-A +A

aansprakelijkheid voor zaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Wanneer een zaak een gebrek vertoont is eigenaar, de houder of de bewaarder van deze zaak aansprakelijk voor de schade hierdoor veroorzaakt aan derden.

Volgens het hof van cassatie is een gebrek in de zin van artikel 1384 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek aan een abnormale kenmerk dat, in bepaalde omstandigheden, schade kan veroorzaken.(Cass. 23 september 1971, Pas. 1972, I, 80; Cass. 27 mei 1982, R.W. 1983-84, 1348; Cass. 2 september 1993, Arr. Cass. 1993, 658; Cass. 5 juni 1998, Arr. Cass. 1998, 652; Cass. 18 oktober 2001, T.B.B.R. 2004, 84; Cass. 28 januari 2005, Pas. 2005, I, 217. Zie ook J. VAN RYN, “La responsabilité du fait des choses”, J.T. 1946, (165) 166, die het gebrek omschrijft als “une caractéristique anormale, susceptible de causer un dommage”.).

Een zaak is abnormaal wanneer zij ongeschikt is voor normaal gebruik waartoe zij is bestemd of wanneer zij niet beantwoord aan de normaal gestelde maatschappelijke verwachtingen.

Het bewijs van het gebrek in de zaak kan ook onrechtstreeks worden geleverd, zonder dat het nodig is aan te tonen wat het gebrek precies is en dit door te bewijzen dat de schade in geen andere oorzaak kan hebben van een gebrek in de zaak. (Cass. 18 mei 1984, Arr. Cass. 1983-84, 1208; Cass. 17 januari 1986, R.W. 1986-87, 2873; Cass. 28 februari 1992, Arr. Cass. 1991-92, 620; Rb. Hasselt 10 februari 1992, Iuvis 1997, 749; Antwerpen 24 mei 1995, A.J.T. 1995-96, 131; Antwerpen 25 januari 1999, T. Vred. 1999, 527; Pol. Brussel 26 oktober 1999, Verkeersrecht 2000, 69; Vred. Zottegem 25 april 2002, 136; Pol. Doornik 17 juni 2003, T. Verz. 2004, 182.).

Aldus kan de aansprakelijkheid op grond van 1384 paragraaf 1 weerhouden worden door het aannemelijk te maken dat het ongeval enkel door een gebrek aan de zaak kan worden verklaard. Het slachtoffer heeft dan de bewijslast dat de schade niet aan een vreemde oorzaak (het optreden van een derde, toeval of overmacht) kan te wijten zijn (G.-L. BALLON, “De bewijsvoering door het slachtoffer van een gebrek in de zaak”, A.J.T. 1995-96, 133).

Hij die op grond van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek vergoeding vordert voor de schade die door een zaak werd veroorzaakt, moet enkel bewijzen dat de verweerder in het geding een gebrekkige zaak onder zijn bewaring heeft, dat hij schade heeft geleden en dat er tussen deze schade en het gebrek van de zaak een oorzakelijk verband bestaat.

Het vermoeden van aansprakelijkheid dat alsdan op de bewaarder rust, kan alleen worden weerlegd als de bewaarder bewijst dat de schade niet aan het gebrek van de zaak, maar aan een vreemde oorzaak te wijten is.

De rechter die het bestaan van het gebrek van de zaak vaststelt kan de bewaarder alleen dan van elke aansprakelijkheid ontslaan, wanneer hij aanneemt dat de schade ook zonder het gebrek waarmee de zaak was behept, zou zijn ontstaan zoals zij zich heeft voorgedaan (Cass. 12/11/2015, C.14.0468.N-C.14.0469.N, juridat).

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 31 oktober 2013, RW 2014-2015 790, AR nr. C.12.0628.N, 

Beoordeling

1. Een zaak is gebrekkig in de zin van art. 1384, eerste lid BW wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken.

Het is niet voldoende, om een zaak als gebrekkig te beschouwen, dat aan de zaak iets wordt toegevoegd waardoor schade ontstaat.

Vereist is dat de zaak in haar geheel een abnormaal kenmerk vertoont.

Het abnormaal kenmerk moet geen intrinsiek kenmerk betreffen of een blijvend element zijn dat inherent is aan de zaak.

2. De appelrechters oordelen dat:

– de eiser verklaarde dat hij bij het verlaten van de autosnelweg een brok steen op de rijbaan niet kon ontwijken;

– er voldoende gewichtige, ter zake doende en met elkaar overeenstemmende vermoedens zijn als bewijs van de door de eiser aangevoerde feiten;

– een brok steenpuin op de rijbaan, dat van om het even wat afkomstig kan zijn, de rijbaan niet aantast in haar normale structuur;

– dit voorwerp geen deel uitmaakte van de rijbaan, maar daar louter occasioneel op terechtgekomen was;

– de verweerder geen schuld heeft aan het op de rijbaan terechtkomen van het voorwerp.

3. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de rijbaan niet gebrekkig is in de zin van art. 1384, eerste lid BW, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

•• Cass. 01.12.2006, RABG, 2007/19, 1243:

Voor de toepassing van artikel 1384, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter het bestaan van een gebrek in de zaak afleiden uit de gedraging van die zaak, wanneer hij alle andere oorzaken dan het gebrek voor de veroorzaakte schade uitsluit.
Een vroegere daad van een derde waardoor het gebrek in de zaak tot stand is gekomen, maakt als dusdanig geen andere oorzaak dan het gebrek uit voor de later door dit gebrek veroorzaakte schade. De bedoelde schade blijft immers veroorzaakt door het gebrek.
2. Het arrest beslist dat:
– bij eliminatie van alle andere oorzaken een kortsluiting in de elektrische apparatuur, bedrading of lampen als vaststaande en bewezen oorzaak van de brand aan te houden is, wat de vaststelling inhoudt dat de elektrische verlichtingsinstallatie in het vals plafond boven de etalage in de winkel van de eiseres gebrekkig was op het ogenblik dat ze de brand veroorzaakte;
– het feit dat geen fout kon bewezen worden “ten laste van de elektriciteitsaannemer” die de installatie enkele maanden voor de brand plaatste, niet uitsluit dat de zaak gebrekkig was op het ogenblik dat de brand ontstond;
– evenzo het feit dat niet bewezen is dat de elektriciteitsaannemer een fout beging, niet inhoudt dat bewezen is dat hij er géén beging.
3. Op grond hiervan vermocht het arrest te besluiten dat de brandschade door kortsluiting was ontstaan en dat een mogelijke fout van de elektriciteitsaannemer bij het plaatsen van de elektriciteitsinstallatie hieraan niets veranderde en de kortsluiting geen andere oorzaak had dan een gebrek in de installatie.

•ander voorbeeld het selderbladarrest waarbij een consument ten val kwam door een ongeval op de winkelvloer door een verloren selderblad. (Hof Antwerpen 12/05/2004, R.W. 2006-2007, 569)

wettelijke bron art. 1384§1 BW

Art. 1384 B.W.. Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.

Het slachtoffer van deze schade dient het bewijs te leveren dat de zaak een gebrek vertoont dat de oorzaak is van de schade en dat de persoon aan wie de herstelling wordt gevorderd de zaak onder zijn toezicht had. De wet heeft het over "onder bewaring hebben". Onder bewaring hebben, wil zeggen bewaker zijn van een zaak die voor eigen gebruik in bezit mag gehouden, of waarvan men het bezit geniet, of die men louter bij zich houdt met recht op controle, toezicht en beslissing.

Een zaak is gebrekkig wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor de zaak in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Een boom die omvalt ingevolge een windsnelheid van 104 km per uur vertoont aldus een gebrek. Zie Vred. Schaarbeek, 26/05/2004, T. Vred. 2006/380.

Rechtspraak:

•• Hof van Beroep Gent 5/02/04, RW 2006-2007, 1048: Een keldertrap is gebrekkig waarvan onderaan een stuk hout is weggerot, veroorzaakt door vochtigheid van de kelder op grond van art. 1384, eerste lid B.W. Zowel huurder als verhuurder dienen dienaangaande als bewaarder van de zak aanzien. De huurder omdat hij ervoor diende te zorgen dat de trap niet door vochtinfiltratie kon aangetast worden, de verhuurder omdat hij blijvend diende in te staan voor de degelijkheid van de fundamentele onderdelen van het verhuurde pand, waaronder de keldertrap

•• Hof van Beroep Brussel 18 april 2007, NJW 168, 705. Een vuilniszak ontploft in een vuilniswagen, waarbij de vuilniszak ontploft en geslingerd wordt op een voertuig. Niettegenstaande het gebrek in de vuilniszak wordt geoordeeld dat de ophaaldienst de bewaarder van de vuilniszak is en derhalve verantwoordelijk is, ook al gebeurt de ophaling op vraag van de overheid.

•• Politierechtbank Brugge 13 september 2004, RW 2007-2008, 415 aansprakelijkheid van de bewaarder van een elektronische garagepoort die schade toebracht aan een voertuig: gebrekkige zaak,

•• Rechtbank Kortrijk 15 maart 2005, RABG 2007/19

De aansprakelijkheid voor zaken op grond van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek kan weerhouden worden voor de schade veroorzaakt door het omvallen van een boom. Dit omvallen dient als een abnormaal kenmerk te worden beschouwd waardoor mag worden aangenomen dat de boom door een gebrek was aangetast. Een windsnelheid van 108 km/h maakt  geen overmacht uit


• Antwerpen 12/05/04 R.W. 2006-2007, 569.

Is de eigenaar van een perceel grond aansprakelijk voor een ongeval veroorzaakt door het gladde wegdek door de afvallende bladeren van zijn overhangende bomen?

Deze vraag werd bevestigend geantwoord in een vonnis Pol. Gent 19 januari 2004, RW, 2007-2008, 118:

"Dat tweede verweerster niet aansprakelijk is voor het natuurlijke verschijnsel dat bladeren van de bomen vallen, is evident. Maar daarover gaat het ook niet. De vordering wordt ten aanzien van tweede verweerster niet gebaseerd op art. 1384, eerste lid, B.W. wegens een gebrek in de boom, maar op art. 1382 B.W.

Om ten laste van tweede verweerster een aquiliaanse foutaansprakelijkheid aan te nemen, moet een door haar begane fout, in oorzakelijk verband met het ongeval, bewezen zijn.

