-A +A

Aansprakelijkheid voor verborgen gebreken bouw

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
  Rechtsleer: Frank Berssens, De oplevering van Bouwwerken, Advocatenpraktijk, Burgerlijk Recht, 5, maart 1997 p. 42

Definitie verborgen gebrek in bouwzaken: een gebrek dat door de bouwheer en de personen die hem gebeurlijk assisteerden bij de goedkeuring van de werken, niet kon worden vastgesteld en dat de bouwwerken, niet of minder geschikt gemaakt hebben tot het gebruik waartoe de werken waren bestemd, doch dat niet valt onder de tienjarige aansprakelijkheid, hetgeen betekent dat het gebrek de stevigheid van het werk niet aantast. Voorbeelden, zie Berssens, op. cit, p45.

De goedkeuring van het werk door de opdrachtgever stelt de aannemer volgens cassatierechtspraak niet vrij van zijn aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken. Cass. 25/10/1985, R.W. 1988-1989, 670.

De vordering wegens verborgen gebreken dient "tijdig" te worden ingesteld. De tijdigheid is een beoordelingskwestie van de feitenrechter.

De aannemer is in regel ook buiten art. 1792 en 2270 B.W. aansprakelijk voor verborgen gebreken. De aanvaarding van het werk door de opdrachtgever stelt de aannemer namelijk niet vrij van zijn aansprakelijkheid voor verborgen gebreken.

Uit geen enkele wetsbepaling blijkt dat een gespecialiseerde aannemer wordt vermoed op de hoogte te zijn van het verborgen gebrek van de zaak die hem voor onderhoud is toevertrouwd en welk gebrek ook na de uitvoering van zijn werk is blijven bestaan. Dit (laatste) betekent dat de contractuele bedingen waarbij een gespecialiseerde aannemer zijn aansprakelijkheid voor verborgen gebreken van het door hem opgeleverde werk beperkt of uitsluit, principieel geoorloofd zijn, behalve in drie te dezen niet toepasselijke uitzonderingsgevallen: (1) als ze door bijzondere wettelijke bepalingen zijn verboden of aan bepaalde beperkingen zijn onderworpen; (2) als ze de schuldenaar vrijstellen van aansprakelijkheid voor zijn persoonlijke opzettelijke fout; (3) als ze iedere zin of betekenis ontnemen aan de door de partijen beoogde contractuele verbintenissen.

• Rechtspraak: Hof van Beroep Brussel (2006AR2311) Juridat

samenvatting

I. Een vordering tot het bekomen van schadevergoeding wegens verborgen gebreken dient bij toepassing van artikel 1648 B.W. binnen een korte tijd te worden ingesteld. Bij het beoordelen van deze korte tijd wordt rekening gehouden met alle omstandigheden van de zaak, met name de aard van het verkochte, de aard van het gebrek, de gebruiken, de hoedanigheid van partijen en de door hen verrichte buitengerechtelijke en gerechtelijke handelingen, zoals het vorderen van een deskundigenonderzoek. De vereiste dat een vordering tot schadeloosstelling op grond van verborgen gebreken binnen een korte tijd moet ingesteld worden, is ingegeven opdat de nodige bewijzen niet verloren zouden gaan en het onderzoek naar de verborgen gebreken accuraat kan verlopen.

II. Het feit dat verkopers nalieten aan de koper mede te delen dat zij het slachtoffer waren van een overstroming 6 jaar voor de verkoop van de woning maakt geen fout uit, nu het toen ging om bijzondere weersomstandigheden die steeds aanleiding kunnen geven tot overstromingen.

uittreksel uit het arrest:


INZAKE VAN:

T. A., en zijn echtgenote D. A, appellanten,

TEGEN:

L V, en zijn echtgenote C. O., 

geïntimeerden,

I. VERKOOP VAN EEN ONROEREND GOED. VERBORGEN GEBREKEN. KORTE TERMIJN VOOR DE VORDERING TOT SCHADELOOSSTELLING.

II. VERKOOP. PRECONTRACTUELE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE VERKOPERS. INLICHTINGEN BETREFFENDE HET OVERSTROMINGSGEVAAR. 

