-A +A

Aanvangspunt verjaring arbeidsongevallen en beroepsziekten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De verjaring, die een verdediging is tegen een laattijdige vordering, vangt in de regel aan op het tijdstip dat de vordering ontstaat, namelijk wanneer de verplichting die zij bekrachtigt moet worden.

Noch de artikelen 35, eerste en tweede lid, en 52, eerste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, noch artikel 1, §§2 en 3 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 tot vaststelling van de wijze van betaling van de vergoedingen die verschuldigd zijn krachtens de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, noch artikel 10, eerste lid van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het 'handvest' van de sociaal verzekerde, afzonderlijk of in hun geheel beschouwd, sluiten de toepassing uit van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek op de vordering tot betaling van de uitkeringen voor blijvende ongeschiktheid

Cassatie 12/05/2014, AR S.13.0020.F, juridat

Nr. S.13.0020.F
R. F.,

tegen
FONDS VOOR BEROEPSZIEKTEN, openbare instelling,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Luik van 17 april 2012.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert een middel aan dat luidt als volgt:
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 30, 30bis, 35, tweede lid, 48quater, eerste lid, 52 en 53, § 2, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970;
- de artikelen 2, 8bis, 9, 10 en 11, van het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot vaststelling van de wijze waarop de aanvragen om schadeloosstelling en om herziening van reeds toegekende vergoedingen bij het Fonds voor de beroepsziekten worden ingediend en onderzocht;
- de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, dat, met toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek, de veroordeling van de verweerder tot betaling van de wettelijke vergoedingen tot schadeloosstelling van de blijvende ongeschiktheid wegens een beroepsziekte slechts mag worden uitgesproken vanaf 6 januari 2003, met alle redenen die worden verondersteld hier volledig te zijn weergegeven en inzonderheid, inzake de aanvangsdatum van de vergoedingen, op grond dat:

"Krachtens artikel 35, tweede lid, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970, wordt bij een eerste aanvraag, wanneer de arbeidsongeschiktheid van in de beginne blijvend is, een jaarlijkse vergoeding toegekend van 100 pct. bepaald naar de graad van de blijvende ongeschiktheid, te rekenen vanaf het begin van de ongeschiktheid; de vergoeding zal evenwel niet vroeger kunnen ingaan dan 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag; het Arbitragehof heeft in zijn arrest van 30 januari 2007, nr. 25/2007, geoordeeld dat de bepaling dat de vergoeding niet vroeger kan ingaan dan 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag discriminerend was aangezien een dergelijke beperking in de tijd niet bestaat in de openbare sector in het licht van de wet van 3 juli 1967; bijgevolg mag dat artikel 35, tweede lid, niet worden toegepast in zoverre het bepaalt dat 'de vergoeding niet vroeger kan ingaan dat 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag'.

De verweerder vroeg om de betaling van de achterstallige bedragen te beperken tot vijf jaar vanaf de gedinginleidende akte met toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek en de rechtbank heeft dat verzoek ingewilligd.

De eiser die steunt op een arrest van het Grondwettelijk Hof dat meent dat artikel 2277, Burgerlijk Wetboek te dezen kennelijk niet toepasbaar is, vraagt de betaling van de vergoedingen vanaf de aanvang van zijn ongeschiktheid, namelijk 9 augustus 2000.

Artikel 2277 Burgerlijk Wetboek stelt:

Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten,
Die van uitkeringen tot levensonderhoud,
Huren van huizen en pachten van landeigendommen,
Interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen,

Verjaren door verloop van vijf jaren'.

Die verjaring van vijf jaar is in beginsel van toepassing in alle gevallen waarin de schuld prestaties of inkomsten betreft die per jaar of in kortere tijdspannes betaalbaar zijn. Er wordt niet betwist dat de vergoeding wegens blijvende arbeids-ongeschiktheid in principe jaarlijks betaalbaar is.

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 73/2011 van 12 mei 2011 geoordeeld dat artikel 2277, Burgerlijk Wetboek geen betrekking had op artikel 35, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, dat bepaalt vanaf welke datum de aanvrager recht heeft op een jaarlijkse vergoeding voor zijn arbeidsongeschiktheid. Artikel 2277 Burgerlijk Wetboek bepaalt inderdaad geenszins de datum waarop men recht heeft op de jaarlijkse vergoeding wegens blijvende arbeidsongeschiktheid.
Artikel 2277 Burgerlijk Wetboek is een verjaringsregel die betrekking heeft op het verzoek tot schadeloosstelling of de vordering tot schadeloosstelling en die regel bepaalt geenszins de datum waarop de aanvang van de ongeschiktheid erkend wordt. De uitdovende verjaring treft niet het bestaan van de schuld maar enkel de opeisbaarheid ervan.

Artikel 35, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, bepaalt de datum waarop de jaarlijkse vergoeding moet ingaan maar preciseert geenszins de verjaringstermijn die van toepassing is op de aanvraag tot vergoeding.

Het [arbeidshof ]oordeelt dat zo de schuld, namelijk te dezen de jaarlijkse vergoedingen die verschuldigd zijn wegens blijvende ongeschiktheid, bestaat vanaf het begin van de ongeschiktheid, de opeisbaarheid van die schuld onderworpen is aan de verjaring van artikel 2279 (lees: 2277) van het Burgerlijk Wetboek.

