-A +A

afstamming gecoördineerde wettelijke bepalingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Officieuze gecoördineerde versie van de nieuwe bepalingen betreffende de afstamming die in werking zullen treden op 1 juli 2007 (wet van 1 juli 2006, gewijzigd door de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) (B.S. 28 en 29 december 2006)

TITEL II – AKTEN VAN DE BURGERLIJKE STAND

HOOFDSTUK II - Akten van geboorte


Art. 55. De aangifte van geboorte wordt gedaan aan de plaatselijke ambtenaar van de burgerlijke stand binnen vijftien dagen na de bevalling. Is de laatste dag van die termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

Art. 56. §1. In geval van bevalling in ziekenhuizen, klinieken, kraaminrichtingen of andere verpleeginrichtingen, wordt de geboorte van het kind aangegeven door de vader of door de moeder of door beide ouders of, wanneer deze er zich van onthouden de aangifte te doen, door de persoon die de leiding van de inrichting uitoefenen, of zijn afgevaardigde.
De persoon die de leiding van de inrichting uitoefent of zijn afgevaardigde zijn gehouden aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand kennis te geven van de bevalling, uiterlijk de eerste daaropvolgende werkdag.

§2. In de andere gevallen wordt de geboorte van het kind aangegeven door de vader of door de
moeder of door beide ouders of, wanneer deze er zich van onthouden de aangifte te doen, door de geneesheren, vroedvrouwen of andere personen die bij de bevalling tegenwoordig zijn geweest of door de persoon bij wie de bevalling heeft plaatsgehad.
De geneesheer of, bij ontstentenis, de vroedvrouw of, bij ontstentenis, de andere personen die bij de bevalling tegenwoordig zijn geweest of bij wie de bevalling heeft plaatsgehad, zijn gehouden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis te geven van de bevalling, uiterlijk de eerste daaropvolgende werkdag.

§3. Indien de aangifte niet is geschied binnen de bij artikel 55 bepaalde termijn, geeft de ambtenaar
van de burgerlijke stand, binnen drie werkdagen volgend op het verstrijken van die termijn, daarvan mededeling aan de persoon die hem van de bevalling kennis heeft gegeven. Deze is gehouden de aangifte te doen binnen drie dagen na de ontvangst van de mededeling; is de derde dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan kan de aangifte nog worden gedaan de eerste daaropvolgende werkdag.

§4. De ambtenaar van de burgerlijke stand vergewist zich van de geboorte aan de hand van een
verklaring van een door hem toegelaten geneesheer of gediplomeerde vroedvrouw, of indien zulks niet mogelijk is, door zich persoonlijk naar het pasgeboren kind te begeven.

§5. In alle gevallen wordt de akte van geboorte zonder vertraging opgemaakt.


Art. 57. De akte van geboorte vermeldt:
1° de dag, het uur, de plaats van geboorte, alsmede het geslacht, de naam en de voornamen van het kind;
2° het jaar, de dag, de plaats van geboorte, de naam, de voornamen en de woonplaats van de moeder en de vader, zo de afstamming langs vaderszijde vaststaat;
3° de naam, de voornamen en de woonplaats van de aangever.


Art. 58. Ieder die een pasgeboren kind gevonden heeft, is gehouden het met de kleren en de andere bij het kind gevonden voorwerpen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand af te geven en alle omstandigheden mede te delen betreffende de tijd wanneer en de plaats waar het gevonden werd.
Hiervan wordt een omstandig proces-verbaal opgemaakt, waarin bovendien vermeld worden de
vermoedelijke leeftijd van het kind, zijn geslacht, de namen die aan het kind worden gegeven, en de burgerlijke overheid aan wie het wordt toevertrouwd. Dit proces-verbaal wordt in de registers ingeschreven.


Art. 59. Wordt een kind tijdens een zeereis geboren, dan begeeft de commandant van het schip zich persoonlijk en onverwijld naar het pasgeboren kind en ontvangt hij de aangifte van de moeder of van de vader, of van beide ouders, of, bij gebreke van dezen, van enige persoon die bij de bevalling tegenwoordig is geweest.
De akte van geboorte wordt achteraan op de monsterrol bijgeschreven.


Art. 60. In de eerste haven waar het schip binnenloopt, is de commandant gehouden om twee door hem ondertekende en voor echt verklaarde letterlijke afschriften van de door hem opgestelde akten van geboorte neer te leggen, namelijk, in een Belgische haven, op het kantoor van de waterschout en in een vreemde haven, in handen van de consul.
Een van die afschriften blijft op het kantoor van de waterschout of op de kanselarij van het consulaat
berusten; het andere wordt gezonden aan de minister van verkeerswezen, die een door hem voor echt verklaard afschrift van elk van die akten doet toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van het kind; een afschrift wordt dadelijk in de registers ingeschreven.


