-A +A

actio iudicati

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De actio iudicati is letterlijk de vordering (actio) [tot uitvoering van hetgene door de] rechter [werd] uitgesproken (iudicati).

Het is dus de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak die sedert de inwerkingtreding van de Verjaringswet van 10 juni 1998 onderworpen is aan de tienjarige verjaringstermijn van art. 2262bis, § 1, eerste lid BW. Deze verjaringstermijn gaat in principe in vanaf de dag van de uitspraak en niet vanaf het in kracht van gewijsde gaan van die uitspraak.

De actio iudicati is de vordering met het oog op de tenuitvoerlegging van een gerechtelijke titel die zich heeft uitgesproken over een vordering.

Een vonnis of arrest inhoudende een burgerlijke vordering brengt een nieuwe vordering tot stand die de uitvoering van het vonnis als voorwerp heeft.

Ingevolge de nieuwe verjaringswetten is de verjaringstermijn van die nieuwe vordering is tien jaar, zelfs wanneer de veroordelingen werden uitgesproken krachtens schuldvorderingen die aan een kortere of langere verjaringstermijn onderworpen zijn.

Deze verjaring wordt gestuit door:
- de betekening van een bevel tot betaling door een gerechtsdeurwaarder
- een uitvoerend of bewarend beslag
- door erkenning, door de tegenpartij, van de aanspraak die het voorwerp is van de verjaring
- door afstand van de verkregen verjaring of van het reeds verstreken gedeelte van de verjaring
- het instellen van een eis voor de rechtbank

Een vonnis dat reeds betekend werd kan teneinde de verjaring te stuiten herbetekend worden en deze herbetekening strekt zelfs tot aanbeveling. Dit kan ook opgelost worden door een herhaald bevel of een beslag.

Door de (her)betekening van het vonnis, het betekenen van een herhaald bevel, of het leggen van een bewarend of uitvoerend beslag op roerende goederen in het uitvoeringsdossier, wordt de verjaring aldus gestuit, en begint de verjaringstermijn van 10 jaar van de betekeningsdatum opnieuw te lopen.

De verjaringstermijn van 10 jaar ten aanzien van vonnissen en arresten in verband met persoonlijke rechtsvorderingen, waarvan de uitvoering al begonnen was vóór 27.07.1998 begint opnieuw te lopen vanaf 27.07.1998, zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn meer dan dertig jaar mag bedragen.

Concreet: voor een vonnis of arrest daterend van vóór 27.07.1998, begint de tienjarige verjaringstermijn opnieuw begint te lopen per 27.07.2008.

De verjaring is verkregen is wanneer de laatste dag van de vereiste tijd is verlopen. 27.07.2008 valt op een zondag. Volgens het Hof van Cassatie geldt de regel dat indien de laatste dag van de termijn op een zondag of een feestdag valt, hij niet verplaatst wordt naar de eerstvolgende werkdag.

wettelijk bronnen:

wet dd. 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring” (B.S. 17 juli 1998), waarbij de verjaringstermijn van de actio iudicati teruggebracht van 30 jaarnaar 10 jaar. Deze wet trad in werking op 27.07.1998. De wet voorziet in een overgangsregeling en wijzigde de hiera vermelde artikels van het burgerlijk wetboek in volgende zin:

Art. 2262 Bur. Wb. <W 1998-06-10/39, art. 4, 004; Inwerkingtreding: 27-07-1998>
Alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van dertig jaar, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen.

Art. 2262bis Bur. Wb. <Ingevoegd bij W 1998-06-10/39, art. 5; Inwerkingtreding: 27-07-1998>

§ 1. Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar. In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.
§ 2. Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende twintig jaar na de uitspraak.

Nog dit: 

Rechtspraak:

• Hof van Beroep te Gent, 14e bis Kamer – 15 februari 2011, RW 2013-2014, 1506

Gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur provincie Antwerpen t/ B.J.

I. Wat voorafging

1. Geïntimeerde was samen met zijn echtgenote B.D. eigenaar van een bungalow, gelegen te S. Deze bungalow bevond zich op de (...) aan de (...), palende aan de (...). Geïntimeerde voerde in 1974 werken uit aan de bungalow zonder uitdrukkelijke en schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen.

Bij vonnis van 12 juni 1975 werd geïntimeerde door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen voor deze stedenbouwkundige misdrijven veroordeeld tot een effectieve geldboete van 100 fr. en tot het herstel van de plaats in zijn oorspronkelijke toestand binnen een termijn van acht maanden, te rekenen vanaf de uitspraak van het vonnis. Tevens werd de gemachtigde ambtenaar of het college van burgemeester en schepenen gemachtigd om bij gebreke aan uitvoering door geïntimeerde, van ambtswege tot de uitvoering van het vonnis over te gaan.

Geïntimeerde stelde geen hoger beroep in tegen dit vonnis dat vijftien dagen na de uitspraak, d.i. op 26 juni 1975, in kracht van gewijsde is getreden.

2. Meer dan dertig jaar na de uitspraak, meer bepaald op 14 februari 2006, gaat appellant over tot de betekening van het vonnis aan geïntimeerde met bevel om over te gaan tot uitvoering.

Aan geïntimeerde wordt het bevel gegeven om overeenkomstig de beschikkingen van het vonnis van 12 juni 1975 over te gaan tot afbraak van het houten zomerhuis, inclusief bodemplaat en funderingen, de verwijdering van de afbraakmaterialen van het terrein en het herstel van de bodem in zijn oorspronkelijke staat.

Bij brief van 17 mei 2006 wordt geïntimeerde er door de gerechtsdeurwaarder op verzoek van appellant op gewezen dat hij gehouden is appellant in kennis te stellen van de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel en de kosten van de procedure te vereffenen.

Op 12 januari 2007 laat appellant een herhaald bevel betekenen aan geïntimeerde tot het betalen van de kosten, begroot op 382,92 euro en gaat hij over tot het leggen van uitvoerend beslag op een vrachtwagen (...).

3. Bij brief van 7 mei 2007 van zijn raadsman tekent geïntimeerde bezwaar aan tegen de uitvoering van het vonnis van 12 juni 1975, voert hij aan sedert jaren geen eigenaar meer te zijn van de woning die hij verkocht heeft en betwist hij de actualiteit van de titel.

Bij brief van 6 september 2007 repliceert appellant dat de verkoop van het onroerend goed hem niet kan worden tegengeworpen en dat geïntimeerde gehouden blijft om de herstelmaatregel uit te voeren.

Bij brief van 28 november 2007 zendt de raadsman van geïntimeerde aan appellant het ontwerp van dagvaarding die hij zal betekenen om het executiegeschil voor te leggen aan de beslagrechter en vraagt hij zich af of het werkelijk nodig is zijn cliënt verder op kosten te jagen voor de uitvoering van een vonnis dat al meer dan dertig jaar werd uitgesproken m.b.t. een onroerend goed, door zijn cliënt reeds in 1984 verkocht. Bij brief van 4 februari 2008 dringt de raadsman van geïntimeerde aan om het standpunt van appellant te vernemen.

Bij antwoordbrief van 12 februari 2008 laat appellant weten dat het vonnis tijdig werd betekend, zodat de titel niet verjaard is en de uitvoering nog steeds kan plaatsvinden en dat er geen sprake is van rechtsmisbruik of rechtsverwerking.

Bij exploot van 24 juni 2008 laat appellant andermaal de uitgifte betekenen van het vonnis van 12 juni 1975, samen met een herhaald bevel om de hoofdveroordeling van dit vonnis uit te voeren en de mededeling dat bij gebreke hieraan de gemachtigde overheid zich het recht voorbehoudt om conform de beschikkingen van het vonnis en de bepalingen van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de werken uit te voeren in de plaats van geïntimeerde en op diens kosten.

Op 28 januari 2009 vraagt appellant via zijn gerechtsdeurwaarder de betaling van de kosten en dreigt hij over te gaan tot gedwongen uitvoering.

Bij exploot van 21 april 2009 vraagt appellant opnieuw de betaling van de nog verschuldigde kosten, begroot op 165,91 euro.

Op 16 september 2009 laat appellant een herhaald bevel betekenen tot het betalen van de openstaande kosten, begroot op 467,99 euro, en laat hij opnieuw uitvoerend beslag leggen op voornoemde lichte vrachtwagen.

4. Bij exploot van 6 oktober 2009 tekent geïntimeerde verzet aan tegen de akte van betekening-bevel van 14 februari 2006 en de daaropvolgende uitvoeringshandelingen, meer bepaald het uitvoerend roerend beslag van 12 januari 2007, het exploot van herhaald bevel van 21 april 2009 en het uitvoerend roerend beslag van 16 september 2009. Hij vroeg meer bepaald:

– te zeggen voor recht dat de betekening van het vonnis van 12 juni 1975 met bevel op 14 februari 2006 gebeurde krachtens een niet langer actuele titel en dus manifest laattijdig en onwettig is geschied;

– te zeggen voor recht dat de daaropvolgende uitvoeringsdaden eveneens onwettig zijn en de kosten daarvan door geïntimeerde niet verschuldigd zijn, in het bijzonder de betekening van het vonnis op 14 februari 2006, het proces-verbaal van uitvoerend roerend beslag van 12 januari 2007, het exploot van bevel tot betalen van 21 april 2009 en het proces-verbaal van uitvoerend roerend beslag van 16 september 2009;

– de opheffing van de beslagen op roerend goed van 12 januari 2007 en 16 september 2009 te bevelen onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 euro per dag vertraging na verloop van vijf dagen na de betekening van de uit te spreken beschikking;

– terugbetaling te bevelen van de som van 180,76 euro te verhogen met de wettelijke rente daarop vanaf datum van betaling, d.i. vanaf 19 maart 2007 tot aan de algehele betaling;

– appellant te veroordelen tot het betalen aan hem van een schadevergoeding van 1.250 euro wegens tergende uitvoering met de gerechtelijke interesten tot aan de dag van de algehele betaling;

– ...

Het verzet werd toelaatbaar en gegrond verklaard bij de thans voor dit hof bestreden beschikking. De eerste rechter oordeelde dat geïntimeerde zich terecht beriep op de termijn van art. 2262 BW om de zakelijke rechtsvordering uit het vonnis van 12 juni 1975 na dertig jaar verjaard te zien. Het bevel van 14 februari 2006 en de daaropvolgende uitvoeringsdaden werden opgeheven onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging na verloop van vijf dagen na betekening van de beschikking en beperkt tot een totaal van 5.000 euro. Het meer gevorderde en de tegeneis in schadevergoeding wegens tergende en roekeloze uitvoering werden ongegrond verklaard. Tevens verklaarde de eerste rechter zich onbevoegd om te oordelen omtrent de vordering van geïntimeerde tot terugbetaling van de som van 180,76 euro, te verhogen met de rente vanaf 19 maart 2007.

5. Appellant vraagt in hoger beroep de vernietiging van de bestreden beschikking en opnieuw recht doende, de vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren met veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

Geïntimeerde vraagt, eventueel na het stellen van een prejudiciële vraag, waarbij moet worden onderzocht of de bepaling van art. 153, vijfde lid Decreet Ruimtelijke Ordening (hierna: DRO) (thans art. 6.1.41, § 1, laatste lid Vlaamse Code Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO)) geen schending inhoudt van de federale verjaringswetgeving van 10 juni 1998, de vordering van appellant af te wijzen als ongegrond en zijn vordering integraal gegrond te verklaren, zoals in eerste aanleg gesteld (...).

...