Aangezien het gedinginleidend verzoekschrift, een verjaringsstuitende handeling, ingediend werd op 7 januari 2008, zijn de vergoedingen verschuldigd vanaf 7 ja-nuari 2003".

Grieven

Eerste onderdeel

Er is sprake van een beroepsziekte in de zin van artikel 32 van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 wanneer de door deze ziekte getroffen persoon aan het beroepsrisico ervan blootgesteld geweest is met een zekere intensiteit en gedurende een zekere periode, waardoor het ogenblik waarop de aangifte moet worden gedaan moeilijk te bepalen is.

Luidens artikel 35, tweede lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten, wordt, wanneer de arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een beroepsziekte van in den beginne blijvend is, een jaarlijkse vergoeding toegekend van 100 pct. bepaald naar de graad van de blijvende ongeschiktheid, te rekenen vanaf het begin van de ongeschiktheid.

Om de betaling van de jaarlijkse vergoeding te verkrijgen moet de getroffene, krachtens artikel 52, eerste lid, van de gecoördineerde wetten, een aanvraag indienen. Die moet alle documenten bevatten vereist bij artikel 2 van het Koninklijk besluit van 26 september 1996 tot vaststelling van de wijze waarop de aanvragen om schadeloosstelling en om herziening van reeds toegekende vergoedingen bij het Fonds voor de beroepsziekten worden ingediend en onderzocht, om de verweerder de mogelijkheid te bieden de aanvraag op elk vlak te onderzoeken: administratief, medisch, blootstelling aan het beroepsrisico.

De toename van de oorzaken van beroepsziekten heeft de wetgever ertoe aangezet om, naast het systeem van de ziekten die voorkomen in de door de Koning opgemaakte lijst (artikel 30 van de gecoördineerde wetten), te voorzien in een zogeheten "open systeem" voor vergoeding van ziekten die niet voorkomen op de lijst maar die op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg zijn van de beroepsuitoefening (artikel 30bis van de gecoördineerde wetten. Die voorwaarde moet eveneens door de [verweerder] worden onderzocht.

Luidens artikel 8bis van het koninklijk besluit van 26 september 1996, beperkt de verweerder het onderzoek van de aanvraag tot de aandoening waarvoor zij werd ingediend.

Zodra de volledige aanvraag is ingediend, kan de [verweerder], krachtens artikel 11 van het voornoemde koninklijk besluit, bij de getroffene en diens werkgevers alle bijkomende inlichtingen inwinnen.

Het onderzoek van de aanvraag kan aan het licht brengen dat de getroffene blootgesteld is geweest aan het beroepsrisico van de ziekte waarvoor de schadeloosstelling wordt gevraagd tijdens zijn werk bij verschillende werkgevers die, voor de vergoeding van beroepsziekten, zowel behoren tot de overheidssector als tot de private sector, waardoor het noodzakelijk is de werkgever te bepalen bij wie de getroffene voor het laatst blootgesteld was aan het risico om te weten welke wetgeving van toepassing is (artikel 48quater, eerste lid, van de gecoördineerde wetten).

Bovendien wordt een beroepsziekte, in het systeem buiten de lijst, enkel erkend na onderzoek van de aanvraag door de "Commissie open systeem", opgericht in de schoot van de [verweerder] (artikel 9 van het koninklijk besluit van 26 september 1996).

De [verweerder ]neemt dan een beslissing die ofwel het recht op de jaarlijkse vergoeding toekent en de datum vaststelt van de aanvang en de graad van de ongeschiktheid, of die het recht weigert.

Als de getroffene het daarmee niet eens is, kan hij krachtens 53, § 2, van de gecoördineerde wetten de betwiste administratieve rechtshandeling voorleggen aan de arbeidsrechtbank binnen het jaar van de kennisgeving ervan.

Uit het geheel van die bepalingen kan worden afgeleid dat de specifieke wetgeving op de beroepsziekten de toepassing uitsluit van een verjaringsstelsel van gemeen recht, meer in het bijzonder van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, dat een vijfjarige verjaringstermijn instelt die ingaat op het ogenblik dat het recht ontstaat.

Door artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek toe te passen op de vordering van de eiser tot betaling van de vergoeding wegens blijvende ongeschiktheid veroorzaakt door een beroepsziekte, schendt het arrest zowel de in het middel aangegeven bepalingen van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 en het koninklijk besluit van 26 september 1996, bepalingen die samen een globaal stelsel invoeren van schadeloosstelling wegens blijvende ongeschiktheid veroorzaakt door een beroepsziekte dat de toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek uitsluit, als de laatstgenoemde bepaling.

Tweede onderdeel

De regel van de gelijkheid en non-discriminatie, bepaald bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, verbiedt een verschillende behandeling van personen die zich in een zelfde of vergelijkbare situatie bevinden, behalve als het onderscheid objectief en redelijk verantwoord is.