Aan tweede verweerster wordt niet een typische overtreding van een wettelijke verbodsbepaling ten laste gelegd, maar een gemeenrechtelijke quasi-delictuele fout op grond van art. 1382 e.v. B.W. Het criterium van de voor een dergelijke aansprakelijkheid vereiste fout is de schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm die ingevolge de artikelen 1382-1383 B.W. in het maatschappelijk verkeer moet in acht genomen worden (Vandenberghe e.a., o.c., T.P.R. 1987, p. 1255 e.v., nr. 13, T.P.R. 1980, p. 1139 e.v., nr. 9). Voor het beoordelen van het onaandachtzaam of onbehoorlijk handelen, dat tot de schending van de zorgvuldigheidsnorm leidt, komen in aanmerking primo de redelijke voorzienbaarheid van de schade en secundo de vermijdbaarheid van de schade indien de betrokkene anders had gehandeld of de nodige voorzorgen had genomen (Vandenberghe e.a., o.c., T.P.R. 1987, nrs. 14-17, T.P.R. 1980, nrs. 10 e.v.).

De Rechtbank is van oordeel dat in casu aan beide vereisten is voldaan. Tweede verweerster kon in alle redelijkheid voorzien dat er een gevaarssituatie kon ontstaan wanneer de bladeren in groten getale (herfstperiode) van de overhangende takken op het fietspad zouden vallen, en de schade was perfect vermijdbaar indien tweede verweerster de takken van haar bomen had gesnoeid, zodat de bladeren op haar eigen domein en niet op het fietspad vielen. Zij beging dan ook duidelijk een fout door de bladeren massaal op het fietspad te laten vallen en vooral door ze er te laten liggen.

Voor het bestaan van een aquiliaanse fout is absoluut niet vereist dat de aansprakelijke vooraf door wie ook op een situatie wordt gewezen of wordt verzocht een toestand te verhelpen.

Men vergete bij dit alles art. 1383 B.W. niet, dat ook de loutere onzorgvuldigheid tot aansprakelijkheid kan leiden."

•• Hof van beroep Brussel 28/07/08 www. juridat.be


samenvatting:

Een systeem waarbij de twee poorten worden geopend met een badgelezer aan de eerste poort en waarbij de tweede poort na een bepaalde tijd zonder meer sluit, is inderdaad gevaarlijk, omdat het de gebruiker kan verrassen die onder de tweede poort door rijdt. Het blijkt immers niet dat de gebruiker is beschermd tegen het plots sluiten van de tweede poort. Een dergelijk systeem is gevaarlijk, en dus gebrekkig in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek.

uittreksel uit het arrest:

5.1. De aansprakelijkheid

De eerste rechter besliste op grond van volgende overwegingen. Uit het verslag van de deskundige blijkt dat COFINIMMO aansprakelijk is op grond van artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

De eerste rechter verwijst naar de deskundige die stelt "dat het ongeval slechts kon plaatsgrijpen wegens een technisch defect of afwijking van de sturingsprincipes van de installatie, ongeacht of eiser op hoofdeis al dan niet heeft gebadged", en "dat de besturingsprincipes louter een beveiliging van het gebouw tot doel hebben en geen of onvoldoende rekening houdt met de mensveiligheid".

In zijn eindbesluit stelt de deskundige:

"Aangezien we van oordeel zijn dat de besturingsprincipes louter een beveiliging van het gebouw tot doel hebben en geen of onvoldoende rekening houdt met de mensveiligheid;

Aangezien de nv NASSAU DOOR, kort na het ongeval, een tussenkomst verleende mbt het verlengen van de sluitertijd en dit op vraag van de gebouwbeheerder JLW;

Aangezien de besturingsprincipes van badgelezer (nv DE WILDER) en sluitertijd (NASSAU DOOR) van de tweede poort door twee onafhankelijke installateurs werden geinitialiseerd en dat de globale werking van het systeem opgelegd werd door de opdrachtgever, in casu de nv COFINIMMO, achten wij deze laatsten vanuit technisch oogpunt hoofdelijk aansprakelijk."

CHUBB formuleert kritiek op de deskundige, die volgens haar ten onrechte COFINIMMO als verantwoordelijk beschouwt wegens een fout begaan bij het ontwerpen van de installatie, door niet een tweede badgelezer te laten plaatsen bij de tweede poort. Het blijkt inderdaad niet dat het concept is uitgedacht door COFINIMMO.

C. en FORTIS houden COFINIMMO aansprakelijk als bewaarder van een gebrekkige zaak. FORTIS beschrijft dit gebrek als een "gemis aan veiligheid"; C. stelt dat het ongeval niet had kunnen gebeuren indien het gebouw geen gebrek vertoonde, en dat de deskundige heeft vastgesteld dat het ongeval onmogelijk was geweest indien het "badgen" ook verplicht was geweest om de tweede poort te openen.

Een systeem waarbij de twee poorten worden geopend met een badgelezer aan de eerste poort en waarbij de tweede poort na een bepaalde tijd zonder meer sluit, is inderdaad gevaarlijk, omdat het de gebruiker kan verrassen die onder de tweede poort door rijdt. Het blijkt immers niet dat de gebruiker is beschermd tegen het plots sluiten van de tweede poort. Een dergelijk systeem is gevaarlijk, en dus gebrekkig in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek.