Geïntimeerde stelt bijgevolg incidenteel beroep in voor zover zijn verzet door de eerste rechter werd afgewezen, wat betreft het bedrag van de gevorderde dwangsom, de terugbetaling van de betaalde sommen en de schadevergoeding wegens tergende uitvoering.

Meer in het bijzonder voert geïntimeerde aan dat de ten uitvoer gelegde titel niet langer actueel was op het ogenblik van de betekening, dat appellant niet de vereiste hoedanigheid had om de titel ten uitvoer te leggen, minstens dat er sprake is van rechtsverwerking.

II. Beoordeling

A. Wat de gegrondheid van het hoofdberoep betreft

6. Het geschil tussen partijen betreft de vraag wat het precieze aanvangspunt en duur is van de verjaringstermijn van het recht van appellant om over te gaan tot gedwongen uitvoering van de herstelmaatregel, opgelegd bij het vonnis van 12 juni 1975, en of deze verjaringstermijn op het tijdstip van de betekening van het vonnis met bevel tot uitvoering, namelijk 14 februari 2006, al dan niet verjaard was.

In tegenstelling tot wat geïntimeerde opwerpt, beschikt appellant over de vereiste hoedanigheid om over te gaan tot uitvoering van de actio judicati, omdat hij de rechtsopvolger is van de gemachtigde ambtenaar, in wiens voordeel de titel werd uitgesproken.

7. Appellant voert aan dat de actio judicati niet verjaard is en dat zowel onder het gemene recht, als ingevolge de toepassing van art. 153, vijfde lid van het DRO (nu art. 6.1.46, laatste lid VCRO) het aanvangspunt van de verjaringstermijn van de actio judicati samenvalt met het einde van de door de rechter toegestane termijn voor vrijwillig herstel. Hij werpt op dat de termijn van acht maanden voor vrijwillig herstel is ingegaan bij het in kracht van gewijsde treden van het vonnis van 12 juni 1975, meer bepaald tien dagen na de uitspraak ervan, dit is op 23 juni 1975, en is verstreken op 23 februari 1976. Dit heeft tot gevolg dat de verjaringstermijn van dertig jaar volgens de oude regeling liep vanaf het verstrijken van de termijn voor vrijwillig herstel, dit is vanaf 23 februari 1976 tot 23 februari 2006, en dat ook volgens de nieuwe verjaringswet van 10 juni 1998 de verjaringstermijn pas is verstreken op 23 februari 2006, zodat de betekening op 14 februari 2006 tijdig is geschied en een nieuwe verjaringstermijn van tien jaar liet lopen, die pas zal verstrijken op 14 februari 2016.

Volgens geïntimeerde was de uitvoerbare titel van appellant op het tijdstip van de uitvoering niet meer actueel en de actio judicati van appellant na dertig jaar verjaard conform art. 2262 BW. Aangezien de actio judicati volgens geïntimeerde een aanvang nam bij het in kracht van gewijsde treden van het vonnis na verloop van vijftien dagen na de uitspraak, meer bepaald op 27 juni 1975, en de termijn verstreken is op 27 juni 2005, is de betekening op 14 februari 2006 niet tijdig geschied en zijn alle daarop gebaseerde uitvoeringsdaden onwettig.

8. Rechterlijke uitspraken kunnen op heden gedurende tien jaar vanaf de uitspraak ten uitvoer worden gelegd. De actio judicati, d.i. de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak, is sedert de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet van 10 juni 1998 onderworpen aan een tienjarige verjaringstermijn (art. 2262bis, § 1 BW). Wat het overgangsrecht van de nieuwe verjaringswet betreft, die in onderhavig geschil van belang is, gelet op de datum van de uitspraak van het vonnis (12 juni 1975), bepaalt art. 10 van de wet van 10 juni 1998 dat de nieuwe verjaringstermijn van tien jaar – voorheen gold voor de uitvoering van rechterlijke uitspraken een verjaringstermijn van dertig jaar – pas begint te lopen vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet, d.i. op 27 juli 1998, zonder dat de totale duur meer dan dertig jaar mag bedragen. Met andere woorden, voor titels die ontstaan zijn vóór haar inwerkingtreding, zoals onderhavig vonnis van 12 juni 1975, begint de nieuwe verjaringstermijn van tien jaar pas te lopen vanaf de datum van inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet (27 juli 1998), maar mag de totale duur van de termijn nooit langer zijn dan dertig jaar).

Volgens de oude verjaringsregeling bedroeg de verjaringstermijn dus dertig jaar, zodat de actio judicati, behoudens stuiting, strikt genomen zou verjaren op 12 juni 2005, dit is dertig jaar na de datum van de uitspraak van het vonnis, en niet op 27 juni 2005 (dertig jaar na het in kracht van gewijsde treden van het vonnis) zoals appellant ten onrechte beweert. Aangezien volgens de overgangsregeling van de nieuwe verjaringswet van 10 juni 1998 de totale duur van de verjaringstermijn ook niet meer mag bedragen dan dertig jaar, zou de verjaringstermijn volgens deze regeling eveneens verstrijken op 12 juni 2005.

De verjaringstermijn gaat immers in principe reeds in vanaf de uitspraak (12 juni 1975) en niet vanaf het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis, zoals appellant ten onrechte aanvoert.

9. Wat het aanvangspunt van de verjaringstermijn betreft, beroept appellant zich echter zowel op het gemene recht (art. 2257 BW) als op art. 153, vijfde lid van het DRO (thans art. 6.1.46, laatste lid VCRO) tot staving van zijn stelling dat de verjaring geen aanvang heeft genomen bij de uitspraak van het vonnis (12 juni 1975), maar pas een aanvang heeft genomen vanaf het verstrijken van de termijn van acht maanden, die de rechtbank in de uitspraak bepaalde voor de tenuitvoerlegging van de bevolen herstelmaatregel.

De vordering van appellant om van geïntimeerde vrijwillig herstel te eisen van de plaats in haar oorspronkelijke toestand, en in voorkomend geval – bij gebreke van vrijwillig herstel – zelf van ambtshalve tot herstel over te gaan – is onmiddellijk ontstaan bij de uitspraak van het vonnis.

Overeenkomstig art. 153, vijfde lid DRO (thans art. 6.1.46, laatste lid VCRO) neemt de verjaring van de herstelmaatregel een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn die de rechtbank, overeenkomstig art. 149, § 1, laatste lid (thans art. 6.1.41, § 1, laatste lid VCRO) bepaalde voor de tenuitvoerlegging ervan. Het vijfde lid werd toegevoegd aan art. 153 DRO door art. 9, 2o van het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft (BS 22 augustus 2003).

Het decreet van 4 juni 2003 trad in werking op de datum van de publicatie in het Belgisch Staatsblad (art. 12 decreet 4 juni 2003), dit is 22 augustus 2003, en bevat geen overgangsregeling.

Krachtens art. 2257, derde lid BW loopt de verjaring niet ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verstreken is. Het aanvangspunt van de verjaringstermijn valt bijgevolg ook krachtens het gemene recht samen met het einde van de door de rechter toegestane termijn voor vrijwillig herstel.

Het hof stelt vast dat het verweer van appellant m.b.t. het aanvangspunt van de verjaringstermijn op grond van voornoemde bepalingen van de VCRO en het Burgerlijk Wetboek niet belet dat de actio judicati van appellant op 14 februari 2006 verjaard was. Immers, aangezien de rechtbank de termijn voor de tenuitvoerlegging van het vonnis heeft bepaald op acht maanden “vanaf heden”, d.i. vanaf de dag van de uitspraak van het vonnis op 12 juni 1975, en aangezien noch de betekening van dit vonnis noch het in kracht van gewijsde treden ervan vijftien dagen later (op 27 juni 1975) blijkens het vonnis vereist was om de termijn voor vrijwillig herstel van acht maanden een aanvang te laten nemen, is de uitvoeringstermijn van acht maanden verstreken op 12 februari 1976, zijnde acht maanden na de uitspraak. Dit heeft voor gevolg dat de verjaringstermijn van de actio judicati van dertig jaar op 12 februari 1976 een aanvang heeft genomen om te verstrijken op 12 februari 2006 en de betekening door appellant op 14 februari 2006 niet tijdig is geschied, omdat de actio judicati reeds verjaard was.

Het hoger beroep van appellant is ongegrond. De titel van appellant kon ingevolge verjaring niet meer worden uitgevoerd, zodat het bevel van 14 februari 2006 en alle daarop volgende uitvoeringsdaden dienden te worden opgeheven. Appellante kon op 14 februari 2006 en daarna niet meer overgaan tot betekening met bevel tot betalen op grond van het vonnis van 12 juni 1975.

B. Wat het incidenteel beroep betreft

10. Aangezien de voor uitvoering aangewende titel niet langer actueel was op het ogenblik dat appellant overging tot betekening van het vonnis en de actio judicati op dat tijdstip reeds verjaard was, heeft de eerste rechter terecht de opheffing bevolen van alle uitvoeringshandelingen onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag, beperkt tot een totaal van 5.000 euro.

Gelet op art. 1385ter Ger.W. kan de dwangsom pas ingaan na betekening van de beschikking van de beslagrechter, zoals thans bevestigd door dit hof. Het hof ziet geen aanleiding om het bedrag van de dwangsom op een hoger bedrag te bepalen, zoals gevraagd door geïntimeerde.

11. Ten onrechte verklaarde de eerste rechter zich onbevoegd om uitspraak te doen over de vordering van geïntimeerde om terugbetaling te bevelen van de som van 180,76 euro, te verhogen met de wettelijke interest daarop vanaf de datum van betaling, dit is vanaf 19 maart 2007, tot aan de algehele betaling.

Nu vaststaat dat de betaling van deze sommen betrekking heeft op uitvoeringshandelingen die op verzoek van appellant ten onrechte werden verricht op grond van een titel die zijn uitvoerbare actualiteit had verloren en die bij de bestreden beschikking terecht werden opgeheven, kon appellant niet overgaan tot gedwongen invordering van deze gelden en dienen deze door appellant aan geïntimeerde te worden terugbetaald, vermeerderd met de interest vanaf de dag van betaling (19 maart 2007) tot aan de dag van de algehele betaling.

De betaling geschiedde naar aanleiding van het uitvoerend roerend beslag op 12 januari 2007, dat werd gelegd op verzoek van appellant ter invordering van de kosten die werden gemaakt naar aanleiding van de betekening van 14 februari 2006. Onder dreiging van een openbare verkoop van de in beslag genomen vrachtwagen, heeft geïntimeerde de betaling van 180,76 euro verricht op 19 maart 2007. Dit bedrag dient te worden terugbetaald, vermeerderd met de wettelijke rente.

12. Geïntimeerde vraagt opnieuw dat appellant zou veroordeeld worden tot betaling van een schadevergoeding van 1.250 euro wegens pertinent laattijdige en onwettige, tergende en roekeloze uitvoering.

Aangezien geïntimeerde krachtens het vonnis van 12 juni 1975 de plicht had om over te gaan tot herstel binnen een termijn van acht maanden vanaf de uitspraak (12 juni 1975-12 februari 1976) en aangezien appellant ingevolge art. 2262 BW, zoals gewijzigd bij de verjaringswet van 10 juni 1998, en rekening houdend met de bepalingen van het DRO het recht had om over te gaan tot ambtshalve uitvoering van het vonnis gedurende een periode van dertig jaar, ingaand bij het verstrijken van de hersteltermijn op 12 februari 1976, is de betekening van het exploot met bevel op 14 februari 2006 geschied amper twee dagen na het verstrijken van de verjaringstermijn.