In artikel 20 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, heeft de wetgever voor de overheidssector een bijzondere verjaringstermijn ingesteld voor de vordering tot betaling, te weten van drie jaar, waarvan de aanvang is vastgesteld op de datum van ontvangst van de beslissing van de bevoegde overheid, om te vermijden dat de verjaringstermijn zou kunnen ingaan vóór de kennisgeving van de beslissing van de overheid. Dat bijzonder verjaringsstelsel sluit de toepassing uit van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. Geen enkele andere bepaling beperkt de rechten van de getroffene op betaling van de uitkeringen tot schadeloosstelling van de door een beroepsziekte veroorzaakte blijvende ongeschiktheid waarvan het recht ontstaat, zoals in de private sector, vanaf de aanvang van de blijvende ongeschiktheid.

In de uitlegging volgens dewelke, in de private sector van de beroepsziekten, artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek - dat een verjaring door verloop van vijf jaren instelt die ingaat op het ogenblik dat het recht ontstaat - van toepassing is op de vordering van de getroffene tot betaling van de vergoedingen wegens blijvende ongeschiktheid, waarbij het recht ontstaat vanaf de aanvang van de ongeschiktheid, wordt een verschillende behandeling ingesteld tussen vergelijkbare categorieën, namelijk tussen de werknemers die het slachtoffer zijn van een beroepsziekte die een blijvende ongeschiktheid tot gevolg heeft in de private sector en de werknemers die het slachtoffer zijn van een beroepsziekte die een blijvende ongeschiktheid tot gevolg heeft in de overheidssector, aangezien de vordering van de eerstgenoemden onderworpen is aan een verjaringstermijn door verloop van vijf jaren die ingaat vanaf de aanvang van de blijvende ongeschiktheid en ongeacht de termijn die de [verweerder ]besteed heeft aan het onderzoeken van de aanvraag, terwijl de vordering van de laatstgenoemden onderworpen is aan een verjaringstermijn door verloop van drie jaren die ingaat op de datum van ontvangst van de door de bevoegde overheid genomen beslissing nadat de aanvraag werd onderzocht en ongeacht het tijdstip waarop de blijvende ongeschiktheid een aanvang nam.

Die verschillende behandeling is geenszins objectief en redelijk verantwoord.

De getroffenen van een beroepsziekte die van bij de aanvang een blijvende ongeschiktheid heeft teweeggebracht bevinden zich immers in de private sector en in de overheidssector in een vergelijkbare situatie, te weten

(i) dat zij het slachtoffer zijn van een beroepsziekte met het kenmerk dat die niet het gevolg is van een plotselinge gebeurtenis maar van een blootstelling aan een beroepsrisico met een zekere intensiteit en gedurende een zekere tijd, van een ziekte die zich in de tijd ontwikkelt , waarvan de symptomen slechts heel langzaam aan het licht komen en niet steeds onmiddellijk kunnen worden gewijd aan een beroepsziekte, zodat het precieze ogenblik waarop de aanvraag kan worden ingediend moeilijk te bepalen is; bovendien is diegene die de schade moet vergoeden niet steeds makkelijk te bepalen aangezien de mogelijke blootstelling aan het risico zowel bij een werkgever van de private sector als bij een werkgever van de overheidssector kan zijn gebeurd;

(ii) dat zij verplicht zijn administratieve voorwaarden te vervullen, te we-ten het indienen bij de [verweerder] of bij de werkgever van een aanvraag volgens bij wet bepaalde vormvereisten, en

(iii) dat zij verplicht zijn aan de [verweerder] of aan de door de werkgever in de overheidssector aangewezen dienst de nodige tijd te gunnen om de aanvraag te onderzoeken en mee te werken aan dat onderzoek door het verstrekken van de nodige documenten.

Daaruit volgt dat het arrest dat beslist dat met toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, de vergoedingen van de eiser wegens blijvende ongeschiktheid die het gevolg is van een beroepsziekte slechts vanaf 7 januari 2003 verschuldigd zijn aangezien de dagvaarding op 7 januari 2008 werd ingeleid, bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 2277 Burgerlijk Wetboek verjaren termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten; die van uitkeringen tot levensonderhoud; huren van hui-zen en pachten van landeigendommen; interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, door verloop van vijf jaren.

Die verjaring is van toepassing op de vorderingen tot betaling van alle op die wijze betaalbare prestaties die niet onderworpen zijn aan bijzondere verjaringen.

De verjaring die een verweermiddel is tegen een laattijdige vordering, vangt in de regel aan op het tijdstip dat de vordering ontstaat, namelijk wanneer de verplich-ting die zij bekrachtigt, moet worden uitgevoerd.

Krachtens artikel 35, eerste en tweede lid, Beroepsziektenwet, is een jaarlijkse vergoeding verschuldigd wanneer de ziekte een blijvende arbeidsongeschiktheid meebrengt, te rekenen van de dag waarop de ongeschiktheid van bestendige aard is.

Krachtens artikel 1, § 2 en § 3, van het koninklijk besluit van 10 december 1987 tot vaststelling van de wijze van betaling van de vergoedingen die verschuldigd zijn krachtens de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schade-loosstelling voor beroepsziekten, in uitvoering van artikel 47 van de voornoemde wetten, zijn de jaarlijkse vergoedingen die krachtens de voornoemde wetten ver-schuldigd zijn, maandelijks na vervallen termijn of driemaandelijks betaalbaar.

Artikel 52, eerste lid, Beroepsziektenwet bepaalt dat de verweerder uitspraak doet omtrent iedere aanvraag om schadeloosstelling van de sociaal verzekerde.

