-A +A

Actualisering waarde goederen in vereffening-verdeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De waarde van de onverdeelde goederen die zijn opgenomen in de gehomologeerde of aangepaste staat van vereffening kan nog worden geactualiseerd overeenkomstig artikel 890 Gerechtelijk Wetboek.

Slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boedelnotaris, worden door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig gemaakt (1)(2). (1) Zie Cass. 9 mei 1997, AR C.94.0369.N, AC 1997, nr. 223. (2) Artt. 1209 tot 1223 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij wet van 13 augustus 2011.

• Cass. 30/09/2016, juridat

Nr. C.16.0015.N
A.-M. B.,
eiseres,
tegen
1. I. V. B.,
2. T. V. B.,
3. T. V. B.,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 september 2015.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Uit de artikelen 1209 tot 1223 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 13 augustus 2011, en uit de toelichting daarbij in het verslag van de koninklijke commissaris volgt dat die wetsbepalingen aldus moeten worden gelezen dat slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boe-delnotaris, door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt.

2. Indien de notaris-vereffenaar een staat van vereffening overeenkomstig de door de rechtbank gegeven richtlijnen heeft opgemaakt, kunnen, behoudens ont-dekking van nieuwe feiten of van nieuwe stukken van overwegend belang, slechts betwistingen worden aangevoerd die verband houden met de aanpassing van de staat.

3. Deze regels staan niet eraan in de weg dat de waarde van de onverdeelde goederen die zijn opgenomen in de gehomologeerde of aangepaste staat van veref-fening, nog kan worden geactualiseerd overeenkomstig artikel 890 Burgerlijk Wetboek.

4. De appelrechters die oordelen dat de actualisering van de waarde van de on-verdeelde goederen definitief onder het debat van de partijen in het raam van de bezwarenprocedure moet vallen en dat bijgevolg na de bezwarenprocedure geen actualisering meer mogelijk is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

5. De verweerders werpen op dat het middel opkomt tegen een overtollige re-den en derhalve niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang.

6. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat de in dat middel bekritiseerde reden de bestreden beslissing niet naar recht verantwoordt, zodat de eiseres belang heeft bij het bekritiseren van de tweede zelfstandige reden die de beslissing kan schragen.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

7. De eiseres heeft in haar syntheseconclusie het verweer gevoerd dat in het middel is weergegeven.

8. De appelrechters beantwoorden dat verweer over de eerlijke behandeling van de zaak niet.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, in openbare rechtszitting van 30 september 2016 uitgesproken.

VOORZIENING IN CASSATIE

Voor
Mevrouw A.-M. B.,
Eiseres in cassatie,

Tegen

1) de heer I. V. B.,
Eerste verweerder in cassatie,
2) de heer T. V. B.,
Tweede verweerder in cassatie,
3) de heer T. V. B., Derde verweerder in cassatie,
woonst kiezende op het kantoor van de heer Johan VANQUATEM, gerechtsdeurwaarder te 9050 Gentbrugge, Voordries 22,
Verweerders in cassatie.

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, aan de Dames en Heren Raadshe-ren, die het Hof van cassatie samenstellen,

Hooggeachte Heren en Dames,
Eiseres heeft de eer het arrest aan uw toezicht te onderwerpen dat op 3 september 2015 op tegenspraak tussen partijen is gewezen door de 11de kamer van het hof van beroep te Gent [A.R. nr. 2013/AR/1173; rep nr. 2015/6260].

I. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

De feiten en de procedurevoorgaanden, zoals die blijken uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan - inzonderheid het bestreden arrest - kunnen als volgt worden samengevat.

1. Mevrouw R. B. en eiseres zijn de kinderen/dochters en bijgevolg de enige wettige/reservataire erfgenamen van enerzijds de heer J. B. (testamentloos overleden te Zomergem op 30 januari 1957) en anderzijds Mevrouw R. C. (met testament overleden te Zomergem op 6 december 1999).
Het echtpaar/ouderpaar B.-C. was gehuwd onder een gemeenschapsstelsel.

Bij eigenhandig testament van 22 oktober 1989 vermaakt Mevrouw R. C. het grootst beschikbare deel van haar nalatenschap aan eiseres.

2. Bij vonnis van 23 september 2003 beveelt de veertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent de gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen B.-C., met aanwijzing van notaris Ferdinand NÈVE (met standplaats te Gent) als notaris-vereffenaar in de zin van het oude artikel 1209, 2de lid, Ger.W. en notaris Anton SINTOBIN (met standplaats te Zelzate) als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude artikel 1209, 3de lid, Ger.W.

De rechtbank wijst voorts de heer Jean VAN DEN BOOGAERDE (Gent) aan als deskundige met het oog op (1) waardering/schatting van de onverdeelde onroe-rende goederen en de mogelijkheid om ze in natura te verdelen en (2) waarde-ring/schatting van de onroerende goederen die Mevrouw R. C. heeft geschonken (zowel ten tijde van de schenking als ten tijde van haar overlijden).

Deskundige VAN DEN BOOGAERDE legt zijn (eind)verslag neer op 28 juni 2005.

3. Mevrouw R. B. is testamentloos overleden te Gent op 30 september 2005.

Eerste verweerder is haar langstlevende echtgenoot/weduwnaar. Tweede en derde verweerders zijn hun kinderen. Zij erven de nalatenschap van Mevrouw R. B. respectievelijk in vruchtgebruik en in naakte eigendom (art. 745-745bis, § 1, eerste lid B.W.).
Met verzoekschrift van 18 december 2006 hervatten verweerders het geding.

4. Na prealabele notariële werkzaamheden redigeert notaris-vereffenaar NÈVE, bij notariële akte van 9 januari 2006, zijn staat van vereffening-verdeling.

5. Op deze staat volgen, blijkens een proces-verbaal van 16 augustus 2006, een aantal geschillen en/of moeilijkheden.

6. Notaris-vereffenaar NÈVE repliceert met een aanvullende staat van vereffening-verdeling van 28 augustus 2006 en stelt uiteindelijk, blijkens een pro-ces-verbaal van 12 september 2006, een gebrek aan akkoord vast.

7. Bij vonnis van 1 april 2008 beaamt de veertiende kamer van de recht-bank van eerste aanleg te Gent de door notaris-vereffenaar NÈVE vooropgestelde (staat van) vereffening-verdeling, met dien verstande dat er twee aanpassingen worden bevolen.
In die optiek beveelt de rechtbank aan notaris-vereffenaar NÈVE om zijn staat van vereffening-verdeling aan te passen.

8. Bij (definitief) arrest van 26 november 2009 bevestigt het hof van be-roep te Gent het beroepen vonnis van 1 april 2008.

9. Per e-mail van 20 september 2010 deelt notaris-vereffenaar NÈVE zijn aangepaste staat van vereffening-verdeling mee, met het voorstel om deze op 30 september 2010 op zijn kantoor te komen onderschrijven (met betaling van de verschuldigde opleg), zij het vergeefs, zo ook navolgende voorstellen.

In zijn aangepaste (ontwerp-)staat van vereffening-verdeling verwerkt notaris-vereffenaar NÈVE de door de rechtbank bevolen (en door het hof van beroep be-aamde) aanpassingen, waardoor de door eiseres verschuldigde opleg vergroot.

10. Bij brief van 10 februari 2011 vraagt eiseres - nu de schatting van het onroerende ouderlijke vermogen ruim vijf jaar oud is en het krachtens artikel 890 B.W. moet worden geschat op zijn waarde ten tijde van de verdeling - om actuali-sering. Hierop richt notaris-vereffenaar NÈVE zich bij brieven van 14 en 22 fe-bruari 2011 tot deskundige VAN DEN BOOGAERDE.

11. Bij brief van 23 februari 2011 protesteren verweerders, rechtsopvol-gers van Mevrouw R. B., nu de vereffening-verdeling op die manier alsmaar blijft aanslepen en eiseres hoe dan ook geen nieuwe geschillen en/of moeilijkheden meer kan opwerpen.

12. Bij brief van 25 februari 2011 reageert eiseres op haar beurt, nu, vol-gens haar, na een procedure op grond van geschillen en/of moeilijkheden hoe dan ook (in het licht van art. 890 B.W.) nog actualisering kan/moet gebeuren.

13. In diezelfde optiek volgt wederzijdse briefwisseling van de partijen en notaris-vereffenaar NÈVE, die uiteindelijk, blijkens zijn e-mail van 18 mei 2011, "na consultaties van meerdere deskundigen en na lang twijfelenˮ, besluit te vol-harden in zijn zienswijze in de lijn van zijn aangepaste (ontwerp-)staat van veref-feningverdeling van 20 september 2010.

14. Op die manier gaat notaris-vereffenaar NÈVE over tot betekening van zijn definitieve aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011, met fixatie voor ondertekening op 13 juli 2011 (oude art. 1218-1219 Ger.W.).

Bij die gelegenheid bevestigt eiseres de staat niet te aanvaarden (nu zij blijft aan-dringen op actualisering en dienovereenkomstig aangepaste kavelvorming), waar-van notaris-vereffenaar NÈVE blijkens het proces-verbaal van 13 juli 2011 een-voudig akte neemt.

15. Nadat notaris-vereffenaar NÈVE een en ander op 10 augustus 2011 ter griffie van het hof van beroep te Gent neerlegt, beslist het hof van beroep bij arrest van 13 oktober 2011 dat het gelet op voormeld arrest van 26 november 2009 zijn rechtsmacht heeft uitgeput, derwijze dat notaris-vereffenaar NÈVE zich met toepassing van het oude artikel 1219, § 2, Ger.W. tot de rechtbank van eerste aan-leg te Gent moet richten, wat vervolgens gebeurt (op 7 december 2011).

16. Voor de rechtbank beogen verweerders in de eerste plaats de homolo-gatie van de definitieve aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 (hierboven, randnr. ‎14).

Eiseres van haar kant beoogt, in het licht van artikel 890 B.W., actualisering en dienovereenkomstig aangepaste kavelvorming (met desnoods lottrekking) van het (resterende en alsnog daadwerkelijk te verdelen) ouderlijke onroerende vermogen, en dit bij voorkeur door notaris-vereffenaar NÈVE en desnoods (middels een aan-vullende opdracht) door deskundige VAN DEN BOOGAERDE .

17. Bij vonnis van 26 februari 2013 oordeelt de veertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent dat notaris-vereffenaar NÈVE bij de opmaak van zijn (definitieve) aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 aan het rechterlijke bevel bij voormeld vonnis van 1 april 2008 met bevestiging bij voormeld arrest van 26 november 2009, correct navolging heeft gegeven.

De rechtbank oordeelt voorts dat eiseres vormelijk regelmatig en tijdig (overeen-komstig de oude art. 1218-1219 Ger.W.) heeft aangegeven deze staat niet te aan-vaarden.

De rechtbank beslist verder dat de optie tot de door eiseres beoogde actualise-ring/herschatting van de bedoelde vermogenselementen niet te gepasten tijde in de (ontwerp)staat van vereffening-verdeling en/of in het raam van de (enige) proce-dure van bezwaren is betrokken, terwijl de in casu aangevoerde waardestijging van het onroerende ouderlijke vermogen niet als een nieuw feit van overwegend belang wordt aangezien.