Deze betekening kan niet worden beschouwd als tergend en roekeloos.

De vordering tot schadevergoeding is ongegrond.

...

• Cass. 7 maart 2003, RW 2004-05, 225;

• Cass. 18 februari 2010, Arr.Cass. 2010, 474;

• Vred. Thuin 12 februari 2007, JLMB 2007, 1012.
 

De actio iudicati in het Romeins recht

De actio iudicati had in het Romeins recht een andere betekenis. 

Indien een eiser een proces had gewonen en de veroordeling had bekomen van de gedaagde en hierop geen vrijwillige betaling bekwam dient de eiser de gedaagde en tweede maal voor de rechter te brengen middels een actio iudicati. In deze procedure werd onderzocht of de eiser beschikte over een deugdelijke uitvoerbare titel. Indien dit bleek het geval te zijn bekwam de eiser de mogelijkheid om het op vonnis ten uitvoer te leggen het weze door beslag op de goederen van de verweerder , het weze door middel van lijfsdwang, waarbij de schuldeiser het recht kreeg op de schuldenaar mee naar huis te nemen. Bovendien werd bij deze tweede veroordeling van de debiteur de oorspronkelijke som waartoe hij veroordeeld was verdubbeld. Dit vastgelegd in het adagium” infitiando lis crescit in duplum”, hetgeen betekent, door te ontkennen groeit het geschil uit tot het dubbele.

De actio iudicati was aldus de procedure in het Romeins recht waardoor aan een gerechtelijke uitspraak een uitvoerbare titel kon verleend worden

DE VORDERING TOT UITVOERING VAN EEN GERECHTELIJKE UITSPRAAK VERJAART NA 10 JAAR

Rechtspraak:
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank, beslagrechter Sven Mosselmans
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: zon, 08/05/2011
Publicatie tijdschrift: NJW
Uitgever: Kluwer 
Jaargang: 2013/289, Pagina, 760

Beslagrechter Gent, 8 mei 2012, NJW, 2013/289, 760

samenvatting

Een gedeeltelijke betaling van een verjaarde schuld houdt geen afstand van verjaring in voor het saldo.
Een betaling door een schuldenaar van een verjaarde schuld met melding "voor slot van alle rekeningen" is een geldige betaling als uitvoering van een natuurlijke verbintenis maar houdt geen erkenning in voor een restsaldo, laat staan een verjaringstuitende daad.
Eens er een vonnis is verleend heeft een partij geen vorderingsrecht meer op bais van een overeenkomst of een onrechtmatige daad, of de wet, maar een vorderingsrecht op basis van het vonnis, de zogenaamde actio Judicati (of iudicati), Deze vordering verjaart na 10 jaar en kan gestuit worden. Maar een partiële betaling of deelbetaling maakt geen stuiting uit.

tekst vonnis
[ ... ]

FB

eiser tot verzet tegen uitvoerend beslag op roerend goed - beslagen schuldenaar,[ ... ]

tegen LAG 2.BM

verweerders - beslagleggende schuldeisers, [ ... ]

[ ... ]

ll. LITIGIEUZE TENUITVOERLEGGING

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 31 oktober 2011 laten de verweerders

in uitvoering van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde van 28 april 1992, waarbij deze rechtbank de eiser en zijn toenmalige echtgenote (M V) veroordeelt om aan de verweerders te betalen een bedrag van 400.000 BEF, meer interesten en kosten,

na de betekening van de uitgifte van dit vonnis op 21/25 mei 1992, waarna het, bij gebrek aan hoger beroep, in kracht van gewijsde is getreden, na de betekening van een bevel tot betalen op 3 juli 1996,

na de (deel)betaling door de eiser ten bedrage van 13.299,73 euro op 16 februari 2011,

na de betekening van een bijkomend bevel tot betalen op 10 maart 2011,

ten laste van de eiser uitvoerend beslag op roerend goed leggen op een aantal roerende goederen/inboedel/meubilair die zich op zijn actuele adres te bevinden.

Het exploot van beslag bevat de kennisgeving dat de uitvoering (uitwinning) zal worden vervolgd middels gerechtelijke verkoop op 9 december 2011.

III. VORDERING

1. Bij dagvaarding van 29 november 2011 verzet de eiser zich tegen het voormelde beslag, nu de oorzaak ervan niet langer actueel is. De eiser stelt centraal dat de onderliggende schuldvordering, die voortvloeit uit het voormelde vonnis van 28 april 1992, omwille van verjaring aan actualiteit heeft ingeboet. De uitvoerbare titel waarin zij neerligt, is derhalve niet langer actueel, derwijze dat de tenuitvoerlegging een onrechtmatig karakter vertoont.

In die optiek vordert hij de opheffing van het voormelde beslag.

2. De verweerders als beslagleggende schuldeisers nemen conclusie tot afwijzing van deze vordering.

IV. BEOORDELING

1. Met de eiser is de beslagrechter van oordeel dat de aan de litigieuze tenuitvoerlegging onderliggende schuldvordering, die voortvloeit uit het voormelde vonnis van 28 april 1992, omwille van verjaring aan actualiteit heeft ingeboet. De uitvoerbare titel waarin zij neerligt, is derhalve niet langer actueel, derwijze dat de tenuitvoerlegging een onrechtmatig karakter vertoont.

De zogeheten actio judicati, de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak (zoals het voormelde vonnis van 28 april 1992), is onderworpen aan een verjaringstermijn van tien jaar (in de zin van art. 2262bis, § 1, eerste lid B.W.), ook al gaat het om een veroordeling die is uitgesproken krachtens een schuldvordering waarop een kortere verjaringstermijn van toepassing is (E. DIRIX en K. BROECKX, "Beslag", A.P.R. 2010, p. 171, nr. 238 en p. 363, nr. 538; zie ook: Cass. 18 februari 2010, Pas. 2010, 496; R. DEKKERS en E. DIRIX, Handboek burgerlijk recht, II, Zakenrecht - Zekerheden - Verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 519, nr. 1242).

Deze bij wet van 10 juni 1998 (B.S. 17 juli 1998) bepaalde verjaringstermijn begint (overgangsrechtelijk gezien) slechts te lopen vanaf de inwerkingtreding ervan. De bedoelde verjaring is zodoende ingetreden op 27 juli 2008, terwijl geen tussentijdse stuitingsdaden voorliggen die maken dat nieuwe termijnen van tien jaar zijn beginnen lopen. De bedoelde verjaring is zodoende ingetreden ten tijde van voormelde litigieuze daden van tenuitvoerlegging: het bevel tot betalen van 10 maart 2011 en het beslag van 31 oktober 2011.

2. De verweerders stellen vergeefs dat de eiser met zijn deelbetaling ten bedrage van 13.299,73 euro op 16 februari 2011 (1) afstand heeft gedaan van een gebeurlijk verkregen verjaring voor het saldo (artt. 2220-2221 B.W.) dan wel (2) de bedoelde (rest)schuld heeft erkend (art. 2248 B.W.).

De eiser heeft de bedoelde deelbetaling uitdrukkelijk gedaan 'tot slot van alle rekeningen tussen de partijen'. Het betrof volgens de eiser zijn aandeel in de bedoelde schuld ten aanzien van de verweerders, terwijl zijn ex-echtgenote (Marijke VAN MULEM) voor het overige aandeel zou moeten instaan.

De bedoelde deelbetaling geldt als uitvoering van een natuurlijke verbintenis en is zodoende niet terugvorderbaar (R. DEKKERS en E. DIRIX, Handboek burgerlijk recht, II, Zakenrecht - Zekerheden - Verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 527, nr. 1265).

Zij heeft, gelet op de clausulering als zijnde 'tot slot van alle rekeningen', evenwel een beperkte draagwijdte (zie omtrent de wilsautonomie dienaangaande: S. STIJNS, I. SAMOY en A. LENAERTS, "De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring", RW 2010-11, p. 1550 e.v., nrs. 33 e.v.). Zij behelst op die manier geen afstand van de verkregen verjaring voor het saldo (in de zin van de artt. 2220-2221 B.W.). Een afstand moet klaar en duidelijk zijn en mag enkel worden afgeleid uit handelingen die niet anders kunnen worden uitgelegd dan als de wil zich niet op de verjaring te beroepen (Cass. 23 september 1988, RW 1988-89, 649; A. VAN OEVELEN, "Conventionele bedingen inzake de verjaring", in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht ~ Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, p. 125-126, nr. 6).

Zij behelst op die manier evenmin een erkenning van de bedoelde (rest)schuld (in de zin van art. 2248 B.W.). Een erkenning strekt overigens tot stuiting (Cass. 29 oktober 1990, RW 1990-91, 917; R. DEKKERS en E. DIRIX, Handboek burgerlijk recht, II, Zakenrecht ~ Zekerheden ~ Verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 515, nr. 1233; C. LEBON, "Stuiting, schorsing en verlenging van verjaringstermijnen", in I. CLAEYS (ed.), Verjaring in het privaatrecht ~ Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, p. 110-111, nr. 34).

In casu was evenwel ten tijde van de deelbetaling op 16 februari 2011 de verjaring reeds ingetreden. Zij kon op dat ogenblik niet meer worden gestuit. Afstand door de eiser van de reeds verkregen verjaring was daarentegen wel mogelijk. Een afstand met betrekking tot de reeds verkregen verjaring voor het saldo kan echter niet worden gezien in de deelbetaling 'tot slot van alle rekeningen'.

3. De verweerders beroepen zich even vergeefs op het adagium 'contra non valentem agere, non currit praescriptio'. Op grond van dit adagium loopt de verjaring van een vordering niet tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert de vordering in te stellen wegens een beletsel. De verjaringstermijn blijft dan geschorst zolang dit beletsel niet is opgeheven. De precieze draagwijdte van het adagium is onzuiver. Het betreft geen algemeen rechtsbeginsel (Cass. 30 juni 2006, J.L.M.B. 2006, 152; S. STIJNS, I. SAMOY en A. LENAERTS, "De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring", RW 2010-11, p. 1555, nr. 52).

Hoe dan ook tonen de verweerders allerminst aan in de onmogelijkheid te

hebben verkeerd om eerder dan (27 juli 2008) te ageren, al was het middels een bijkomend bevel tot betaling. Zij kunnen niet verhelpen met de loze aanvoering dat zij hun schuldvordering te gepasten tijde niet dienstig konden recupereren.

[ ... ]

OP DEZE GRONDEN, DE BESLAGRECHTER,

[ ... ]

zegt voor recht dat het litigieuze uitvoerend beslag op roerend goed (bij gerechtsdeurwaardersexploot van 31 oktober 2011 ten verzoeke van de verweerders en ten laste van de eiser) een onrechtmatig karakter vertoont en derhalve niet kan dienen voor verdere tenuitvoerlegging,

beveelt dientengevolge de opheffing van het uitvoerend beslag op roerend goed, veroordeelt de verweerders om binnen acht dagen na de uitspraak van het voorliggende vonnis vrijwillig opheffing te verlenen van het uitvoerend beslag op roerend goed,

zegt voor recht dat, bij gebrek aan vrijwillige opheffing binnen deze termijn, het voorliggende vonnis als titel tot opheffing zal gelden,

[ ... ]

Noot onder dit vonnis gewezen door voormalig beslagrechter Sven Mosselmans:
A. Vanderhaeghen, Verjaring schuldvordering bij uitvoerend beslag, NJW 289, 762.

 

zie ook Cass. 07/11/2011, RW 2013-2014, 538

samenvatting

Art. 1234 BW bepaalt dat verbintenissen tenietgaan door betaling.