Bij geheel van een specifieke wettelijke of reglementaire bepaling die in een kor-tere termijn voorziet voor de schadeloosstelling van de beroepsziekten, is de ver-weerder overeenkomstig artikel 10, eerste lid, Wet Handvest Sociaal Verzekerde gehouden te beslissen ten laatste binnen vier maanden van de aanvraag.

Noch die bepalingen, noch enige andere in het middel bedoelde bepaling, afzon-derlijk of in hun geheel beschouwd, sluiten de toepassing uit van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek op de vordering tot betaling van de uitkeringen voor blijvende ongeschiktheid.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

De in dit onderdeel aangevoerde discriminatie vindt haar oorsprong niet in artikel 2277 Burgerlijk Wetboek maar in het verzuim van de wetgever om in de Beroeps-ziektenwet een vergelijkbare bepaling in te voeren als de in artikel 20, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel uitgevaardigde bepaling, volgens de-welke vorderingen tot betaling van renten in geval van blijvende arbeidsonge-schiktheid verschuldigd krachtens artikel 3, eerste lid, 1°, b) van die wet verjaren na het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen van de dag waarop de betwiste administratieve rechtshandeling ter kennis werd gebracht.

Wanneer een prejudiciële vraag betrekking heeft op een wetgevende leemte, moet het Hof die slechts aan het Grondwettelijk Hof voorleggen als het vaststelt dat het desgevallend in staat is aan die leemte te verhelpen zonder tussenkomst van de wetgever.

De aangevoerde leemte zou, in de veronderstelling dat ze de Grondwet schendt, de tussenkomst van de wetgever vergen om de modaliteiten van het nieuwe, in te voeren verjaringsstelsel te bepalen.

De door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag hoeft bijgevolg niet te worden gesteld.

Aangezien er een dergelijke leemte voorhanden is, beslist het arrest naar recht om artikel 2277 Burgerlijk Wetboek toe te passen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep;
Gelet op artikel 53, tweede lid, Beroepsziektenwet, veroordeelt de verweerder tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel

conclusie parket-generaal:

S.13.0020.F
Conclusions de M. l'avocat général J.M. Genicot.

Sur le moyen unique de cassation en sa première branche.

A. Position de la question.

Suite à une demande introduite le 14 avril 2007 en réparation des dommages résultant d'une maladie professionnelle en application des lois coordonnées du 3 juin 1970, le demandeur a saisi le tribunal du travail par requête du 7 janvier 2008 de la contestation résultant du refus par le défendeur d'y faire droit. Par jugement du tribunal du travail du 20 mai 2010 le défendeur fut condamné au paiement des indemnités légales à partir du 6 janvier 2003 en fonction d'une incapacité globale de 11%.

Par requête d'appel du 19 novembre 2110 le demandeur entendait d'une part, voir majorer le taux d'incapacité retenu de 11 à 13 % et d'autre part, étendre la période indemnisable dès le 9 août 2000, date où les premiers éléments retenus par l'expert médecin rendaient compte de la maladie. En son arrêt attaqué du 17 avril 2012 la cour du travail a déclaré ce recours recevable mais non fondé, considérant plus précisément quant à la période indemnisable réclamée, que: "... si la dette, à savoir dans le cas d'espèce des allocations annuelles dues en raison de l'incapacité permanente, existe à partir du début de l'incapacité, cette dette, quant à son exigibilité est soumise à la prescription de l'article 2279 [lire 2277] du Code civil. La requête introductive d'instance, acte interruptif de prescription, ayant été introduite le 7 janvier 2008, les indemnités sont dues à partir du 7 janvier 2003".

Le demandeur, en la première branche de son moyen, fait grief à l'arrêt attaqué d'avoir appliqué la prescription quinquennale de l'article 2277 du Code civil aux prétentions du demandeur tendant au paiement d'allocations pour incapacité permanente due à une maladie professionnelle, alors que selon lui, les dispositions des lois coordonnées et de l'arrêté royal du 26 septembre 1996, excluent en l'espèce l'application de cette prescription quinquennale.

B. Discussion.

1. Naissance du droit et action et demande en réparation. - Distinction.

L'article 35 alinéa 2, des lois coordonnées du 3 juin 1970, dispose notamment que: "Lorsque l'incapacité de travail est permanente dès le début, une allocation annuelle de 100 % déterminée d'après le degré d'incapacité permanente, est reconnue à partir du début de l'incapacité;...". Cette disposition fixe ainsi la date de naissance du droit aux indemnités dues sans se prononcer cependant sur le délai de prescription de l'action qui mettrait en œuvre ce droit.

L'arrêt attaqué, page 3, rappelle à juste titre à cet égard que la Cour constitutionnelle a considéré dans son arrêt du 30 janvier 2007(1) que la seconde partie de cet alinéa suivant lequel "... toutefois, l'allocation prend cours au plus tôt 120 jours avant la date d'introduction de la demande." n'était pas raisonnablement justifiée dans le secteur privé alors que le législateur n'avait pas estimé devoir fixer un délai aussi court dans le secteur public, en sorte que les allocations annuelles dues en raison de l'incapacité permanente existent bien à partir du début d'incapacité.

