-A +A

aansprakelijkheid voor zaken bewijslast en onrechtstreeks bewijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Van een gebrek in de zaak is er sprake wanneer de schadelijder erin slaagt het bewijs te leveren dat de oorzaak van de schade gelegen in de gebrekkigheid van de zaak.

De schadelijder is evenwel niet genoodzaakt ook de oorzaak van deze gebrekkigheid te bepalen.

Een zaak lijdt aan een gebrek wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken (Cassatie 21.05.1999, TBBR 1999, 652). Artikel 1384 lid 1 BW is ook toepasselijk op onroerende goederen zoals gebouwen voor zo ver het niet gaat om de instorting van een gebouw, in welk geval artikel 1386 BW van toepassing is.

Principieel is de eigenaar verantwoordelijk voor de gebreken in een gebouw en niet de huurder, in die zin dat de eigenaar als bewaarder dient aanzien te worden in de wettelijke zin van het woord.

Het is immers de verhuurder die de onderhouds- en herstellast draagt met betrekking tot die gebreken die in de regel schade aan derden kunnen veroorzaken.

De bewaarder van een gebrekkig goed kan aan zijn aansprakelijkheid slechts ontsnappen wanneer hij bewijst dat de oorzaak van de schade (niet van het gebrek) ligt bij overmacht, toeval, de daad van een derde of van het slachtoffer zelf.

Wanneer echter de oorzaak niet meer kan worden vastgesteld door verloop van tijd, dan wel door vernieling van het voorwerp waardoor een deskundig onderzoek of een technisch onderzoek, dan wel een plaatsbezoek zinloos is geworden, faalt de bewaarder van het goed in zijn bewijslast om aan de aansprakelijkheid te ontsnappen en bewijst deze aldus niet dat de oorzaak van de door de schadelijder geleden schade gelegen is in een fout begaan door een derde.

Voor een toepassingsgeval en tevens bron van deze bijdrage zie Vredegerecht Zottegem-Herzele, 09.07.2009, Tijdschrift voor de Vrederechters, 2012, 560/212 met noot van F. Baudoncq, het bewijs van de aansprakelijkheid voor het gebrek van de zaak nader geanalyseerd in Tijdschrift van de Vrederechters 2012, 583/215.

 

Nog dit: 

Open keldergat

Het niet afgeschermd open keldergat bij de inkom van de woning maakt een abnormaal kenmerk uit en brengt de aansprakelijkheid mee van de eigenaars of bewaarders van de woning met open keldergat op grond van artiklen 1384, eerste lid, BW

Hof van Beroep te Antwerpen, 2ebis Kamer – 6 februari 2008, RW 2010-2011, 1228

Uittreksel uit het arrest

P. e.a. t/ B. en C.

Antecedenten

1. Met een inleidende dagvaarding voor de Burgerlijke Rechtbank te Tongeren hebben de echtgenote van wijlen R.C., P.P., alsook zijn kinderen (...) en zijn kleinkinderen (...) dagvaarding uitgebracht tegen M.B. en L.C. waarbij zij hun aansprakelijkheid aanvoeren op basis van art. 1384, eerste lid, en art. 1382-1383 BW voor het overlijden van R.C. ten gevolge van een val op 20 februari 2004 in een keldergat in de woning van verweerders gelegen te (...). Zij voeren aan dat dit keldergat niet met een leuning was afgemaakt en dat er geen signalisatie aanwezig was en dat R.C. niet gewezen zou zijn op deze gevaarlijke situatie. Na opname in het ziekenhuis overleed R.C. op 5 juli 2004.

2. Het beroepen vonnis van de Burgerlijke Rechtbank te Tongeren heeft de eis van eisers ontvankelijk maar ongegrond verklaard om reden dat de rechtbank over geen enkel objectief gegeven beschikte omtrent de omstandigheden waarin de feiten zich voordeden, dat de trap zonder borstwering of afsluiting in de gegeven omstandigheden met name in een woning in aanbouw niet gebrekkig was in de zin van art. 1384, eerste lid, BW en dat er geen fout in de zin van art. 1382 e.v. BW bewezen was. Voorts wees de rechtbank op het gebrek aan bewijs van causaal verband tussen dit gebrek/deze fout en het overlijden.

...

Beoordeling in hoger beroep

6. Appellanten hebben de buitencontractuele kwalitatieve aansprakelijkheid (art. 1384, eerste lid, BW) alsook de foutaansprakelijkheid (art. 1382 BW) aan de grondslag van hun eis ten aanzien van geïntimeerden gelegd.