Art. 1235, eerste lid BW bepaalt dat iedere betaling een schuld onderstelt: hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd.

Ook al kan de betaling leiden tot de afstand van de verkregen verjaring in de zin van art. 2220 BW, kan die betaling, aangezien zij de verbintenis doet tenietgaan, onmogelijk, in tegenstelling tot wat het middel beweert, het aanvangspunt vormen van een verjaring die op die verbintenis niet meer van toepassing is.

Hoewel een betaling slechts gedeeltelijk kan zijn en de verbintenis alleen maar tot beloop van het bedrag van die betaling kan tenietdoen, volgt hieruit nietverschuldigde gedeeltelijke betaling noodzakelijkerwijs leidt tot de erkenning van het bestaan van een schuld die het betaalde bedrag overstijgt.

tekst arrest

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 27 oktober 2005.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Art. 1234 BW bepaalt dat verbintenissen tenietgaan door betaling.

Art. 1235, eerste lid BW bepaalt dat iedere betaling een schuld onderstelt: hetgeen betaald is zonder verschuldigd te zijn, kan worden teruggevorderd.

Ook al kan de betaling leiden tot de afstand van de verkregen verjaring in de zin van art. 2220 BW, kan die betaling, aangezien zij de verbintenis doet tenietgaan, onmogelijk, in tegenstelling tot wat het middel beweert, het aanvangspunt vormen van een verjaring die op die verbintenis niet meer van toepassing is.

Hoewel een betaling slechts gedeeltelijk kan zijn en de verbintenis alleen maar tot beloop van het bedrag van die betaling kan tenietdoen, volgt overigens noch uit art. 1235, eerste lid, noch uit art. 2220 BW dat een niet-onverschuldigde gedeeltelijke betaling noodzakelijkerwijs leidt tot de erkenning van het bestaan van een schuld die het betaalde bedrag overstijgt.

Het arrest beslist “dat het vaststaat dat de Belgische Staat, van bij de inwerkingtreding van het Protocol van 28 maart 1976, ervan is uitgegaan dat zijn vergoedingsplicht hierin bestond dat hij de door de Zaïrese Staat gestorte annuïteiten diende aan te vullen en dat hij aan de gezaïriseerden een vergoeding verschuldigd was naar rata van 45,25 frank voor één zaïre; dat die stelling weliswaar werd verworpen door het Hof van Cassatie, [wiens] beslissingen [...] niet tot gevolg hebben dat [de Belgische Staat] het recht van de gezaïriseerden op een andere vergoeding dan die welke hij hen uitbetaalde op enigerlei wijze zou hebben erkend; dat [hij] immers nooit het bestaan heeft erkend van een andere schuld”.

Het arrest sluit door die overwegingen terecht uit dat de verweerder, door de litigieuze betalingen te verrichten, het bestaan zou hebben erkend van een schuld die de door hem betaalde bedragen oversteeg.

Het arrest dat de juiste draagwijdte van de betalingen van de eiser nagaat, verleent hierdoor geen uitwerking aan de geheime uitwisseling van brieven van 18 juni 1976, waarop de verweerder zich volgens het arrest niet mag beroepen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

...

Vijfde middel

Luidens art. 2248 BW stuit de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, de verjaring.

Hoewel die erkenning slechts betrekking kan hebben op het bestaan van het recht waarop de verjaring van toepassing is, en hoewel die erkenning stilzwijgend kan worden afgeleid uit elke handeling of uit elk feit dat de afstand van het voordeel van de verjaring impliceert, moet zij vaststaan.

Uit de in het antwoord op het eerste middel weergegeven overwegingen heeft het arrest naar recht kunnen afleiden dat, hoewel de verweerder door de betalingen zijn volledige schuld meende te hebben voldaan, die betalingen waaruit de eisers de erkenning van hun recht hadden afgeleid, niet als zodanig konden worden uitgelegd.

Het arrest dat de juiste draagwijdte van de betalingen nagaat in het licht van art. 2248 BW, verleent hierdoor geen uitwerking aan de geheime uitwisseling van brieven van 18 juni 1976, waarop de verweerder zich volgens het arrest niet mag beroepen..

Het middel kan niet worden aangenomen.

...

Noot:
Art. 2244 B.W. bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen. Buiten de zich te dezen niet voordoende gevallen van hoofdelijkheid en ondeelbaarheid en tenzij de wet anders bepaalt, heeft de stuiting van de verjaring die het gevolg is van één van deze daden, enkel gevolgen voor de personen die daarbij partij zijn geweest en komt de door één van de schuldeisers verkregen verjaring derhalve de andere schuldeisers niet ten goede.

Indien de betaling niet op vrijwillige basis gebeurt, maar het gevolg is van een gedwongen uitvoering, is er geen sprake van een stuitende schulderkenning. (Arbh. Brussel 28 juni 2012, JTT 2012) Een vrijwillige betaling onder de loutere dreiging van uitvoeringsmaatregelen volstaat daarentegen niet om het vrijwillig en dus stuitend karakter van de betalingen weg te nemen. (Gent 16 oktober 2012, P&B 2013, 83) Centraal staat bijgevolg telkens de vraag in welke omstandigheden de betaling is gebeurd, en een schuldenaar die wil vermijden dat een (gedeeltelijke) betaling als een stuitende schulderkenning zal gelden, dient een dergelijke betaling steeds te laten vergezellen van zijn ondubbelzinnig voorbehoud om het verschuldigde karakter ervan te betwisten. (M. DE Ruysscher, Burgerlijke stuiting van de bevrijdende verjaring, een stand van zaken, RW 2013-2014, 843).


Cassatie 07/11/2014, A.R. C.14.0122.N, juridat

samenvatting:

Elk vonnis van veroordeling doet een rechtsvordering ontstaan tot tenuitvoerlegging van de veroordeling; deze rechtsvordering, actio judicati genoemd, verjaart door verloop van tien jaren te rekenen vanaf het vonnis.

tekst arrest

Nr. C.14.0122.N
1. M. H.,
2. A. D. K.,
eisers,
toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van 6 januari 2014 (nr. G.13.0163.N)
tegen
1. M. H.,
2. L. H.,
3. M. H.,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 juni 2013 op verwijzing na het arrest van dit Hof van 18 november 1999.
Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL
De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 1110, eerste en tweede lid, en 1115 Gerechtelijk Wetboek;
- de artikelen 2244, § 1, eerste en tweede lid, en 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters beslissen dat de vorderingen van verweerders niet verjaard zijn en
derhalve toelaatbaar en ontvankelijk, op grond van de volgende overwegingen:

"De verjaring

Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring (artikel 2244 Burgerlijk Wet-boek).

Slechts indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van de vorm, indien de eiser afstand doet van zijn eis of indien de eis wordt afgewezen wordt de stuiting voor niet bestaande
beschouwd (artikel 2247 Burgerlijk Wetboek).

Te dezen werd de vordering door de eerste rechter niet afgewezen.

Tijdens de behandeling van de zaak in aanleg van hoger beroep blijft de stuiting van de verjaring behouden, tot aan de eindbeslissing.

Het ingestelde cassatieberoep had geen invloed op deze stuiting.

De verbreking leidde tot een verwijzing naar een andere rechter in hoger beroep en de zaak bevindt zich nog steeds in dezelfde aanleg van hoger beroep tegen het bestreden vonnis, voor zover de verbreking strekte.

De betekening van het arrest van het Hof van Cassatie (artikel 1115 Gerechtelijk Wetboek) en de dagvaarding tot voortzetting van de procedure in hoger beroep voor het aangewezen hof van beroep is geen actio judicati.

De betekening van een arrest van het Hof van Cassatie houdt niet de uitvoering in van een titel van een verbintenis of een toegekend voordeel of een gegrond geachte aanspraak in rechte.

De vordering is niet verjaard. De vorderingen zijn toelaatbaar en onafhankelijk.

De beide arresten van het hof van beroep te Gent zijn niet verbroken in zoverre de hoger beroepen ontvankelijk werden verklaard."

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 10 jaar.

Elk vonnis doet een rechtsvordering ontstaan tot tenuitvoerlegging van dit vonnis. Deze rechtsvordering, de actio judicati genoemd, verjaart door verloop van 10 jaren te rekenen vanaf het vonnis krachtens voormelde wetsbepaling.

Krachtens artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek heeft, in geval cassatie wordt uitge-sproken met verwijzing, deze plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft. Deze wordt voor het aangewezen gerecht aanhangig gemaakt zoals een gewone zaak.

Krachtens artikel 1115 Gerechtelijk Wetboek kunnen cassatiearresten niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij, op straffe van nietigheid der tenuitvoerlegging.

Uit deze bepalingen volgt dat een arrest van het Hof van Cassatie, waarin de vernietiging wordt uitgesproken, een rechtsvordering tot tenuitvoerlegging doet ontstaan en dat deze rechtsvordering verjaart door verloop van 10 jaren te rekenen vanaf het arrest van het Hof van Cassatie.

De appelrechters beslissen dat de betekening van het arrest van het Hof van Cassatie en de dagvaarding tot voortzetting van de procedure in hoger beroep voor het aangewezen hof van beroep geen actio judicati is en dat de betekening van een arrest van het Hof van Cassatie niet de uitvoering inhoudt van een titel van een verbintenis of een toegekend voordeel of een gegrond geachte aanspraak in rechte.

Door aldus te beslissen dat de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof van Cassatie, door betekening en aanhangig maken bij de rechter op verwijzing, geen actio judicati uitmaakt, en voorts te beslissen dat derhalve de 10-jarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, van toepassing op de actio judicati, ter zake niet van toepassing is, schenden de appelrechters artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 1110 en 1115 Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar.

Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hen die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting (artikel 2244, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).

Krachtens artikel 2244, tweede lid, Burgerlijk Wetboek stuit een dagvaarding voor het gerecht de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

Hieruit volgt dat wanneer een dagvaarding voor het gerecht de verjaring stuit krachtens artikel 2244, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, de stuiting wordt verlengd tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

Een definitieve beslissing in de zin van artikel 2244, tweede lid, Burgerlijk Wetboek is een beslissing die een einde maakt aan het hangende geding. Het geding is het proces of nog, een geheel van aaneengeschakelde doel gebonden vormelijke verrichtingen dat resulteert in een rechterlijke uitspraak waarmee de materiële rechten van de partijen kunnen worden gerealiseerd. Het geding wordt beëindigd door een rechterlijke uitspraak. Zolang er tegen deze rechterlijke uitspraak geen rechtsmiddel wordt aangewend, bestaat er geen geding meer.

Uit artikel 2244, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek volgt dan ook dat de verjaring wordt gestuit door een dagvaarding voor het gerecht tot het tijdstip waarop in dat geding, dat wil zeggen in die aanleg, een beslissing wordt gewezen. Vanaf de uitspraak begint een nieuwe verjaring te lopen, die op haar beurt zal worden gestuit door de gedinginleidende akte waarmee een rechtsmiddel wordt ingesteld.

In geval cassatie wordt uitgesproken met verwijzing, heeft deze plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft. Deze wordt voor het aangewezen gerecht aanhangig gemaakt zoals een gewone zaak (artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek). Krachtens artikel 1115 Gerechtelijk Wetboek kunnen cassatiearresten niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij, op straffe van nietigheid der tenuitvoerlegging.