La question distincte de la prescription de leur exigibilité et de l'action qui la sous-tend, n'est résolue ni par l'arrêt précité de la Cour constitutionnelle du 30 janvier 2007, ni par celui du 12 mai 2011,(2) où la constatation que l'article 2277 du Code civil "n'était manifestement pas applicable en l'espèce", me paraît devoir se lire au regard de la question traitée, à savoir celle de la date de prise de cours de la reconnaissance possible - et donc de la naissance - du droit à une allocation en réparation d'une incapacité de travail permanente consécutive à une maladie professionnelle et non de la prescription de la demande ou de l'action en réparation elle-même.

Dans son arrêt du 9 août 2012(3), la Cour constitutionnelle considère par ailleurs qu'"En raison du développement qu'a connu le secteur des maladies professionnelles, le législateur a pu prendre des mesures qui limitent les dépenses mises à charge du Fonds des maladies professionnelles, qui permettent à celui-ci d'établir des prévisions et qui favorisent les mesures de prévention en incitant le malade à déclarer sa maladie dès l'apparition des premiers symptômes (....) Ces éléments peuvent justifier que le législateur limite à un délai raisonnable la rétroactivité des indemnités d'incapacité de travail. Cela vaut particulièrement pour l'incapacité de travail temporaire, qui peut précéder une incapacité de travail permanente et pour laquelle il est d'autant plus important que la demande soit faite dans les meilleurs délais afin de pouvoir adopter encore, si possible, les mesures préventives et limiter le dommage."

On ne peut donc considérer a priori qu'aucun délai de prescription ne pourrait être appliqué à l'action

2. Article 2277 du Code civil.

Suivant cette disposition, se prescrit par cinq années "généralement tout ce qui est payable par année, ou à des termes périodiques plus courts."

La doctrine retient que cette formulation donne à penser qu'il s'agit là "d'une règle générale dont les catégories précédentes ne forment que des illustrations."(4), à un point tel que la distinction originairement retenue sur la base du "caractère de capital ou de revenu de la créance n'apparaît pas pertinent par rapport à l'objectif de l'article 2277 du Code civil, qui est à la fois d'inciter le créancier à la diligence et de protéger le débiteur contre l'accumulation de dettes périodiques sur une période trop importante" (5). Pour mémoire, la vérification préalable à l'application de cet article ne porterait "probablement" plus "que sur la périodicité d'une dette susceptible de s'accumuler dans le chef du débiteur, jointe à l'unicité de l'opération économique concernée".(6)

Cela étant précisé, il n'est pas contesté que l'allocation due en réparation d'une maladie professionnelle est, en vertu de l'article 1er, § 2 et 3,de l'arrêté royal du 10 décembre 1987 fixant les modalités de paiement des indemnités dues en vertu des lois coordonnées, payable mensuellement à terme échu ou trimestriellement.

Le caractère général de la prescription ainsi visée par l'article 2277, du Code civil apparaît bien en commander l'application à toutes les hypothèses qui n'en sont pas expressément exclues par des dispositions particulières, tout comme le rappelait d'ailleurs l'arrêt de la Cour du 22 mars 2010, à propos de la prescription de l'article 2262bis, du même Code.(7)

Certes la prescription est une défense opposée à une action tardive et ne peut prendre cours avant que cette action ne soit née.(8) Sitôt que le droit est reconnu, fût-ce par une décision - comme c'est généralement le cas - bien ultérieure à la date de sa reconnaissance la prescription peut prendre cours dès sa naissance.

Par ailleurs l'article 52, alinéa 4, des lois coordonnées prévoit que sur avis du conseil technique, le Roi peut fixer pour chaque maladie, les délais dans lesquels les demandes doivent être introduites. La doctrine rappelle qu'à ce jour aucun arrêté royal n'a été pris en ce sens (9), ce qui induit une volonté claire du législateur de ne pas laisser imprescriptibles les actions en payement de telles indemnités.

Ainsi, à titre purement comparatif, on peut relever que dans d'autres domaines de la sécurité sociale le principe de l'application du délai de 5 ans a été retenu:

- l'action du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs en paiement des cotisations dues par les employeurs assujettis se prescrit par cinq ans (article 2277 du Code civil)(10);

- l'article 102, alinéa 1er de la loi du 8 juillet 1976 organique des Centres publics d'action sociale prévoit que l'action en remboursement de l'aide sociale dirigée contre le bénéficiaire se prescrit conformément à l'article 2277 du Code civil(11);

En l'espèce donc, ni une quelconque disposition particulière ni les développements précités ne permettent d'exclure l'action en paiement des allocations en réparation de dommages dus à une maladie professionnelle du cadre général de l'application de l'article 2277 du Code civil.

Le moyen qui tend à soutenir le contraire m'apparaît manquer en droit.

Sur le moyen en sa seconde branche

Sur la fin de non-recevoir opposée par le défendeur au moyen en cette branche, en ce qu'elle est prise de sa nouveauté.

Le moyen qui reproche en l'espèce à l'arrêt attaqué d'avoir fait application de la prescription visée par l'article 2277 du Code civil à l'action en payement des allocations d'incapacité permanente consécutives à une maladie professionnelle, se borne à critiquer un motif que le juge a lui-même énoncé à l'appui de sa décision.

Pareil moyen ne saurait encourir le reproche de nouveauté.