Art. 61. […]


Art. 62. §1. De akte van erkenning vermeldt:
1. de voornamen, de naam, de plaats en datum van geboorte van het kind;
2. de voornamen, de naam, de woonplaats, de plaats en datum van geboorte van degene die het kind erkent en van de ouder ten aanzien van wie de afstamming reeds vóór de erkenning vaststond;
3. in voorkomend geval, de toestemming van de personen bedoeld in artikel 329bis, met vermelding van de voornamen, de naam, de woonplaats en de plaats en datum van geboorte van de wettelijke vertegenwoordiger van het kind indien hij in de erkenning heeft toegestemd;
Indien de in artikel 329bis, §3, bedoelde personen niet hebben toegestemd in de akte van erkenning maar
er niet tegen zijn opgekomen binnen de in dat artikel gestelde termijn of indien hun verzoek tot nietigverklaring is afgewezen bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, wordt daarvan melding gemaakt op de kant van de akte van erkenning.

§2. Zodra de akte van erkenning van het kind is opgemaakt, wordt daarvan melding gemaakt op de
kant van zijn akte van geboorte.

§3. De ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van erkenning opmaakt, is gehouden daarvan
binnen drie dagen kennis te geven aan de echtgenoot van de erkenner. Paragraaf 3 van artikel 50 is van toepassing.


_____________________________





HOOFDSTUK IV - Akten van overlijden


Art. 80bis. Wanneer een kind is overleden op het ogenblik van de vaststelling van de geboorte door de ambtenaar van de burgerlijke stand of de door hem toegelaten geneesheer of gediplomeerde vroedvrouw, maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van aangifte van een levenloos kind op.
De akte van aangifte van een levenloos kind vermeldt:
1° de dag, het uur, de plaats van de bevalling, alsmede het geslacht van het kind;
2° het jaar, de dag, de plaats van de geboorte, de naam, de voornamen en de woonplaats van de moeder en de vader , of de vader die niet gehuwd is met de moeder en die het verwekt kind erkend heeft overeenkomstig artikel 328. Op zijn vraag en mits toestemming van de moeder kunnen de naam, de voornamen en de woonplaats van de vader die niet gehuwd is met de moeder en die het verwekt kind niet erkend heeft, tevens vermeld worden.
3° de naam, de voornamen en de woonplaats van de aangever;
4° de voornamen van het kind, indien om de vermelding ervan wordt verzocht.
Deze akte wordt, op haar dagtekening, ingeschreven in het register van de akten van overlijden.



________________________________


TITEL VII - AFSTAMMING

HOOFDSTUK I - Vaststelling van de afstamming van moederszijde


Art. 312. §1. Het kind heeft als moeder de persoon die als zodanig in de akte van geboorte is vermeld.

§2. Tenzij het kind het bezit van staat heeft ten aanzien van de moeder, kan de op deze wijze
vastgelegde afstamming van moederszijde betwist worden door alle wettelijke middelen, binnen het jaar van de ontdekking van het leugenachtige karakter van de afstamming van moederszijde, door de vader, het kind, de vrouw ten opzichte van wie de afstamming is vastgesteld en door de persoon die het moederschap van het kind opeist.


Art. 313. § 1. Indien de naam van de moeder niet in de akte van geboorte is vermeld of bij ontstentenis van zulk een akte, kan zij het kind erkennen onder de bij artikel 329bis bepaalde voorwaarden.

§ 2. De erkenning is evenwel niet ontvankelijk indien daaruit blijkt dat tussen haar en de vader een huwelijksbeletsel bestaat waarvan de Koning geen ontheffing kan verlenen tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding.

§ 3. Indien de moeder gehuwd is en een kind erkent dat tijdens het huwelijk geboren is, moet de erkenning worden medegedeeld aan de echtgenoot of de echtgenote.
Indien de akte is opgemaakt door een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand of een Belgische notaris, geeft deze kennis van de akte; indien zij niet is opgemaakt door een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische notaris, wordt de akte betekend op verzoek van de moeder, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger.
Totdat de kennisgeving of betekening heeft plaatsgehad kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn.