Zodoende ontvangt de rechtbank de vordering van eiseres tot actualisering (in het licht van art. 890 B.W.) en dienovereenkomstig aangepaste kavelvorming niet.

Bijgevolg wijst de rechtbank de subsidiaire vorderingen van verweerders af, nu deze hun voorwerp verliezen.

De rechtbank homologeert de (definitieve) aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 (oude art. 1223-1224 Ger.W.).

De rechtbank legt de gedingkosten, begroot op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.320,00 euro ten behoeve van verweerders, ten laste van de boedel.

18. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 24 april 2013 stelt eiseres tegen voormeld vonnis van 26 februari 2013 hoger beroep in.

Met haar hoger beroep beoogt zij, met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van haar oorspronkelijke vordering.

De gedingkosten zijn volgens eiseres ten laste van de boedel.

Verweerders nemen conclusie tot afwijzing van het hoger beroep als onontvanke-lijk, minstens ongegrond.

Ter terechtzitting van 18 juni 2015 doen verweerders afstand van hun exceptie van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Bij wijze van incidenteel hoger beroep beogen zij de veroordeling van eiseres tot de gedingkosten van beide aanleggen, aan hun zijde telkens begroot op een ver-hoogde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 7 .500,00 euro.

19. Met het bestreden arrest, gewezen op 3 september 2015 :
• verklaart het hof van beroep het hoger beroep van eiseres ontvankelijk,
• verklaart het het hoger beroep van eiseres ongegrond,
• bevestigt het, gelet op de grenzen waarbinnen het is aangevochten, het be-roepen vonnis van 26 februari 2013, inzonderheid daar waar het de (definitieve) aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 (oude art. 1223-1224 Ger.W.) homologeert,
• verstaat het dat onderhavige gerechtelijke vereffening-verdeling, overgangs-rechtelijk gezien, onderworpen blijft aan de oude artikelen 1218-1224 Ger.W. van voor de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling (B.S., 14 september 2011), die op 1 april 2012 in werking is getreden,
• veroordeelt eiseres tot de kosten van het hoger beroep, enkel nuttig te begro-ten aan de zijde van verweerders op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.320,00 euro.

Eiseres wenst tegen het bestreden arrest op te komen met de twee volgende

II. CASSATIEMIDDELEN

II.1. EERSTE MIDDEL

Geschonden wetsbepalingen

- Artikelen 577-2, §§ 1, 2 en 8, en artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek;
- Artikelen 23 tot en met 28 en 1209 tot 1223 van het Gerechtelijk Wetboek, wat artikel 23 betreft in de versie voor de wijziging ervan door artikel 2 van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie en wat artikelen 1209 tot en met 1223 betreft voor de wijziging ervan door de wet van 13 augustus 2011 houdende her-vorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling;

Aangevochten beslissing

Na het hoger beroep van eiseres en het bij conclusie door verweerders regelmatig ingestelde (impliciet) incidenteel hoger beroep ontvankelijk te hebben verklaard, verklaart het bestreden arrest het hoger beroep van eiseres ongegrond en bevestigt het het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 26 februari 2013 dat de (definitieve) aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 van de notaris-vereffenaar NÈVE had gehomologeerd en zodoende de eis had afgewezen waarmee eiseres, in het licht van artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek, actualisering en dienovereenkomstig aangepaste kavelvorming (met desnoods lottrekking) van het (resterende en alsnog daadwerkelijk te verdelen) ouderlijke onroerende vermogen beoogde.

Het hof van beroep, na onder meer het volgende te hebben vastgesteld :

"3. Bij vonnis van 23 september 2003 beveelt de ... rechtbank van eerste aanleg te Gent de gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen [van de ouders van eiseres en van haar zuster van wie verweerders de rechtsop-volgers zijn], met aanwijzing van notaris Ferdinand NÈVE ... als notaris-vereffenaar ...

5. Na prealable notariële werkzaamheden redigeert notaris-vereffenaar NÈVE, bij notariële akte van 9 januari 2006, zijn staat van vereffening-verdeling.
...
6. Bij vonnis van 1 april 2008 beaamt ... de rechtbank van eerste aanleg te Gent de door notaris-vereffenaar NÈVE vooropgestelde (staat van) vereffening-verdeling, met dien verstande dat ...de rechtbank aan notaris vereffenaar NÈVE [beveelt] om zijn staat van vereffening-verdeling [op twee punten] aan te passen.
Bij (definitief) arrest van 26 november 2009 bevestigt het hof van beroep te Gent het beroepen vonnis van 1 april 2008." (arrest, blz. 4-7),
baseert oep zijn beslissing op volgende redenen:

"B. TEN GRONDE

1. Zoals reeds aangegeven, wil [eiseres] dat de notaris-vereffenaar, na het vonnis van 1 april 2008 en het arrest van 26 november 2009, nog tot actualise-ring/herschatting van het onroerende ouderlijke vermogen B./C. en tot dientenge-volge gebeurlijk nieuwe kavelindeling overgaat.

2. Met de eerste rechter benadrukt het hof [van beroep] het principe (zowel onder de oude als de nieuwe wet) dat na een eerste (niet tussentijdse) bezwarenprocedu-re, in casu definitief beslecht door voormeld arrest van 26 november 2009 (ter be-vestiging van voormeld vonnis van 1 april 2008), geen tweede bezwarenprocedure met dezelfde of nieuwe bezwaren/geschillen/moeilijkheden kan volgen. Dezelfde bezwaren stuiten op het gezag van gewijsde van de daaromtrent reeds gewezen rechterlijke beslissing. Nieuwe bezwaren zijn in de regel niet toegelaten omdat ze niet in het eerste proces-verbaal van bezwaren zijn opgenomen.

Behoudens overmacht en/of discussie over de mate waarin de notaris-vereffenaar aan het rechterlijke bevel tot aanpassing van zijn staat van vereffening-verdeling navolging heeft gegeven, zijn alsdan nog aangebrachte discussiepunten in de regel niet ontvankelijk.
Notaris-vereffenaar NÈVE heeft zijn staat van vereffening-verdeling correct in de lijn van het arrest van 26 november 2009 aangepast, wat alle partijen (zowel in conclusie als ter terechtzitting) beamen. Dat overmacht hier speelt, wordt niet be-weerd, laat staan bewezen.

3. Toch weigerde[eiseres] om de (correct) aangepaste stat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 te onderschrijven. Notaris-vereffenaar NÈVE nam van deze weigering eenvoudig akte in het proces-verbaal van 13 juli 2011.
...
5. De grieven van [eiseres] kunnen ...geen afbreuk doen aan de definitieve (cor-rect aangepaste) staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011.
...
5.2. Ook de vergelijking van [eiseres] met het doorlopen van de interesten die zij moet betalen (op de door haar ontvangen schenkingen), loopt mank.
Het komt de notaris-vereffenaar, na de bezwarenprocedure met hetzij homologatie hetzij rechterlijk bevel tot aanpassing van zijn staat van vereffening-verdeling, steeds toe om (gelet op het loutere tijdsverloop) zijn staat te actualiseren zoals bij-voorbeeld op het stuk van aangerekende interesten of verschuldigde woonstver-goeding.

[Eiseres] ziet hierbij echter twee essentiële verschillen over het hoofd.

Vooreerst zijn dergelijke aanpassingen (van interesten, woonstvergoeding, e.d.) in wezen van louter administratieve aard en vergen zij in principe geen tussenkomst meer van de partijen of van de rechtbank (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, 268, nr. 398).

Maar vooral liggen de elementen/parameters/berekenwijze voor dergelijke aan-passingen/actualisering reeds vast in de gehomologeerde/aan te passen staat van vereffening-verdeling.

Deze (toegelaten) actualisering onderschrijft Charlotte DECLERCK in haar (ou-de) draaiboek van een vereffening-verdeling, waarnaar [eiseres] verwijst. Professor DECLERCK benadrukt daarbij expliciet de niet-ontvankelijkheid van een tweede bezwarenprocedure (behoudens de aangehaalde uitzonderingen). Verkeerdelijk poogt [eiseres] aan deze bijdrage, ter ondersteuning van haar eigen (anders-luidende) stelling, een andere invulling te geven.

De herschatting die [eiseres] beoogt, is evenwel niet van louter administratieve aard en evenmin lagen de elementen/parameters ervan reeds vast in de (aan te pas-sen) staat van vereffening-verdeling.

5.3 ...
... [B]ezwaren moeten worden geformuleerd en zo nodig herhaald/aangehouden na het opstellen van de staat van vereffening-verdeling (in casu op 9 januari 2006).

Het staat buiten kijf dat geen bezwaar/vraag/vordering tot herschatting was opge-nomen in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van 16 augustus 2006.

Daarenboven heeft [eiseres] ook na 16 augustus 2006 en meer precies tijdens de (eerste) bezwaren procedure hangende voor de rechtbank en het hof in de periode van november 2006 tot oktober/november 2009 met geen woord gerept over een volgens haar benodigde herwaardering van de bedoelde onroerende goederen, ge-schat volgens het in 2005 door gerechtsdeskundige VAN DEN BOOGAERDE neergelegde (eind)verslag.

Alsdan had [eiseres] nog de mogelijkheid de rechtbank/het hof ervan te overtuigen dat, gebeurlijk mede in het licht van artikel 890 BW, een van de uitzonderingen aan de orde was op de regel dat bezwaren die niet voor de notaris-vereffenaar zijn opgeworpen, niet voor de eerste maal voor de rechter in de homologatiefase kunnen worden opgeworpen (zie cass., 6 april 1990, T. Not., 1990, 235, T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, 243-250, nrs. 364-370).

In het gehele bedoelde periode van september 2003 tot februari 2011 maakte [ei-seres] op geen enkele wijze gewag van een (om welke reden ook) benodigde her-schatting van de bedoelde (in 2005 geschatte) onroerende goederen.

5.4. Ook de bepaling van artikel 890 BW verantwoordt de thans door [eiseres] aangebrachte grief/ingestelde vordering niet.

Het is correct dat men zich voor de waardebepaling van de te verdelen goederen in de regel zo dicht mogelijk bij het ogenblik van de effectieve verdeling moet plaatsen. Men mag de bepaling van artikel 890 BW evenwel niet isoleren en lezen los van en boven alle andere bij een procedure van vereffening-verdeling toe te passen bepalingen/regels/principes.

Stellen dat artikel 890 BW "dwingender" is dan de andere toepasselijke bepa-lingen, snijdt geen hout. Artikel 890 BW is niet van openbare orde. De partijen kunnen in het raam van de procedure van vereffening-verdeling instemmen met een waardebepaling van de te verdelen onroerende goederen op een ander ogen-blik dan dit van of zo dicht mogelijk bij de verdeling.

In die optiek en mede in het licht van voormelde specifieke omstandigheden en redengeving, gaat het niet op dat [eiseres], na de voor de rechtbank/het hof afgesloten homologatiefase, ineens nog een herschatting van de bedoelde onroerende goederen eist.

Temeer daar niet kan worden gepleit tegen het rechterlijke gewijsde. In casu viel de schatting van de te verdelen goederen onder het debat van de partijen. Zoals aangegeven, maakte [eiseres] in de aangegeven tijdspanne van de procedure voor de rechtbank/het hof geen punt van de waardeschommelingen van de te verdelen onroerende goederen na de schatting in 2005. De rechterlijke (homologa-tie)beslissing hierover (bij arrest van 26 november 2009) maakt een latere betwisting hierover in de regel onmogelijk. Een toegelaten nieuwe betwisting zou immers afbreuk doen aan het gezag van gewijsde (J. Verstraete en P. Hofströssler, De vernieuwde procedure inzake gerechtelijke verdeling, Brugge, die Keure, 2012, 165, nr. 226).