I. Een vordering tot het bekomen van schadevergoeding wegens verborgen gebreken dient bij toepassing van artikel 1648 B.W. binnen een korte tijd te worden ingesteld. Bij het beoordelen van deze korte tijd wordt rekening gehouden met alle omstandigheden van de zaak, met name de aard van het verkochte, de aard van het gebrek, de gebruiken, de hoedanigheid van partijen en de door hen verrichte buitengerechtelijke en gerechtelijke handelingen, zoals het vorderen van een deskundigenonderzoek. De vereiste dat een vordering tot schadeloosstelling op grond van verborgen gebreken binnen een korte tijd moet ingesteld worden, is ingegeven opdat de nodige bewijzen niet verloren zouden gaan en het onderzoek naar de verborgen gebreken accuraat kan verlopen.

II. Het feit dat verkopers nalieten aan de koper mede te delen dat zij het slachtoffer waren van een overstroming 6 jaar voor de verkoop van de woning maakt geen fout uit, nu het toen ging om bijzondere weersomstandigheden die steeds aanleiding kunnen geven tot overstromingen.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe (1) in hoofdorde geïntimeerden in solidum te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 12.500  euro  plus de gerechtelijke intresten en (2) in ondergeschikte orde een deskundige (= architect) te horen aanstellen met een welomschreven opdracht.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. Het hoger beroep van appellanten beoogt de toekenning de horen bekomen van hun oorspronkelijke vordering zoals in hoofdorde ingesteld.

Zij vragen m.a.w. niet meer de aanstelling van een deskundige.

1.4. Geïntimeerden vragen het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen.   

II. De Feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat bij notariële akte van 14 mei 2002 geïntimeerden hun woning gelegen te Vilvoorde verkocht hebben aan appellanten.

Na het afsluiten van deze verkoop zouden appellanten te kampen hebben gehad met een ondergelopen kelder ingevolge een hevige regenval.

Volgens appellanten is de door hen aangekochte woning behept met verborgen gebreken, minstens zouden geïntimeerden verantwoordelijk moeten gesteld worden voor dit schadegeval op grond van hun precontractuele aansprakelijkheid.

III. Discussie.

3.1. Appellanten steunen hun vordering enerzijds op artikel 1641 e.v. B.W. en anderzijds op artikel 1382 e.v. B.W.

Appellanten aanzien het onderlopen van een kelder bij hevige regenval als een verborgen gebrek.

Zij menen verder dat geïntimeerden een precontractuele fout begingen (= inbreuk op artikel 1382 e.v. B.W.) door hen niet te verwittigen, vóór het afsluiten van de overeenkomst, dat de kwestieuze kelder jaarlijks één tot tweemaal onder water stond.

3.2. Een vordering tot het bekomen van schadevergoeding wegens verborgen gebreken dient bij toepassing van artikel 1648 B.W. binnen een korte tijd te worden ingesteld.

Bij het beoordelen van deze korte tijd wordt rekening gehouden met alle omstandigheden van de zaak, met name de aard van het verkochte, de aard van het gebrek, de gebruiken, de hoedanigheid van partijen en de door hen verrichte buitengerechtelijke en gerechtelijke handelingen, zoals het vorderen van een deskundigenonderzoek.

3.3. Uit de medegedeelde stukken blijkt het volgende:

- Op 13 juni 2002 liet de notaris van appellanten aan de notaris van geïntimeerden weten dat zijn cliënten het slachtoffer waren geworden van een overstroming ingevolge een hevige regenval;

- Op 19 juni 2002 liet de notaris van geïntimeerden weten dat enkel 6 jaar geleden de kelder ook ondergelopen was doch als gevolg van buitengewone weersomstandigheden;

- Op 17 juli 2003 liet de raadsman van appellanten weten dat geïntimeerden aansprakelijk werden geacht voor het schadegeval;

- Deze aanspraken werden door de raadsman van geïntimeerden ten stelligste betwist in zijn brief van 23 juli 2003;

- Bij exploot betekend op 6 oktober 2004 gingen appellanten over tot dagvaarding.