Art. 314. Bij gebreke van de akte van geboorte, van de vermelding van de naam van de moeder in die akte of wanneer het kind onder valse namen is ingeschreven en niet is erkend, kan de afstamming van moederszijde gerechtelijk worden vastgesteld, onder de bij artikel 332quinquies bepaalde voorwaarden.
De vordering is evenwel niet ontvankelijk indien daaruit blijkt dat tussen de moeder en de vader een huwelijksbeletsel bestaat waarvan de Koning geen ontheffing kan verlenen tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding
De eiser moet het bewijs leveren dat het kind hetzelfde is als dat van wie de vermeende moeder is bevallen.
Hij kan zulks bewijzen door aan te tonen dat het ten aanzien van de vermeende moeder het bezit van staat heeft.
Bij gebreke van bezit van staat kan het bewijs van de afstamming door alle wettelijke middelen worden geleverd. Het tegenbewijs kan eveneens door alle wettelijke middelen worden geleverd.




HOOFDSTUK II – Vaststelling van de afstamming van vaderszijde

Afdeling I – Vermoeden van vaderschap


Art. 315. Het kind dat geboren is tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk, heeft de echtgenoot tot vader.


Art. 316. Deze regel geldt niet wanneer uit een beslissing houdende vaststelling van het vermoeden van afwezigheid blijkt dat het kind geboren is meer dan 300 dagen na de verdwijning van de echtgenoot, onverminderd de rechten van de te goeder trouw handelende derden.

Art. 316bis. Tenzij de echtgenoten op het tijdstip van de aangifte van de geboorte een gemeenschappelijke verklaring afgelegd hebben, is het in artikel 315 bedoelde vermoeden van vaderschap niet meer van toepassing:
1° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen nadat de rechter de overeenkomst tussen de partijen heeft bekrachtigd in verband met de aan de echtgenoten gegeven machtiging om een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken overeenkomstig artikel 1258, §2, van het Gerechtelijk Wetboek, of na de beschikking van de voorzitter zitting houdend in kort geding die de echtgenoten machtigt om een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, of na neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van hetzelfde Wetboek;
2° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen na de datum waarop de echtgenoten, blijkens het bevolkingsregister, het vreemdelingenregister of het wachtregister, op verschillende adressen zijn ingeschreven, voor zover ze nadien niet opnieuw zijn ingeschreven op hetzelfde adres;
3° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen na een krachtens artikel 223 door de vrederechter uitgesproken vonnis waarbij de echtgenoten gemachtigd worden een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, en minder dan 180 dagen na de datum waarop deze maatregel verstreken is, of nadat de echtgenoten feitelijk zijn herenigd.


Art. 317. Het kind dat geboren is binnen 300 dagen na de ontbinding of de nietigverklaring van het huwelijk van zijn moeder en na een nieuw huwelijk van deze, heeft de nieuwe echtgenoot tot vader.

Wordt dit vaderschap betwist, dan wordt de vorige echtgenoot geacht de vader te zijn, behalve wanneer ook zijn vaderschap wordt betwist of wanneer het vaderschap van een derde komt vast te staan.


Art. 318. §1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

§2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is.

Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te
doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.
Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige
echtgenoot.

§3. Onverminderd het bepaalde in §§1 en 2, wordt het vermoeden van vaderschap teniet gedaan indien
door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader is.
De betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtegenoot wordt bovendien, behoudens
tegenbewijs, gegrond verklaard:
1° in de gevallen bedoeld in artikel 316bis;
2° wanneer de afstamming van moederszijde door erkenning of bij rechterlijke beslissing is
vastgesteld;
3° wanneer de vordering werd ingesteld vooraleer de afstamming van moederszijde is komen
vast te staan.

§4. De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is niet ontvankelijk, als de
echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn.

§5. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader
van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.



Afdeling II – Erkenning


Art. 319. Wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens de artikelen 315 of 317, kan de vader het kind erkennen onder de bij het artikel 329bis bepaalde voorwaarden.


Art. 319bis. Wanneer de vader gehuwd is een kind erkend dat is verwekt bij een vrouw van wie hij niet de
echtgenoot is, moet die erkenning ter kennis van de echtegenoot of van de echtgenote worden gebracht.

Te dien einde, indien de akte van erkenning is, opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de
Burgerlijke stand of door een Belgische notaris, wordt een afschrift van de akte door hem verzonden bij een ter post aangetekende brief. Indien de akte niet is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische notaris, wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op verzoek van de vader, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger.

Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan de
echtgenoot of de echtgenote, aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn.


Art. 320. […]


Art. 321. De vader kan het kind niet erkennen, wanneer uit die erkenning een huwelijksbeletsel zou blijken tussen hem en de moeder waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding.



Afdeling III – Onderzoek naar het vaderschap



Art. 322. Wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens de artikelen 315 of 317, noch op grond van een erkenning, kan het bij vonnis worden vastgesteld onder de bij artikel 332quinquies bepaalde voorwaarden.
Indien de verweerder gehuwd is en het kind tijdens het huwelijk verwekt is bij een vrouw waarvan hij
niet de echtgenoot is, moet het vonnis waarbij de afstamming wordt vastgesteld, aan de echtgenoot of de echtgenote worden betekend. Totdat die betekening heeft plaatsgehad, kan het vonnis niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, noch aan de kinderen geboren uit het huwelijk met de verweerder of geadopteerd door beide echtgenoten.