CHUBB voert aan dat C. zelf een fout heeft begaan door niet na te gaan of de poort wel open was, maar uit zijn verklaring dat hij had aangenomen dat de tweede poort open was en dat hij zoals gewoonlijk is doorgereden en een klap op zijn valhelm voelde, blijkt niet het bestaan van een fout in zijnen hoofde.

C. en FORTIS stellen COFINIMMO dus terecht aansprakelijk, en wel op grond van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek, en CHUBB betwist niet dat zij gehouden is tot dekking.

5.2. De vergoedingen

5.2.1. De vordering van C.

Bij incidenteel hoger beroep vraagt C. de bijkomende veroordeling van CHUBB tot betaling van 712,21 EUR voor meerinspanning in de periodes van 10 en 15 % tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Er is inderdaad geen reden om aan te nemen met de eerste rechter dat een relatief lagere ongeschiktheid geen meerinspanningen meebrengt.

C. vraagt ook een vergoeding van 3.550,60 EUR voor economische waarde huishoudelijke arbeid. CHUBB antwoordt terecht dat voor een samenwonende man zonder kinderlast 35 % van 17,35 EUR kan aangerekend worden, en rekent uit dat dit minder oplevert dan de door de eerste rechter toegekende forfaitaire 2.000,00 EUR.

Over de door de eerste rechter toegekende intresten is er geen hoger beroep.


5.2.2. De vordering van FORTIS

FORTIS vraagt terecht de correctie van een materiële vergissing van de eerste rechter (35.112,45 EUR in de overwegingen werd 31.992,26 EUR in het beschikkend gedeelte).

Verder vraagt ook FORTIS een bijkomende vergoeding voor meerinspanning in de periodes van 10 en 15 % tijdelijke arbeidsongeschiktheid, voor 171,76 EUR en 128,39 EUR. Om dezelfde redenen als hierboven onder punt 5.2.1. kent het hof dit toe.

FORTIS vraagt hierop de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet, en CHUBB betwist dit niet. Er is inderdaad geen reden om af te wijken van de wettelijke rentevoet.

6. De kosten

Alle partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag.

Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering in hoofdsom en kosten (met toepassing van artikel 557 van het Gerechtelijk Wetboek) 2.000,00 EUR.

Rechtsleer: 
Overzicht rechtspraak Kwalitatieve aansprakelijkheid TPR 2011-2, 349

 

Nog dit: 

Wie is de bewaarder van een zaak?

 

Het louter in het bezit hebben van een zaak maakt iemand nog niet tot bewaarder.

Bewaarder van een zaak in de zin van art. 1384, eerste lid BW is degene die voor eigen rekening ervan gebruik maakt, het genot ervan heeft of ze onder zich houdt, met recht van toezicht, leiding en controle.

Om een persoon te kunnen beschouwen als bewaarder van een gebrekkige zaak in de zin van art. 1384, eerste lid BW, moet er sprake zijn van een intellectuele leiding van die zaak, waardoor de betrokken persoon de werking en het gebruik ervan heeft kunnen beheersen, al was het maar op een abstracte manier, en zelfs zonder dat hij die zaak daadwerkelijk in zijn bezit had.

Is geen bewaarder van een zaak, de 16 jarige minderjarige die een voertuig van een derde eigenaar binnendringt zonder diens medeweten en per per vergissing de handrem losmaakt waardoor dit voertuig schade veroorzaakt.

zie Cass. 13/09/2012, R.W. 2013-2014, 762.AR nr. C.10.0226.F met noot:Thierry Vansweevelt, De bewaarder van een zaak in de zin van art. 1384, eerste lid BW moet de “intellectuele leiding” hebben over die zaak, ook in geval van bruiklening, gebruik, diefstal en minderjarigheid,

Persoonlijke kritiek op dit arrest:

- een 16 jarige moet intellectueel in staat zijn te beseffen dat hij een voertuig zonder toestemming van de igenaar niet mag binnendringen en op geen hendels mag duwen of trekken en is intellectueel toch voldoende intellectueel onderlegd om in een stilstaand voertuig geen handelingen te stellen die schade veroorzaken, waardoor hij zelfs onrechtmatig stilzittend in een voertuig de intellectuele controle over het voertuig heeft.

- heeft de eigenaar van een voertuig nog de intellectueloe controle over zijn voertuig wanneer een derde zonder zijn medeweten de handrem loskoppelt waardoor schade wordt veroorzaakt?

Bespreking

• Oudere definitie van de bewaarder van een zaak:

degene die voor eigen rekening ervan gebruik maakt, het genot ervan heeft of ze onder zich houdt, met recht van toezicht, leiding en controle (zie reeds: Cass. 25 maart 1943, Arr.Cass. 1943, 68).

• De lener van een zaak

Hij die een zaak leent kan in de regel het feitelijk meesterschap over de zaak uitoefenen (R.O. Dalcq, Traité de la responsabilité civile, I, Brussel, Larcier, 1967, nr. 2105; H. Vandenberghe, “Overzicht van rechtspraak (2000-2008). Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad”, TPR 2011, 443).