La fin de non-recevoir ne peut être accueillie.

Sur le fondement du moyen en sa seconde branche

Le demandeur constate que dans le secteur public le droit de la victime à l'indemnité naît dès le début de l'incapacité permanente et l'action en paiement desdites indemnités est régie par un délai de prescription de trois ans dont le point de départ est la date de la réception de la décision de l'autorité administrative compétente.

Par contre ajoute-t-il dans le secteur privé, le droit de la victime à l'indemnité naît également dès le début de l'incapacité mais le point de départ de la prescription de cinq ans de l'article 2277 du Code civil est la naissance du droit. (16ème feuillet du pourvoi)

Le demandeur entend dès lors poser à titre subsidiaire une question préjudicielle à la Cour constitutionnelle, relative à la compatibilité de l'article 2277 du Code civil, interprété en ce qu'il s'applique à l'action en paiement des allocations d'incapacité permanente dues en réparation de maladies professionnelles dans le secteur privé, avec les articles 10 et 11 de la Constitution dès lors que cette disposition leur réserve un régime de prescription différent de celui qui régit les demandes similaires des travailleurs comparables qui sont victimes de maladies professionnelles dans le secteur public.

En application de l'article 26, § 2, de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la cour constitutionnelle, il y a lieu de faire droit à la demande subsidiaire du demandeur et de poser la question préjudicielle à la Cour constitutionnelle.

Conclusion:
Surseoir à statuer dans l'attente d'une réponse de la Cour constitutionnelle à la question préjudicielle posée.
_________________
(1) C. const., 30 janvier 2007, n° du rôle 3888, arrêt n° 25/2007.
(2) C. const., 12 mai 2011, arrêt n° 73/2011.
(3) C. const., 9 août 2012, n° du rôle 5203, arrêt n° 102/2012.
(4) M. Marchandise, " La prescription libératoire en matière civile", in Les dossiers du Journal des tribunaux n° 64, Larcier 2007, p. 96, n° 94.
(5) C. const., 19 janvier 2005, arrêt n° 15/2005, J.T. 2005, p. 396, B6.
(6) M. Marchandise, op. cit., p. 98, n° 95.
(7) Cass., 22 mars 2010, RG S.09.0084.F, Pas., 2010, n° 206.
(8) Cass., 8 février 1993, RG 8189, Pas., 1993, n° 80; Cass ., 27 juin 2011, RG S.10 0016.F, Pas., 2011, n° 428, avec les concl. de Monsieur le Procureur général J.-F. Leclercq.
(9) Olivier Langlet, "La réparation des maladies professionnelles: de la procédure administrative à la procédure judiciaire", Etudes pratiques de droit social, éd. Kluwer, 2011, p. 9.
(10) Cass., 15 septembre 1980, RG 6010 et 5853, Bull.,1981, p. 49.
(11) L. du 8 juillet 1976, article 102; C. const., 30 octobre 2008, n° du rôle 4416, arrêt n° 147/2008.
 

 

 

Franse term: 
prescription
Nuttige tips: 

"contra non valentem agere, non currit praescriptio" 

Contra non valentem agere, non currit praescriptio De verjaring van een vordering loopt niet tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert de vordering in te stellen wegens een beletsel.

Dit adagium is geen  algemeen rechtsbeginsel

Een schuldeiser die niet in staat is een daad van stuiting te stellen kan niet geconfronteerd worden met een verjaring van zijn schuldvordering. Deze onmogelijkheid dient absoluut te zijn en de schuldeiser draagt hiervan de bewijslast. Vergetelheid, nalatigheid, veronderstelde insolvabiliteit, administratieve overlast zijn geen onmogelijkheden in hoofde van de schuldeiser. Meer zelfs, enkel een wettelijk beletsel tot uitoefening van een vordering kan weerhouden worden om de verjaring tegen een persoon niet te laten lopen.

Feitelijke beletsels, zoals overmacht, onoverkomelijke dwaling of onwetendheid omtrent het bestaan van het vorderingsrecht, volstaan niet

• Cass. 30 juni 2006, Arr.Cass. 2006, 542, Pas. 2006, 1563, JLMB 2006, 1622, RW 2009-10, 577;
• Cass. 18 november 1996, Arr.Cass. 1996, 1051, Pas. 1996, I, 1121, JT 1997, 173, RW 1997-98, 604;
• Cass. 2 januari 1969, Arr.Cass. 1969, 409, Pas. 1969, I, 386, JT 1969, 480, RCJB 1969, 91, noot J. Dabin, RW 1968-69, 1375.

• E. Verjans, “Correctiefiguren op de onbillijke gevolgen van de bevrijdende verjaring”, TBBR 2014, (147) 159-160). In 2006 heeft het Hof bovendien geoordeeld dat dit beginsel geen algemeen rechtsbeginsel uitmaakt (Cass. 30 juni 2006, Arr.Cass. 2006, 542, Pas. 2006, 1563, JLMB 2006, 1622, RW 2009-10, 577).

• M. MARCHANDISE en J.- F. VAN DROOGHENBROECK, «Les causes d‘interruption et de suspension de la prescription libératoire en droit belge» in La prescription extinctive. Etudes de droit comparé, Brussel, Bruylant, Zurich, Schulthess, Parijs, LGDJ, 2010, nrs. 67 e.v.)