Art.323. Wanneer het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 315 of 317 niet bevestigd wordt door het bezit van staat, kan het vaderschap van een andere man dan de echtgenoot bij vonnis worden vastgesteld in de gevallen bepaald in artikel 320.

Art. 324. De afstamming wordt bewezen door het bezit van staat ten aanzien van de vermeende vader.
Bij gebreke van bezit van staat wordt de afstamming van vaderszijde door alle wettelijke middelen
bewezen.
Behalve wanneer er twijfel over bestaat, wordt het vaderschap vermoed wanneer is komen vast te staan dat de verweerder gedurende het wettelijk tijdperk van de verwekking gemeenschap heeft gehad met de moeder.

Art. 325. Het onderzoek naar het vaderschap is onontvankelijk, wanneer uit het vonnis een huwelijksbeletsel tussen de vermeende vader en de moeder zou blijken waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding.





HOOFDSTUK III - Gemeenschappelijke bepalingen nopens de wijze waarop de afstamming wordt vastgesteld


Afdeling I – Het tijdstip van de verwekking


Art. 326. Het kind wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed te zijn verwekt in het tijdvak van de 300e tot en met de 180e dag vóór de geboortedag en op het tijdstip dat voor hem het gunstigst is, gelet op het onderwerp van de vordering dat het heeft ingesteld of van het verweermiddel dat het heeft voorgedragen.



Afdeling II – De erkenning


Art. 327. Indien de erkenning niet is geschied in de akte van geboorte, kan zij geschieden bij authentieke akte, met uitsluiting van het testament.


Art. 328. De erkenning kan geschieden door een onbekwame.
Zij kan bovendien geschieden ten gunste van een verwekt kind, dan wel van een overleden kind indien dit afstammelingen heeft nagelaten. In geval van een overleden kind zonder afstammelingen, kan de erkenning slechts geschieden binnen het jaar na de geboorte van het kind.


Art. 328bis. De vorderingen bedoeld in de artikelen 318 en 329bis kunnen voor de geboorte ingesteld worden door de man die het vaderschap van het kind opeist.


Art. 329. Zo een kind wordt erkend door meer dan een persoon van hetzelfde geslacht, heeft alleen de eerste erkenning gevolg zolang ze niet is vernietigd.


Art. 329bis. §1. De erkenning van het meerderjarige of het ontvoogde minderjarige kind is alleen ontvankelijk zo het kind daarin vooraf toestemt.

§2. Indien het kind minderjarig en niet ontvoogd is, is de erkenning alleen ontvankelijk mits de ouder
ten aanzien van wie de afstamming vaststaat of, indien de erkenning voor de geboorte van het kind gebeurt, de moeder, vooraf daarin toestemt.

Bovendien is het voorafgaande toestemming van het kind vereist, indien het de volle leeftijd van twaalf
jaar heeft bereikt. Deze toestemming is niet vereist indien het kind onbekwaam is verklaard of zich in een staat van verlengde minderjarigheid bevindt, dan wel indien de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het kind geen onderscheidingsvermogen heeft.

Bij gebreke van die toestemmingen dagvaardt degene die het kind wil erkennen de personen wier
toestemming vereist is voor de rechtbank. De partijen worden in raadkamer gehoord. De rechtbank poogt ze te verzoenen. Indien de rechtbank de partijen tot verzoening brengt, ontvangt zij de nodige toestemmingen. Bij gebreke van verzoening wordt het verzoek verworpen als vaststaat dat de verzoeker niet de biologische vader of moeder is. Als het verzoek een kind betreft dat op het tijdstip van de indiening van het verzoek een jaar of ouder is, kan de rechtbank bovendien de erkenning weigeren als ze kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.
Indien tegen degene die het kind wil erkennen een strafvordering is ingesteld wegens een in artikel 375
van het Strafwetboek bedoeld feit dat gepleegd is op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke periode van verwekking, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt de in het vierde lid bedoelde termijn van één jaar opgeschort tot de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is gegaan. Als degene die het kind wil erkennen op grond daarvan schuldig wordt verklaard, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt het verzoek om toestemming tot erkenning verworpen.