Hieruit volgt dat na het schadegeval dat zich moet situeren in juni 2002 eerst twee brieven volgden, dan gedurende één jaar niets meer gebeurde, waarna opnieuw twee brieven werden geschreven en opnieuw gedurende meer dan één jaar geen verdere initiatieven werden genomen door appellanten.

3.4. De vereiste dat een vordering tot schadeloosstelling op grond van verborgen gebreken binnen een korte tijd moet ingesteld worden, is ingegeven opdat de nodige bewijzen niet verloren zouden gaan en het onderzoek naar de verborgen gebreken accuraat kan verlopen.

In deze gaat het om een ondergelopen kelder en gelet op de aard van een dergelijk schadegeval kan 2 jaar na de feiten of zelfs 1 jaar na de feiten - als men al zou aannemen dat er onderhandelingen zouden plaatsgevonden hebben gedurende het eerste jaar - geen accuraat onderzoek meer gevoerd worden over het al dan niet bestaan van verborgen gebreken aan de woning/kelder.

Appellanten erkennen dit overigens zelf impliciet in hun conclusie daar waar ze stellen dat in het rapport van P&V Assurances, opgesteld in juli 2004, terecht werd vermeld dat de kelder niet meer onder water stond daar de overstroming in 2002 gebeurde en de expertise in 2004.

3.5. Het feit dat in juli 2004 nog een rapport werd opgesteld, toont verder niet aan dat er op dat ogenblik nog onderhandelingen tussen de partijen aan de gang waren.

Het gaat immers om een eenzijdig verslag opgesteld op verzoek van de verzekeraar van appellanten zelf.

3.6. De eerste rechter heeft dan ook op oordeelkundige wijze geoordeeld dat de vordering in deze laattijdig werd ingesteld en bijgevolg diende afgewezen te worden in zoverre gegrond op artikel 1641 e.v. B.W. 

Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd.

3.7. Appellanten verwijten verder aan geïntimeerden hen vóór de aankoop niet verwittigd te hebben dat de woning regelmatig onderliep.

Appellanten bewijzen niet ten genoege van recht dat de kelder van de woning in kwestie meer dan normaal onder water stond.

Met de gegevens van een eenzijdig rapport kan geen rekening gehouden worden.

Bovendien mag van een koper verwacht worden dat hij vóór een aankoop de nodige inlichtingen inwint over de plaats waar het goed gelegen is en de karakteristieken ervan.

Appellanten hebben de woning ook kunnen bekijken vóór de aankoop en hebben de kelder dus ook vooraf gezien.

Eén en ander was toen niet van aard bij hen vragen te doen rijzen.

Het feit dat geïntimeerden nalieten mede te delen dat zij het slachtoffer waren van een overstroming 6 jaar voor de verkoop van de woning maakt geen fout uit. Het ging toen om bijzondere weersomstandigheden die steeds aanleiding kunnen geven tot overstromingen.

3.8. De eerste rechter heeft dan ook terecht de vordering afgewezen in zoverre gesteund op artikel 1382 e.v.

Ook op dat punt wordt het bestreden vonnis bevestigd.

3.9. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

(...)

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

(...)

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot op 1.286  euro  (186  euro  rolrechten + 1.100  euro  rechtsplegingsvergoeding).

 Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 14 december 2010.

 

Nog dit: 

De voorlopige oplevering belet niet dat een latere vordering voor verborgen gebreken wordt ingesteld wegens verborgen gebreken.
De voorlopige oplevering impliceert immers de erkenning van de bewoonbaarheid en bruikbaarheid van het pand rekening houdende met de zichtbare gebreken.