• S. Stijns, de rol van de wil en het gedrag van de partijen bij de bevrijdende verjaring RW 2010-2011, 1538.

uitzondering de derdenbedingen:

Verjaringstermijn voor rechtsvorderingen uit derdenbedingen kan niet verstrijken vooraleer de begunstigde van het derdenbeding van het derdenbeding kennis heeft kunnen nemen:

zie GwH 06/11/2014 (klik hier voor volledig arrest)

Art. 2262bis, § 1 BW bepaalt:"Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

“In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

“De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan”.

Alhier wordt onderzocht in hoeverre art. 2262bis, § 1, eerste lid BW strookt met het 10 en 11 Gw., in zoverre de tienjarige verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen aanvangt bij het ontstaan van de vordering, terwijl de verjaringstermijn voor een vordering op grond van een onrechtmatige daad krachtens art. 2262bis, § 1, tweede lid BW pas aanvangt wanneer het slachtoffer kennis heeft van zijn schade en de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Ofschoon een contractuele en een buitencontractuele rechtsvordering verschillend zijn, bevinden de schuldeisers in een rechtsvordering van contractuele respectievelijk buitencontractuele aard zich in situaties die niet in die mate verschillen dat zij niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken wat de verjaringstermijn betreft. Het gaat immers in beide gevallen om personen die worden geconfronteerd met verjaringstermijnen betreffende een door een andere persoon begane wanprestatie respectievelijk schadeverwekkende handeling.

Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zouden zijn en dat de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer hij die aangelegenheid regelt. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verjaringstermijnen een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

Het recht op toegang tot de rechter verzet zich niet tegen ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals verjaringstermijnen, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien een beperking niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een barrière vormt die de rechtzoekende verhindert om zijn rechten door de bevoegde rechter te laten beoordelen (EHRM 27 juli 2007, Efstathiou e.a. t/ Griekenland, § 24; EHRM 24 februari 2009, L. ASBL t/ België, § 35).

De aard van een verjaringstermijn of de manier waarop hij wordt toegepast, zijn in strijd met het recht op toegang tot de rechter indien zij de rechtzoekende verhinderen om een rechtsmiddel aan te wenden dat in beginsel beschikbaar is (EHRM 12 januari 2006, Mizzi t/ Malta, § 89; EHRM 7 juli 2009, Stagno t/ België), indien de haalbaarheid ervan afhankelijk is van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker (EHRM 22 juli 2010, Melis t/ Griekenland, § 28) of indien zij tot gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken is gedoemd (EHRM 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t/ Zwitserland).

Het recht op toegang tot de rechter verzet zich evenwel niet tegen absolute verjaringstermijnen. Dat recht moet immers worden verzoend met het streven naar rechtszekerheid en de zorg om het recht op een eerlijk proces die elke verjaringsregel kenmerken. De omstandigheid dat een verjaringstermijn kan verstrijken vooraleer de schuldeiser kennis heeft van alle elementen die nodig zijn om zijn vorderingsrecht uit te oefenen, zoals de twintigjarige termijn bepaald in art. 2262bis, § 1, derde lid BW, is bijgevolg op zichzelf niet in strijd met art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 6 EVRM.

Te dezen wordt de situatie onderzocht van de begunstigde van een derdenbeding die, bij gebrek aan kennisgeving door de bedinger of de belover, over geen enkel element beschikt dat hem in staat stelt om een vorderingsrecht dat hem op grond van de overeenkomst tussen de bedinger en de belover toekomt, uit te oefenen, en die, na verloop van tien jaren, een recht verjaard ziet dat hij nooit in rechte heeft kunnen afdwingen.

Wat de derdenbedingen voortvloeiend uit persoonsverzekeringen betreft, bepaalt art. 88, § 1, vierde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen dat de verjaringstermijn van de rechtsvordering van de begunstigde pas loopt vanaf de dag waarop deze tegelijk kennis heeft van het bestaan van de overeenkomst, van zijn hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de verzekeringsprestaties opeisbaar doet worden. Bijgevolg kunnen de rechtsvorderingen uit dergelijke derdenbedingen niet verjaren vooraleer de begunstigde kennis heeft van zijn recht.

De in het geding zijnde bepaling werd ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring. Met die wet beoogde de wetgever tegemoet te komen aan het arrest van het Hof nr. 25/95 van 21 maart 1995. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat art. 26 Voorafgaande Titel Sv. niet verenigbaar was met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat het de burgerlijke rechtsvordering voortvloeiend uit een misdrijf onderwierp aan een verjaringstermijn van vijf jaar, terwijl de andere buitencontractuele fouten krachtens de toenmalige versie van art. 2262 BW pas na dertig jaar verjaarden.

De wetgever oordeelde dat ingevolge dat arrest niet alleen de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid diende te worden geremedieerd, maar dat tevens de verjaringstermijn voor alle persoonlijke rechtsvorderingen, die op dat ogenblik dertig jaar bedroeg, diende te worden ingekort (Parl.St. Kamer 1996-97, nr. 1087/1, p. 2-3).