§3. Is het kind minderjarig en niet ontvoogd en heeft het geen bekende ouder, of is de ouder ten
aanzien van wie de afstamming vaststaat overleden dan wel in de onmogelijkheid zijn wil te kennen te geven, dan moet de ambtenaar van de burgerlijke stand een letterlijk afschrift van de erkenning ter kennis brengen van de wettelijke vertegenwoordiger van het kind zelf, indien het de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, tenzij dezen vooraf in de erkenning hebben toegestemd.

Indien de erkenning niet ontvangen is door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, moet
zij op verzoek van de erkenner worden betekend aan de in het eerste lid bedoelde personen.

Binnen zes maanden te rekenen van de betekening of de kennisgeving kunnen de personen aan wie zij
is gedaan, bij dagvaarding de vernietiging van de erkenning vorderen van de rechtbank van de woonplaats van het kind.

De griffier stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ministeriële ambtenaar die de akte van
erkenning heeft opgemaakt, onmiddellijk in kennis van die vordering.

Nadat de partijen werden gehoord, doet de rechtbank uitspraak over de vordering tot nietigverklaring.
Ze vernietigt de erkenning indien het bewijs wordt geleverd dat de verweerder niet de biologische vader of moeder is. Bovendien vernietigt ze de erkenning als die kennelijk strijdig is met de belangen van het kind, als dat kind op het tijdstip waarop de vordering wordt ingediend één jaar of ouder is.

Het vierde lid van § 2 is van overeenkomstige toepassing. Totdat de termijn van zes maanden
verstreken is of totdat de afwijzende beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan het kind en aan zijn wettelijke vertegenwoordiger die er zich niettemin op kunnen beroepen.


Art. 330. § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het moederschap worden betwist door de vader, het kind, de vrouw die het kind heeft erkend en de vrouw die het moederschap van het kind opeist. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend en de man die het vaderschap van het kind opeist.

De erkenner en zij die de voorafgaande, in artikel 329bis vereiste of bedoelde toestemmingen hebben
gegeven, zijn echter alleen gerechtigd de erkenning te betwisten, indien zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde.

De erkenning kan niet worden betwist door hen die partij zijn geweest bij de beslissing waarbij de erkenning is toegestaan overeenkomstig artikel 329bis, of bij de beslissing waarbij de krachtens dat artikel gevorderde vernietiging is afgewezen.

De vordering van de vader, de moeder of de persoon die het kind erkend heeft, moet worden ingesteld
binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die het kind erkend heeft, niet de vader of de moeder is; die van de persoon die de afstamming opeist moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is; die van het kind moet op zijn vroegst worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en moet uiterlijk worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na het ontdekken van het feit dat de persoon die het erkend heeft noch zijn vader, noch zijn moeder is.

§ 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, wordt de erkenning tenietgedaan, indien door alle wettelijke
middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader of de moeder is.

§ 3. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader
of moeder van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap of moederschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen.



HOOFDSTUK IV - Vorderingen met betrekking tot de afstamming


Afdeling I - Algemeen


Art. 331. § 1. Alleen de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van het kind is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende de afstamming.

§ 2. Telkens als de afstamming wordt betwist, kunnen de strafrechtbanken en de andere gerechten
eerst uitspraak doen nadat de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg omtrent de staat in kracht van gewijsde is getreden.


Art. 331bis. Rechtsvorderingen met betrekking tot de afstamming zijn niet ontvankelijk indien het kind niet levensvatbaar geboren is.


Art. 331ter. Wanneer de wet geen kortere termijn stelt, verjaren de vorderingen betreffende de afstamming door verloop van dertig jaar te rekenen van de dag waarop het bezit van staat geëindigd is, of, bij gebreke van bezit van staat, vanaf de geboorte, of te rekenen van de dag waarop het kind in het bezit van staat is gekomen overeenkomstig de staat die hem werd betwist, waarbij artikel 2252 onverkort van toepassing blijft.
Artikel 2253 is niet van toepassing.
De in dit artikel bepaalde verjaringstermijn geldt niet voor de op artikel 329bis gegronde vorderingen.

Art. 331quater. Van het vorderingsrecht betreffende de afstamming kan niet worden afgezien.


Art. 331quinquies. Erfgenamen kunnen de reeds begonnen rechtsvorderingen voortzetten, tenzij de verzoeker er uitdrukkelijk afstand van heeft gedaan.

Art. 331sexies. Onverminderd artikel 329bis, § 2, tweede lid, en § 3, eerste lid, en artikel 332quinquies, worden de niet-ontvoogde minderjarige, de onbekwaamverklaarde en de wilsonbekwame, in gedingen betreffende hun afstamming, als eiser of als verweerder vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger en, indien er tegenstrijdigheid van belangen is, door een voogd ad hoc die aangewezen wordt door de voorzitter van de rechtbank op verzoek van elke belanghebbende of van de procureur des Konings.