Uit de artikelen 1110 en 1115 Gerechtelijk Wetboek volgt dat het geding voor het Hof van Cassatie wordt beëindigd door het arrest van het Hof van Cassatie waarin desgevallend de vernietiging wordt uitgesproken. Zolang de zaak niet aanhangig wordt gemaakt overeenkomstig de artikelen 1110 en 1115 Gerechtelijk Wetboek voor de rechter op verwijzing, is er na het arrest van het Hof van Cassatie geen geding meer aanhangig en bestaat er ook geen geding meer. De term geding impliceert immers noodzakelijk dat de zaak aanhangig is voor de rechter.

Hieruit volgt dat er na het arrest van het Hof van Cassatie een nieuwe verjaring begint te lopen die kan worden gestuit door de betekening van het cassatie-arrest met dagvaarding voor het gerecht op verwijzing.

Te dezen blijkt uit de vaststellingen van de appelrechters op blz. 2 van het bestreden arrest dat uw Hof bij arresten van 18 november 1999 (C.97.0397.N en C.97.0398.N) is overgegaan tot vernietiging van de arresten van het hof van beroep te Gent, gewezen op 13 maart 1997, dat deze arresten van uw Hof aan eisers werden betekend op 6 mei 2010 op verzoek van tegenpartijen met dagvaarding voor het hof van beroep te Brussel.

De appelrechters beslissen dat tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep de stuiting van de verjaring behouden blijft tot aan de eindbeslissing en dat het ingestelde cassatieberoep geen invloed had op deze stuiting nu de verbreking leidde tot een verwijzing naar een andere rechter in hoger beroep en de zaak zich nog steeds in dezelfde aanleg van hoger beroep tegen het bestreden vonnis bevindt, voor zover de verbreking strekte.

Door aldus te beslissen dat het geding niet beëindigd werd door de arresten van het hof van beroep te Gent van 13 maart 1997, dat het geding voor uw Hof geen afgescheiden geding uitmaakt, zodat de zaak zich ook na verwijzing door het Hof van Cassatie nog steeds in dezelfde aanleg van hoger beroep tegen het bestreden vonnis bevindt, en dat derhalve het geding voor de feitenrechter in hoger beroep, het geding voor uw Hof en het daaropvolgende geding na verwijzing door uw Hof één enkel geding uitmaken, en door op grond daarvan te beslissen dat de stuiting van de verjaring doorloopt tot het thans bestreden arrest door het hof van beroep op verwijzing uitgesproken, zodat er geen verjaring is ingetreden, hoewel er meer dan 10 jaar zijn verstreken tussen de arresten van uw Hof van 18 november 1999 en het inleiden van het geding voor het hof van beroep te Brussel op 6 mei 2010, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen (schending van de artikelen 2244, § 1, eerste en tweede lid en 226bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek evenals de artikelen 1110, eerste en tweede lid en 1115 Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel

1. Elk vonnis van veroordeling doet een rechtsvordering ontstaan tot tenuit-voerlegging van de veroordeling. Deze rechtsvordering, actio judicati genoemd, verjaart door verloop van tien jaren te rekenen vanaf het vonnis.

2. Krachtens artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek wordt in geval van cassatie de zaak verwezen naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing heeft gewezen en wordt zij aanhangig gemaakt als een gewone zaak.

3. Artikel 1115 van hetzelfde wetboek bepaalt dat een cassatiearrest niet kan worden tenuitvoergelegd dan na de betekening aan de partij, op straffe van nietig-heid der tenuitvoerlegging.

De tenuitvoerlegging zoals bedoeld in deze bepaling betreft niet de tenuitvoerleg-ging van een veroordeling ten laste van de andere partij, maar doelt slechts op de voortzetting van het geding voor de verwijzingsrechter.

4. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het aanhangig maken van de zaak bij de verwijzingsrechter een daad van tenuitvoerlegging is die onderworpen is aan de verjaringstermijn van de actio judicati, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Luidens artikel 2244, § 1, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek, vormt een dagvaarding voor het gerecht betekend aan hem die men wil beletten de verja-ring te verkrijgen, burgerlijke stuiting die uitwerking heeft tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

6. Wanneer na een cassatieberoep de bestreden beslissing wordt vernietigd, dan worden de partijen binnen de perken ervan, voor de rechter naar wie de zaak overeenkomstig artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek is verwezen, teruggeplaatst in dezelfde positie als waarin zij zich bevonden voor de rechter wiens beslissing werd vernietigd. De verwijzing doet geen nieuw geding ontstaan, maar is de voortzetting van het geding vóór het cassatieberoep.

7. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat door de vernietiging van de bestreden beslissing er geen geding voor de rechter meer voorhanden is zodat de stuiting van de verjaring op dat tijdstip een einde heeft genomen om hieruit af te leiden dat de vordering van de verweerders verjaard is aangezien de zaak slechts op 6 mei 2010 werd aanhangig gemaakt voor de verwijzingsrechter, dit is na het verstrijken van de tienjarige verjaringstermijn die is beginnen lopen na het cassatiearrest van 18 november 1999, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers tot de kosten
Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.161,12 euro in debet en voor de verweerders op nul euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,

Nuttige tips: 

De verjaring van de gerechtelijke interest en de acito iudicati

Cass. 31/05/2012 AR C.10.0539.N, juridat

samenvatting

De regel dat de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling, actio judicati genoemd, pas verjaart door verloop van tien jaren te rekenen vanaf het vonnis, al gaat het om een veroordeling die is uitgesproken krachtens een schuldvordering waarop een kortere verjaring van toepassing is, doet geen afbreuk aan artikel 2277 Burgerlijk Wetboek op grond waarvan gerechtelijke moratoire interest die vervalt na de gerechtelijke beslissing, verjaart na vijf jaar (1).(1) Zie de concl. van het O.M.

tekst arrest

Nr. C.10.0539.N
INTERNATIONAL DEVELOPMENT ACTIVITIES AND TRADING (IDAT) nv, met zetel te 1180 Brussel, Verhulststraat 72,
eiseres,

tegen
1. CARPET TRADE CENTER bvba, in vereffening, met zetel te 2000 Ant-werpen, Lange Nieuwstraat 44,
2. B.J.D.G.,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 april 2010.
...
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Krachtens artikel 2277, vierde en vijfde lid, Burgerlijk Wetboek verjaren in-teresten van geleende sommen en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of kortere termijnen, door verloop van vijf jaren.

Die bepaling strekt in het bijzonder ertoe de termijnschuldenaar te beschermen te-gen een voortdurende aangroei van zijn schuld en de schuldeiser aan te sporen tot zorgvuldigheid.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever deze regeling niet beperkend heeft opgevat en niet heeft willen uitsluiten dat zij toepasselijk is op moratoire interest, ongeacht of die verschuldigd is krachtens een overeenkomst dan wel een rechter-lijke beslissing.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel
2. Elk vonnis van veroordeling doet een rechtsvordering ontstaan tot tenuit-voerlegging van de veroordeling. Deze rechtsvordering, actio judicati genoemd, verjaart pas door verloop van tien jaren te rekenen vanaf het vonnis, al gaat het om een veroordeling die is uitgesproken krachtens een schuldvordering waarop een kortere verjaring van toepassing is.

Deze verjaringsregeling doet evenwel geen afbreuk aan artikel 2277 Burgerlijk Wetboek op grond waarvan gerechtelijke moratoire interest die vervalt na de ge-rechtelijke beslissing, verjaart na vijf jaar.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 510,96 euro en voor de verweerders op 145,72 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE

C.10.0539.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal:
Situering en procedurevoorgaanden

1. Volgens de vaststellingen van het bestreden arrest en de stukken waarop Uw Hof vermag acht te slaan, zijn de feiten de volgende:
Eiseres verkocht in september 1988 een handelsfonds aan eerste verweerster. Vermits eerste verweerster slechts een gedeelte van de koopprijs had betaald, stelde eiseres tegen eerste verweerster een vordering in tot betaling van het saldo van de koopprijs.
Eerste verweerster werd evenwel tijdens de gerechtelijke procedure in graad van beroep ontbonden en in vereffening gesteld.

2. Bij arrest van 20 september 1995 herleidde het hof van beroep te Brussel de koopprijs wegens incidenteel bedrog en veroordeelde het eerste verweerster tot betaling aan eiseres van het bedrag van 73.145.492 BEF (1.813.229,38 EUR), te vermeerderen met de verwijlinteresten vanaf 4 november 1988.
Het arrest werd op 24 oktober 1995 aan eerste verweerster betekend samen met een bevel tot betalen.

3. Vermits inmiddels vaststond dat eerste verweerster niet de middelen had om deze veroordeling te voldoen, stelde eiseres in Nederland een aansprakelijkheidsvordering in tegen tweede verweerder in zijn hoedanigheid van zaakvoerder en vereffenaar van eerste verweerster.
Bij arrest van 23 mei 2006 oordeelde het gerechtshof te Arnhem dat tweede verweerder jegens eiseres onrechtmatig had gehandeld en begrootte het de schade die eiseres hierdoor had geleden op het bedrag van het onbetaald gebleven gedeelte van de koopsom (1.813.229,38 EUR). Tweede verweerder werd bovendien veroordeeld tot betaling aan eiseres van de wettelijke rente conform art. 6:119 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek vanaf 12 januari 1994.

4. Op 17 april 2008 dagvaardde eiseres eerste verweerster in faillissement voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen.

5. Op 5 mei 2008, weze na deze faillissementsvordering, betaalde een derde, met name de B.V. HOLDING BEN DE GRAAFF, een bedrag van 4.273.928,85 EUR aan eiseres.

6. Bij vonnis van 16 februari 2009 verklaarde de rechtbank van koophandel de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond. De rechtbank was van oordeel dat eiseres, gelet op de ingetreden verjaring van de gerechtelijke interesten enerzijds en de betaling door de B.V. HOLDING BEN DE GRAAFF, geen schuldvordering meer had op eerste verweerster en dat derhalve de faillissementsvoorwaarden niet waren vervuld.

7. Op het hoger beroep van eiseres besliste het hof van beroep te Antwerpen bij het bestreden arrest dat, hoewel er geen hoofdelijkheid bestond tussen de verbintenissen van eerste en tweede verweerder, de betaling door de B.V. HOLDING BEN DE GRAAFF moest worden toegerekend op de schuld van eerste verweerster; het hof oordeelde voorts dat de gerechtelijke interesten op de schuld van eerste verweerster, die vervallen waren in de periode van 24 oktober 1995 tot 5 mei 2003, verjaard waren in toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek en dat eiseres jegens eerste verweerster enkel aanspraak kon maken op de gerechtelijke interesten vervallen in de vijfjarige periode voorafgaand aan de datum van betaling (5 mei 2008).

Daaruit leidde het hof af dat, rekening houdend met de verjaring van de interesten, de schuldvordering van eiseres was voldaan op 5 mei 2008, zodat eiseres tengevolge die betaling door de de B.V. HOLDING BEN DE GRAAFF geen schuldeiser meer was van eerste verweerster.

8. Eiseres voert tegen het bestreden arrest één cassatiemiddel aan, ontwikkeld in twee onderdelen.
Het enig cassatiemiddel

9. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 1153 en 2277, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, doordat het hof van beroep oordeelt dat de gerechtelijke moratoire intresten die vervallen zijn sedert 24 oktober 1995, zijnde de datum van betekening van het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 september 1995 aan eerste verweerster met bevel tot betaling, verjaren na verloop van 5 jaren.

Eiseres voert daarbij aan dat de bepalingen inzake de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, als uitzondering op de gemeenrechtelijke tienjarige verjaringstermijn van persoonlijke rechtsvorderingen zoals geregeld door artikel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek, strikt moeten worden uitgelegd.

