-A +A

Aansprakelijkheid van de staat door de fout van de rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT op basis van artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die,

• ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert,

• ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.

Wanneer de betwiste handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.;

In de rechterlijke organisatie is het zich vergissen — recht doen is en blijft het werk van de mens, derwijze dat falen onvermijdbaar is — geïnstitutionaliseerd, nu het hoger beroep en de dubbele aanleg (nog steeds) de regel zijn. De enige aanleg is de uitzondering, ingegeven door rechtspraktische noden van het ogenblik, om de rechtsachterstand weg te werken; de uitbreiding van het recht spreken in eerste en laatste aanleg, is aldus de resultante van een pragmatisch denken, veel meer dan een juridische verantwoorde optie.

Een onjuiste of onzorgvuldige rechterlijke beslissing wordt dan ook — in de regel — rechtgezet door de aanwending van een rechtsmiddel en de uitspraak van de appelrechter daaropvolgend.

Feit is echter dat de aanwending van een rechtsmiddel, wat in principe rechtsherstel gerandeert (een waarborg voor een zo juist mogelijke rechterlijke uitspraak), in bepaalde omstandigheden de schade door de eerste foutieve beslissing onverlet laat of niet volledig herstelt.

Wanneer de (met succes) bestreden beslissing op een onrechtmatige wijze — door een onzorgvuldige uitoefening van de rechterlijke functie, door een recht spreken zoals door een normaal voorzichtig rechter, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden geen recht zou zijn gedaan — schade heeft berokkend die niet is goedgemaakt door de beslissing in beroep, moet de rechtzoekende de aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen.

De aansprakelijkheidsvordering dient alsdan gericht te worden tegen de Belgische Staat, nu de magistraat een orgaan is van de Staat die aldus instaat voor de fouten van de rechterlijke orde in de uitoefening van het ambt (of in voldoende verband ermee).

Kort en bondig:

Ook rechters kunnen bij het rechtspreken fouten begaan die de rechtsonderhorigen schade toebrengen.

De vergoeding van deze schade kan alsdan gevorderd worden van de Belgische staat. Indien de fout van de rechter bestaat uit een fout veroorzaakt door diens vonnis, dient het vonnis in een in kracht van gewijsde gegane beslissing zijn ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Omstandiger en vollediger: samenvatting arrest 05/06/08 Hof van Cassatie (zie Cassatie 5 juni 2008, NJW 192, 881, met noot ontstaan van vergoedbare schade bij ambtsfouten van magistraten)

De fout van een magistraat waarvoor de Staat, op basis van de artikelen 1382 en 1383 B.W., aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen; wanneer de betwiste handeling van een magistraat bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen voor diens fout aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm  Zie Cass., 19 dec. 1991, AR 8970, A.C., 1991-92, nr. 215, met concl. eerste adv.-gen. VELU in Pas., 1992, nr. 215; Cass., 8 dec. 1994, AR C.93.0303.F, A.C., 1994, nr. 541.

• arrest Hof van Cassatie 5 juni 2008

Nr. C.06.0366.N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 115,
eiser,

tegen
D. E.,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest op 30 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.
Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

1. In het raam van een strafonderzoek naar sigarettensmokkel wordt de verweerder op 12 juni 1985 aangehouden op bevel van de onderzoeksrechter, samen met andere verdachten.

Hij was destijds hoofd van de dienst misdrijfvoorkoming.
Hij wordt verdacht van mededaderschap aan misbruik van vertrouwen en passieve omkoping.

Hij wordt op secreet geplaatst op bevel van de onderzoeksrechter tot 14 juni 1985.
Op 14 juni 1985 bevestigde de Raadkamer het bevel tot aanhouding, maar oordeelde dat voorwaarden voor verdere hechtenis niet langer meer vervuld waren.
Op het hoger beroep van het Openbaar Ministerie werd betrokkene ingevolge arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen op 25 juni 1985 in voorlopige vrijheid gesteld.
Uiteindelijk werd betrokkene door de Raadkamer op 21 maart 1988 buiten vervolging gesteld, evenals alle andere inverdenkinggestelden op grond van een territoriale onbevoegdheid van de Belgische strafrechtbanken.

2. Op 15 juli 1988 ging de verweerder over tot dagvaarding van de eiser voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel tot verkrijgen van schadevergoeding.
Deze wees zijn vordering af als ongegrond.