In die optiek is ook het hof [van beroep], met de eerste rechter en enigszins anders dan de door [eiseres] geciteerde rechtsleer (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, 268-269, nr. 398; J.L. Renchon, noot onder Bergen 20 september 2005, Rev.trim.dr.fam. 2008, (567), 568.), van oordeel dat de actua-lisering/herschatting van (aan waardeschommelingen onderh[e]vige) vermogens-elementen en gebeurlijk dienovereenkomstig aangepaste kavelvorming definitief onder het debat van de partijen in het raam van de (enige) bezwarenprocecdure moet vallen, waarna de rechtsmacht van de rechter hierover in de regel is uitgeput.

Noch de auteurs Johan VERSTRAETE en Patrick HOFSTRÖSSLER (in hun ge-citeerde werk), noch de eerste rechter bezondigen zich hier aan een redenerings-fout. De uitweiding van [eiseres] (met verwijzing naar dit werk van VER-STRAETE en HOFSTRÖSSLER) over de vordering tot vernietiging wegens be-nadeling overeenkomstig 887 BW is naast de kwestie want hier niet aan de orde. Zo ook ontgaat het hof de relevantie van de verwijzing naar het artikel 1223, § 5, Ger.W. (omtrent de kennisgeving door de griffier aan de notaris-vereffenaar van de rechterlijke homologatiebeslissing).

Even onterecht hekelt [eiseres] het feit dat VERSTRAETE en HOFSTRÖSSLER een en ander duiden in het licht van de door de Wet van 13 augustus 2011 "hou-dende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling" (BS 14 september 2011) sedert 1 april 2012 toepasselijke nieuwe/gewijzigde bepa-lingen van het Gerechtelijk Wetboek. Meerdere in rechtspraak en rechtsleer aan-vaarde werkwijzen/praktijken kregen nu net door de wet van 13 augustus 2011 een wettelijke basis.

Zo bevestigt artikel 1223, § 4 (inz. tweede lid) Ger.W. het voordien in rechtspraak en rechtsleer gevolgde standpunt van het Hof van Cassatie, ingenomen in het voormelde beginselarrest van 6 april 1990. Ook de voordien door de rechtsprak-tijk hierop aanvaarde uitzonderingen, (1) akkoord van de partijen, (2) nieuw stuk of feit van overwegend belang, (3) in gebreke blijvende notaris en (4) openbare orde, blijven onverkort gelden.

Zo ook geeft artikel 1123, § 6 Ger.W. een wettelijke basis aan de reeds bestaande jurisprudentie die in de regel (1) een tweede proces-verbaal van bezwaren uitsloot en (2) geen andere bezwaren meer toeliet dan die van een niet-correcte aanpassing van de staat (na een eerste bezwarenprocedure).

5.5. Bijgevolg en zoals reeds aangegeven kon/kan een navolgende discussie (na een eerste bezwarenprocedure) in beginsel enkel nog over de mate waarin de nota-ris-vereffenaar aan het rechterlijke bevel navolging heeft gegeven en/of tenzij zich nieuwe feiten van overwegend belang hebben voorgedaan.

Het is reeds gezegd dat de notaris-vereffenaar in casu correct navolging heeft ge-geven aan het rechterlijke bevel. Anders dan [eiseres], ziet ook het hof [van be-roep], met de eerste rechter, in casu evenmin een nieuw feit van overwegend be-lang.

Nog abstractie gemaakt van de vraag of de door [eiseres] overgelegde stukken de beweerde fenomenale waardestijging van de bedoelde onroerende goederen af-doende bewijzen, kan de beweerde waardestijging ingevolge de evolutie van de marktwaarde hier niet als een nieuw, onbekend en onvoorzienbaar feit gelden.

Evenmin toont [eiseres] afdoende aan dat de beweerde fenomenale stijging van de immobiliënmarkt tussen 2005 en vandaag het gevolg is van "de crisis van 2008".

Maar bovendien, zoals reeds aangegeven, heeft [eiseres] in de aangegeven tijd-spanne (tussen november 2006 en oktober/november 2009) van de procedure voor de rechtbank/het hof deze beweerde fenomenale waardestijging van de te verdelen onroerende goederen na de schatting in 2005 nooit aangekaard.
In die optiek kan de door [eiseres] thans aangevoerde waardestijging van het on-roerende ouderlijke vermogen niet als een tijdig aangebracht, nieuw feit van overwegend belang worden aangezien.
...
6. Voormelde redengeving maakt dat het beroepen vonnis integrale bevestiging verdient.

Zowel het hoger beroep als het impliciet voorwaardelijk incidenteel hoger beroep faalt." (arrest, blz. 11-17).

Grieven

1. Krachtens artikel 577-2, § 1, § 2 en § 8, van het Burgerlijk Wetboek, worden de onverdeelde aandelen vermoed gelijk te zijn en is de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen aan de regels die bepaald zijn in de titel Erfenissen van dit wetboek.

2. Krachtens artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek, worden, om te be-oordelen of er benadeling is geweest, de onverdeelde goederen geschat op hun waarde ten tijde van de verdeling.

3. Hieruit volgt dat, bij de verdeling, de waarde van de goederen - (i) die aanvankelijk behoorden tot het gemeenschappelijk vermogen van de ouders van eiseres en van haar zuster en (ii) die op het ogenblik van de verdeling, ingevolge het overlijden van die ouders, afhangen van de tussen partijen ontstane onverdeeldheid moet worden bepaald op het ogenblik van die verdeling.

4. Uit de artikelen 1209 tot 1223 van het Gerechtelijk Wetboek, voor de wijziging ervan door de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, en uit de toelichting daarbij in het verslag van de koninklijke commissaris, volgt dat die wetsbepalingen aldus moeten worden gelezen dat slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boedelnotaris, door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt, tenzij de partijen akkoord gaan om andere betwistingen aan de rechter voor te leggen.

5. Indien de rechtbank, overeenkomstig artikel 1223 van het Gerechtelijk Wetboek, na de geschillen te hebben beslecht, de staat van vereffening - zoals te dezen met een vonnis van 1 april 2008 bevestigd met arrest van 26 november 2009 - homologeert onder voorbehoud van aanpassingen die eraan zullen moeten worden aangebracht en indien de rechtbank die staat aan de aangewezen notaris verzendt om een aanvullende staat van vereffening overeenkomstig de door de rechter gegeven richtlijnen op te maken, zal de eventuele tegenspraak van partijen beperkt blijven tot de vraag of de boedelnotaris de richtlijnen die de rechtbank hem heeft aangegeven correct heeft toegepast.

6. Dit neemt echter niet weg dat, zolang de verdeling niet is voltooid, d.i. zolang er niet effectief is overgegaan tot uitvoering ervan, de beginselen neergelegd in artikelen 577-2, § 1, § 2 en § 8, en 890 van het Burgerlijk Wetboek zich aan alle partijen opdringen en dat de staat van vereffening moet worden aangepast opdat de waarde van de te verdelen goederen zou worden bepaald op een ogenblik dat zo precies mogelijk overeenstemt met dat van de effectieve verdeling.

7. Deze actualisering van de waarde kan onmogelijk afbreuk doen aan het gezag of kracht van rechterlijk gewijsde - zoals geregeld door artikelen 23 t.e.m. 28 van het Gerechtelijk Wetboek, wat artikel 23 betreft in de versie voor de wijziging ervan door artikel 2 van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijzi-ging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie - van de beslissingen die zijn gewezen in het raam van de homologatieprocedure, nu de problematiek van de actualisering vreemd is aan die homologatieprocedure en zich opdringt ongeacht de wijze waarop de staat van vereffening-verdeling tot stand komt en welke bezwaren ertegen werden opgeworpen.

8. Er is geen reden om de plicht tot actualisering dat uit artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek voortvloeit te reduceren tot een verplicht - en tijdig - te formuleren vraag of vordering van een van de partijen, en dan nog op datum van het proces-verbaal van zwarigheden, zij het onder de vorm van een voorbehoud. De mogelijke waardestijging tussen het proces-verbaal van zwarigheden en het vonnis van homologatie is immers geen zwarigheid op datum van het proces-verbaal van zwarigheden wanneer de waarden op dat ogenblik correct zijn.

9. In onderhavige zaak - waar er niet wordt betwist dat het door eiseres opgeworpen bezwaar tegen het laatste voorstel van de instrumenterende notaris niets te maken had met de al dan niet correcte uitvoering door de notaris van de door de rechtbank bevolen aanpassingen - geeft het bestreden arrest uitdrukkelijk toe dat "[h]et ... correct is dat men zich voor de waardebepaling van de te verde-len goederen in de regel zo dicht mogelijk bij het ogenblik van de effectieve ver-deling moet plaatsen" (arrest, blz. 15, randnr. 5.4, 2de lid) en dat "[h]et ... de no-taris-vereffenaar, na de bezwarenprocedure met hetzij homologatie hetzij rechter-lijk bevel tot aanpassing van zijn staat van vereffening-verdeling, steeds toe[komt] om (gelet op het loutere tijdsverloop) zijn staat te actualiseren zoals bijvoorbeeld op het stuk van aangerekende interesten of verschuldigde woonstvergoeding" (ar-rest, blz. 13, randnr. 5.2, 2de lid).

10. Het is echter ten onrechte dat het bestreden arrest beslist dat - nu de door eiseres gevorderde actualisering van de schatting van de tot de kwestieuze nalatenschap behorende onroerende goederen "niet louter van administratieve aard [zal zijn] en ...de elementen/parameters ervan [evenmin] reeds [zouden vastliggen] in de (aan te passen) staat van vereffening verdeling" (arrest, blz. 13, randnr. 5.2, laatste lid) - er met de vordering tot actualisering van eiseres geen rekening kan worden gehouden.

11. Nu de boedelnotaris sowieso artikelen 577-2, § 1, § 2 en § 8, en artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek diende toe te passen, is het eveneens ten onrechte dat het bestreden arrest vindt dat er des te minder redenen zijn om op het verzoek tot actualisering van eiseres in te gaan daar zij zich niet kan beroepen op een van de uitzonderingen die het mogelijk maken om aan de rechter beweringen en zwa-righeden voor te leggen die verder gaan dan wat in het proces-verbaal is opgeno-men waardoor die rechter werd geadiëerd.

12. Door de vordering van eiseres tot actualisering van de schatting van de onroerende goederen die tot het te verdelen geheel behoren te weigeren, hoe-wel men zich voor de waardebepaling van te verdelen goederen zo dicht mogelijk bij het ogenblik van de effectieve verdeling moet plaatsen, ongeacht of die waar-dering in de loop van de homologatieprocedure op een of ander ogenblik al dan niet aan bod is gekomen, schendt het bestreden arrest alle in de aanhef van het middel ingeroepen bepalingen.

