-A +A

Advocaten bij het Hof van Cassatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Een advocaat bij het Hof van Cassatie is in België een advocaat die gespecialiseerd is in de cassatietechniek, hij is een ministeriële ambtenaar (door de koning benoemd) die de partijen voor het Hof van Cassatie vertegenwoordigt in burgerlijke zaken, handelszaken, sociale zaken of een cassatieberoep tegen beslissingen van beroepsorden in zake tucht. In burgerlijke zaken is de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie verplicht. Men kan tegen een vonnis of een arrest in burgerlijke zaken uitgesproken geen voorziening in cassatie instellen zonder de bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie.
De bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie is verplicht in burgerlijke zaken, handelszaken, sociale zaken (arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht) en tuchtzaken. De bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie is niet verplicht in fiscale zaken en in strafzaken, voor de veroordeelde en voor de burgerlijke partij.
De advocaten bij het Hof van Cassatie zijn verenigd in de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie.
Het aantal advocaten bij het Hof van Cassatie wordt, na advies van het Hof van Cassatie, bepaald door de Koning, die hen benoemt uit een lijst van drie kandidaten, voorgesteld door een speciale commissie (artikel 478, al. 1, van het Gerechtelijk Wetboek).

Verplichte tussenkomst in burgerlijke zaken

Voor het Hof van Cassatie kunnen in burgerlijke zaken alleen advocaten optreden en conclusies nemen, die de titel van advocaat bij het Hof van Cassatie voeren. De voorgaande bepaling geldt niet voor de burgerlijke partij in strafzaken (artikel 478, al. 1, van het Gerechtelijk Wetboek). Onder 'burgerlijke zaken' moet men in dat verband verstaan alle zaken behalve strafzaken. De verplichte bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie geldt dus ook in handelszaken, in zaken betreffende arbeidsrecht en in geschillen betreffende de sociale zekerheid.


In de praktijk is het de (gewone) advocaat die zich als eerste een oordeel zal vormen over de slaagkansen van een eventuele voorziening in cassatie. Indien zijn cliënt daarin toestemt zal hij het dossier overmaken aan een (meestal) door hem gekozen advocaat bij het Hof van Cassatie, voor een advies. Dit advies van de advocaat bij het Hof van Cassatie geeft thans (beging 2010) aanleiding tot een honorarium van ongeveer 2.000 euro. In dat advies worden de slaagkansen van een eventuele voorziening in cassatie geëvalueerd.


Indien het advies ongunstig is (dus een voorziening in cassatie afraadt) zal men er goed aan doen geen voorziening in cassatie in te stellen. Maar er kunnen zich gevallen voordoen waarin men toch de voorziening wil instellen (om een poging te ondernemen de rechtspraak van het Hof van Cassatie te laten wijzigen). In dat geval zal de advocaat bij het Hof van Cassatie de voorziening inleiden, hetzij 'op ontwerp en vordering', hetzij 'op vordering'.


Indien de advocaat bij het Hof van Cassatie (meestal onderaan het verzoekschrift) vermeldt dat hij de voorziening instelt 'op ontwerp en vordering', dan geeft hij in feite te kennen dat hij de voorziening in cassatie heeft afgeraden en dat hij letterlijk de tekst overneemt die de advocaat van de eiser in cassatie hem voorlegt.

De advocaat bij het Hof van Cassatie geeft aldus uitdrukkelijk te kennen dat hij zich van de voorziening in cassatie distantieert. Hij geeft te kennen dat de voorziening door hem werd afgeraden en dat hij de tekst van het verzoekschrift zelf niet heeft geschreven.
Indien de advocaat bij het Hof van Cassatie de voorziening instelt 'op vordering' dan geeft hij te kennen dat hij de opdrachtgever de voorziening heeft afgeraden, maar dat deze laatste toch de opdracht heeft gegeven om de voorziening in te stellen. Maar deze voorziening zal dan wel door de advocaat bij het Hof van Cassatie zijn geschreven, zij het na een waarschuwing omtrent de geringe kansen op welslagen.


De advocaat bij het Hof van Cassatie moet in 'burgerlijke zaken' het verzoekschrift met de cassatiemiddelen van de eiser in cassatie ondertekenen en de memorie van antwoord van de verweerder.

In strafzaken

In strafzaken is de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie niet verplicht voor de veroordeelde, de beklaagde of de beschuldigde.

Sinds de zaak Dutroux is in strafzaken de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie niet meer verplicht voor de burgerlijke partij. Dit vloeit voort uit een wijziging van artikel 478 van het Gerechtelijk Wetboek.

De tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie blijft in strafzaken verplicht voor de burgerrechtelijk verantwoordelijke partij en voor een tussenkomende partij, zoals bijvoorbeeld een verzekeraar.

 

 

Tussenkomst in verband met fiscale zaken

 

 

In fiscale zaken is de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie niet verplicht. Dit kan men niet afleiden uit artikel 478 van het Gerechtelijk Wetboek. Alle fiscale wetboek bevatten echter een bepaling betreffende de voorziening is cassatie. Daarin wordt telkens gezegd dat de voorziening in cassatie kan worden ingesteld door 'een advocaat'. De tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie is dus niet vereist. Aldus luidt artikel 142/4 van het Wetboek der successierechten: 'Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd'. De lijst der wetboeken zal men bijvoorbeeld aantreffen in de wet van 10 december 2001 tot wijziging van verscheidene belastingwetboeken, wat de voorziening in cassatie betreft en de vertegenwoordiging van de Staat voor de hoven en rechtbanken.
In belastingszaken mag de zaak bij het Hof van Cassatie worden ingeleid door een gewone advocaat of door een gemachtigde ambtenaar van de FOD Financiën.