Zij spreken geïntimeerden als bewaarder van een gebrekkige keldertrap aan, die aan de grondslag ligt van hun eis tot schadevergoeding. Zij verwijzen subsidiair ook naar de aansprakelijkheid van geïntimeerden op basis van art. 1382 en 1383 BW en naar de schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm waarbij zij aanvoeren dat ieder normaal en zorgvuldig persoon in soortgelijke omstandigheden zou hebben gezorgd voor een afsluiting van het keldergat, minstens een bezoeker zou hebben gewaarschuwd voor het gevaar wanneer hij de woning betrad.

De eerste rechter heeft geen aansprakelijkheid van geïntimeerden aanvaard.

Wat de aansprakelijkheid van geïntimeerden op basis van art. 1384, eerste lid, BW betreft

7. Deze aansprakelijkheid wordt betwist door geïntimeerden, zowel wat de feitelijke omstandigheden van het schadegeval betreft als het gebrek van de zaak. Appellanten dragen de bewijslast van deze feitelijkheden (art. 1315 BW). Zij kunnen dit bewijzen met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen. Zij dienen minstens aan te tonen dat de door hen voorgebracht feiten een geheel vormen van bepaalde gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens die het bewijs leveren van de door hen aangevoerde wijze waarop het ongeval gebeurd is.

Eens dat deze feiten bewezen zijn, dragen zij verder de bewijslast van het gebrek dat zij aanvoeren (art. 1384, eerste lid, BW) of van een fout van geïntimeerden (art. 1382-1383 BW).

8. De val van de h. C. in het keldergat is niet betwist. De toepassing van art. 1384, eerste lid, BW vereist het bewijs door het slachtoffer, te dezen zijn nabestaanden, van een schade die is veroorzaakt door een gebrek van een zaak, te dezen het keldergat, waarvan de aangesprokene de bewaarder is.

Het hof merkt geen betwisting over het feit dat de h. C. via de voordeur is binnengekomen, minstens merkt het hof desbetreffend geen verweer, en evenmin merkt het hof betwisting m.b.t. het feit dat de h. C. in het keldergat is gevallen. Evenmin merkt het hof betwisting dat geïntimeerden bewaarder zijn van dit keldergat, waarvan het gebrek door appellanten wordt aangevoerd. Dit keldergat vertoonde volgens appellanten een gebrek, namelijk dat dit keldergat zonder omheining of enige vorm van afscherming vlak naast de voordeur lag.

Het hof volgt geïntimeerden niet in hun verweer dat dit keldergat zich niet vlak achter de voordeur bevond. Uit de door appellanten voorgebrachte foto‘s, waarover kennelijk geen betwisting bestaat dat zij de juiste toestand weergeven van de plaatsgesteldheid zoals deze was op het ogenblik van het ongeval, blijkt meer dan duidelijk dat men zich bij het opendoen van de voordeur men zich onmiddellijk in de nabijheid van het keldergat bevindt. Deze toestand wordt bovendien nog benadrukt door het feit dat de voordeur naar de muur toe opengaat en niet naar het keldergat.

Het wordt ook niet betwist dat op het ogenblik van het ongeval rond dit keldergat geen omheining stond.

Een zaak is door een gebrek aangetast wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Het hof is van oordeel dat een keldergat, zoals te dezen gelegen vlakbij de inkom van de woning, zonder enige vorm van omheining of afscherming errond, een abnormaal kenmerk vertoont ten aanzien van het model van keldergat gelegen aan een inkomdeur van een woning, dat in bepaalde omstandigheden aanleiding kan geven tot schade.

Het verweer van geïntimeerden dat het een onafgewerkt keldergat betrof, dat in afwachting van de nakende schrijnwerken nog open was, zodat dit keldergat geen abnormale toestand uitmaakte, gelet op de concrete omstandigheden, volgt het hof niet, omdat allereerst niet afdoende is bewezen dat het gebouw nog in aanbouw was, en evenmin dat de woning nog een werf was. In dit verband wordt verwezen naar het feit dat mevr. L.C. reeds sinds 15 november 1999 was ingeschreven in de (...), waar het ongeval plaatsvond. De woning was zodoende op het ogenblik van het ongeval op 20 februari 2004 reeds meer dan vier jaar bewoond. Ten overvloede acht het hof het tevens noodzakelijk dat ook op een werf de nodige maatregelen dienen te worden genomen ter vermijding van deze gevaarlijke toestand. De afwezigheid van leuning/omheining rondom het keldergat acht het hof ook in een niet- afgewerkte toestand van een nieuwbouwwoning een gebrek aan het keldergat, dat in bepaalde omstandigheden aanleiding kan geven tot schade.

Het hof komt zodoende tot het besluit dat deze toestand gebrekkig was in die zin dat dit keldergat afweek van zijn model en in bepaalde omstandigheden schade kon veroorzaken, met name zoals te dezen een val.