ONTWIKKELING

1. De beginselen neergelegd in randnummers 1 t.e.m. 3 van de grieven werden door het Hof toegepast in zijn arrest van 5 december 2013 op een tussen gewezen echtgenoten door de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen ontstane onverdeeldheid (A.R. nr. C.13.0041.N-C.13.0067.N, Pas., 2013, nr. 659, blz. 2453; zie ook cass., 24 februari 2011, C.10.0283.F, Arr. Cass., 2011/2, nr. 167, blz. 633; cass., 12 september 2008, A.R. nr. C.07.0394.N, Arr.Cass., 2008/9, nr. 468, blz. 1929)

2. Het beginsel neergelegd in randnummer 4 van de grieven werd door het Hof toegepast in zijn arrest van 9 mei 1997 (cass., 9 mei 1997, A.R. nr. C.94.0369.N, Pas., I, nr. 223, p. 549; zie ook cass., 14 december 2012, C.11.0171.N, Pas., 2012, nr. 689, p . 2495). Het gaat hier om een vaste recht-spraak sinds het principearrest van 6 april 1990 (cass., 6 april 1990, Arr.Cass., 1989-89, nr. 474, blz. 1036 en R.W., 1990-1991, blz. 218, telkens met de conclu-sie van de heer advocaat-generaal G. D'HOORE).

3. Het beginsel neergelegd in randnummer 5 van de grieven is, vergis-singen voorbehouden, nooit met zoveel woorden door het Hof bekrachtigd maar wordt wel ruim aanvaard, "wat een logische toepassing is van de beginselen vervat in het cassatiearrest van 6 april 1990" (Th. VAN SINAY, Handboek gerechtelijke verdeling, Brussel-Gent, Larcier, 2010, nr. 265, blz. 392; de auteur schrijft verder : "De uitzonderingen op deze beginselen blijven evenwel onverkort gelden. Dit betekent dat nieuwe zwarigheden wél wogelijk zijn indien alle partijen hierover akkoord gaan of ingevolge het principe van de heropening van de debatten omdat een partij een nieuw stuk of feit van overwegend belang heeft ontdekt of indien het een bezwaar betreft dat de openbare orde raakt"; het bestreden arrest heeft het bestaan van deze uitzonderingen te dezen uitgesloten).

4. Het in randnummer 6 van de grieven uiteengezette beginsel werd als volgt ontwikkeld door professor Th. VAN SINAY in zijn Handboek gerechtelijke verdeling (Larcier, Gent, 2010, blz. 267-268, randnrs. 396 en 398), die onder meer het volgende schrijft:
"396. Werd de staat van vereffening-verdeling door de rechtbank goedgekeurd, dan heeft de gerechtelijke verdeling haar eindpunt bereikt. ...
398. De staat is definitief en de verdeling is geen ontwerp meer, maar is een echte verdeling geworden die in principe vatbaar is voor uitvoering. De boedelnotaris zal mogelijks nog aanpassingen van zijn staat of van zijn ontwerp van verdeling dienen door te voeren. ... een delicaat punt is de waarde van het overgenomen goed. Het is mogelijk dat de staat van vereffening pas jaren nadat de schatting werd doorgevoerd, goedgekeurd wordt. Vraag is dan of de schatting van het on-roerend goed nog voldoende actualiteitswaarde heeft. De oplossing van dit vraag-stuk heeft natuurlijk zijn gevolgen voor de eventueel te betalen opleg. De regel is dat men zich voor wat betreft het opvullen van de kavels die bij die verdeling worden toebedeeld zo dicht mogelijk bij het ogenblik van de effectieve verdeling dient te plaatsen. Er wordt aangenomen dat het aan de notaris toekomt om de ge-schatte waarde in voorkomend geval aan te passen. Aldus is het mogelijk dat zelfs na de homologatie van de staat van vereffening-verdeling, in de uitvoeringsfase bij de boedelnotaris er zich nog geschillen voordoen. Het is mogelijk dat partijen zich door de aanpassing van de geschatte waarde van het onroerend goed ... be-nadeeld voelen. Partijen moeten de mogelijkheid hebben hun zienswijze op de op-lossing van deze geschillen naar voor te brengen om ze in voorkomend geval te laten beslechten door de rechtbank."

5. Het in randnummer 8 van de grieven uiteengezette beginsel is geba-seerd op de leer van professor Jean-Louis RENCHON (noot onder Bergen, 20 september 2005, Revue trimestrielle de droit droit familial, 2008/2, blz. 568), van wie voormelde auteur Th. VAN SINAY eveneens het gezag inroept.

II.2. TWEEDE MIDDEL

Geschonden wetsbepalingen
- Artikel 149 van de Grondwet,
- Artikel 6.1. van Bescherming van de Rechten van de Mens en de Funda-mentele Vrijheden, ondertekent op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 ("EVRM"),

Aangevochten beslissing

Na het hoger beroep van eiseres en het bij conclusie door verweerders regelmatig ingestelde (impliciet) incidenteel hoger beroep ontvankelijk te hebben verklaard en na te hebben beslist dat de grieven van eiseres geen afbreuk konden doen aan de definitieve (correct aangepaste) staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 van de instrumentarende notaris-vereffenaar NÈVE, stelt het hof van beroep nog dat het toelaten van een meer uitgebreide discussie, zoals beoogd door eisers, de redelijke termijn in de zin van artikel 6.1 voor het Verdrag Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden zou (kunnen) brengen.

Het hof van beroep baseert zijn beslissing op volgende redenen:
"5.5. Bijgevolg en zoals reeds aangegeven kon/kan een navolgende discussie (na een eerste bezwarenprocedure) in beginsel enkel nog over de mate waarin de nota-ris-vereffenaar aan het rechterlijke bevel navolging heeft gegeven en/of tenzij zich nieuwe feiten van overwegend belang hebben voorgedaan.

Het is reeds gezegd dat de notaris-vereffenaar in casu correct navolging heeft ge-geven aan het rechterlijke bevel. Anders dan [eiseres], ziet ook het hof [van be-roep], met de eerste rechter, in casu evenmin een nieuw feit van overwegend be-lang.

Nog abstractie gemaakt van de vraag of de door [eiseres] overgelegde stukken de beweerde fenomenale waardestijging van de bedoelde onroerende goederen af-doende bewijzen, kan de beweerde waardestijging ingevolge de evolutie van de marktwaarde hier niet als een nieuw, onbekend en onvoorzienbaar feit gelden. Evenmin toont [eiseres] afdoende aan dat de beweerde fenomenale stijging van de immobiliënmarkt tussen 2005 en vandaag het gevolg is van "de crisis van 2008".

Maar bovendien, zoals reeds aangegeven, heeft [eiseres] in de aangegeven tijd-spanne (tussen november 2006 en oktober/november 2009) van de procedure voor de rechtbank/het hof deze beweerde fenomenale waardestijging van de te verdelen onroerende goederen na de schatting in 2005 nooit aangekaard.

In die optiek kan de door [eiseres] thans aangevoerde waardestijging van het on-roerende ouderlijke vermogen niet als een tijdig aangebracht, nieuw feit van overwegend belang worden aangezien.

5.6. Tot slot volgt het hof [van beroep] de zienswijze van de eerste rechter dat het toelaten van een meer uitgebreide discussie, zoals beoogd door [eiseres] de rede-lijke termijn in de zin van artikel 6, sub 1° EVRM in het gedrang zou (kunnen) brengen."

Het bestreden arrest neemt hiermee volgende reden van de eerste rechter over (vonnis van de eerste rechter, F° 0450, laatste lid):

"Een meer uitgebreide discussie zou bovendien meebrengen dat de redelijke ter-mijn in de zin van artikel 6, sub 1° E.V.R.M. in het gedrang komt. De notaris-vereffenaar én de rechtbank moeten erop toezien dat de afhandeling van een han-gende gerechtelijke vereffening-verdeling binnen een redelijke termijn verloopt (EHRM 28 november 2000, ‘SIEGEL t. Frankrijk', Rev. trim. dr. fam. 2001, 759, noot Y.-H. LELEU; EHRM 3 oktober 2003, ‘Kanoun t.. Frankrijk', Rev. trim. dr. fam. 2000, 891, noot B. VAREILLE; M. PUELINCKX-COENE, J. VERSTRAETE, N. GEELHAND en I. VERHAERT, "Overzicht van rechtspraak (1996-2004): Erfenissen", T.P.R. 2005, p. 648-649, nr. 299, p. 653-656, nr. 303-304) . Een en ander overkapt gebeurlijk een actualisering in het licht van artikel 890 B.W. (zie ook en vgl.: Cass. 2 februari 2012, T. Fam. 2012, 207, noot L. VOET; Ch. DECLERCK, "Kroniek familiaal vermogensrecht (1 juli 2011 - 30 juni 2012): Secundair familiaal vermogensrecht", in W. PINTENS en Ch. DECLERCK, Patrimonium 2012, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 27, nr. 48)."

Grieven

1. Artikel 149 van de Grondwet vereist dat elk vonnis of arrest met rede-nen zou worden omkleed.

2. Krachtens artikel 6.1 van het in de aanhef van het middel vermelde Verdrag "[heeft eenieder] [b]ij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en ver-plichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging ... recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld".

3. In haar synthesebesluiten in beroep, neergelegd op 9 november 2013, blz. 17 en 18, zette eiseres op uitgebreide wijze uiteen waarom zij beschouwde dat het ten onrechte was dat de eerste rechter naar voormeld artikel 6.1. EVRM had verwezen.

4. Na die bepaling van het EVRM te hebben geciteerd, liet eiseres onder meer het volgende gelden:

"Hierbij is de notie ‘redelijk termijn' slechts één van de onderdelen. De klemtoon ligt op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Het aanwenden van de rechtsmid-delen is dan ook een fundamenteel recht en het ontzeggen hiervan omdat dat lan-ger duurt is volkomen in strijd met artikel 6 EVRM !

Daarenboven zou een verdeling zonder actualisatie tot een dusdanig onrechtvaar-dige situatie leiden dat het precies hierdoor is dat de rechten van de mens zouden geschonden worden"

5. Door enkel aandacht te hebben voor de "redelijke termijn" waarvan sprake in voormeld artikel 6.1. van het EVRM, zonder ruimer na te gaan of de vordering van eiseres wel degelijk de eerlijke behandeling van de zaak in het ge-drang zou brengen, schendt het bestreden arrest voormelde bepaling (schending artikel 6.1. EVRM), en laat het alleszins blz. 17 en 18 van voormelde synthesebe-sluiten in beroep en meer bepaald de hierboven geciteerde passage ervan onbe-antwoord (schending van artikel 149 van de Grondwet).

ONTWIKKELING

1. Het middel vereist geen ontwikkeling.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

besluit voor eiseres ondertekende advocaat bij het Hof van cassatie dat het u be-hage, Hooggeachte Heren en Dames, het bestreden arrest te vernietigen, te beve-len dat er melding gemaakt wordt van de vernietiging op de kant van de vernietig-de beslissing, de zaak en de partijen naar een ander hof van beroep te verwijzen en over de kosten te oordelen als naar recht.

Brussel, 13 januari 2016

Bijlage 1. Verklaring van de waarde van de vordering voor het vaststellen van het bedrag van het rolrecht

Noot:

• Rechtskundig Weekblad [RW] DEL CORRAL, Julie; Noot 'Actualisering van de geschatte waarde van onverdeelde goederen blijft mogelijk na homologatie of aanpassing van de staat van vereffening' 2016-17, nr. 38, p. 1500-1504.

