerbiedigen. De betreffende boom was overigens in zijn huidige staat aanwezig op het ogenblik dat eerste comparanten, nu ongeveer anderhalf jaar geleden, hun perceel aankochten zodat het beter ware geweest dit perceel niet aan te kopen zo zij deze boom hinderlijk vonden (cf. Vred. Gent VII, 11 augustus 1997, geciteerd).

Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de vordering van eerste comparanten strekkende tot de wegruiming van de boom Juglans regia (zijnde de enige vordering die werd gesteld) ongegrond moet worden verklaard.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:15
Laatst aangepast op: wo, 26/12/2012 - 20:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.