Daarbij werd beklemtoond dat er diende te worden voorzien in een absolute verjaringstermijn die begint te lopen op de dag waarop de schadeverwekkende gebeurtenis zich voordoet, zelfs indien de schade pas later blijkt, omdat de aansprakelijke en zijn verzekeraar niet al te lang mogen worden blootgesteld aan rechtsvorderingen tot vergoeding van schade (ibid., p. 2-3).

De absolute verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen werd op tien jaar bepaald (art. 2262bis, § 1, eerste lid BW). Die termijn begint te lopen op de dag volgend op het ogenblik waarop de vordering opeisbaar wordt. De absolute verjaringstermijn voor buitencontractuele aansprakelijkheid werd daarentegen op twintig jaar bepaald (art. 2262bis, § 1, derde lid BW). Die termijn begint te lopen op de dag volgend op het ogenblik van de schadeverwekkende handeling.

Alleen voor de buitencontractuele aansprakelijkheid werd binnen de absolute verjaringstermijn voorzien in een kortere termijn van vijf jaar, die begint te lopen op de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon (art. 2262bis, § 1, tweede lid BW).

Dat die kortere termijn niet werd uitgebreid naar de andere persoonlijke rechtsvorderingen, werd in de parlementaire voorbereiding als volgt verklaard: “Het toepassen van de thans voorziene verkorte termijn op grond van het criterium “kennis van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon” op alle contractuele vorderingen heeft in veel gevallen geen zin. Men kent daar doorgaans de identiteit van zijn contractpartij “dader” die de contractuele fout heeft begaan. Voor andere vorderingen dan deze tot schadevergoeding moeten de aanvangspunten per type contractuele vordering bepaald worden, eerder dan te stellen “vanaf kennis van de schade” (zie NBW).

Tenzij het hele verjaringssysteem van het Belgische recht wordt herwerkt, wat, zoals gezegd, thans niet opportuun wordt geacht, leek het voldoende en gepast om binnen de groep van persoonlijke vorderingen (art. 2262bis BW) de vorderingen tot schadevergoeding gegrond op buitencontractuele aansprakelijkheid te onderwerpen aan de dubbele verjaringstermijn van vijf en tien jaar, terwijl alle andere persoonlijke vorderingen verjaren door een unieke absolute termijn van tien jaar (zie bespreking van art. 5). De “lange” of absolute termijn is dus dezelfde voor alle persoonlijke vorderingen” (ibid., p. 6).

Terwijl een contracterende partij in de regel kennis heeft van haar vorderingsrecht op de dag waarop het ontstaat, is dit evenwel niet noodzakelijk het geval voor de begunstigde van een derdenbeding. De begunstigde verkrijgt zijn vorderingsrecht immers op grond van een overeenkomst die tussen de belover en de bedinger wordt gesloten en waarbij hij geen partij is. Hij zal in de regel pas kennis krijgen van zijn vorderingsrecht indien de belover of de bedinger hem hiervan op de hoogte brengt. De bewijslast van het tijdstip van kennisname door de begunstigde van het recht dat hij put uit de overeenkomst tussen de bedinger en de belover ligt bij de begunstigde.

Bijgevolg is het, behalve voor een derdenbeding in een persoonsverzekering, mogelijk dat het recht dat voortvloeit uit een derdenbeding verjaart vooraleer de begunstigde van het bestaan ervan op de hoogte zou kunnen zijn. Zijn onwetendheid, zelfs te goeder trouw, schorst het vorderingsrecht immers niet, aangezien krachtens art. 2251 BW enkel een wettelijk beletsel in aanmerking komt om een verjaringstermijn te stuiten of te schorsen.

Hoewel het legitiem is om zoveel mogelijk in geharmoniseerde regels te voorzien voor de verjaring van alle types van persoonlijke rechtsvorderingen, vermag een dergelijke doelstelling niet tot gevolg te hebben dat voor een bepaald type van persoonlijke rechtsvorderingen de opeising onmogelijk kan worden gemaakt.

Aangezien de aanvaarding en de opeising van het recht dat voortvloeit uit een derdenbeding vereisen dat de begunstigde kennis heeft van dat recht, zou een verjaringstermijn die afloopt vooraleer hij redelijkerwijze over die kennis zou kunnen beschikken, hem verhinderen een rechtsmiddel aan te wenden waarover hij in beginsel beschikt. Indien de begunstigde na het verstrijken van de absolute verjaringstermijn van tien jaar alsnog kennis zou krijgen van het derdenbeding, zou elke vordering bij voorbaat tot mislukken gedoemd zijn.

In zoverre de in het geding zijnde bepaling tot gevolg kan hebben dat de begunstigde van een derdenbeding zijn recht niet kan opeisen, omdat het overeenkomstige vorderingsrecht is verjaard vooraleer hij kennis heeft van dat beding of er kennis van dient te hebben, is zij niet verenigbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

De rechter zal aldus dienen na te gaan of de begunstigden in het bodemgeschil kennis van het derdenbeding hadden of er redelijkerwijze kennis van dienden te hebben vóór het verstrijken van de verjaringstermijn.

Commentaar: 

Sophie Stijns: De rol van de wil en het gedrag van partijen bij de bevrijdende verjaring, RW 2010-2011, 1538
rechtsleer: de verjaring, de vierde Antwerpse juristencongres, Intersentia 2007

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: zo, 18/10/2015 - 11:23
Laatst aangepast op: zo, 18/10/2015 - 11:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.