Nog dit: 

Actualisering waarde goederen in vereffening-verdeling

Cass. 30/09/2016, AR C.16.0015.N

samenvatting

De waarde van de onverdeelde goederen die zijn opgenomen in de gehomologeerde of aangepaste staat van vereffening kan nog worden geactualiseerd overeenkomstig artikel 890 Gerechtelijk Wetboek.

Slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boedelnotaris, worden door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig gemaakt (1)(2). (1) Zie Cass. 9 mei 1997, AR C.94.0369.N, AC 1997, nr. 223. (2) Artt. 1209 tot 1223 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij wet van 13 augustus 2011.

tekst arrest

Nr. C.16.0015.N
A.-M. B.,
eiseres,
tegen
1. I. V. B.,
2. T. V. B.,
3. T. V. B.,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 september 2015.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Uit de artikelen 1209 tot 1223 Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 13 augustus 2011, en uit de toelichting daarbij in het verslag van de koninklijke commissaris volgt dat die wetsbepalingen aldus moeten worden gelezen dat slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boe-delnotaris, door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt.

2. Indien de notaris-vereffenaar een staat van vereffening overeenkomstig de door de rechtbank gegeven richtlijnen heeft opgemaakt, kunnen, behoudens ont-dekking van nieuwe feiten of van nieuwe stukken van overwegend belang, slechts betwistingen worden aangevoerd die verband houden met de aanpassing van de staat.

3. Deze regels staan niet eraan in de weg dat de waarde van de onverdeelde goederen die zijn opgenomen in de gehomologeerde of aangepaste staat van veref-fening, nog kan worden geactualiseerd overeenkomstig artikel 890 Burgerlijk Wetboek.

4. De appelrechters die oordelen dat de actualisering van de waarde van de on-verdeelde goederen definitief onder het debat van de partijen in het raam van de bezwarenprocedure moet vallen en dat bijgevolg na de bezwarenprocedure geen actualisering meer mogelijk is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

5. De verweerders werpen op dat het middel opkomt tegen een overtollige re-den en derhalve niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang.

6. Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat de in dat middel bekritiseerde reden de bestreden beslissing niet naar recht verantwoordt, zodat de eiseres belang heeft bij het bekritiseren van de tweede zelfstandige reden die de beslissing kan schragen.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

7. De eiseres heeft in haar syntheseconclusie het verweer gevoerd dat in het middel is weergegeven.

8. De appelrechters beantwoorden dat verweer over de eerlijke behandeling van de zaak niet.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,  in openbare rechtszitting van 30 september 2016 uitgesproken.

VOORZIENING IN CASSATIE

Voor
Mevrouw A.-M. B.,
Eiseres in cassatie,

Tegen 

1) de heer I. V. B.,
Eerste verweerder in cassatie,
2) de heer T. V. B.,
Tweede verweerder in cassatie,
3) de heer T. V. B., Derde verweerder in cassatie,
woonst kiezende op het kantoor van de heer Johan VANQUATEM, gerechtsdeurwaarder te 9050 Gentbrugge, Voordries 22,
Verweerders in cassatie.

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, aan de Dames en Heren Raadshe-ren, die het Hof van cassatie samenstellen,

Hooggeachte Heren en Dames,
Eiseres heeft de eer het arrest aan uw toezicht te onderwerpen dat op 3 september 2015 op tegenspraak tussen partijen is gewezen door de 11de kamer van het hof van beroep te Gent [A.R. nr. 2013/AR/1173; rep nr. 2015/6260].

I. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

De feiten en de procedurevoorgaanden, zoals die blijken uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan - inzonderheid het bestreden arrest - kunnen als volgt worden samengevat.

1. Mevrouw R. B. en eiseres zijn de kinderen/dochters en bijgevolg de enige wettige/reservataire erfgenamen van enerzijds de heer J. B. (testamentloos overleden te Zomergem op 30 januari 1957) en anderzijds Mevrouw R. C. (met testament overleden te Zomergem op 6 december 1999).
Het echtpaar/ouderpaar B.-C. was gehuwd onder een gemeenschapsstelsel.

Bij eigenhandig testament van 22 oktober 1989 vermaakt Mevrouw R. C. het grootst beschikbare deel van haar nalatenschap aan eiseres.

2. Bij vonnis van 23 september 2003 beveelt de veertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent de gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen B.-C., met aanwijzing van notaris Ferdinand NÈVE (met standplaats te Gent) als notaris-vereffenaar in de zin van het oude artikel 1209, 2de lid, Ger.W. en notaris Anton SINTOBIN (met standplaats te Zelzate) als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude artikel 1209, 3de lid, Ger.W.

De rechtbank wijst voorts de heer Jean VAN DEN BOOGAERDE (Gent) aan als deskundige met het oog op (1) waardering/schatting van de onverdeelde onroe-rende goederen en de mogelijkheid om ze in natura te verdelen en (2) waarde-ring/schatting van de onroerende goederen die Mevrouw R. C. heeft geschonken (zowel ten tijde van de schenking als ten tijde van haar overlijden).

Deskundige VAN DEN BOOGAERDE legt zijn (eind)verslag neer op 28 juni 2005.

3. Mevrouw R. B. is testamentloos overleden te Gent op 30 september 2005.

Eerste verweerder is haar langstlevende echtgenoot/weduwnaar. Tweede en derde verweerders zijn hun kinderen. Zij erven de nalatenschap van Mevrouw R. B. respectievelijk in vruchtgebruik en in naakte eigendom (art. 745-745bis, § 1, eerste lid B.W.).
Met verzoekschrift van 18 december 2006 hervatten verweerders het geding.

4. Na prealabele notariële werkzaamheden redigeert notaris-vereffenaar NÈVE, bij notariële akte van 9 januari 2006, zijn staat van vereffening-verdeling.

5. Op deze staat volgen, blijkens een proces-verbaal van 16 augustus 2006, een aantal geschillen en/of moeilijkheden.

6. Notaris-vereffenaar NÈVE repliceert met een aanvullende staat van vereffening-verdeling van 28 augustus 2006 en stelt uiteindelijk, blijkens een pro-ces-verbaal van 12 september 2006, een gebrek aan akkoord vast.

7. Bij vonnis van 1 april 2008 beaamt de veertiende kamer van de recht-bank van eerste aanleg te Gent de door notaris-vereffenaar NÈVE vooropgestelde (staat van) vereffening-verdeling, met dien verstande dat er twee aanpassingen worden bevolen.
In die optiek beveelt de rechtbank aan notaris-vereffenaar NÈVE om zijn staat van vereffening-verdeling aan te passen.

8. Bij (definitief) arrest van 26 november 2009 bevestigt het hof van be-roep te Gent het beroepen vonnis van 1 april 2008.

9. Per e-mail van 20 september 2010 deelt notaris-vereffenaar NÈVE zijn aangepaste staat van vereffening-verdeling mee, met het voorstel om deze op 30 september 2010 op zijn kantoor te komen onderschrijven (met betaling van de verschuldigde opleg), zij het vergeefs, zo ook navolgende voorstellen.

In zijn aangepaste (ontwerp-)staat van vereffening-verdeling verwerkt notaris-vereffenaar NÈVE de door de rechtbank bevolen (en door het hof van beroep be-aamde) aanpassingen, waardoor de door eiseres verschuldigde opleg vergroot.

10. Bij brief van 10 februari 2011 vraagt eiseres - nu de schatting van het onroerende ouderlijke vermogen ruim vijf jaar oud is en het krachtens artikel 890 B.W. moet worden geschat op zijn waarde ten tijde van de verdeling - om actuali-sering. Hierop richt notaris-vereffenaar NÈVE zich bij brieven van 14 en 22 fe-bruari 2011 tot deskundige VAN DEN BOOGAERDE.

11. Bij brief van 23 februari 2011 protesteren verweerders, rechtsopvol-gers van Mevrouw R. B., nu de vereffening-verdeling op die manier alsmaar blijft aanslepen en eiseres hoe dan ook geen nieuwe geschillen en/of moeilijkheden meer kan opwerpen.

12. Bij brief van 25 februari 2011 reageert eiseres op haar beurt, nu, vol-gens haar, na een procedure op grond van geschillen en/of moeilijkheden hoe dan ook (in het licht van art. 890 B.W.) nog actualisering kan/moet gebeuren.

13. In diezelfde optiek volgt wederzijdse briefwisseling van de partijen en notaris-vereffenaar NÈVE, die uiteindelijk, blijkens zijn e-mail van 18 mei 2011, "na consultaties van meerdere deskundigen en na lang twijfelenˮ, besluit te vol-harden in zijn zienswijze in de lijn van zijn aangepaste (ontwerp-)staat van veref-feningverdeling van 20 september 2010.

14. Op die manier gaat notaris-vereffenaar NÈVE over tot betekening van zijn definitieve aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011, met fixatie voor ondertekening op 13 juli 2011 (oude art. 1218-1219 Ger.W.).

Bij die gelegenheid bevestigt eiseres de staat niet te aanvaarden (nu zij blijft aan-dringen op actualisering en dienovereenkomstig aangepaste kavelvorming), waar-van notaris-vereffenaar NÈVE blijkens het proces-verbaal van 13 juli 2011 een-voudig akte neemt.

15. Nadat notaris-vereffenaar NÈVE een en ander op 10 augustus 2011 ter griffie van het hof van beroep te Gent neerlegt, beslist het hof van beroep bij arrest van 13 oktober 2011 dat het gelet op voormeld arrest van 26 november 2009 zijn rechtsmacht heeft uitgeput, derwijze dat notaris-vereffenaar NÈVE zich met toepassing van het oude artikel 1219, § 2, Ger.W. tot de rechtbank van eerste aan-leg te Gent moet richten, wat vervolgens gebeurt (op 7 december 2011).

16. Voor de rechtbank beogen verweerders in de eerste plaats de homolo-gatie van de definitieve aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 (hierboven, randnr. ‎14).

Eiseres van haar kant beoogt, in het licht van artikel 890 B.W., actualisering en dienovereenkomstig aangepaste kavelvorming (met desnoods lottrekking) van het (resterende en alsnog daadwerkelijk te verdelen) ouderlijke onroerende vermogen, en dit bij voorkeur door notaris-vereffenaar NÈVE en desnoods (middels een aan-vullende opdracht) door deskundige VAN DEN BOOGAERDE .

17. Bij vonnis van 26 februari 2013 oordeelt de veertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent dat notaris-vereffenaar NÈVE bij de opmaak van zijn (definitieve) aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 aan het rechterlijke bevel bij voormeld vonnis van 1 april 2008 met bevestiging bij voormeld arrest van 26 november 2009, correct navolging heeft gegeven.

De rechtbank oordeelt voorts dat eiseres vormelijk regelmatig en tijdig (overeen-komstig de oude art. 1218-1219 Ger.W.) heeft aangegeven deze staat niet te aan-vaarden.

De rechtbank beslist verder dat de optie tot de door eiseres beoogde actualise-ring/herschatting van de bedoelde vermogenselementen niet te gepasten tijde in de (ontwerp)staat van vereffening-verdeling en/of in het raam van de (enige) proce-dure van bezwaren is betrokken, terwijl de in casu aangevoerde waardestijging van het onroerende ouderlijke vermogen niet als een nieuw feit van overwegend belang wordt aangezien.