3. Op het hoger beroep van de verweerder wordt bij arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 30 mei 2005 een schadevergoeding toegekend ten bedrage van 3.000,00 euro, meer de vergoedende interest sedert 11 juni 1985 en de gerechtskosten van beide aanleggen ten laste van de eiser gelegd.

III. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 12 van de gecoördineerde Grondwet;
- de artikelen 1, 2, 3, 4 en 8 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis;
- het algemeen rechtsbeginsel houdende het gezag van gewijsde in strafzaken;
- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet, uitgezonderd in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaarde en de kosten begrootte. Veroordeelt (de eiser) om aan (de verweerder) een bedrag van 3.000,00 euro te betalen, te vermeerderen met vergoedende interesten vanaf 11 juni 1985 tot op heden, vervolgens met moratoire interesten op het geheel vanaf heden. Veroordeelt partijen elk tot de helft der kosten van beide aanleggen".
Het stelt het volgende vast op p. 2:

"In het kader van een strafonderzoek wegens het verdwijnen van 15.000 kisten sigaretten voor een waarde van 2.500.000 USD werd (de verweerder) toen hoofd van de dienst misdrijfvoorkoming, met de titel van adjunct-commissaris-hoofdinspecteur, aangehouden met andere verdachten met in wezen, volgende motivering in het bevel van aanhouding van 11 juni 1985: ‘Aangezien er ernstige en uitzonderlijke omstandigheden bestaan die de openbare veiligheid raken en waarop de aanhouding van (de verweerder) gegrond is. (...) dat er ernstige bezwaren bestaan mede gezien de eensluidende verklaringen onder eed afgelegd die wijzen op corruptie; dat het onderzoek doet vermoeden dat er nog andere personen betrokken zijn en de vraag naar de motieven nog openblijft. Dat gezien de beroepsbekwaamheid en de mogelijkheden die daaruit voortvloeien om personen te benaderen en het onderzoek tegen te werken, (de verweerder) niet in vrijheid kan gesteld worden'. (De verweerder) werd verdacht van A. mededaderschap misbruik van vertrouwen, B. passieve omkoping van openbare ambtenaren om een misdaad of een wanbedrijf te plegen.

Dit aanhoudingsbevel werd aan (de verweerder) betekend op 12 juni 1985 om 00.25 uur. Een beschikking van vrij verkeer werd op zelfde datum van 11 juni door de onderzoeksrechter uitgevaardigd en opgeheven vanaf 14 juni 1985. Op 14 bevestigde de raadkamer het bevel tot aanhouding niet om reden dat de voorwaarden van het bevel tot aanhouding niet meer bestonden. Na het hoger beroep van het Openbaar Ministerie stelde de kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen hem op 25 juni 1985 in voorlopige invrijheidstelling".
Het oordeelt op grond van de motieven op p. 4-5:

"Uit de lezing van het strafdossier blijkt dat de aanhouding lichtvaardig is geweest. Het Openbaar Ministerie liet voor de kamer van inbeschuldigingstelling dd. 24 juni 1985 gelden dat (de verweerder) volgens de verklaringen van twee hoge ambtenaren van de Veiligheid van de Staat een jaar voordien getuige was geweest hoe de notoire smokkelaar van de partij sigaretten door deze dienst onder druk werd gezet en verweet hem dat hij desondanks met betrokkene verder vriendschappelijke betrekkingen bleef bewaren en zijn zoon en dochter er in dienst liet gaan. Het onderzoek start met de klacht van de raadsman van een firma te Liechtenstein die vaststelt dat een partij van 15.000 sigaretten met bestemming Dublin uit een schip verdwenen is en zich in een Antwerpse loods zouden bevinden.

Het onderzoek wordt geïnitieerd na contact met het kantoor van deze raadsman. N. D. biedt zich aan bij de politie en legt er een verklaring af in verband met een schip. Vervolgens wordt, steeds in september 1983, de gewezen boekhouder van N. D. verhoord die een aantal smokkelaffaires aan het licht wil brengen en onder meer de vriendschappelijke banden van D. met (verweerder) beschrijft (...).Deze vriendschappelijke relaties worden bevestigd door een gewezen bediende van D.. (De verweerder), als politieofficier, verbonden aan de vreemdelingenpolitie, zou in de loop van 1981, mogelijk begin 1982, samen met andere personen, een lopende rekening hebben gekregen bij een benzinestation waar hij gratis mocht tanken en waar later ook zijn wagen gratis werd onderhouden.