• De gebruiker van een zaak

De bewaring gaat in principe over bij gebruik en bruileen op de gebruiker en bruiklener omdat (wanneer) de bruiklener of lener kan het feitelijk meesterschap over de zaak uitoefenen (R.O. Dalcq, Traité de la responsabilité civile, I, Brussel, Larcier, 1967, nr. 2105; H. Vandenberghe, “Overzicht van rechtspraak (2000-2008). Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad”, TPR 2011, 443).

Men mag echter niet voorbijgaan aan de vastelling dat het begrip bewaring een feitenkwestie is en blijft.

Zo kunnen beperkingen het recht van gebruik van een zaak er voor zorgen dat het fetelijk meesterschap en dus de bewaring bij de eigenaar blijft.

Te weerhouden crteria zijn ondermeer:

1. de beperktheid van het gebruik van de zaak, (vb. een gebruiker van een ladder (Cass. 23 november 1979, Arr.Cass. 1979-80, 373). of vervangingstoestel (Rb. Leuven 29 april 1988, TBBR 1990, 428, noot D. Deli) is geen bewaarder van de zaak in de zin van het aansprakelijkheidsrecht
2. de aanwezigheid van de uitlener
3. de vraag wie instaat voor de controle op en het onderhoud van de zaak

(T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, nr. 754). Zo heeft de lener geen leiding over de zaak wanneer hij die zaak slechts een korte tijd mag gebruiken (een vervangingstelevisietoestel: , of slechts voor een welbepaald doel mag aanwenden (ladder voor het plukken van peren: Cass. 23 november 1979, Arr.Cass. 1979-80, 373).

• diefstal, gebruiksdiefstal en gebruik zonder toestemming
De dief of de gebruiksdief of degene die zonder toelating van de eigenaar een zaak van een eigenaar gebruuikt is de huridische bewaarder en voor de schade die dit goed veroorzaakt op grond van art. 1384 BW aansprakelijk (L. Cornelis, De buitencontractuele aansprakelijkheid voor zaken, Antwerpen, Kluwer, 1982, nr. 248).

Maar ook buiten de hypothese van diefstal kan een zaak buiten de wil van de eigenaar worden gebruikt. Wie een zaak buiten medeweten en zelfs tegen de wil in van de eigenaar gebruikt, wordt ook als bewaarder beschouwd. De betrokkene wordt dan geacht controle, leiding en toezicht over die zaak uit te oefenen (H. Bocken en I. Boone, Inleiding tot het schadevergoedingsrecht, Brugge, die Keure, 2011, 203; B. Dubuisson, V. Callewaert, B. De Coninck en G. Gathem, La reponsabilité civile. Chronique de jurisprudence 1996-2007, volume 1, Brussel, Larcier, 2009, 173).

De buurman die tijdens de vakantie van de eigenaar een ladder gebruikt van zijn buurman, zonder diens toestemming om pruimen te trekken en door een sport van de ladder valt is zelf aansprakelijk voor zeijn schade en deze va derden die door dit gebrek werden veroorzaakt daar de gebruiker van de ladder als feitelijke bewaarder dient aanzien (Cass. 20 maart 2003, RCJB 2006, 9, kritische noot B. Dubuisson zie ook X. De Riemaecker, conclusie voor Cass. 20 maart 2003, Arr.Cass. 2003, 693). Daaruit kon ook worden afgeleid dat de gebruiker, aangezien de eigenaar afwezig en onwetend was, vrij het gebruik van de zaak kon bepalen.

 

Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie legt de aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid BW een onweerlegbaar foutvermoeden op de bewaarder van een gebrekkige zaak (Cass. 12 februari 1976, Arr.Cass. 1976, 683). De nieuwe voorwaarde die het hof vooropstelt, namelijk de intellectuele leiding te hebben over een zaak is dus afwijkend van de vroegere strikte leer en wordt de zogeheten objectieve aansprakelijkheid van art. 1384 iets subjectiever (J.-L. Fagnart, “Chronique de jurisprudence. La responsabilité aquilienne”, JT 1969, 259; H. Vandenberghe, M. Van Quickenborne en L. Wynant, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (1985-1993)”, TPR 1995, 1338).

Minderjarigheid en bewaring

Men moet niet bekwaam zijn en toerekenbaar om aansprakelijk te kunnen gesteld worden voor een loutere objectieve aansprakelijkheid.(L. Cornelis, Beginselen van het Belgische buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht. De onrechtmatige daad, Antwerpen, Maklu, 1989, nr. 313; J.-L. Fagnart, “Chronique de jurisprudence. La responsabilité civile (1968-1975)”, JT 1976, 608). Ook het Franse Hof van Cassatie heeft beslist dat de wilsonbekwaamheid de aansprakelijkheid op grond van art. 1384, eerste lid C.civ. niet uitsluit (Cass.fr. 18 december 1964, D. 1965, 191, noot P. Esmein).

Er is evenwel rechtsleer die stelt dat onmondige minderjarigen niet als bewaarder van een zaak worden beschouwd. In deze visie is de wilsonbekwaamheid tegenstrijdig met de vereiste van feitelijk feitelijk meesterschap. Men moet over een wil en over voldoende intellectuele capaciteit beschikken om feitelijk meesterschap uit te oefenen (R.O. Dalcq, “La notion de garde dans la responsabilité” in Liber Amicorum Frédéric Dumon, I, Antwerpen, Kluwer, 1983, 76; T. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, nr. 766). De onmondige minderjarige zal de zaak eerder gebruiken of behouden voor rekening of onder leiding van de ouders (of een derde, bv. een onderwijzer), die bijgevolg als bewaarder van de zaak fungeren en aldus zelf op grond van art. 1384, eerste lid BW kunnen worden aangesproken.