Voor de toepassing van de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, is vereist dat de schuld periodiek betaalbaar is, hetgeen betekent dat de schuld op opeenvolgende vervaldagen die bij het jaar of bij kortere termijnen zijn bepaald, betaalbaar wordt; de schuldenaar is daardoor verplicht tot het doen van periodieke uitkeringen. Gerechtelijke moratoire interesten zijn niet periodiek betaalbaar, ook al worden zij op jaarbasis berekend. Zij zijn daarentegen in één keer verschuldigd samen met de hoofdsom, zodat niet is voldaan aan de periodiciteitsvereiste van artikel 2277, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek.

Volgens eiseres verjaren gerechtelijke moratoire intresten na de rechterlijke beslissing dan ook, anders dan de appelrechters beslissen, uitsluitend volgens de gemeenrechtelijke tienjarige (voorheen dertigjarige) verjaringstermijn die van toepassing is op vorderingen tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing.
10. In het tweede onderdeel voert eiseres schending aan van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek zoals het van kracht was vóór de wijziging door artikel 4 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, artikel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek zoals ingevoegd door artikel 5 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring en artikel 2277, vierde en vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Zij betoogt dat elk vonnis van veroordeling een rechtsvordering doet ontstaan tot tenuitvoerlegging van de veroordeling en dat deze actio iudicati pas verjaart door verloop van de gemeenrechtelijke termijn van tien jaren overeenkomstig artikel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek, ongeacht de duurtijd van de verjaringstermijn van de schuldvordering die aan deze beslissing ten grondslag ligt.

Zulks lijdt enkel uitzondering wanneer een wetsbepaling uitdrukkelijk een andere verjaringstermijn voorziet. Artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bevat geen soortgelijke uitdrukkelijke bepaling op grond waarvan moratoire intresten, ongeacht of zij uit een rechterlijke beslissing voortvloeien, verjaren volgens de vijfjarige termijn.

Minstens heeft volgens eiseres de rechterlijke beslissing een interversief effect, zodat de verjaring van de intresten onderworpen wordt aan die van de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.
Bespreking van het eerste onderdeel

11. Het onderdeel nodigt Uw Hof uit te antwoorden op de vraag naar de al dan niet toepasselijkheid van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek op de gerechtelijke moratoire intresten.

12. Artikel 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt de (gemeenrechtelijke) termijn van persoonlijke rechtsvorderingen op tien jaar.

13. Artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek geeft een opsomming van gevallen waarin echter de vijfjarige verjaring van toepassing is, met name op:
- termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten;
- die van uitkeringen tot levensonderhoud;
- huren van huizen en pachten van landeigendommen;
- interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen.

Deze korte verjaringstermijn is geen kwijtende verjaring die gebaseerd is op een vermoeden van betaling, maar heeft een gewoon bevrijdend karakter en vormt in de regel een uitzondering op de algemene tienjarige termijn van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek.

14. Reeds in zijn arresten van 29 maart en 21 mei 2001 benadrukte Uw Hof het sociale doel van deze wettelijke bepaling, met name de bescherming van de schuldenaar tegen de verhoging van zijn schuld(1).
Uww Hof preciseerde in zijn arrest van 13 maart 2008 dat die bepaling er in het bijzonder toe strekt de termijnschuldenaar te beschermen tegen een voortdurende aangroei van zijn schuld doordat geldsommen op basis van een zelfde rechtsgrond, op opeenvolgende vervaldagen die bij het jaar of kortere termijnen zijn bepaald, betaalbaar worden(2).

Ook het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, sprak zich in die zin uit; in twee arresten respectievelijk van 19 januari 2005 en 17 januari 2007(3) stelde het Hof:
"De kortere verjaring waarin artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, wordt verantwoord door de bijzondere aard van de schuldvorderingen die zij beoogt; het gaat erom, wanneer de schuld betrekking heeft op de uitkeringen van inkomsten die ‘bij het jaar of bij kortere termijnen' betaalbaar zijn, ofwel de kredietnemers te beschermen en de schuldeisers tot zorgvuldigheid aan te zetten, ofwel te vermijden dat het totaalbedrag van de periodieke schuldvorderingen voortdurend aangroeit. De kortere verjaring maakt het ook mogelijk de schuldenaars te beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden die, na verloop van tijd, een aanzienlijke kapitaalschuld zouden kunnen worden."

Naast het beschermen van de schuldenaar wordt hier ook het aanzetten van de schuldeiser tot zorgvuldigheid als oogmerk van voornoemd artikel 2277 vermeld.

Dat het in casu gaat om een sociale beschermingsmaatregel blijkt ook uit de wetsgeschiedenis. Artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek gaat immers terug op de Ordonnance sur la réformation de la justice van Lodewijk XII, genomen in juni 1510, die aan de vijfjarige verjaringstermijn duidelijk een maatschappelijk doel verleende dat de rentedebiteurs moest beschermen. Deze maatschappelijke bezorgdheid vond later haar plaats in de Code Napoléon(4).

15. Anders dan door eiseres voorgehouden, meen ik dat de opsomming van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek niet beperkend dient opgevat te worden. De vermeldingen in dit artikel zijn louter opsommend, wat naar mijn oordeel ook blijkt uit de vermelding van "in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of kortere termijnen."
Het beschermingsoogmerk van deze bepaling lijkt mij een beperkende interpretatie ervan uit te sluiten.

16. De vraag in deze is of gerechtelijke moratoire intresten vallen onder de toepassing van artikel 2262bis, §1, eerste lid, dan wel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.
Traditioneel wordt voorgehouden dat "intresten van geleende sommen" in feite niets anders zijn dan de "huurprijs" voor het geleende geld(5).
Men aanvaardt in de rechtsleer in het algemeen dat de vijfjarige termijn ook geldt voor de conventionele intresten op om het even welke schuld(6).

17. Uw Hof heeft zich reeds uitgesproken tegen de toepassing van de vijfjarige termijn op compensatoire intresten. In een arrest van 1 december 1994(7) wordt gepreciseerd dat de compensatoire intrest boven een hoofdsom tot vergoeding van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade, de omvang van de schade betreft en met de hoofdsom één geheel vormt, en dat de vijfjarige verjaring van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek geen toepassing vindt op de verbintenis tot betaling van een dergelijke intrest.

18. Over de vraag naar de toepassing op van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek op de gerechtelijke moratoire intresten heeft Uw Hof zich nog niet uitgesproken. De rechtsleer blijkt ter zake verdeeld te zijn.

DE PAGE en DEKKERS verzetten zich met klem tegen de toepassing van deze bepaling op de gerechtelijke intresten, ongeacht of het gaat om moratoire dan wel compensatoire intresten. Zij voeren aan dat het hier niet meer gaat de om "huurprijs" van geldsommen, wat bij conventionele intresten wel het geval is. Het is volgens hen zelfs ten onrechte dat men spreekt van "intresten"; het gaat immers om schadevergoeding, met name compensatoire schadevergoeding wanneer de schade geleden door de schuldeiser bestaat in de niet-uitvoering van de verbintenis, en moratoire schadevergoeding wanneer het gaat om laattijdige uitvoering ervan.

Zij wijzen erop dat bijgevolg niet voldaan is aan de voorwaarde van periodieke betaling, maar dat deze intresten immers in één keer worden betaald, samen met de hoofdveroordeling. Het gaat dus in feite niet om intresten maar wel om een kapitaal,dat zelf intresten kan voortbrengen.

DE PAGE en DEKKERS moeten echter toegeven dat een groot deel van de rechtspraak en quasi gans de rechtsleer een tegenovergestelde mening zijn toegedaan. Deze wijzen erop dat het doel van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek erin bestaat de teloorgang van de schuldenaar door een onmerkbare doch voortdurende toename van zijn schuld te vermijden. Alhoewel de intresten niet per jaar op per kortere termijn "betaalbaar" zijn, worden zij toch "berekend" per jaar; niets belet overigens de schuldeiser de betaling van die intresten te eisen los van het kapitaal.

Zoals hierboven uiteengezet heeft ook Uw Hof diverse malen bevestigd dat artikel 2277 een sociale beschermingsmaatregel is.

19. Met de meerderheid in de rechtsleer ben ik dan ook van mening dat artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, conform de wil van de wetgever, een ruime invulling moet krijgen en wel degelijk toepassing vindt op gerechtelijke moratoire intresten(8).

20. Het door DE PAGE en DEKKERS gehanteerde onderscheid tussen "kapitaal" en "intrest" lijkt mij irrelevant te zijn geworden ingevolge de recente rechtspraak zowel van Uw Hof als van het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) (infra). Deze rechtspraak heeft vooral betrekking op de levering van nutsvoorzieningen.

21. Uw Hof heeft in zijn arrest van 23 april 1998(9) geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis blijkt "dat de wetgever deze regeling niet beperkend heeft opgevat en niet heeft willen uitsluiten dat zij toepasselijk zou zijn wanneer de vordering componenten omvat die geen rente zijn of inkomen". Uw hof stelde in dit arrest dus dat de vijfjarige verjaring ook van toepassing is op een periodiek verschuldigde betaling die zowel elementen van kapitaal als van inkomen bevat. In casu ging het om de terugbetaling van een geldlening in maandelijkse betalingen die zowel een aflossingscomponent als een rente- en kostencomponent inhielden.

22. Nochtans had Uw Hof, kort daarvoor, in een arrest van 6 februari 1998(10) de beperkende interpretatie van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek aangenomen met betrekking tot leveringen van elektriciteit; er werd geoordeeld dat de vijfjarige termijn niet van toepassing is op de schulden die bestaan in de verkoopprijs van goederen, zelfs indien in de overeenkomst de jaarlijkse betaling van de leveringen is bedongen.
De rechtsleer stelde dan ook de vraag of de arresten van 6 februari 1998 en 23 april 1998 niet antinomisch waren(11).

23. Ook advocaat-generaal DE RIEMAECKER, die bij het arrest van 6 februari 1998 gelijkluidend had geconcludeerd en eveneens besloot tot een beperkende interpretatie van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, moest toegeven dat de ratio legis van deze bepaling, met name de vrees dat de schuldenaar geruïneerd zou raken, samen met de algemene redactie van dit wetsartikel, noodzakelijkerwijze leiden tot uiteenlopende analyses(12).
24. Het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) boog zich in zijn voormeld arrest van 19 januari 2005 over de prejudiciële vraag naar de bestaanbaarheid van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat de korte verjaring waarin het voorziet, niet van toepassing is op schulden met betrekking tot de levering van leidingwater.

Er werd immers geargumenteerd dat hier geen sprake is van één schuld die aangroeit, maar wel van verschillende schulden, namelijk één schuld per levering. Bovendien werd geopperd dat deze schuld niet het karakter heeft van een inkomen, maar wel van een kapitaal.

Het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) overwoog dat "het criterium, waarop het in het geding zijnde verschil in behandeling steunt, afgeleid uit het karakter van kapitaal of van inkomsten van de schuldvordering, niet relevant (is) ten aanzien van het doel van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, dat erin bestaat de schuldeiser tot zorgvuldigheid aan te zetten en tegelijk de schuldenaar te beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden over een te lange periode.

Ten aanzien van dat doel vertoont de schuld met betrekking tot de levering van leidingwater immers gelijkenissen met de schulden bedoeld in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, vermits de schuld, aangezien zij periodiek is en het bedrag ervan na verloop van tijd toeneemt, op termijn een dermate grote kapitaalschuld kan worden dat zij de schuldenaar kan ruïneren."