Zodoende ontvangt de rechtbank de vordering van eiseres tot actualisering (in het licht van art. 890 B.W.) en dienovereenkomstig aangepaste kavelvorming niet.

Bijgevolg wijst de rechtbank de subsidiaire vorderingen van verweerders af, nu deze hun voorwerp verliezen.

De rechtbank homologeert de (definitieve) aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 (oude art. 1223-1224 Ger.W.).

De rechtbank legt de gedingkosten, begroot op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.320,00 euro ten behoeve van verweerders, ten laste van de boedel.

18. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 24 april 2013 stelt eiseres tegen voormeld vonnis van 26 februari 2013 hoger beroep in.

Met haar hoger beroep beoogt zij, met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van haar oorspronkelijke vordering.

De gedingkosten zijn volgens eiseres ten laste van de boedel.

Verweerders nemen conclusie tot afwijzing van het hoger beroep als onontvanke-lijk, minstens ongegrond.

Ter terechtzitting van 18 juni 2015 doen verweerders afstand van hun exceptie van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Bij wijze van incidenteel hoger beroep beogen zij de veroordeling van eiseres tot de gedingkosten van beide aanleggen, aan hun zijde telkens begroot op een ver-hoogde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 7 .500,00 euro.

19. Met het bestreden arrest, gewezen op 3 september 2015 :
• verklaart het hof van beroep het hoger beroep van eiseres ontvankelijk,
• verklaart het het hoger beroep van eiseres ongegrond,
• bevestigt het, gelet op de grenzen waarbinnen het is aangevochten, het be-roepen vonnis van 26 februari 2013, inzonderheid daar waar het de (definitieve) aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 (oude art. 1223-1224 Ger.W.) homologeert,
• verstaat het dat onderhavige gerechtelijke vereffening-verdeling, overgangs-rechtelijk gezien, onderworpen blijft aan de oude artikelen 1218-1224 Ger.W. van voor de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling (B.S., 14 september 2011), die op 1 april 2012 in werking is getreden,
• veroordeelt eiseres tot de kosten van het hoger beroep, enkel nuttig te begro-ten aan de zijde van verweerders op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.320,00 euro.

Eiseres wenst tegen het bestreden arrest op te komen met de twee volgende

II. CASSATIEMIDDELEN

II.1. EERSTE MIDDEL

Geschonden wetsbepalingen

- Artikelen 577-2, §§ 1, 2 en 8, en artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek;
- Artikelen 23 tot en met 28 en 1209 tot 1223 van het Gerechtelijk Wetboek, wat artikel 23 betreft in de versie voor de wijziging ervan door artikel 2 van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie en wat artikelen 1209 tot en met 1223 betreft voor de wijziging ervan door de wet van 13 augustus 2011 houdende her-vorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling;

Aangevochten beslissing

Na het hoger beroep van eiseres en het bij conclusie door verweerders regelmatig ingestelde (impliciet) incidenteel hoger beroep ontvankelijk te hebben verklaard, verklaart het bestreden arrest het hoger beroep van eiseres ongegrond en bevestigt het het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 26 februari 2013 dat de (definitieve) aangepaste staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 van de notaris-vereffenaar NÈVE had gehomologeerd en zodoende de eis had afgewezen waarmee eiseres, in het licht van artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek, actualisering en dienovereenkomstig aangepaste kavelvorming (met desnoods lottrekking) van het (resterende en alsnog daadwerkelijk te verdelen) ouderlijke onroerende vermogen beoogde.

Het hof van beroep, na onder meer het volgende te hebben vastgesteld :

"3. Bij vonnis van 23 september 2003 beveelt de ... rechtbank van eerste aanleg te Gent de gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen [van de ouders van eiseres en van haar zuster van wie verweerders de rechtsop-volgers zijn], met aanwijzing van notaris Ferdinand NÈVE ... als notaris-vereffenaar ...

5. Na prealable notariële werkzaamheden redigeert notaris-vereffenaar NÈVE, bij notariële akte van 9 januari 2006, zijn staat van vereffening-verdeling.
...
6. Bij vonnis van 1 april 2008 beaamt ... de rechtbank van eerste aanleg te Gent de door notaris-vereffenaar NÈVE vooropgestelde (staat van) vereffening-verdeling, met dien verstande dat ...de rechtbank aan notaris vereffenaar NÈVE [beveelt] om zijn staat van vereffening-verdeling [op twee punten] aan te passen.
Bij (definitief) arrest van 26 november 2009 bevestigt het hof van beroep te Gent het beroepen vonnis van 1 april 2008." (arrest, blz. 4-7),
baseert oep zijn beslissing op volgende redenen:

"B. TEN GRONDE

1. Zoals reeds aangegeven, wil [eiseres] dat de notaris-vereffenaar, na het vonnis van 1 april 2008 en het arrest van 26 november 2009, nog tot actualise-ring/herschatting van het onroerende ouderlijke vermogen B./C. en tot dientenge-volge gebeurlijk nieuwe kavelindeling overgaat.

2. Met de eerste rechter benadrukt het hof [van beroep] het principe (zowel onder de oude als de nieuwe wet) dat na een eerste (niet tussentijdse) bezwarenprocedu-re, in casu definitief beslecht door voormeld arrest van 26 november 2009 (ter be-vestiging van voormeld vonnis van 1 april 2008), geen tweede bezwarenprocedure met dezelfde of nieuwe bezwaren/geschillen/moeilijkheden kan volgen. Dezelfde bezwaren stuiten op het gezag van gewijsde van de daaromtrent reeds gewezen rechterlijke beslissing. Nieuwe bezwaren zijn in de regel niet toegelaten omdat ze niet in het eerste proces-verbaal van bezwaren zijn opgenomen.

Behoudens overmacht en/of discussie over de mate waarin de notaris-vereffenaar aan het rechterlijke bevel tot aanpassing van zijn staat van vereffening-verdeling navolging heeft gegeven, zijn alsdan nog aangebrachte discussiepunten in de regel niet ontvankelijk.
Notaris-vereffenaar NÈVE heeft zijn staat van vereffening-verdeling correct in de lijn van het arrest van 26 november 2009 aangepast, wat alle partijen (zowel in conclusie als ter terechtzitting) beamen. Dat overmacht hier speelt, wordt niet be-weerd, laat staan bewezen.

3. Toch weigerde[eiseres] om de (correct) aangepaste stat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 te onderschrijven. Notaris-vereffenaar NÈVE nam van deze weigering eenvoudig akte in het proces-verbaal van 13 juli 2011.
...
5. De grieven van [eiseres] kunnen ...geen afbreuk doen aan de definitieve (cor-rect aangepaste) staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011.
...
5.2. Ook de vergelijking van [eiseres] met het doorlopen van de interesten die zij moet betalen (op de door haar ontvangen schenkingen), loopt mank.
Het komt de notaris-vereffenaar, na de bezwarenprocedure met hetzij homologatie hetzij rechterlijk bevel tot aanpassing van zijn staat van vereffening-verdeling, steeds toe om (gelet op het loutere tijdsverloop) zijn staat te actualiseren zoals bij-voorbeeld op het stuk van aangerekende interesten of verschuldigde woonstver-goeding.

[Eiseres] ziet hierbij echter twee essentiële verschillen over het hoofd.

Vooreerst zijn dergelijke aanpassingen (van interesten, woonstvergoeding, e.d.) in wezen van louter administratieve aard en vergen zij in principe geen tussenkomst meer van de partijen of van de rechtbank (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, 268, nr. 398).

Maar vooral liggen de elementen/parameters/berekenwijze voor dergelijke aan-passingen/actualisering reeds vast in de gehomologeerde/aan te passen staat van vereffening-verdeling.

Deze (toegelaten) actualisering onderschrijft Charlotte DECLERCK in haar (ou-de) draaiboek van een vereffening-verdeling, waarnaar [eiseres] verwijst. Professor DECLERCK benadrukt daarbij expliciet de niet-ontvankelijkheid van een tweede bezwarenprocedure (behoudens de aangehaalde uitzonderingen). Verkeerdelijk poogt [eiseres] aan deze bijdrage, ter ondersteuning van haar eigen (anders-luidende) stelling, een andere invulling te geven.

De herschatting die [eiseres] beoogt, is evenwel niet van louter administratieve aard en evenmin lagen de elementen/parameters ervan reeds vast in de (aan te pas-sen) staat van vereffening-verdeling.

5.3 ...
... [B]ezwaren moeten worden geformuleerd en zo nodig herhaald/aangehouden na het opstellen van de staat van vereffening-verdeling (in casu op 9 januari 2006).

Het staat buiten kijf dat geen bezwaar/vraag/vordering tot herschatting was opge-nomen in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van 16 augustus 2006.

Daarenboven heeft [eiseres] ook na 16 augustus 2006 en meer precies tijdens de (eerste) bezwaren procedure hangende voor de rechtbank en het hof in de periode van november 2006 tot oktober/november 2009 met geen woord gerept over een volgens haar benodigde herwaardering van de bedoelde onroerende goederen, ge-schat volgens het in 2005 door gerechtsdeskundige VAN DEN BOOGAERDE neergelegde (eind)verslag.

Alsdan had [eiseres] nog de mogelijkheid de rechtbank/het hof ervan te overtuigen dat, gebeurlijk mede in het licht van artikel 890 BW, een van de uitzonderingen aan de orde was op de regel dat bezwaren die niet voor de notaris-vereffenaar zijn opgeworpen, niet voor de eerste maal voor de rechter in de homologatiefase kunnen worden opgeworpen (zie cass., 6 april 1990, T. Not., 1990, 235, T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, 243-250, nrs. 364-370).

In het gehele bedoelde periode van september 2003 tot februari 2011 maakte [ei-seres] op geen enkele wijze gewag van een (om welke reden ook) benodigde her-schatting van de bedoelde (in 2005 geschatte) onroerende goederen.

5.4. Ook de bepaling van artikel 890 BW verantwoordt de thans door [eiseres] aangebrachte grief/ingestelde vordering niet.

Het is correct dat men zich voor de waardebepaling van de te verdelen goederen in de regel zo dicht mogelijk bij het ogenblik van de effectieve verdeling moet plaatsen. Men mag de bepaling van artikel 890 BW evenwel niet isoleren en lezen los van en boven alle andere bij een procedure van vereffening-verdeling toe te passen bepalingen/regels/principes.

Stellen dat artikel 890 BW "dwingender" is dan de andere toepasselijke bepa-lingen, snijdt geen hout. Artikel 890 BW is niet van openbare orde. De partijen kunnen in het raam van de procedure van vereffening-verdeling instemmen met een waardebepaling van de te verdelen onroerende goederen op een ander ogen-blik dan dit van of zo dicht mogelijk bij de verdeling.

In die optiek en mede in het licht van voormelde specifieke omstandigheden en redengeving, gaat het niet op dat [eiseres], na de voor de rechtbank/het hof afgesloten homologatiefase, ineens nog een herschatting van de bedoelde onroerende goederen eist.

