-A +A

aansprakelijkheid wegens niet verhoging maatschappelijk kapitaal tot wettelijk minimum

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Rechtspraak: Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, 8e Kamer – 5 maart 2008,  Jaargang : 2008-2009 (72), Pagina : 757



Faillissement NV X. t/ K. e.a.

...

Feiten

De NV X. werd opgericht bij notariële akte van 10 september 1993.

Het maatschappelijk kapitaal werd onderschreven voor 1.250.000 fr. of 30.988,69 euro, verdeeld in twintig aandelen aan toonder.

Op 28 september 2006 werd de NV X. failliet verklaard door de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen en werd eiser q.q. tot curator aangesteld.

Eiser q.q. stelt thans verweerders, die hij betitelt als (voormalige) bestuurders van de NV X., aansprakelijk voor het feit dat het maatschappelijk kapitaal van deze naamloze vennootschap nooit werd opgetrokken tot het nieuw wettelijk minimumkapitaal van 2.500.000 fr. of 61.973,38 euro. Daarenboven stelt hij hen tevens aansprakelijk voor het passief van het faillissement op grond van de artikelen 633, 530, 527 en 528 W.Venn.

...

Verhoging van het maatschappelijk kapitaal

A. Verweerders betwisten niet dat het maatschappelijk kapitaal van de naamloze vennootschap niet verhoogd werd tot het nieuw wettelijk minimum dat door de wet van 13 april 1995 werd vastgelegd op 2.500.000 fr. De vennootschap had hiertoe tijd tot 1 juli 2001.

Indien bij het verstrijken van die termijn het kapitaal het nieuwe minimumbedrag niet bereikt, bepaalt art. 111 van de wet van 13 april 1995 dat de bestuurders jegens de betrokkenen hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van het verschil tussen het geplaatste kapitaal en het nieuwe minimumkapitaal. Zij zijn van die aansprakelijkheid ontslagen indien zij binnen die termijn aan de algemene vergadering voorstellen het kapitaal dienovereenkomstig te verhogen, dan wel de vennootschap om te zetten of te ontbinden. De vennootschap die de vereiste maatregelen binnen de gestelde termijn niet heeft genomen, kan op verzoek van enige belanghebbende gerechtelijk worden ontbonden.

Hierbij heeft de wetgever dus duidelijk gekozen voor de aansprakelijkheid van de bestuurders, voor het geval het aanvullend kapitaal niet tijdig gevormd werd, en niet voor die van de aandeelhouders (of oprichters) (E. Wymeersch en J. Cerfontaine, «De nieuwe regelen inzake kapitaal», in H. Braeckmans en E. Wymeersch (red.), Het gewijzigde vennootschapsrecht 1995, Antwerpen, Maklu, 1996, p. 160).

Het wordt niet betwist dat de bestuurders van de NV X. binnen die termijn geen dergelijk voorstel aan een door hen bijeengeroepen algemene vergadering hebben voorgelegd. Zij zijn dus niet van hun aansprakelijkheid, spruitend uit art. 111 van de wet van 13 april 1995, ontslagen en zijn hoofdelijk jegens alle betrokkenen (dus ook alle derden) gehouden tot betaling van het verschil tussen het geplaatste kapitaal en het nieuwe minimumkapitaal. Deze aansprakelijkheid vloeit rechtstreeks voort uit deze wetsbepaling, en eiser q.q. dient niet aan te tonen dat de vennoten op zo‘n algemene vergadering beslist zouden hebben om tot ontbinding van de vennootschap over te gaan. Het feit dat niemand gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om de ontbinding van de vennootschap te vorderen, doet ook niets af van deze aansprakelijkheid.

B. De vraag rijst dan welke bestuurders tot deze aansprakelijkheid gehouden zijn.

Eerste verweerster was bestuurder met ingang van 10 juni 1999, ingevolge beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 23 maart 2000, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 5 mei 2000.

Tweede verweerder was afgevaardigde bestuurder vanaf de oprichting op 10 september 1993, werd herbenoemd met ingang van 10 juni 1999, ingevolge beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 23 maart 2000, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 5 mei 2000, en kreeg ontslag met décharge op de algemene vergadering van 1 maart 2004, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 29 oktober 2004.

Beiden waren dus bestuurder bij het verstrijken van de overgangstermijn (op 1 juli 2001) en zijn aansprakelijk voor het niet bijeenroepen van de algemene vergadering.

Derde verweerder werd benoemd als bestuurder met ingang van 10 juni 1999, ingevolge beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 23 maart 2000, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 5 mei 2000.

Derde verweerder betwist ten stelligste dat hij ooit de intentie of de wil heeft gehad een bestuursmandaat bij de NV X. op te nemen of akkoord is gegaan met zijn benoeming. De publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad zou volledig buiten zijn wil om geschied zijn.

Een benoeming van een bestuurder of zaakvoerder kan inderdaad pas effect sorteren vanaf het ogenblik dat ze door de betrokkene ook aanvaard werd (art. 1984, tweede lid, B.W.; B. Tilleman, Bestuur van vennootschappen. Statuut, interne werking en vertegenwoordiging, Kalmthout, Biblo, 1996, nr. 188).

In casu ligt geen enkel bewijs voor dat derde verweerder ooit zijn bestuursmandaat zou hebben opgenomen en één of meer effectieve bestuursdaden zou hebben gesteld. De beslissing van de algemene vergadering waarin tot zijn benoeming zou zijn besloten wordt evenmin voorgebracht.

...

Derde verweerder kan dus niet als bestuurder van de NV X. worden beschouwd. Hij heeft te gelegener tijd gevraagd om een mogelijke anomalie op dit vlak ongedaan te maken, en er kan van hem niet worden geëist dat hij zelf een gerechtelijke procedure zou inleiden (met de niet geringe kosten daaraan verbonden) indien anderen hem ten onrechte en gebeurlijk zelfs met bedrieglijk opzet als bestuurder hebben willen doen doorgaan. Het feit dat hij de andere bestuurders (met name ...) kent vanuit perikelen met andere vennootschappen, doet hieraan niets af.

Vierde verweerster werd benoemd als bestuurder door de Bijzondere algemene vergadering van 1 maart 2004, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 29 oktober 2004.

Op dat ogenblik was de overgangstermijn waarbinnen het maatschappelijk kapitaal aan de nieuwe wetgeving diende aangepast te zijn reeds bijna drie jaar verstreken. De fout en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid van de bestuurders waren dus reeds lang voltrokken. Die aansprakelijkheid wordt beoordeeld op het ogenblik van het verstrijken van die termijn, zodat ook de bestuurders die reeds voordien hun functie hebben neergelegd niet kunnen worden aangesproken op grond van art. 111, derde lid, van de wet van 13 april 1995, hoewel ze in functie waren in die periode die de wet speciaal in het leven riep om de aanpassing uit te voeren (K. Geens e.a., «Overzicht rechtspraak. Vennootschappen (1992- 1998)», T.P.R. 2000, nr. 44). Een bestuurder die slechts jaren later in functie trad, en die bovendien een onbezoldigd mandaat uitoefende, kan dan ook niet aansprakelijk worden gesteld voor fouten die reeds lang voltrokken waren, zeker in een vennootschap die geen werkelijke activiteiten meer bleek uit te oefenen.

...

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:13
Laatst aangepast op: vr, 22/01/2010 - 18:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.