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dan ook dat de prejudiciële vraag als volgt moet worden beantwoord:
- in die zin geïnterpreteerd dat de vijfjarige verjaring waarin het voorziet, niet van toepassing is op periodieke schulden met betrekking tot de levering van leidingwater, schendt artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;
- in die zin geïnterpreteerd dat de vijfjarige verjaring waarin het voorziet, van toepassing is op periodieke schulden met betrekking tot de levering van leidingwater, schendt artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

25. In zijn arrest van 17 januari 2007 had het Grondwettelijk Hof dezelfde vraag te beantwoorden, maar ditmaal met betrekking tot periodieke schulden in verband met het verstrekken van mobiele telefonie. Ook met betrekking tot deze schulden kwam het Grondwettelijk Hof tot hetzelfde besluit op dezelfde consideransen.

26. Een Grondwetsconforme interpretatie van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek leidt dus tot het besluit dat dit artikel van toepassing is op periodieke schulden met betrekking tot de levering van leidingwater en van mobiele telefonie.

27. Uw Hof had zich eveneens te buigen over de vraag of schulden van mobiele telefonie onder de vijfjarige verjaring vallen; in 's Hofs arrest van 25 januari 2010(13) werd geoordeeld dat "de verkorte verjaringstermijn, die ertoe strekt de schuldenaar te beschermen tegen een aangroei van achterstallige termijnschulden uit een en dezelfde rechtsverhouding, van toepassing (is) op de prijs van de verstrekking van diensten van mobiele telefonie die betaalbaar zijn onder de in voormeld artikel 2277 bedoelde periodiciteitsvoorwaarden."

28. Nu aldus het onderscheid tussen kapitaal en inkomen niet langer relevant moet worden geacht, lijkt het bezwaar van DE PAGE en DEKKERS mij niet langer determinerend te zijn.

29. De toepasselijkheid van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek op gerechtelijke moratoire intresten lijkt mij aldus enkel getoetst te moeten worden aan twee voorwaarden, met name:
1. is de schuld periodiek?
2. geeft de schuld aanleiding tot schuldopeenhoping in hoofde van de schuldenaar?
De eerste voorwaarde is uitdrukkelijk vermeld in de wettekst, de tweede vloeit voort uit de ratio legis van deze wetsbepaling, met name maatschappelijke bescherming van de renteschuldenaar.

30. De vraag of de periodiek weerkerende schulden het karakter hebben van een inkomen in hoofde van de schuldeiser, die nog pertinent werd geacht in een deel van de oudere rechtspraak en rechtsleer, wordt immers in het licht van de hogervermelde rechtspraak van Uw Hof en van het Grondwettelijk Hof thans niet langer relevant bevonden.

In het arrest van Uw Hof van 13 maart 2008(14) werd geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een schuld bij het jaar of bij een kortere termijn berekend wordt niet noodzakelijk inhoudt dat die schuld een periodiek betaalbare schuld uitmaakt bedoeld in artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. De appelrechter moest in casu uit de berekeningswijze van de schuld dus geen noodzakelijke gevolgen trekken wat het periodiek karakter van de schuld betreft. In casu betrof het evenwel een vergoeding inzake het gebruik van materiaal ter beschikking gesteld door de politie, die overeenkomstig een gemeentelijke tariefverordening op dagbasis werd berekend.

In het geval van gerechtelijke moratoire intresten gaat het echter om een bedrag dat weliswaar meestal in één keer wordt betaald, maar dat wordt berekend per jaar. Het lijkt mij dan ook voor de vaststelling van de periodiciteit er niet toe te doen hoe de intrestschuld uiteindelijk betaald zal worden, maar wel hoe hij volgens de overeenkomst, de wet of, zoals in casu, een rechterlijke uitspraak moet worden bepaald. Voor de toepasselijkheid van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek is vereist dat deze periodiciteit niet langer is dan één jaar.

De schuldeiser heeft overigens in de meeste gevallen het recht om de periodieke betaling te eisen van de intresten, alvorens het kapitaal op te eisen(15).
Ik meen dan ook dat bij gerechtelijke moratoire intresten de eerste voorwaarde, die van de periodiciteit, is vervuld.

31. Ook de tweede voorwaarde lijkt mij vervuld te zijn; de accumulatie van intresten geeft aanleiding tot een schuldophoping van de debiteur, wat in se gevaar oplevert voor ruïnering. Die schuldophoping kan immers de schuldenaar ten gronde richten, situatie welke art. 2277 van het Burgerlijk Wetboek juist beoogt te vermijden.

32. Ik meen dan ook dat op grond van de ratio legis van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek en op basis van de omstandigheid dat gerechtelijke moratoire intresten in de regel bij het jaar worden berekend, aangenomen moet worden dat de vijfjarige verjaringstermijn geldt voor die gerechtelijke moratoire intresten.

Door deze ruime interpretatie wordt het sociale doel van die wetsbepaling bereikt, dat zoals hoger vermeld door Uw Hof in zijn arrest van 13 maart 2008 werd omschreven als "de bescherming van de termijnschuldenaar tegen een voortdurende aangroei van zijn schuld doordat geldsommen op basis van een zelfde rechtsgrond, op opeenvolgende vervaldagen die bij het jaar of kortere termijnen zijn bepaald, betaalbaar worden."

33. Het onderdeel, dat van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, lijkt mij dan ook naar recht te falen.
Bespreking van het tweede onderdeel

34. Elk vonnis van veroordeling doet een rechtsvordering ontstaan tot tenuitvoerlegging van de veroordeling. Deze rechtsvordering, actio judicati genoemd, verjaart pas door verloop van de gemeenrechtelijke tienjarige (vroeger dertigjarige) verjaringstermijn van artikel 2262bis, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, ook al het gaat het om een veroordeling die is uitgesproken krachtens een schuldvordering waarop een kortere verjaringstermijn van toepassing is(16).

35. Dit beginsel is echter niet absoluut. De verjaring van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek blijft immers spelen ook wanneer de uitvoering van een vonnis in het geding is. De verjaringstermijn voor na de veroordeling te vervallen termijnen van periodieke schulden die door een vonnis worden toegekend, bedraagt dus uitzonderlijk niet tien jaar, maar vijf jaar.

36. Artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek is in algemene bewoordingen is gesteld, en maakt geen onderscheid naargelang de wijze waarop de schuldvorderingen in kwestie worden vastgesteld.

37. Uw Hof besliste immers reeds in zijn arresten van 8 december 2000 en 7 maart 2003 dat de verjaringstermijn van de actio iudicati de toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek niet belet, voor schuldvorderingen die in dit artikel worden opgesomd. In casu ging het om termijnen van uitkeringen tot levensonderhoud. Uw Hof overwoog daarbij dat artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek daarbij geen onderscheid maakt naargelang deze onderhoudsverplichting voortvloeit uit een overeenkomst dan wel uit een rechterlijke beslissing(17).

Uw Hof stelde daarbij, opnieuw onder uitdrukkelijke verwijzing naar het maatschappelijk beschermingsdoel van de vijfjarige verjaring,
"dat, luidens artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, de termijnen van uitkeringen tot levensonderhoud verjaren door verloop van vijf jaren; dat deze bepaling geen onderscheid maakt naargelang deze onderhoudsverplichting voortvloeit uit een overeenkomst dan wel uit een rechterlijke beslissing; dat de wetgever deze korte verjaringstermijn heeft ingesteld om te verhinderen dat het bedrag van dergelijke periodiek te vervallen schuldvorderingen zou oplopen;

Dat weliswaar wanneer een onderhoudsgerechtigde de veroordeling verkrijgt van de onderhoudsplichtige tot betaling van een bepaald bedrag van achterstallige bijdragen, de vordering tot tenuitvoerlegging van zulk een veroordeling onderworpen is aan de regels die de verjaring van vorderingen gebaseerd op gerechtelijke uitspraken beheersen en niet aan de regels die de periodieke betalingen beheersen."

38. Wanneer het aldus gaat om een veroordeling tot nog niet vervallen termijnen, dan is de vijfjarige verjaring van toepassing. Gaat het daarentegen om een veroordeling tot een bedrag aan achterstallige (en dus reeds vervallen) bijdragen, dan is de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van de actio judicati, in casu tien jaar, van toepassing.

39. Nu uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat gerechtelijke moratoire intresten, die pas zullen vervallen na het veroordelend vonnis of arrest, eveneens ondergebracht dienen te worden onder de schuldvorderingen waarvoor de vijfjarige verjaringstermijn geldt, komt het mij voor dat de verjaringsregel van de actio judicati aldus, conform deze rechtspraak van Uw Hof, geen afbreuk doet aan de verjaringsregel van dit artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan gerechtelijke moratoire intresten die vervallen na de gerechtelijke beslissing verjaren volgens de vijfjarige termijn.

De tienjarige verjaringstermijn van de actio judicati is derhalve niet van toepassing op de gerechtelijke moratoire interesten. Hiervoor geldt de bijzondere verjaringstermijn van vijf jaar.

40. Het onderdeel dat van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, lijkt mij naar recht te falen.
Conclusie: verwerping.
________________
(1) Cass. 29 maart 2001, AR C.99.0401.F, AC 2001, nr. 177; Cass. 21 mei 2001, AR S.00.0164.N, AC 2001, nr. 299.
(2) Cass. 13 maart 2008, AR C.07.0132.N, AC 2008, nr. 175.
(3) Arbitragehof 19 jan. 2005, nr. 15/2005, AA 2005, 201; 17 jan. 2007, nr. 13/2007, AGwH 2007, 193.
(4) S. STIJNS en H. VUYE, "De verjaring van periodiek weerkerende schulden herbekeken (artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek)", TBBR 1998, (321) 323.
(5) H. DE PAGE en R. DEKKERS, Traîte élémentaire de droit civil belge, VII, Les privilèges - les hypothèques - la transcription - la prescription, Brussel, Bruylant, 1957, 1172, nr. 1322.
(6) Cass. 24 mei 1996, AR C.95.0126.F, AC 1996, nr. 191; zie Cass. 27 mei 1892, Bull. en Pas., 1892, I, 274, met concl. van procureur-generaal MESDACH DE TER KIELE; A. VAN OEVELEN, "Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht", TPR 1987, (1755) 1791.
(7) Cass. 1 dec. 1994, AR C.94.0169.F, AC 1994, nr. 524.
(8) S. STIJNS en H. VUYE, op. cit., 327; A. VAN OEVELEN, op. cit., 1792; A. LINDEMANS, "De verjaring van de vordering tot betaling van de intresten", TBBR, 2000, 255-257.
(9) Cass. 23 april 1998, AR C.95.0442.N, AC 1998, nr. 207, met noot G.D.; RCJB 2000, 484, met noot C. BIQUET-MATHIEU.
(10) Cass. 6 feb. 1998, AR C.96.0470.F, AC 1998, nr. 75, met concl. van adv.-gen. DE RIEMAECKER in Bull. en Pas., 1998, nr. 75.
(11) C. BIQUET-MATHIEU, "Remous autour du champ d'application de l'article 2277 du Code civil: les arrêts des 6 février et 23 avril 1998 antinomiques ?", noot onder Cass. 23 april 1998, RCJB 2000, 488.
(12) Concl. van adv.-gen. DE RIEMAECKER bij Cass. 6 feb. 1998, AR C.96.0470.F, Bull. en Pas., 1998, nr. 75.
(13) Cass. 25 jan. 2010, AR C.09.0410.F, AC 2010, nr. 59.
(14) Cass. 13 maart 2008, AR C.07.0132.N, AC 2008, nr. 175.
(15) RPDB, v° Prescription en matière civile, nr. 612.
(16) Cass. 18 feb. 2010, AR C.09.0237.N, AC 2010, nr. 110; Cass. 21 feb. 1985, AR nr. 7201, AC 1985, nr. 375; Cass. 17 maart 1967, AC 1967, 885.
(17) Cass. 7 maart 2003, AR C.00.0417.N, AC 2003, nr. 158; Cass. 8 dec. 2000, AR C.99.0141.N, AC 2000, nr. 677.
 