Minderjarigen met oordeelsvermogen kunnen dan wel aansprakelijk worden gesteld, waarbij het oordeelsvermogen een loutere feitenkwestie is, een antwoord op de vraag of de minderjarige voldoende vrijheid en macht heeeft om voor eigen rekening leiding, controle en toezicht op de zaak uit te oefenen. (A. Meinertzhagen-Limpens, “Subordination et conjugaison verticale en matière de responsabilité quasi-délictuelle” (noot onder Cass. 5 november 1981), RCJB 1985, 224). MDe vordering kan dan zowel tegen de minderjarige als tegen de ouders of de oderwijzer (artikel 1384, vierde lid) worden ingesteld (art. 1384, tweede lid BW) wat aan te bevelen is gezien de meeste minderjarigen onvermogend zijn.

Om de aansprakelijkheid van een houder van een zaak te weerhouden dient het goed te zijn overgedragen aan de schadeverwekker,die een intellectuele leiding over het goed kan uitoefenen.(X., noot onder Cass. 13 september 2012, Pas. 2012, 1647).

 


 

 

Open keldergat

Het niet afgeschermd open keldergat bij de inkom van de woning maakt een abnormaal kenmerk uit en brengt de aansprakelijkheid mee van de eigenaars of bewaarders van de woning met open keldergat op grond van artiklen 1384, eerste lid, BW

Hof van Beroep te Antwerpen, 2ebis Kamer – 6 februari 2008, RW 2010-2011, 1228

Uittreksel uit het arrest

P. e.a. t/ B. en C.

Antecedenten

1. Met een inleidende dagvaarding voor de Burgerlijke Rechtbank te Tongeren hebben de echtgenote van wijlen R.C., P.P., alsook zijn kinderen (...) en zijn kleinkinderen (...) dagvaarding uitgebracht tegen M.B. en L.C. waarbij zij hun aansprakelijkheid aanvoeren op basis van art. 1384, eerste lid, en art. 1382-1383 BW voor het overlijden van R.C. ten gevolge van een val op 20 februari 2004 in een keldergat in de woning van verweerders gelegen te (...). Zij voeren aan dat dit keldergat niet met een leuning was afgemaakt en dat er geen signalisatie aanwezig was en dat R.C. niet gewezen zou zijn op deze gevaarlijke situatie. Na opname in het ziekenhuis overleed R.C. op 5 juli 2004.

2. Het beroepen vonnis van de Burgerlijke Rechtbank te Tongeren heeft de eis van eisers ontvankelijk maar ongegrond verklaard om reden dat de rechtbank over geen enkel objectief gegeven beschikte omtrent de omstandigheden waarin de feiten zich voordeden, dat de trap zonder borstwering of afsluiting in de gegeven omstandigheden met name in een woning in aanbouw niet gebrekkig was in de zin van art. 1384, eerste lid, BW en dat er geen fout in de zin van art. 1382 e.v. BW bewezen was. Voorts wees de rechtbank op het gebrek aan bewijs van causaal verband tussen dit gebrek/deze fout en het overlijden.

...

Beoordeling in hoger beroep

6. Appellanten hebben de buitencontractuele kwalitatieve aansprakelijkheid (art. 1384, eerste lid, BW) alsook de foutaansprakelijkheid (art. 1382 BW) aan de grondslag van hun eis ten aanzien van geïntimeerden gelegd.

Zij spreken geïntimeerden als bewaarder van een gebrekkige keldertrap aan, die aan de grondslag ligt van hun eis tot schadevergoeding. Zij verwijzen subsidiair ook naar de aansprakelijkheid van geïntimeerden op basis van art. 1382 en 1383 BW en naar de schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm waarbij zij aanvoeren dat ieder normaal en zorgvuldig persoon in soortgelijke omstandigheden zou hebben gezorgd voor een afsluiting van het keldergat, minstens een bezoeker zou hebben gewaarschuwd voor het gevaar wanneer hij de woning betrad.

De eerste rechter heeft geen aansprakelijkheid van geïntimeerden aanvaard.

Wat de aansprakelijkheid van geïntimeerden op basis van art. 1384, eerste lid, BW betreft

7. Deze aansprakelijkheid wordt betwist door geïntimeerden, zowel wat de feitelijke omstandigheden van het schadegeval betreft als het gebrek van de zaak. Appellanten dragen de bewijslast van deze feitelijkheden (art. 1315 BW). Zij kunnen dit bewijzen met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen. Zij dienen minstens aan te tonen dat de door hen voorgebracht feiten een geheel vormen van bepaalde gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens die het bewijs leveren van de door hen aangevoerde wijze waarop het ongeval gebeurd is.

Eens dat deze feiten bewezen zijn, dragen zij verder de bewijslast van het gebrek dat zij aanvoeren (art. 1384, eerste lid, BW) of van een fout van geïntimeerden (art. 1382-1383 BW).