Temeer daar niet kan worden gepleit tegen het rechterlijke gewijsde. In casu viel de schatting van de te verdelen goederen onder het debat van de partijen. Zoals aangegeven, maakte [eiseres] in de aangegeven tijdspanne van de procedure voor de rechtbank/het hof geen punt van de waardeschommelingen van de te verdelen onroerende goederen na de schatting in 2005. De rechterlijke (homologa-tie)beslissing hierover (bij arrest van 26 november 2009) maakt een latere betwisting hierover in de regel onmogelijk. Een toegelaten nieuwe betwisting zou immers afbreuk doen aan het gezag van gewijsde (J. Verstraete en P. Hofströssler, De vernieuwde procedure inzake gerechtelijke verdeling, Brugge, die Keure, 2012, 165, nr. 226).

In die optiek is ook het hof [van beroep], met de eerste rechter en enigszins anders dan de door [eiseres] geciteerde rechtsleer (T. Van Sinay, Handboek gerechtelijke verdeling, Gent, Larcier, 2010, 268-269, nr. 398; J.L. Renchon, noot onder Bergen 20 september 2005, Rev.trim.dr.fam. 2008, (567), 568.), van oordeel dat de actua-lisering/herschatting van (aan waardeschommelingen onderh[e]vige) vermogens-elementen en gebeurlijk dienovereenkomstig aangepaste kavelvorming definitief onder het debat van de partijen in het raam van de (enige) bezwarenprocecdure moet vallen, waarna de rechtsmacht van de rechter hierover in de regel is uitgeput.

Noch de auteurs Johan VERSTRAETE en Patrick HOFSTRÖSSLER (in hun ge-citeerde werk), noch de eerste rechter bezondigen zich hier aan een redenerings-fout. De uitweiding van [eiseres] (met verwijzing naar dit werk van VER-STRAETE en HOFSTRÖSSLER) over de vordering tot vernietiging wegens be-nadeling overeenkomstig 887 BW is naast de kwestie want hier niet aan de orde. Zo ook ontgaat het hof de relevantie van de verwijzing naar het artikel 1223, § 5, Ger.W. (omtrent de kennisgeving door de griffier aan de notaris-vereffenaar van de rechterlijke homologatiebeslissing).

Even onterecht hekelt [eiseres] het feit dat VERSTRAETE en HOFSTRÖSSLER een en ander duiden in het licht van de door de Wet van 13 augustus 2011 "hou-dende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling" (BS 14 september 2011) sedert 1 april 2012 toepasselijke nieuwe/gewijzigde bepa-lingen van het Gerechtelijk Wetboek. Meerdere in rechtspraak en rechtsleer aan-vaarde werkwijzen/praktijken kregen nu net door de wet van 13 augustus 2011 een wettelijke basis.

Zo bevestigt artikel 1223, § 4 (inz. tweede lid) Ger.W. het voordien in rechtspraak en rechtsleer gevolgde standpunt van het Hof van Cassatie, ingenomen in het voormelde beginselarrest van 6 april 1990. Ook de voordien door de rechtsprak-tijk hierop aanvaarde uitzonderingen, (1) akkoord van de partijen, (2) nieuw stuk of feit van overwegend belang, (3) in gebreke blijvende notaris en (4) openbare orde, blijven onverkort gelden.

Zo ook geeft artikel 1123, § 6 Ger.W. een wettelijke basis aan de reeds bestaande jurisprudentie die in de regel (1) een tweede proces-verbaal van bezwaren uitsloot en (2) geen andere bezwaren meer toeliet dan die van een niet-correcte aanpassing van de staat (na een eerste bezwarenprocedure).

5.5. Bijgevolg en zoals reeds aangegeven kon/kan een navolgende discussie (na een eerste bezwarenprocedure) in beginsel enkel nog over de mate waarin de nota-ris-vereffenaar aan het rechterlijke bevel navolging heeft gegeven en/of tenzij zich nieuwe feiten van overwegend belang hebben voorgedaan.

Het is reeds gezegd dat de notaris-vereffenaar in casu correct navolging heeft ge-geven aan het rechterlijke bevel. Anders dan [eiseres], ziet ook het hof [van be-roep], met de eerste rechter, in casu evenmin een nieuw feit van overwegend be-lang.

Nog abstractie gemaakt van de vraag of de door [eiseres] overgelegde stukken de beweerde fenomenale waardestijging van de bedoelde onroerende goederen af-doende bewijzen, kan de beweerde waardestijging ingevolge de evolutie van de marktwaarde hier niet als een nieuw, onbekend en onvoorzienbaar feit gelden.

Evenmin toont [eiseres] afdoende aan dat de beweerde fenomenale stijging van de immobiliënmarkt tussen 2005 en vandaag het gevolg is van "de crisis van 2008".

Maar bovendien, zoals reeds aangegeven, heeft [eiseres] in de aangegeven tijd-spanne (tussen november 2006 en oktober/november 2009) van de procedure voor de rechtbank/het hof deze beweerde fenomenale waardestijging van de te verdelen onroerende goederen na de schatting in 2005 nooit aangekaard.
In die optiek kan de door [eiseres] thans aangevoerde waardestijging van het on-roerende ouderlijke vermogen niet als een tijdig aangebracht, nieuw feit van overwegend belang worden aangezien.
...
6. Voormelde redengeving maakt dat het beroepen vonnis integrale bevestiging verdient.

Zowel het hoger beroep als het impliciet voorwaardelijk incidenteel hoger beroep faalt." (arrest, blz. 11-17).

Grieven

1. Krachtens artikel 577-2, § 1, § 2 en § 8, van het Burgerlijk Wetboek, worden de onverdeelde aandelen vermoed gelijk te zijn en is de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen aan de regels die bepaald zijn in de titel Erfenissen van dit wetboek.

2. Krachtens artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek, worden, om te be-oordelen of er benadeling is geweest, de onverdeelde goederen geschat op hun waarde ten tijde van de verdeling.

3. Hieruit volgt dat, bij de verdeling, de waarde van de goederen - (i) die aanvankelijk behoorden tot het gemeenschappelijk vermogen van de ouders van eiseres en van haar zuster en (ii) die op het ogenblik van de verdeling, ingevolge het overlijden van die ouders, afhangen van de tussen partijen ontstane onverdeeldheid moet worden bepaald op het ogenblik van die verdeling.

4. Uit de artikelen 1209 tot 1223 van het Gerechtelijk Wetboek, voor de wijziging ervan door de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, en uit de toelichting daarbij in het verslag van de koninklijke commissaris, volgt dat die wetsbepalingen aldus moeten worden gelezen dat slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boedelnotaris, door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt, tenzij de partijen akkoord gaan om andere betwistingen aan de rechter voor te leggen.

5. Indien de rechtbank, overeenkomstig artikel 1223 van het Gerechtelijk Wetboek, na de geschillen te hebben beslecht, de staat van vereffening - zoals te dezen met een vonnis van 1 april 2008 bevestigd met arrest van 26 november 2009 - homologeert onder voorbehoud van aanpassingen die eraan zullen moeten worden aangebracht en indien de rechtbank die staat aan de aangewezen notaris verzendt om een aanvullende staat van vereffening overeenkomstig de door de rechter gegeven richtlijnen op te maken, zal de eventuele tegenspraak van partijen beperkt blijven tot de vraag of de boedelnotaris de richtlijnen die de rechtbank hem heeft aangegeven correct heeft toegepast.

6. Dit neemt echter niet weg dat, zolang de verdeling niet is voltooid, d.i. zolang er niet effectief is overgegaan tot uitvoering ervan, de beginselen neergelegd in artikelen 577-2, § 1, § 2 en § 8, en 890 van het Burgerlijk Wetboek zich aan alle partijen opdringen en dat de staat van vereffening moet worden aangepast opdat de waarde van de te verdelen goederen zou worden bepaald op een ogenblik dat zo precies mogelijk overeenstemt met dat van de effectieve verdeling.

7. Deze actualisering van de waarde kan onmogelijk afbreuk doen aan het gezag of kracht van rechterlijk gewijsde - zoals geregeld door artikelen 23 t.e.m. 28 van het Gerechtelijk Wetboek, wat artikel 23 betreft in de versie voor de wijziging ervan door artikel 2 van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijzi-ging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie - van de beslissingen die zijn gewezen in het raam van de homologatieprocedure, nu de problematiek van de actualisering vreemd is aan die homologatieprocedure en zich opdringt ongeacht de wijze waarop de staat van vereffening-verdeling tot stand komt en welke bezwaren ertegen werden opgeworpen.

8. Er is geen reden om de plicht tot actualisering dat uit artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek voortvloeit te reduceren tot een verplicht - en tijdig - te formuleren vraag of vordering van een van de partijen, en dan nog op datum van het proces-verbaal van zwarigheden, zij het onder de vorm van een voorbehoud. De mogelijke waardestijging tussen het proces-verbaal van zwarigheden en het vonnis van homologatie is immers geen zwarigheid op datum van het proces-verbaal van zwarigheden wanneer de waarden op dat ogenblik correct zijn.

9. In onderhavige zaak - waar er niet wordt betwist dat het door eiseres opgeworpen bezwaar tegen het laatste voorstel van de instrumenterende notaris niets te maken had met de al dan niet correcte uitvoering door de notaris van de door de rechtbank bevolen aanpassingen - geeft het bestreden arrest uitdrukkelijk toe dat "[h]et ... correct is dat men zich voor de waardebepaling van de te verde-len goederen in de regel zo dicht mogelijk bij het ogenblik van de effectieve ver-deling moet plaatsen" (arrest, blz. 15, randnr. 5.4, 2de lid) en dat "[h]et ... de no-taris-vereffenaar, na de bezwarenprocedure met hetzij homologatie hetzij rechter-lijk bevel tot aanpassing van zijn staat van vereffening-verdeling, steeds toe[komt] om (gelet op het loutere tijdsverloop) zijn staat te actualiseren zoals bijvoorbeeld op het stuk van aangerekende interesten of verschuldigde woonstvergoeding" (ar-rest, blz. 13, randnr. 5.2, 2de lid).

10. Het is echter ten onrechte dat het bestreden arrest beslist dat - nu de door eiseres gevorderde actualisering van de schatting van de tot de kwestieuze nalatenschap behorende onroerende goederen "niet louter van administratieve aard [zal zijn] en ...de elementen/parameters ervan [evenmin] reeds [zouden vastliggen] in de (aan te passen) staat van vereffening verdeling" (arrest, blz. 13, randnr. 5.2, laatste lid) - er met de vordering tot actualisering van eiseres geen rekening kan worden gehouden.

11. Nu de boedelnotaris sowieso artikelen 577-2, § 1, § 2 en § 8, en artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek diende toe te passen, is het eveneens ten onrechte dat het bestreden arrest vindt dat er des te minder redenen zijn om op het verzoek tot actualisering van eiseres in te gaan daar zij zich niet kan beroepen op een van de uitzonderingen die het mogelijk maken om aan de rechter beweringen en zwa-righeden voor te leggen die verder gaan dan wat in het proces-verbaal is opgeno-men waardoor die rechter werd geadiëerd.

12. Door de vordering van eiseres tot actualisering van de schatting van de onroerende goederen die tot het te verdelen geheel behoren te weigeren, hoe-wel men zich voor de waardebepaling van te verdelen goederen zo dicht mogelijk bij het ogenblik van de effectieve verdeling moet plaatsen, ongeacht of die waar-dering in de loop van de homologatieprocedure op een of ander ogenblik al dan niet aan bod is gekomen, schendt het bestreden arrest alle in de aanhef van het middel ingeroepen bepalingen.