Rechtspraak:
Rechtbank eerste aanleg Brussel, NJW 289, 758

De heer P.V.D.R. en mevrouw N.D. [ ... ] DeB.M.,[ ... ]

eisende partijen op de hoofdvordering, verwerende partijen op de tegenvordering,[ ... ]

tegen DeN.V.[ ... ]

verwerende partij op de hoofdvordering,

eisende partij op de tegenvordering,

[ ... ]

1. FEITEN

1. Op 01/09/2009 werd tussen eisers (kopers) en verweerster (verkoperbouwpromotor) een onderhandse verkoopovereenkomst van een appartement op plan (appartement C3.l) en bijbehorende garagebox (box B3) gesloten (stukken 1 partijen). In deze overeenkomst werd een uitvoeringstermijn van 400 dagen voorzien vanaf 01/11/2008 (te verlengen met weerverlet en/of overmacht), in geval van laattijdigheid zijn eisers gerechtigd tot een vergoeding van € 20,00 per dag vertraging vanaf ingebrekestelling. Deze overeenkomst werd op 19/01/2010 in authentieke vorm verleden (stuk 2 verweerster).

Er staat niet ter discussie dat vernoemde uitvoeringstermijn berekend conform de overeenkomst liep tot 23/03/2011 (stuk 13 verweerster, aangevoerd door verweerster en niet betwist door eisers). Op 06/07/2010 werd een proces-verbaal van voorlopige oplevering ondertekend door eisers (stuk 3 verweerder; er is discussie of dit de voorlopige oplevering is).

Op 10/09/2010 vond een tweede controle plaats, waarbij het vochtprobleem dat aanleiding gaf tot huidige discussie vastgesteld werd (stuk 4 verweerster). Op 15/10/2010 gebeurde een verdere opvolging, waarbij gesteld werd dat de vochtplek in kwestie (muren gang en badkamer) verder opgevolgd zou worden en de schilderwerken door verweerster zouden gebeuren (stuk 2 eisers, stuk 5 verweerster; volgens eisers is dit de voorlopige oplevering). Op deze laatste dag ontvingen eisers de sleutel, weze het dat één exemplaar bij verweerster bleef om de vochtschade te kunnen opvolgen (stuk 6a eiseres).

Vervolgens voerden partijen uitgebreid e-mailverkeer in verband met deze opvolging (stukken 3 eisers; stukken 6 verweerster).

Op 09/03/2011 werd verweerster door eisers, via hun raadsman, in gebreke gesteld (stuk 4 eisers; stuk 7 verweerster). Op 16/03/2011 liet verweerster weten dat geen vergoeding wegens laattijdige oplevering kon toegekend worden, nu de voorlopige oplevering had plaatsgevonden (stuk 8 verweerster).

Op 15/04/2011 gingen eisers over tot dagvaarding met het oog op de aanstelling van een deskundige en het veroordelen van verweerster tot het verhelpen van aangehaalde vochtproblematiek. Bij besluiten werd deze vordering gewijzigd tot een schadevergoeding en een vertragingsvergoeding.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

2.

2.1. De hoofdeis van eisers, zoals geformuleerd in besluiten, strekt er toe verweerster te horen veroordelen tot: -betaling van een som van € 2.550,00 hoofdens een vertragingsvergoeding, meer intresten;

-betaling van een som van € 5.525,00 hoofdens een schadevergoeding, meer intresten; en -een som van€ 574,00 voor schilderwerken, meer intresten.

Zij vorderen het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, borgstelling of kantonnement.

Verwerster besluit tot de ongegrondheid van de hoofdeis.

2.2. De tegeneis van verweerster beoogt de veroordeling van eisers (hoofdelijk/ in solidum/de ene bij gebreke van de andere) tot betaling van een som van € 5.000,00, meer gerechtelijke intresten, wegens tergend en roekeloos geding. Eisers concluderen tot de ongegrondheid van voormelde tegenvordering.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

3. Partijen werpen geen gronden van niet-ontvankelijkheid ~ noch van de hoofd-, noch van de tegenvordering ~ op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet ontvankelijkheid van de vorderingen. Zowel de hoofd- als tegenvordering zijn derhalve ontvankelijk.