Commentaar: 

Rechtspraak

• Cassatie 07/11/2014, juridat AR C. 14.0122.N

Samenvatting

Elk vonnis van veroordeling doet een rechtsvordering ontstaan tot tenuitvoerlegging van de veroordeling; deze rechtsvordering, actio judicati genoemd, verjaart door verloop van tien jaren te rekenen vanaf het vonnis.

Tekst arrest

Nr. C.14.0122.N
1. M. H.,
2. A. D. K.,
eisers,
toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van 6 januari 2014 (nr. G.13.0163.N)

tegen
1. M. H.,
2. L. H.,
3. M. H.,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 juni 2013 op verwijzing na het arrest van dit Hof van 18 november 1999.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 1110, eerste en tweede lid, en 1115 Gerechtelijk Wetboek;
- de artikelen 2244, § 1, eerste en tweede lid, en 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing
De appelrechters beslissen dat de vorderingen van verweerders niet verjaard zijn en derhalve toelaatbaar en ontvankelijk, op grond van de volgende overwegingen:

"De verjaring
Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring (artikel 2244 Burgerlijk Wet-boek).
Slechts indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van de vorm, indien de eiser afstand doet van zijn eis of indien de eis wordt afgewezen wordt de stuiting voor niet bestaande beschouwd (artikel 2247 Burgerlijk Wetboek).

Te dezen werd de vordering door de eerste rechter niet afgewezen. Tijdens de behandeling van de zaak in aanleg van hoger beroep blijft de stuiting van de verjaring behouden, tot aan de eindbeslissing.

Het ingestelde cassatieberoep had geen invloed op deze stuiting. De verbreking leidde tot een verwijzing naar een andere rechter in hoger beroep en de zaak bevindt zich nog steeds in dezelfde aanleg van hoger beroep tegen het bestreden vonnis, voor zover de verbreking strekte.

De betekening van het arrest van het Hof van Cassatie (artikel 1115 Gerechtelijk Wetboek) en de dagvaarding tot voortzetting van de procedure in hoger beroep voor het aangewezen hof van beroep is geen actio judicati. De betekening van een arrest van het Hof van Cassatie houdt niet de uitvoering in van een titel van een verbintenis of een toegekend voordeel of een gegrond geachte aanspraak in rechte.

De vordering is niet verjaard. De vorderingen zijn toelaatbaar en onafhankelijk.

De beide arresten van het hof van beroep te Gent zijn niet verbroken in zoverre de hoger beroepen ontvankelijk werden verklaard."

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van 10 jaar. Elk vonnis doet een rechtsvordering ontstaan tot tenuitvoerlegging van dit vonnis. Deze rechtsvordering, de actio judicati genoemd, verjaart door verloop van 10 jaren te rekenen vanaf het vonnis krachtens voormelde wetsbepaling.

Krachtens artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek heeft, in geval cassatie wordt uitge-sproken met verwijzing, deze plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft. Deze wordt voor het aangewezen gerecht aanhangig gemaakt zoals een gewone zaak.

Krachtens artikel 1115 Gerechtelijk Wetboek kunnen cassatiearresten niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij, op straffe van nietigheid der tenuitvoerlegging.

Uit deze bepalingen volgt dat een arrest van het Hof van Cassatie, waarin de vernietiging wordt uitgesproken, een rechtsvordering tot tenuitvoerlegging doet ontstaan en dat deze rechtsvordering verjaart door verloop van 10 jaren te rekenen vanaf het arrest van het Hof van Cassatie.

De appelrechters beslissen dat de betekening van het arrest van het Hof van Cassatie en de dagvaarding tot voortzetting van de procedure in hoger beroep voor het aangewezen hof van beroep geen actio judicati is en dat de betekening van een arrest van het Hof van Cassatie niet de uitvoering inhoudt van een titel van een verbintenis of een toegekend voordeel of een gegrond geachte aanspraak in rechte.

Door aldus te beslissen dat de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof van Cassatie, door betekening en aanhangig maken bij de rechter op verwijzing, geen actio judicati uitmaakt, en voorts te beslissen dat derhalve de 10-jarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, van toepassing op de actio judicati, ter zake niet van toepassing is, schenden de appelrechters artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 1110 en 1115 Gerechtelijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar.

Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hen die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting (artikel 2244, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).

Krachtens artikel 2244, tweede lid, Burgerlijk Wetboek stuit een dagvaarding voor het gerecht de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

Hieruit volgt dat wanneer een dagvaarding voor het gerecht de verjaring stuit krachtens artikel 2244, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, de stuiting wordt verlengd tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

Een definitieve beslissing in de zin van artikel 2244, tweede lid, Burgerlijk Wetboek is een beslissing die een einde maakt aan het hangende geding. Het geding is het proces of nog, een geheel van aaneengeschakelde doel gebonden vormelijke verrichtingen dat resulteert in een rechterlijke uitspraak waarmee de materiële rechten van de partijen kunnen worden gerealiseerd.

Het geding wordt beëindigd door een rechterlijke uitspraak. Zolang er tegen deze rechterlijke uitspraak geen rechtsmiddel wordt aangewend, bestaat er geen geding meer.

Uit artikel 2244, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek volgt dan ook dat de verjaring wordt gestuit door een dagvaarding voor het gerecht tot het tijdstip waarop in dat geding, dat wil zeggen in die aanleg, een beslissing wordt gewezen. Vanaf de uitspraak begint een nieuwe verjaring te lopen, die op haar beurt zal worden gestuit door de gedinginleidende akte waarmee een rechtsmiddel wordt ingesteld.

In geval cassatie wordt uitgesproken met verwijzing, heeft deze plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft.

Deze wordt voor het aangewezen gerecht aanhangig gemaakt zoals een gewone zaak (artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek). Krachtens artikel 1115 Gerechtelijk Wetboek kunnen cassatiearresten niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij, op straffe van nietigheid der tenuitvoerlegging.

Uit de artikelen 1110 en 1115 Gerechtelijk Wetboek volgt dat het geding voor het Hof van Cassatie wordt beëindigd door het arrest van het Hof van Cassatie waarin desgevallend de vernietiging wordt uitgesproken. Zolang de zaak niet aanhangig wordt gemaakt overeenkomstig de artikelen 1110 en 1115 Gerechtelijk Wetboek voor de rechter op verwijzing, is er na het arrest van het Hof van Cassatie geen geding meer aanhangig en bestaat er ook geen geding meer. De term geding impliceert immers noodzakelijk dat de zaak aanhangig is voor de rechter.

Hieruit volgt dat er na het arrest van het Hof van Cassatie een nieuwe verjaring begint te lopen die kan worden gestuit door de betekening van het cassatie-arrest met dagvaarding voor het gerecht op verwijzing.

Te dezen blijkt uit de vaststellingen van de appelrechters op blz. 2 van het bestreden arrest dat uw Hof bij arresten van 18 november 1999 (C.97.0397.N en C.97.0398.N) is overgegaan tot vernietiging van de arresten van het hof van beroep te Gent, gewezen op 13 maart 1997, dat deze arresten van uw Hof aan eisers werden betekend op 6 mei 2010 op verzoek van tegenpartijen met dagvaarding voor het hof van beroep te Brussel.

De appelrechters beslissen dat tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep de stuiting van de verjaring behouden blijft tot aan de eindbeslissing en dat het ingestelde cassatieberoep geen invloed had op deze stuiting nu de verbreking leidde tot een verwijzing naar een andere rechter in hoger beroep en de zaak zich nog steeds in dezelfde aanleg van hoger beroep tegen het bestreden vonnis bevindt, voor zover de verbreking strekte.

Door aldus te beslissen dat het geding niet beëindigd werd door de arresten van het hof van beroep te Gent van 13 maart 1997, dat het geding voor uw Hof geen afgescheiden geding uitmaakt, zodat de zaak zich ook na verwijzing door het Hof van Cassatie nog steeds in dezelfde aanleg van hoger beroep tegen het bestreden vonnis bevindt, en dat derhalve het geding voor de feitenrechter in hoger beroep, het geding voor uw Hof en het daaropvolgende geding na verwijzing door uw Hof één enkel geding uitmaken, en door op grond daarvan te beslissen dat de stuiting van de verjaring doorloopt tot het thans bestreden arrest door het hof van beroep op verwijzing uitgesproken, zodat er geen verjaring is ingetreden, hoewel er meer dan 10 jaar zijn verstreken tussen de arresten van uw Hof van 18 november 1999 en het inleiden van het geding voor het hof van beroep te Brussel op 6 mei 2010, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen (schending van de artikelen 2244, § 1, eerste en tweede lid en 226bis, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek evenals de artikelen 1110, eerste en tweede lid en 1115 Gerechtelijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Elk vonnis van veroordeling doet een rechtsvordering ontstaan tot tenuit-voerlegging van de veroordeling. Deze rechtsvordering, actio judicati genoemd, verjaart door verloop van tien jaren te rekenen vanaf het vonnis.

2. Krachtens artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek wordt in geval van cassatie de zaak verwezen naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing heeft gewezen en wordt zij aanhangig gemaakt als een gewone zaak.

3. Artikel 1115 van hetzelfde wetboek bepaalt dat een cassatiearrest niet kan worden tenuitvoergelegd dan na de betekening aan de partij, op straffe van nietig-heid der tenuitvoerlegging.

De tenuitvoerlegging zoals bedoeld in deze bepaling betreft niet de tenuitvoerleg-ging van een veroordeling ten laste van de andere partij, maar doelt slechts op de voortzetting van het geding voor de verwijzingsrechter.

4. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het aanhangig maken van de zaak bij de verwijzingsrechter een daad van tenuitvoerlegging is die onderworpen is aan de verjaringstermijn van de actio judicati, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Luidens artikel 2244, § 1, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek, vormt een dagvaarding voor het gerecht betekend aan hem die men wil beletten de verja-ring te verkrijgen, burgerlijke stuiting die uitwerking heeft tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

6. Wanneer na een cassatieberoep de bestreden beslissing wordt vernietigd, dan worden de partijen binnen de perken ervan, voor de rechter naar wie de zaak overeenkomstig artikel 1110 Gerechtelijk Wetboek is verwezen, teruggeplaatst in dezelfde positie als waarin zij zich bevonden voor de rechter wiens beslissing werd vernietigd. De verwijzing doet geen nieuw geding ontstaan, maar is de voortzetting van het geding vóór het cassatieberoep.

7. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat door de vernietiging van de bestreden beslissing er geen geding voor de rechter meer voorhanden is zodat de stuiting van de verjaring op dat tijdstip een einde heeft genomen om hieruit af te leiden dat de vordering van de verweerders verjaard is aangezien de zaak slechts op 6 mei 2010 werd aanhangig gemaakt voor de verwijzingsrechter, dit is na het verstrijken van de tienjarige verjaringstermijn die is beginnen lopen na het cassatiearrest van 18 november 1999, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers tot de kosten
Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.161,12 euro in debet en voor de verweerders op nul euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:14
Laatst aangepast op: di, 16/01/2018 - 15:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.