ONTWIKKELING

1. De beginselen neergelegd in randnummers 1 t.e.m. 3 van de grieven werden door het Hof toegepast in zijn arrest van 5 december 2013 op een tussen gewezen echtgenoten door de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen ontstane onverdeeldheid (A.R. nr. C.13.0041.N-C.13.0067.N, Pas., 2013, nr. 659, blz. 2453; zie ook cass., 24 februari 2011, C.10.0283.F, Arr. Cass., 2011/2, nr. 167, blz. 633; cass., 12 september 2008, A.R. nr. C.07.0394.N, Arr.Cass., 2008/9, nr. 468, blz. 1929)

2. Het beginsel neergelegd in randnummer 4 van de grieven werd door het Hof toegepast in zijn arrest van 9 mei 1997 (cass., 9 mei 1997, A.R. nr. C.94.0369.N, Pas., I, nr. 223, p. 549; zie ook cass., 14 december 2012, C.11.0171.N, Pas., 2012, nr. 689, p . 2495). Het gaat hier om een vaste recht-spraak sinds het principearrest van 6 april 1990 (cass., 6 april 1990, Arr.Cass., 1989-89, nr. 474, blz. 1036 en R.W., 1990-1991, blz. 218, telkens met de conclu-sie van de heer advocaat-generaal G. D'HOORE).

3. Het beginsel neergelegd in randnummer 5 van de grieven is, vergis-singen voorbehouden, nooit met zoveel woorden door het Hof bekrachtigd maar wordt wel ruim aanvaard, "wat een logische toepassing is van de beginselen vervat in het cassatiearrest van 6 april 1990" (Th. VAN SINAY, Handboek gerechtelijke verdeling, Brussel-Gent, Larcier, 2010, nr. 265, blz. 392; de auteur schrijft verder : "De uitzonderingen op deze beginselen blijven evenwel onverkort gelden. Dit betekent dat nieuwe zwarigheden wél wogelijk zijn indien alle partijen hierover akkoord gaan of ingevolge het principe van de heropening van de debatten omdat een partij een nieuw stuk of feit van overwegend belang heeft ontdekt of indien het een bezwaar betreft dat de openbare orde raakt"; het bestreden arrest heeft het bestaan van deze uitzonderingen te dezen uitgesloten).

4. Het in randnummer 6 van de grieven uiteengezette beginsel werd als volgt ontwikkeld door professor Th. VAN SINAY in zijn Handboek gerechtelijke verdeling (Larcier, Gent, 2010, blz. 267-268, randnrs. 396 en 398), die onder meer het volgende schrijft:
"396. Werd de staat van vereffening-verdeling door de rechtbank goedgekeurd, dan heeft de gerechtelijke verdeling haar eindpunt bereikt. ...
398. De staat is definitief en de verdeling is geen ontwerp meer, maar is een echte verdeling geworden die in principe vatbaar is voor uitvoering. De boedelnotaris zal mogelijks nog aanpassingen van zijn staat of van zijn ontwerp van verdeling dienen door te voeren. ... een delicaat punt is de waarde van het overgenomen goed. Het is mogelijk dat de staat van vereffening pas jaren nadat de schatting werd doorgevoerd, goedgekeurd wordt. Vraag is dan of de schatting van het on-roerend goed nog voldoende actualiteitswaarde heeft. De oplossing van dit vraag-stuk heeft natuurlijk zijn gevolgen voor de eventueel te betalen opleg. De regel is dat men zich voor wat betreft het opvullen van de kavels die bij die verdeling worden toebedeeld zo dicht mogelijk bij het ogenblik van de effectieve verdeling dient te plaatsen. Er wordt aangenomen dat het aan de notaris toekomt om de ge-schatte waarde in voorkomend geval aan te passen. Aldus is het mogelijk dat zelfs na de homologatie van de staat van vereffening-verdeling, in de uitvoeringsfase bij de boedelnotaris er zich nog geschillen voordoen. Het is mogelijk dat partijen zich door de aanpassing van de geschatte waarde van het onroerend goed ... be-nadeeld voelen. Partijen moeten de mogelijkheid hebben hun zienswijze op de op-lossing van deze geschillen naar voor te brengen om ze in voorkomend geval te laten beslechten door de rechtbank."

5. Het in randnummer 8 van de grieven uiteengezette beginsel is geba-seerd op de leer van professor Jean-Louis RENCHON (noot onder Bergen, 20 september 2005, Revue trimestrielle de droit droit familial, 2008/2, blz. 568), van wie voormelde auteur Th. VAN SINAY eveneens het gezag inroept.

II.2. TWEEDE MIDDEL

Geschonden wetsbepalingen
- Artikel 149 van de Grondwet,
- Artikel 6.1. van Bescherming van de Rechten van de Mens en de Funda-mentele Vrijheden, ondertekent op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 ("EVRM"),

Aangevochten beslissing

Na het hoger beroep van eiseres en het bij conclusie door verweerders regelmatig ingestelde (impliciet) incidenteel hoger beroep ontvankelijk te hebben verklaard en na te hebben beslist dat de grieven van eiseres geen afbreuk konden doen aan de definitieve (correct aangepaste) staat van vereffening-verdeling van 3 juni 2011 van de instrumentarende notaris-vereffenaar NÈVE, stelt het hof van beroep nog dat het toelaten van een meer uitgebreide discussie, zoals beoogd door eisers, de redelijke termijn in de zin van artikel 6.1 voor het Verdrag Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden zou (kunnen) brengen.

Het hof van beroep baseert zijn beslissing op volgende redenen:
"5.5. Bijgevolg en zoals reeds aangegeven kon/kan een navolgende discussie (na een eerste bezwarenprocedure) in beginsel enkel nog over de mate waarin de nota-ris-vereffenaar aan het rechterlijke bevel navolging heeft gegeven en/of tenzij zich nieuwe feiten van overwegend belang hebben voorgedaan.

Het is reeds gezegd dat de notaris-vereffenaar in casu correct navolging heeft ge-geven aan het rechterlijke bevel. Anders dan [eiseres], ziet ook het hof [van be-roep], met de eerste rechter, in casu evenmin een nieuw feit van overwegend be-lang.

Nog abstractie gemaakt van de vraag of de door [eiseres] overgelegde stukken de beweerde fenomenale waardestijging van de bedoelde onroerende goederen af-doende bewijzen, kan de beweerde waardestijging ingevolge de evolutie van de marktwaarde hier niet als een nieuw, onbekend en onvoorzienbaar feit gelden. Evenmin toont [eiseres] afdoende aan dat de beweerde fenomenale stijging van de immobiliënmarkt tussen 2005 en vandaag het gevolg is van "de crisis van 2008".

Maar bovendien, zoals reeds aangegeven, heeft [eiseres] in de aangegeven tijd-spanne (tussen november 2006 en oktober/november 2009) van de procedure voor de rechtbank/het hof deze beweerde fenomenale waardestijging van de te verdelen onroerende goederen na de schatting in 2005 nooit aangekaard.

In die optiek kan de door [eiseres] thans aangevoerde waardestijging van het on-roerende ouderlijke vermogen niet als een tijdig aangebracht, nieuw feit van overwegend belang worden aangezien.

5.6. Tot slot volgt het hof [van beroep] de zienswijze van de eerste rechter dat het toelaten van een meer uitgebreide discussie, zoals beoogd door [eiseres] de rede-lijke termijn in de zin van artikel 6, sub 1° EVRM in het gedrang zou (kunnen) brengen."

Het bestreden arrest neemt hiermee volgende reden van de eerste rechter over (vonnis van de eerste rechter, F° 0450, laatste lid):

"Een meer uitgebreide discussie zou bovendien meebrengen dat de redelijke ter-mijn in de zin van artikel 6, sub 1° E.V.R.M. in het gedrang komt. De notaris-vereffenaar én de rechtbank moeten erop toezien dat de afhandeling van een han-gende gerechtelijke vereffening-verdeling binnen een redelijke termijn verloopt (EHRM 28 november 2000, ‘SIEGEL t. Frankrijk', Rev. trim. dr. fam. 2001, 759, noot Y.-H. LELEU; EHRM 3 oktober 2003, ‘Kanoun t.. Frankrijk', Rev. trim. dr. fam. 2000, 891, noot B. VAREILLE; M. PUELINCKX-COENE, J. VERSTRAETE, N. GEELHAND en I. VERHAERT, "Overzicht van rechtspraak (1996-2004): Erfenissen", T.P.R. 2005, p. 648-649, nr. 299, p. 653-656, nr. 303-304) . Een en ander overkapt gebeurlijk een actualisering in het licht van artikel 890 B.W. (zie ook en vgl.: Cass. 2 februari 2012, T. Fam. 2012, 207, noot L. VOET; Ch. DECLERCK, "Kroniek familiaal vermogensrecht (1 juli 2011 - 30 juni 2012): Secundair familiaal vermogensrecht", in W. PINTENS en Ch. DECLERCK, Patrimonium 2012, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 27, nr. 48)."

Grieven

1. Artikel 149 van de Grondwet vereist dat elk vonnis of arrest met rede-nen zou worden omkleed.

2. Krachtens artikel 6.1 van het in de aanhef van het middel vermelde Verdrag "[heeft eenieder] [b]ij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en ver-plichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging ... recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld".

3. In haar synthesebesluiten in beroep, neergelegd op 9 november 2013, blz. 17 en 18, zette eiseres op uitgebreide wijze uiteen waarom zij beschouwde dat het ten onrechte was dat de eerste rechter naar voormeld artikel 6.1. EVRM had verwezen.

4. Na die bepaling van het EVRM te hebben geciteerd, liet eiseres onder meer het volgende gelden:

"Hierbij is de notie ‘redelijk termijn' slechts één van de onderdelen. De klemtoon ligt op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Het aanwenden van de rechtsmid-delen is dan ook een fundamenteel recht en het ontzeggen hiervan omdat dat lan-ger duurt is volkomen in strijd met artikel 6 EVRM !

Daarenboven zou een verdeling zonder actualisatie tot een dusdanig onrechtvaar-dige situatie leiden dat het precies hierdoor is dat de rechten van de mens zouden geschonden worden"

5. Door enkel aandacht te hebben voor de "redelijke termijn" waarvan sprake in voormeld artikel 6.1. van het EVRM, zonder ruimer na te gaan of de vordering van eiseres wel degelijk de eerlijke behandeling van de zaak in het ge-drang zou brengen, schendt het bestreden arrest voormelde bepaling (schending artikel 6.1. EVRM), en laat het alleszins blz. 17 en 18 van voormelde synthesebe-sluiten in beroep en meer bepaald de hierboven geciteerde passage ervan onbe-antwoord (schending van artikel 149 van de Grondwet).

ONTWIKKELING

1. Het middel vereist geen ontwikkeling.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

besluit voor eiseres ondertekende advocaat bij het Hof van cassatie dat het u be-hage, Hooggeachte Heren en Dames, het bestreden arrest te vernietigen, te beve-len dat er melding gemaakt wordt van de vernietiging op de kant van de vernietig-de beslissing, de zaak en de partijen naar een ander hof van beroep te verwijzen en over de kosten te oordelen als naar recht.

Brussel, 13 januari 2016

Bijlage 1. Verklaring van de waarde van de vordering voor het vaststellen van het bedrag van het rolrecht

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 01/10/2017 - 19:21
Laatst aangepast op: zo, 01/10/2017 - 19:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.