8. De val van de h. C. in het keldergat is niet betwist. De toepassing van art. 1384, eerste lid, BW vereist het bewijs door het slachtoffer, te dezen zijn nabestaanden, van een schade die is veroorzaakt door een gebrek van een zaak, te dezen het keldergat, waarvan de aangesprokene de bewaarder is.

Het hof merkt geen betwisting over het feit dat de h. C. via de voordeur is binnengekomen, minstens merkt het hof desbetreffend geen verweer, en evenmin merkt het hof betwisting m.b.t. het feit dat de h. C. in het keldergat is gevallen. Evenmin merkt het hof betwisting dat geïntimeerden bewaarder zijn van dit keldergat, waarvan het gebrek door appellanten wordt aangevoerd. Dit keldergat vertoonde volgens appellanten een gebrek, namelijk dat dit keldergat zonder omheining of enige vorm van afscherming vlak naast de voordeur lag.

Het hof volgt geïntimeerden niet in hun verweer dat dit keldergat zich niet vlak achter de voordeur bevond. Uit de door appellanten voorgebrachte foto‘s, waarover kennelijk geen betwisting bestaat dat zij de juiste toestand weergeven van de plaatsgesteldheid zoals deze was op het ogenblik van het ongeval, blijkt meer dan duidelijk dat men zich bij het opendoen van de voordeur men zich onmiddellijk in de nabijheid van het keldergat bevindt. Deze toestand wordt bovendien nog benadrukt door het feit dat de voordeur naar de muur toe opengaat en niet naar het keldergat.

Het wordt ook niet betwist dat op het ogenblik van het ongeval rond dit keldergat geen omheining stond.

Een zaak is door een gebrek aangetast wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Het hof is van oordeel dat een keldergat, zoals te dezen gelegen vlakbij de inkom van de woning, zonder enige vorm van omheining of afscherming errond, een abnormaal kenmerk vertoont ten aanzien van het model van keldergat gelegen aan een inkomdeur van een woning, dat in bepaalde omstandigheden aanleiding kan geven tot schade.

Het verweer van geïntimeerden dat het een onafgewerkt keldergat betrof, dat in afwachting van de nakende schrijnwerken nog open was, zodat dit keldergat geen abnormale toestand uitmaakte, gelet op de concrete omstandigheden, volgt het hof niet, omdat allereerst niet afdoende is bewezen dat het gebouw nog in aanbouw was, en evenmin dat de woning nog een werf was. In dit verband wordt verwezen naar het feit dat mevr. L.C. reeds sinds 15 november 1999 was ingeschreven in de (...), waar het ongeval plaatsvond. De woning was zodoende op het ogenblik van het ongeval op 20 februari 2004 reeds meer dan vier jaar bewoond. Ten overvloede acht het hof het tevens noodzakelijk dat ook op een werf de nodige maatregelen dienen te worden genomen ter vermijding van deze gevaarlijke toestand. De afwezigheid van leuning/omheining rondom het keldergat acht het hof ook in een niet- afgewerkte toestand van een nieuwbouwwoning een gebrek aan het keldergat, dat in bepaalde omstandigheden aanleiding kan geven tot schade.

Het hof komt zodoende tot het besluit dat deze toestand gebrekkig was in die zin dat dit keldergat afweek van zijn model en in bepaalde omstandigheden schade kon veroorzaken, met name zoals te dezen een val.

Dat de h. C. als naaste familie van appellanten had dienen te weten dat de woning nog niet volledig afgewerkt was, en dat dit onafgewerkt keldergat voor hem zichtbaar en voorspelbaar was, doet geen afbreuk aan de aansprakelijkheid van geïntimeerden op basis van art. 1384, eerste lid, BW, en kunnen geïntimeerden te dezen niet aanvoeren als vreemde oorzaak die hen van hun aansprakelijkheid zou bevrijden. De beweerde voorkennis van de h. C. van de toestand van de woning en het keldergat doet niets af aan de aansprakelijkheid van geïntimeerden als bewaarder van de zaak, omdat hierdoor het gevaarlijk en abnormaal karakter van het keldergat niet wordt weggenomen.

Appellanten hebben zodoende voldaan aan het bewijs van een gebrek in de zaak in de zin van art. 1384, eerste lid, BW. Geïntimeerden zijn als bewaarders van de gebrekkige zaak aansprakelijk op basis van deze wetsbepaling.

9. Het aansprakelijkheidsvermoeden dat op de bewaarder rust kan enkel worden weerlegd indien de bewaarder het bewijs levert dat de schade niet te wijten is aan een gebrek in de zaak, maar veroorzaakt werd door een vreemde oorzaak, zoals toeval, overmacht, daad van een derde of van het slachtoffer.

De onvoorzichtigheid van de h. C. wordt te dezen door geïntimeerden aangevoerd, namelijk het gegeven dat hij een woning betrad, waarvan hij wist dat ze onafgewerkt was, zonder de nodige oplettendheid aan de dag te leggen. Hierboven heeft het hof reeds aangenomen dat het niet afdoende is aangetoond dat de woning nog een werf betrof. In dit verband werd verwezen naar het feit dat mevr. L.C. reeds sinds 15 november 1999 was ingeschreven in de (...), waar het ongeval plaatsvond. Het hof heeft aangenomen dat, zelfs in de toestand van onafgewerktheid van de woning, het keldergat nog altijd gebrekkig was in de zin van art. 1384, eerste lid, BW.