3.2. Ten gronde

4. Inzake de hoofdvordering

4.1. Inzake de hoofdvordering van eiseres dienen de vertragingsvergoeding (gebaseerd op de vermeende laattijdige oplevering en betrekking hebbende op de periode 06/07/2010 tot 15/10/2010) en de schadevergoeding (vanaf 15/10/2010 tot eind april 2011) wegens gebreken onderscheiden te worden.

4.2. Eisers zijn van oordeel dat de voorlopige oplevering slechts plaatsvond op 15/10/2010. Bijgevolg is de contractuele vertragingsvergoeding verschuldigd. Zij begroten deze op wat zij menen dat de normale huurprijs is. Verweerster houdt vol dat de voorlopige oplevering plaatsvond op 06/07/2010, zodat geen vertragingsvergoeding kan verschuldigd zijn. De oplevering gebeurde tijdig.

Op grond van de overeenkomst is een vertragingsvergoeding verschuldigd bij het overschrijden van de uitvoeringstermijn en na ingebrekestelling. Krachtens de overeenkomst dient de voorlopige oplevering gelijkgesteld te worden met de levering zodat de tijdige oplevering beoordeeld wordt op het moment van de voorlopige oplevering (vgl. ook K. DEKETELAERE, M. SCHOUPS en A. VERBEKE (red.), Handboek bouwrecht Antwerpen, Intersentia, 2004, p. 888, puntXI.89). In deze liggen er stukken voor waaruit blijkt dat processen-verbaal van voorlopige oplevering werden ondertekend op 06/07/2010, 10/09/2010 en 15/10/2010.

Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie blijkt evenwel dat de voorlopige oplevering plaatsvond op 06/07/2010 en dat de overige data controlevergaderingen betroffen. Uit de e-mail van de heer Van der Velde van 08/07/2010 blijkt inderdaad dat er sprake was van voorlopige oplevering op 06/07/2010 (stuk 12 verweerster), waarop trouwens de ter discussie staande vochtproblematiek zich nog niet gemanifesteerd had.

Gelet op dit duidelijk stuk uitgaande van eisers, zijn de e-mails van 01/03/2011 en 03/03/2011 niet relevant. Dat eisers de sleutels pas op 15/10/2010 kregen is evenmin relevant. Indien zij van oordeel waren dat het pand niet bewoonbaar of bruikbaar was, hadden zij de voorlopige oplevering dienen te weigeren.

De voorlopige oplevering impliceert immers de erkenning van de bewoonbaarheid en bruikbaarheid van het pand rekening houdende met de zichtbare gebreken (vgl. overeenkomst onder "Oplevering"). Trouwens zelfs indien de oplevering slechts zou plaatsgevonden hebben op 15/10/2010, dan nog zou deze tijdig geweest zijn nu de uitvoeringstermijn slechts zou verstreken zijn op 23/03/2011. Nergens blijkt dat verweerster afstand gedaan zou hebben van deze termijn. Dit deel van de vordering van eisers is niet gegrond.

4.3. Een tweede deel van de vordering van eisers beoogt een gemeenrechtelijke schadevergoeding omdat het pand niet bewoonbaar/verhuurbaar was vanaf de voorlopige oplevering (door hen gesteld op 15/10/2010) tot eind april 2011. Deze vordering is gebaseerd op de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregels. Zoals hoger aangehaald had de vochtproblematiek waarover de discussie handelt zich nog niet gemanifesteerd op het moment van de voorlopige oplevering (06/07/2010). Logischerwijs betrof dit dan ook een verborgen gebrek, dat niet gedekt is door deze voorlopige oplevering.

