-A +A

Aansprakelijkheid zaakvoerder Gewone commanditaire vennootschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Cassatie 24/05/2012 AR F.11.0014.N, juridat

1. Volgens artikel 1200 Burgerlijk Wetboek bestaat er hoofdelijkheid tussen schuldenaars, wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken en de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt.

2. Luidens artikel 202 Wetboek van Vennootschappen is de gewone comman-ditaire vennootschap een vennootschap die wordt aangegaan tussen één of meer hoofdelijk aansprakelijke vennoten, beherende vennoten genoemd, en één of meer geldschieters, stille vennoten genoemd.
Artikel 206, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat de stille ven-noot voor de schulden en verliezen van de vennootschap slechts instaat tot het be-drag dat hij beloofd heeft te zullen inbrengen.

3. Uit deze bepalingen volgt dat de beherende vennoten onbeperkt en hoofde-lijk aansprakelijk zijn voor de nakoming van de verbintenissen van de vennoot-schap, ongeacht uit welke oorzaak of op welk tijdstip zij zijn ontstaan.

PARKET VAN HET HOF VAN CASSATIE

F.11.0014.N
Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:

1. In het enig middel verdedigt eiser het standpunt dat een beherend vennoot van een gewone commanditaire vennootschap, overeenkomstig artikel 18 Vennootschappenwet / 202 Wetboek van Vennootschappen, hoofdelijk aansprakelijk is voor alle verbintenissen van de vennootschap, ongeacht het tijdstip waarop die verbintenissen werden aangegaan.

Volgens eiser bevat artikel 18 Vennootschappenwet /202 Wetboek van Vennootschappen geen voorwaarden en/of beperkingen (in de tijd) wat de draagwijdte van de hoofdelijke aansprakelijkheid betreft.

Volgens eiser heeft het hof van beroep in casu de aansprakelijkheid van de drie verweerders voor de betaling van de fiscale schulden van de gewone commanditaire vennootschap beoordeeld vanuit de verkeerde rechtsopvatting dat een belastingschuld van dergelijke vennootschap enkel ten laste van een beherend vennoot kan worden ingevorderd voor zover deze schuld is ontstaan op een ogenblik dat hij beherend vennoot was.

2. De aansprakelijkheid van de beherende vennoten van een gewone commanditaire vennootschap is dezelfde als deze van de vennoten onder firma.

Een voorname strekking in de rechtsleer aanvaardt dat een vennoot van een V.O.F. hoofdelijk aansprakelijk is voor alle verbintenissen van de vennootschap, ongeacht de datum van die verbintenissen.

Zo stelt J. VAN BAEL in zijn cursus Vennootschapsrecht (V.O.F.), academiejaar 1994-1995, uitdrukkelijk:
" Wanneer een vennoot toetreedt tot een V.O.F. zou men kunnen staande houden dat hij niet verbonden is met de vennootschap voor de daden gesteld door de vennootschap vóór zijn toetreding, waaraan hij geen deel had.
Nochtans impliceert zijn hoofdelijke en onbeperkte aansprakelijkheid met de vennootschap, dat hij ook voor deze verbintenissen hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk is."

Ook J. RONSE deelt deze visie ("Overzicht van rechtspraak vennootschappen (1978-1985)", TPR, 1986, 975, onder voetnoot 16).

Recent werd dit standpunt visie nog bevestigd:
" On peut même soutenir que, sauf clause contraire publiée, le cessionnaire doit répondre du passif déjà formé (Cass. 1er décembre 1925, Pas. 1926, I, 88). Son engagement tient, en effet, en sa qualité d'associé; en acquérant cette qualité, il est tenu du jour au lendemain de tout le passif (contra: Mons, 27 mai 1980, Rev. Prat. Soc., 1980, p. 284).
Prétendre que le cessionnaire ne serait tenu que du passif né après son entrée dans la société suscite, entre associés, la création de distinctions qui seront difficiles à mettre en œuvre en cas de faillite. Par ailleurs, le cessionnaire était en mesure de prendre connaissance du passif au jour de la cession et pouvait stipuler une garantie contre son cédant" (DE CORDT, Y., DELFORGE, C., LEONARD, Th. en POULLET, Y., Manuel de droit commercial, 2009, 200, nr. 381).

De auteurs B. SMETS en W. HOREMANS stellen zich in hun bijdrage (Vennootschapsrecht nu, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2002, 760, nr. B.1.0115) iets genuanceerder op:

" De nieuwe vennoten zijn slechts hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap ontstaan na hun toetreding. Ook dit is begrijpelijk nu derden die contracteerden met de vennootschap nooit hebben kunnen rekenen op het vermogen van de nieuw toegetreden vennoten (met als voetnoot een verwijzing naar Bergen, 27 mei 1980, R.P.S., 1980, 284, nr. 6110, met noot van COPPENS, P.).