Tussenkomst in verband met de rechtsbijstand voor het Hof van Cassatie

In het Hof van Cassatie wordt de rechtsbijstand geleid door een bureau voor rechtsbijstand, dit is in feite een afdeling van het Hof, voorgezeten door een raadsheer bij het Hof van Cassatie en bijgestaan door een griffier. Aan dit bureau komt de beslissing toe al dan niet rechtsbijstand te verlenen na het advies van het Openbaar Ministerie en deverzoeker te hebben gehoord. Vooraleer de rechtsbijstand te verlenen en dus in te gaan op het verzoekschrift bekomt het bureau het advies van een advocaat bij het Hof van Cassatie. De advocaat bij het Hof van Cassatie geeft een advies over de slaagkansen van de voorziening in cassatie.

Rechtspraak

• Hof van cassatie 16/12/2011 Rolnummer D.11.0014.F

Samenvatting

Gelet op de opdracht van het Hof van Cassatie en op de specifieke kenmerken van de rechtspleging voor dat Hof, staat artikel 6.1 en 6.3.c, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet in de weg aan de toepassing van een nationale wet die het alleenrecht van de vertegenwoordiging van de partijen voor het Hof van Cassatie uitsluitend toekent aan gespecialiseerde advocaten

Tekst arrest

La décision de la Cour

Sur la fin de non-recevoir opposée au pourvoi par le défendeur et déduite de ce que la requête n'est pas signée par un avocat à la Cour de cassation :

En vertu de l'article 9, § 7, alinéa 4, de la loi-cadre relative aux professions intellectuelles prestataires de services, codifiée par l'arrêté royal du 3 août 2007, la procédure du pourvoi en cassation qui peut être formé contre une décision définitive d'une chambre d'appel d'un institut professionnel dont les règles d'organisation et de fonctionnement sont déterminées par cette loi est réglée comme en matière civile.

L'article 478, alinéa 1er, du Code judiciaire dispose que le droit de postuler et de conclure devant la Cour de cassation appartient exclusivement, en matière civile, à des avocats qui portent le titre d'avocat à la Cour de cassation.
Suivant l'article 1080 de ce code, la requête par laquelle est formé le pourvoi en cassation est, à peine de nullité, signée, tant sur la copie que sur l'original, par un avocat à la Cour de cassation.

En l'espèce, la requête introduisant le pourvoi n'est pas signée par un avocat à la Cour de cassation.
Le demandeur soutient que, alors qu'il entend déférer à la Cour une décision en vertu de laquelle il est frappé de la sanction disciplinaire de la radiation, l'obligation de recourir au ministère d'un avocat à la Cour de cassation entrave de manière disproportionnée son accès au juge de cassation.

Compte tenu de la mission de ce juge et de la spécificité de la procédure suivie devant lui, l'article 6, §§ 1er et 3, c), de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales ne s'oppose pas à l'application d'une loi nationale réservant à des avocats spécialisés le monopole de la représentation des parties devant la Cour de cassation.

L'intervention de ces avocats contribue d'ailleurs à l'exercice utile des droits de la défense, assure au recours en cassation un caractère effectif et procure aux justiciables les garanties fondamentales de l'article 6 de la Convention.
Le demandeur fait encore valoir que, dès lors que sa situation peut, eu égard à la gravité de la sanction disciplinaire prononcée contre lui, être comparée à celle d'une personne faisant l'objet d'une accusation en matière pénale, que la loi n'astreint pas à l'assistance d'un avocat à la Cour de cassation, l'article 9, § 7, alinéa 4, de la loi-cadre du 3 août 2007, qui, en soumettant le pourvoi aux règles applicables en matière civile, lui impose cette assistance, viole les articles 10 et 11 de la Constitution, interprétés à la lumière de l'article 6, §§ 1er et 3, c), de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.

Cette défense est, comme il a été dit, dénuée de fondement en tant qu'elle s'appuie sur ces dispositions conventionnelles.

Pour le surplus, conformément à l'article 26, § 1er, 3°, de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, cette cour statue, à titre préjudiciel, par voie d'arrêts, sur les questions relatives à la violation par une loi des articles 10 et 11 de la Constitution.

En vertu de l'article 26, § 2, de ladite loi spéciale, la Cour est tenue de poser à la Cour constitutionnelle la question libellée au dispositif du présent arrêt.

Par ces motifs,

La Cour

Sursoit à statuer jusqu'à ce que la Cour constitutionnelle ait répondu à la question préjudicielle suivante :
L'article 9, § 7, alinéa 4, de la loi-cadre relative aux professions intellectuelles prestataires de services, codifiée par l'arrêté royal du 3 août 2007, viole-t-il les articles 10 et 11 de la Constitution en soumettant aux règles applicables en matière civile la procédure du pourvoi en cassation formé contre une décision disciplinaire rendue par une chambre d'appel d'un institut professionnel régi par cette loi, en sorte que s'appliquent à ce pourvoi les articles 478, alinéa 1er, et 1080 du Code judiciaire prescrivant le ministère d'un avocat à la Cour de cassation, alors qu'une personne faisant l'objet d'une condamnation pénale n'est pas astreinte à cette obligation ?

Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles

zie RABG 2012/06, 363 met noot Marc Baeten-Spetschinsky, De verplichte bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie en de gelijkheid tussen rechtzoekenden

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 08/04/2012 - 10:32
Laatst aangepast op: zo, 08/04/2012 - 10:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.