Dat deze vochtproblematiek de aansprakelijkheid van verweerster was, wordt op zich niet betwist en blijkt ook uit haar eigen houding. Zij heeft zelf steeds het verhelpen van dit euvel op zich genomen, zodat er geen twijfel kan bestaan over haar aansprakelijkheid voor dit probleem. Anderzijds kan de voorlopige oplevering niet tot gevolg hebben dat eisers de bruikbaarheid en bewoonbaarheid van het appartement wat dit betreft zouden aanvaard hebben. Het gebrek was op dat moment nog niet zichtbaar.

Dat het appartement niet bruikbaar of verhuurbaar was tot eind april 2011 kan ook moeilijk betwist worden. Verweerster betwist immers niet dat er zich in het appartement twee industriële drogers bevonden om de vochtplek sneller op te drogen. Ook wordt niet betwist dat dit proces in januari 2011 over diende gedaan te worden ingevolge vochtschade ten gevolge een niet geledigde droger. Er kan niet redelijkerwijs aangenomen worden dat het pand zou kunnen verhuurd of bewoond worden terwijl er nog industriële drogers staan te werken en aannemers toegang hebben tot het pand om het droogproces op te volgen.

Dat de uitvoeringstermijn slechts verstreek op 23/03/2011 is hierbij niet aan de orde. Dit betreft zoals contractueel bepaald enkel de voorlopige oplevering en dus de zichtbare gebreken. De vergoeding voor gebreken, zoals in deze, die op het moment van de voorlopige oplevering niet zichtbaar waren, staat hiervan los.

De onbruikbaarheid van het pand ingevolge verborgen gebreken is dus afdoende bewezen, zodat eisers gerechtigd zijn tot een schadevergoeding. Het is aan eisers om de omvang van de schade en de genotsderving te bewijzen.

Op heden ligt hiervan geen enkel stuk voor. De vergoeding wordt dan ook beperkt tot wat partijen over en weer overeenkwamen als zijnde de normale huurprijs: met name € 20,00 per dag, oftewel € 600,00 per maand. Partijen namen in de overeenkomst aan dat dit de normale huurprijs was in het kader van de vergoeding wegens laattijdige levering; er is geen reden om aan te nemen waarom dit in huidige discussie anders zou zijn. Eisers bewijzen geen andere genotsderving. Reeds bij e-mail van 03/09/2010 (stukken 3 eiseres) werd verweerster in gebreke gesteld en dreigden eisers een genotsderving te vorderen. Het feit dat dit niet aangetekend gebeurde is niet relevant.

In deze is er immers geen sprake van een contractuele vergoeding voor laattijdige levering, doch een gemeenrechtelijke schadevergoeding. Elke ondubbelzinnige ingebrekestelling is aldus voldoende. Dit deel van de vordering van eisers is gegrond voor een bedrag van€ 3.900,00 (6,5 maanden aan€ 600,00 per maand).

4.4. De vergoeding voor door eisers uitgevoerde schilderwerken kan niet betwist worden. Verweerster nam deze kosten op zich (proces-verbaal van 15/10/2010) en verklaarde zich akkoord deze kosten te vergoeden (stuk 6p verweerster, mail van 19/04/2011).

5. Inzake de tegenvordering

Nu de hoofdeis deels gegrond is, is er geen sprake van een tergend en roekeloze vordering zodat de tegeneis niet gegrond is.

[ ... ]

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

[ ... ]

Verklaart de hoofdeis van eisers ontvankelijk en in de hiernavolgende mate gegrond;

Veroordeelt verweerster tot betaling aan eisers van de som van

€ 3.900,00, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 15/04/2011;

€ 574,00, meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 15/04/2011, met voorbehoud voor de BTW hierop.

Verklaart de tegenvordering uitgaande van verweerster ontvankelijk maar ongegrond.

[ ... ]

Noot: Reinhard Steennot, Voorlopige oplevering, NJW 289, 758

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: di, 09/09/2014 - 18:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.