Art. 331septies. De rechtbanken beslechten de geschillen betreffende de afstamming waarvoor de wet geen regeling getroffen heeft, door de meest waarschijnlijke afstamming met alle rechtsmiddelen vast te stellen.
Zo de andere bewijsmiddelen onvoldoende zijn, wordt het bezit van staat in aanmerking genomen.

Art. 331octies. De rechtbanken kunnen, zelfs ambtshalve, een bloedonderzoek of enig ander onderzoek volgens beproefde wetenschappelijke methodes gelasten.


Art. 331nonies. Het bezit van staat moet voortdurend zijn.
Het wordt bewezen door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen.
Die feiten zijn onder meer:
- dat het kind altijd de naam heeft gedragen van degene van wie wordt gezegd dat het afstamt;
- dat laatstgenoemde het als zijn kind heeft behandeld;
- dat die persoon als vader of moeder in zijn onderhoud en opvoeding heeft voorzien;
- dat het kind die persoon heeft behandeld als zijn vader of moeder;
- dat het als zijn kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij;
- dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt.


Art. 331decies. Rechterlijke beslissingen inzake afstamming kunnen worden tegengeworpen zelfs aan personen die geen partij waren in het geding; deze kunnen echter derdenverzet instellen.
In afwijking van artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtbank, zelfs ambtshalve, gelasten
dat alle belanghebbenden jegens wie zij oordeelt dat de beslissing mede moet gelden, in het geding worden geroepen.
Afdeling II - De vorderingen in het bijzonder


Art. 332. […]


Art. 332bis. De vorderingen tot betwisting van staat moeten op zodanige wijze worden ingesteld dat het kind of zijn afstammelingen en degene van zijn ouders wiens vaderschap of moederschap niet wordt betwist in het geding worden geroepen, alsook de persoon wiens vaderschap of moederschap wordt betwist.


Art. 332ter. De rechtsvordering tot inroeping van staat kan worden ingesteld door het kind en door elk van zijn ouders persoonlijk.
Na het overlijden van het kind, kan de vordering worden ingesteld door diens afstammelingen, die dat
evenwel enkel kunnen doen vóór de vijfentwintigste verjaardag van hun ouder.
De vordering moet op zodanige wijze worden ingesteld dat het kind of zijn afstammelingen en degene
van de ouders wiens vaderschap of moederschap vaststaat, alsook de persoon wiens vaderschap of moederschap wordt onderzocht, in het geding worden geroepen.
Indien de rechtsvordering tot onderzoek naar het moederschap tot gevolg kan hebben dat het
vaderschap komt vast te staan op grond van artikel 315 of 317, dan moet ze ook worden ingesteld tegen de echtgenoot en, in voorkomend geval, tegen de vorige echtgenoot van de vermeende moeder.


Art. 332quater. Indien een van de personen die krachtens de voorgaande artikelen moet worden gedagvaard overleden is, wordt de rechtsvordering tot betwisting van staat alleen ingesteld tegen de anderen en wordt de rechtsvordering tot inroeping van staat ingesteld tegen de anderen en de erfgenamen van de overledene.
Indien allen die krachtens de voorafgaande bepalingen moeten worden gedagvaard, overleden zijn,
wordt de vordering ingesteld bij eenzijdig verzoekschrift en zijn de artikelen 1025 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing, met uitzondering van de artikelen 1029, tweede lid, en 1032.


Art. 332quinquies. §1. De vorderingen tot onderzoek naar het moederschap of het vaderschap zijn onontvankelijk indien het meerderjarige of het ontvoogde minderjarige kind zich daartegen verzet.

§2. Indien het verzet uitgaat van een minderjarig kind dat niet ontvoogd is en de volle leeftijd van
twaalf jaar heeft bereikt, of van degene van de ouders van het kind ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, wijst de rechtbank, zonder afbreuk te doen aan § 3, de vordering slechts af indien ze betrekking heeft op een kind dat minstens één jaar oud is op het ogenblik van de indiening ervan, en de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.
Er wordt geen rekening gehouden met het verzet van het kind dat onbekwaam is verklaard, zich in een
staat van verlengde minderjarigheid bevindt, of waarvan de rechtbank, op grond van feitelijke elementen vastgesteld in een met reden omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het geen onderscheidingsvermogen heeft.

§3. De rechtbank wijst de vordering hoe dan ook af indien het bewijs wordt geleverd dat degene wiens
afstamming wordt onderzocht niet de biologische vader of moeder van het kind is.