Anderzijds wordt gesteld dat de nieuwe vennoten wel gehouden zijn tot de schulden ontstaan voor hun toetreding in de V.O.F. en dit op basis van het gemeenrecht. Hierbij gaat men ervan uit dat ieder die toetreedt tot een overeenkomst geacht wordt van in dien beginne partij te zijn geweest bij de overeenkomst" (met als voetnoot een verwijzing naar J. RONSE).

3. Voorts kan verwezen worden naar een Frans cassatiearrest van 12 maart 1928 waarin wordt gesteld dat er voor de hoofdelijke aansprakelijkheid geen onderscheid moet gemaakt worden tussen nieuwe en voormalige vennoten (Cass. Fr., 12 maart 1928, S., 1928, 226).

Deze rechtspraak sluit aan bij het arrest van 1 december 1925 van Uw Hof (Cass. 1 december 1925, Pas., I, 1926, 88) waarin eveneens wordt gesteld dat vennoten onder firma hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen van de vennootschap, welke ook de bron of de datum hiervan moge zijn.

4. Eiser in cassatie is terecht van mening dat ingeval van hoofdelijke aansprakelijkheid de toetreding tot een overeenkomst tot gevolg heeft dat men geacht wordt partij te zijn vanaf het ontstaan van de overeenkomst, wat impliceert dat elke nieuwe contractpartij ook aansprakelijk zal zijn voor de schulden die ontstaan zijn vóór zijn toetreding (X, Enkele aspecten van de vennootschap onder firma, de gewone commanditaire vennootschap en de commanditaire vennootschap op aandelen, in Bedrijfseconomisch juridisch dossier, Diegem, Ced.Samson, 1991, 15).

5. In de wet van 17 juli 1989 betreffende de economische samenwerkingsverbanden, thans artikel 848 Wetboek van Vennootschappen, maakte de wetgever reeds expliciet toepassing van deze regel:
" Elk nieuw lid is onder de artikel 3 bedoelde voorwaarden aansprakelijk voor de schulden van het samenwerkingsverband. Hij kan echter door een uitdrukkelijk beding in de oprichtingsovereenkomst of in de toelatingsakte worden ontslagen van de betaling van de schulden die vóór zijn toetreding zijn ontstaan" (artikel 15, tweede lid).

Deze bepaling is afgeleid van de Europese regelgeving in verband met Europese economische samenwerkingsverbanden:
"Elk nieuw lid is op voet van artikel 24 aansprakelijk voor de schulden van het samenwerkingsverband, met inbegrip van de schulden die voorvloeien uit de werkzaamheid van het samenwerkingsverband vóór zijn toetreding" (artikel 26.2 van de Verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden (EESV); zie hierover H. SWENNEN, "Europese Economische Samenwerkingsverbanden en (Belgische) Economische Samenwerkingsverbanden", TBH 1990, 113, nr. 22 en 129, nr. 51).

6. Uit wat voorafgaat volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat de belastingschulden van de gewone commanditaire vennootschap slechts met toepassing van artikel 202 Wetboek van Vennootschappen (18 Vennootschappenwetboek) ten laste van verweerders kunnen worden ingevorderd voor zover deze schulden ontstonden op het ogenblik dat verweerders beherend vennoot waren.

Eerste verweerder was derhalve ook gehouden tot betaling van de belastingschulden die zijn ontstaan vóór zijn toetreding tot de vennootschap op 1 maart 1997, met name de fiscale schuld voor het aanslagjaar 1997.

Tweede verweerder, die op 1 februari 1998 tot de vennootschap was toegetreden, en derde verweerder, die op 2 november 1998 was toegetreden, waren eveneens hoofdelijk aansprakelijk voor de fiscale schuld betreffende het aanslagjaar 1997, alsook voor de fiscale schuld van het aanslagjaar 1998.

De beslissing dat de fiscale schuld voor het aanslagjaar 1998 enkel lastens de eerste verweerder kon worden ingevorderd en dat derde verweerder enkel gehouden was tot betaling van de fiscale schuld voor het aanslagjaar 1999, is bijgevolg niet naar recht verantwoord.

Het middel komt dan ook gegrond voor.
Besluit: VERNIETIGING van de bestreden arresten.


Gerelateerd
0
Aangemaakt op: za, 31/08/2013 - 14:01
Laatst aangepast op: za, 07/09/2013 - 12:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.