Het hof acht te dezen geen persoonlijke fout van de h. C. bewezen. Het gegeven dat dit keldergat perfect zichtbaar voor hem zou zijn geweest bij het binnenkomen van de woning, of dat hij de toestand van dit keldergat kende, levert naar het oordeel van het hof nog niet het bewijs van enige fout of onvoorzichtigheid van zijnentwege, minstens wordt deze fout of onvoorzichtigheid niet aangetoond. Te dezen blijkt bovendien uit de foto‘s de zeer gevaarlijke plaatsgesteldheid van het keldergat, dat gelegen is vlakbij de inkom, zodat men bij het binnenkomen maar enkele stappen moet doen, om in dit keldergat te vallen. Het hof heeft hierboven ook reeds gewezen op het feit dat de voordeur ook opengaat naar de muur toe, zodat men zich bij het binnenkomen onmiddellijk in de nabijheid van het keldergat bevindt. Uit het loutere gegeven dat de h. C. in het keldergat is gevallen, ook al zou dit zichtbaar zijn geweest bij het binnenkomen in de woning, kan nog niet zijn fout of onvoorzichtigheid worden afgeleid. Het hof acht het te dezen niet aangetoond dat de h. C. zich niet zou hebben gedragen zoals een normaal voorzichtig en zorgvuldig persoon in soortgelijke omstandigheden zou hebben gedaan.

Geïntimeerden beweren niet dat zij op een af andere manier de h. C. hebben gewaarschuwd voor deze gevaarlijke toestand, integendeel stellen zij dat zij niet de gelegenheid hadden om hem te waarschuwen. Zij voeren bovendien aan dat, zelfs hadden ze hem gewaarschuwd, hij deze waarschuwingen in de wind zou hebben geslagen. Het behoorde aan geïntimeerden om het slachtoffer oplettend te maken op deze gevaarlijke toestand, in welk geval gebeurlijk bij het niet opvolgen van deze waarschuwingen, een persoonlijke fout van het slachtoffer zou kunnen worden aanvaard. Deze toestand wordt niet aangevoerd door geïntimeerden, die zodoende niet slagen in het bewijs van een persoonlijke fout van het slachtoffer. Het verweer dat hij deze waarschuwingen in elk geval niet zou hebben opgevolgd, is niet bewezen.

Het hof besluit dat geen eigen fout kan worden verweten aan de h. C.

...

Wie kan de vordering instellen tegen de bewaarder van een zaak?

 

• Cass. 04/02/2011, AR C. 10.0236N, juridat; RABG 2014/2, 71, met noot J. Doninck, Samenloop, vrijwaring en aansprakelijkheid voor de gebrekkige zaak: een trilogie.

samenvatting

Het vermoeden van aansprakelijkheid van de bewaarder van zaken, ingevoerd door artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, is ingegeven door de bekommernis om een efficiëntere bescherming te bieden aan hen die schade lijden door zaken die een ander onder zijn bewaring heeft; het bestaat slechts ten gunste van de personen die rechtstreeks schade lijden, en kan slechts door hen worden aangevoerd (1). (1) Zie Cass. 4 juni 2007, AR C.06.0112.F, AC 2007, nr. 291.

tekst arrest

Nr. C.10.0236.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister, bevoegd voor Mobiliteit en Openbare Werken, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1,eiser,

tegen

BREMCON nv, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Kruibeeksesteenweg 154,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 16 juni 2009.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1382 Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.

Krachtens artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is men niet alleen aansprakelijk voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad, maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.

2. Het vermoeden van aansprakelijkheid ingevoerd door artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, is ingegeven door de bekommernis om een efficiëntere bescherming te bieden aan hen die schade lijden door zaken die een ander onder zijn bewaring heeft. Het bestaat slechts ten gunste van de personen die rechtstreeks schade lijden, en kan slechts door hen worden aangevoerd.

De omstandigheid dat de bewaarder van een zaak op grond van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek jegens de schadelijder aansprakelijk is voor een gebrek in de zaak, belet niet dat hij tegen de derde die het gebrek foutief heeft veroorzaakt, een verhaal heeft voor het bedrag van de schade die hij moet vergoeden.

3. De appelrechters oordelen dat:
- de eiser aansprakelijk is voor de schade die voortgevloeid is uit de gebrekkige zaak, te weten de met slijk besmeurde weg die hij onder zijn bewaring had;
- het slijk afkomstig was van de terreinen van de verweerster die onvoldoende maatregelen trof om de besmeuring van de weg te verhinderen;
- de verweerster op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor de door de slachtoffers geleden schade.

4. Door vervolgens de op het artikel 1382 Burgerlijk Wetboek gegronde vordering in vrijwaring van de eiser tegen de verweerster af te wijzen om reden dat de aansprakelijkheid van de eiser als bewaarder van een gebrekkige zaak op grond van artikel 1384, eerste lid, van dit wetboek een autonome rechtsgrond voor schadevergoeding vormt, verschillend van de aansprakelijkheid van de verweerster op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep van de eiser, over de door de eiser tegen de verweerster ingestelde vordering in vrijwaring en over de kosten.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, rechtszitting houdende in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: di, 07/02/2017 - 11:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.