§4. Indien tegen de man die een vaderschapsonderzoek vordert een strafvordering is ingesteld wegens
een in artikel 375 van het Strafwetboek bedoeld feit dat gepleegd is op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke periode van verwekking, wordt op verzoek van een van de partijen de uitspraak verdaagd, tot wanneer de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden. Indien de betrokkene hiervoor wordt veroordeeld, zal de vordering tot onderzoek naar het vaderschap op vraag van één van de partijen worden verworpen.




Afdeling III - Bekendmaking van de rechterlijke beslissing in de registers van de burgerlijke stand


Art. 333. §1. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest waarbij een vordering betreffende de afstamming wordt toegewezen, moet in afschrift worden medegedeeld aan het openbaar ministerie.

§ 2. Na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of van voorziening in cassatie of, in
voorkomend geval, na de uitspraak van het arrest waarbij de voorziening wordt afgewezen, zendt het openbaar ministerie onverwijld het beschikkende gedeelte van elk vonnis of arrest waarbij een vordering betreffende de afstamming wordt toegewezen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de akte van geboorte van het kind is opgemaakt of overgeschreven.
Indien de akte van geboorte niet in België is ingeschreven, wordt het beschikkende gedeelte gezonden
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de verblijfplaats van het kind in België of, bij gebreke daarvan, aan die van het eerste district van Brussel.
De ambtenaar van de burgerlijke stand schrijft, binnen een maand, het beschikkende gedeelte over
in zijn registers; melding daarvan wordt gemaakt op de kant van de akten betreffende de burgerlijke stand van het kind en van zijn afstammelingen.




HOOFDSTUK V - Gevolgen van de afstamming


Art. 334. Ongeacht de wijze waarop de afstamming is vastgesteld, hebben de kinderen en hun afstammelingen dezelfde rechten en dezelfde verplichtingen ten opzichte van de ouders en hun bloed- en aanverwanten en hebben de ouders en hun bloed- en aanverwanten dezelfde rechten en dezelfde verplichtingen ten opzichte van de kinderen en hun afstammelingen.


Art. 334bis. […]


Art. 334ter. De erkenning waaruit blijkt dat een kind tijdens het huwelijk werd verwekt door een der echtgenoten en een andere persoon dan de echtgenoot, heeft tot gevolg dat degene die het kind erkent, alle voordelen verliest die de andere echtgenoot bij huwelijksovereenkomst heeft toegestaan in het vooruitzicht van een verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, evenals de schenkingen welke in die overeenkomst vervat liggen, tenzij die echtgenoot bij een voor notaris verleden akte uitdrukkelijk zijn wil te kennen geeft de bepalingen van de huwelijksovereenkomst geheel of ten dele te handhaven.
De herroeping van de voordelen en van de schenkingen doet geen afbreuk aan de rechten van derden
te goeder trouw.
In hetzelfde geval kan de echtgenoot degene die het kind erkent, geheel of ten dele van de
erfopvolging uitsluiten, met uitzondering van het erfrecht dat hij krachtens artikel 915bis, § 2, bezit.
In alle gevallen waarbij uit de vaststelling van de afstamming blijkt dat een kind tijdens het huwelijk
werd verwekt door een der echtgenoten en een andere persoon dan de echtgenoot, gelden dezelfde gevolgen als die welke het eerste lid aan een vrijwillige erkenning verbindt en de echtgenoot kan het recht uitoefenen dat hem bij het derde lid wordt verleend.


Art. 335. §1. Het kind wiens afstamming alleen van vaderszijde vaststaat of wiens afstamming van vaderszijde en van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan, draagt de naam van zijn vader […].

§2. Het kind wiens afstamming alleen van moederszijde vaststaat, draagt de naam van zijn moeder.

§3. Indien de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde,
blijft de naam van het kind onveranderd. Evenwel kunnen de ouders samen of een van hen, indien de andere overleden is, in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat het kind de naam van zijn vader zal dragen.
Die verklaring moet worden gedaan binnen een jaar te rekenen van de dag waarop de personen die de
verklaring doen, de vaststelling van de afstamming hebben vernomen en voor de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in artikel 319bis, tweede lid, bedoelde kennisgeving of betekening.
Van de verklaring wordt melding gemaakt op de kant van de akte van geboorte en van de andere akten
betreffende het kind.

§4. Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft
bereikt, mag er zonder zijn akkoord geen enkele verandering aan zijn naam worden aangebracht.





HOOFDSTUK VI - Vordering tot uitkering voor levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding


Art. 336. Het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat, kan van degene die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad, een uitkering tot levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding vorderen.
Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting tot na de meerderjarigheid van het kind.

Art. 337. §1. De vordering komt aan het kind persoonlijk toe. […]

§2. De vordering gaat niet over op de erfgenamen van het kind. Deze kunnen echter de begonnen
rechtsvordering voortzetten.