Dat de h. C. als naaste familie van appellanten had dienen te weten dat de woning nog niet volledig afgewerkt was, en dat dit onafgewerkt keldergat voor hem zichtbaar en voorspelbaar was, doet geen afbreuk aan de aansprakelijkheid van geïntimeerden op basis van art. 1384, eerste lid, BW, en kunnen geïntimeerden te dezen niet aanvoeren als vreemde oorzaak die hen van hun aansprakelijkheid zou bevrijden. De beweerde voorkennis van de h. C. van de toestand van de woning en het keldergat doet niets af aan de aansprakelijkheid van geïntimeerden als bewaarder van de zaak, omdat hierdoor het gevaarlijk en abnormaal karakter van het keldergat niet wordt weggenomen.

Appellanten hebben zodoende voldaan aan het bewijs van een gebrek in de zaak in de zin van art. 1384, eerste lid, BW. Geïntimeerden zijn als bewaarders van de gebrekkige zaak aansprakelijk op basis van deze wetsbepaling.

9. Het aansprakelijkheidsvermoeden dat op de bewaarder rust kan enkel worden weerlegd indien de bewaarder het bewijs levert dat de schade niet te wijten is aan een gebrek in de zaak, maar veroorzaakt werd door een vreemde oorzaak, zoals toeval, overmacht, daad van een derde of van het slachtoffer.

De onvoorzichtigheid van de h. C. wordt te dezen door geïntimeerden aangevoerd, namelijk het gegeven dat hij een woning betrad, waarvan hij wist dat ze onafgewerkt was, zonder de nodige oplettendheid aan de dag te leggen. Hierboven heeft het hof reeds aangenomen dat het niet afdoende is aangetoond dat de woning nog een werf betrof. In dit verband werd verwezen naar het feit dat mevr. L.C. reeds sinds 15 november 1999 was ingeschreven in de (...), waar het ongeval plaatsvond. Het hof heeft aangenomen dat, zelfs in de toestand van onafgewerktheid van de woning, het keldergat nog altijd gebrekkig was in de zin van art. 1384, eerste lid, BW.

Het hof acht te dezen geen persoonlijke fout van de h. C. bewezen. Het gegeven dat dit keldergat perfect zichtbaar voor hem zou zijn geweest bij het binnenkomen van de woning, of dat hij de toestand van dit keldergat kende, levert naar het oordeel van het hof nog niet het bewijs van enige fout of onvoorzichtigheid van zijnentwege, minstens wordt deze fout of onvoorzichtigheid niet aangetoond. Te dezen blijkt bovendien uit de foto‘s de zeer gevaarlijke plaatsgesteldheid van het keldergat, dat gelegen is vlakbij de inkom, zodat men bij het binnenkomen maar enkele stappen moet doen, om in dit keldergat te vallen. Het hof heeft hierboven ook reeds gewezen op het feit dat de voordeur ook opengaat naar de muur toe, zodat men zich bij het binnenkomen onmiddellijk in de nabijheid van het keldergat bevindt. Uit het loutere gegeven dat de h. C. in het keldergat is gevallen, ook al zou dit zichtbaar zijn geweest bij het binnenkomen in de woning, kan nog niet zijn fout of onvoorzichtigheid worden afgeleid. Het hof acht het te dezen niet aangetoond dat de h. C. zich niet zou hebben gedragen zoals een normaal voorzichtig en zorgvuldig persoon in soortgelijke omstandigheden zou hebben gedaan.

Geïntimeerden beweren niet dat zij op een af andere manier de h. C. hebben gewaarschuwd voor deze gevaarlijke toestand, integendeel stellen zij dat zij niet de gelegenheid hadden om hem te waarschuwen. Zij voeren bovendien aan dat, zelfs hadden ze hem gewaarschuwd, hij deze waarschuwingen in de wind zou hebben geslagen. Het behoorde aan geïntimeerden om het slachtoffer oplettend te maken op deze gevaarlijke toestand, in welk geval gebeurlijk bij het niet opvolgen van deze waarschuwingen, een persoonlijke fout van het slachtoffer zou kunnen worden aanvaard. Deze toestand wordt niet aangevoerd door geïntimeerden, die zodoende niet slagen in het bewijs van een persoonlijke fout van het slachtoffer. Het verweer dat hij deze waarschuwingen in elk geval niet zou hebben opgevolgd, is niet bewezen.

Het hof besluit dat geen eigen fout kan worden verweten aan de h. C.

...
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: do, 23/05/2013 - 14:17
Laatst aangepast op: do, 23/05/2013 - 14:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.