§3. Na het overlijden van de persoon die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met de
moeder gemeenschap heeft gehad, kan de vordering worden voortgezet maar niet meer ingesteld tegen zijn erfgenamen.


Art. 338. §1. De eiser biedt de voorzitter van de rechtbank een verzoekschrift aan, bevattende een beknopte opgave van de feiten en vergezeld van de bewijsstukken, zo die er zijn.
De voorzitter bepaalt dag en uur waarop de partijen voor hem moeten verschijnen. De oproeping geschiedt bij gerechtsbrief.

§2. Indien de verweerder het bestaan heeft erkend van de gemeenschap die tot grondslag dient van de
vordering en indien de partijen het eens zijn over het bedrag van de uitkering tot levensonderhoud, maakt de voorzitter daarvan proces-verbaal op.
Indien de partijen het niet eens zijn of niet verschijnen, geeft de voorzitter een beschikking waarbij hij
hen naar de rechtbank verwijst.

§3. Indien de verweerder bij de eerste verschijning voor de rechtbank enkel het bedrag betwist van de
uitkering tot levensonderhoud, wordt de zaak naar de raadkamer verwezen en het vonnis uitgesproken in openbare terechtzitting.
Indien de verweerder bij de eerste verschijning voor de rechtbank het bestaan betwist van de
gemeenschap die tot grondslag dient van de vordering, wordt uitspraak gedaan volgens het gemeen recht.
In hoger beroep wordt dezelfde rechtspleging gevolgd.

Art. 338bis. De vordering wordt afgewezen indien de verweerder door alle wettelijke middelen het bewijs levert dat hij de vader niet is.


Art. 339. Het bedrag van de uitkering wordt bepaald met inachtneming van de behoeften van het kind en de inkomsten, mogelijkheden en maatschappelijke toestand van de uitkeringsplichtige en van de moeder.
De uitkering kan worden gewijzigd overeenkomstig artikel 209.


Art. 339bis. De last van de uitkering gaat over op de nalatenschap van de uitkeringsplichtige overeenkomstig artikel 205bis, §§3 en 4.
De uitkering kan worden gewijzigd overeenkomstig artikel 209.


Art. 340. De uitkering is niet meer verschuldigd zodra de afstamming van vaderszijde vaststaat ten aanzien van een ander dan de uitkeringsplichtige of indien het kind geadopteerd wordt.


Art. 341. Een vonnis waarbij de verweerder krachtens artikel 336 wordt veroordeeld tot het betalen van een uitkering, heeft dezelfde gevolgen als de vaststelling van het vaderschap, wat de huwelijksbeletselen betreft.


Art. 342. […]




Wet van 1 juli tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I),


HOOFDSTUK III - Opheffingsbepalingen



Art. 23. Artikel 320 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wet van 27 december 1994, wordt opgeheven.


Art. 24. De artikelen 323, 332, 334bis, 745quater, § 1, tweede lid, en 837 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden opgeheven.




HOOFDSTUK IV - Overgangsbepaling


Art. 25. §1. In afwijking van artikel 330, §1, vierde lid, zoals gewijzigd bij deze wet, en van artikel 318, §1, tweede lid, zoals ingevoegd bij deze wet, kunnen de erkenning en het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot worden betwist door de persoon die het moederschap of vaderschap van het kind opeist gedurende een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet, zelfs indien er meer dan een jaar verstreken zou zijn sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind.

§2. Gedurende een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet, behoudt elke belanghebbende derde, in de zin van artikel 330, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek in zijn vorige lezing, de mogelijkheid een erkenning te betwisten, volgens de voorwaarden voorgeschreven door de vroegere wetgeving.

§3. De verjaringstermijn van de vordering tot betwisting van de erkenning ingesteld door artikel 330,
§1, vierde lid, zoals gewijzigd bij deze wet, begint te lopen de dag waarop deze wet in werking treedt, tenzij de vordering reeds was verjaard, en zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn dertig jaar kan overschrijden.

§4. De erkenning en het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot betreffende een kind dat
geboren werd voor de inwerkingtreding van deze wet, kunnen worden betwist door de echtgenoot of door degene die het kind erkent, binnen een termijn van één jaar vanaf de datum van de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, zelfs indien er meer dan een jaar zou zijn verstreken sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind.

§5. De personen die de rechten bezitten die voortvloeien uit artikel 320 van het Burgerlijk Wetboek,
vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wet van 27 december 1994 en uit artikel 323 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, zoals opgeheven bij deze wet, kunnen nog een vordering instellen binnen een termijn van één jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.

________________________________________________

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: ma, 19/10/2009 - 21:58
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.