Herstellingen en onderhoud werden door D. betaald. Er werd verteld dat wanneer één van de zeemannen problemen had, die snel (door de verweerder) werden opgelost. De getuige was overtuigd dat (de verweerder) elke maand geld ontving. De gehandicapte dochter van (de verweerder) was daar ook tewerkgesteld. Zijn zoon deed er ook vakantiewerk. (De verweerder) deed ook verschillende reizen, die hij via de firma van D. zou hebben geboekt, o.a. naar Griekenland.

Het onderzoek verliep verder met het verhoor van verschillende personen in verband met de activiteiten van D., die beschreven werd als een multimiljonair die wel twee miljoen per maand kon uitgeven. Op 11 juni 1985 werd (de verweerder) verhoord door de onderzoeksrechter en hij bevestigde zijn vriendschappelijke banden met N. D., maar ontkende ooit geld van hem ontvangen te hebben.

Op zelfde datum werd V.R. verhoord die in verband met (de verweerder) verklaard: N. D. heb ik leren kennen na een verzoek van mijn hoofdbestuur in Brussel om hem over bepaalde zaken te verhoren in juli 1982. Na dit verzoek heb ik de vreemdelingenpolitie hier in Antwerpen gecontacteerd. Vermits ik de (verweerder) van deze dienst goed ken heb ik hem over D. gesproken en hij heeft D. op mijn verzoek naar mijn bureel verwezen voor verhoor.

Het verhoor had betrekking op het feit dat D. ervan verdacht werd in verbinding te staan met de ETA, en zich in te laten met wapensmokkel'.
(De verweerder) werd op 11 juni 1985 met verschillende personen geconfronteerd, waaruit geen enkele bezwarende elementen te zijnen laste te weerhouden zijn, nu de feiten van de vriendschappelijke relaties en voordelen die (de verweerder) of zijn kinderen uit deze banden trokken, dateerden van lang voor de feiten waarover de klacht ging. Het verwijt dat hem werd gedaan getuige te zijn geweest hoe N. D. door de dienst van de Veiligheid van de Staat onder druk werd gezet, werd niet nagetrokken, noch vóór het bevel tot aanhouding, noch nadien en is ook niet bewezen.

Deze feiten dagtekenden van meerdere jaren voordien en de bundel bevatte vóór de aanhouding geen enkel gegeven waaruit kon blijken dat N. D., die daarenboven volgens de bundel een blanco strafregister heeft, voor de hem in juli 1982 ten laste gelegde feiten werd vervolgd of veroordeeld. Het is zelfs niet duidelijk of (de verweerder) wist waarover het verhoor door de dienst voor de Veiligheid van de Staat wel ging.

Hij nam alleszins aan het verhoor niet deel. Trouwens de raadkamer handhaafde de voorlopige hechtenis niet, noch de kamer van inbeschuldigingstelling. Op deze grond dat de aanhouding lichtvaardig was, alleen al, dient er een nalatigheid in hoofde van de onderzoekers te worden aangehouden die het verantwoorden de vordering van (de verweerder) principieel gegrond te verklaren".

Grieven

De Belgische Staat kan op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk worden verklaard voor de schade ten gevolge van een door een rechter begane fout, wanneer die magistraat binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden heeft gehandeld of ieder redelijk en voorzichtig mens moet aannemen dat hij binnen die grenzen heeft gehandeld.
Indien die handeling van de rechter evenwel het rechtstreeks voorwerp is van zijn rechtsprekende functie, is de vordering tot vergoeding van de schade tegen de Belgische Staat uitgesloten als de litigieuze handeling niet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Aan deze voorwaarde is niet voldaan wanneer het bevel tot aanhouding, uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in zijn hoedanigheid van rechter, zoals die voortspruit uit artikel 12 van de gecoördineerde Grondwet, overeenkomstig de artikelen 1, 2, 3, 4 en 8 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis binnen vijf dagen na de ondervraging van de verdachte bij zijn eerste verschijning bevestigd wordt door de raadkamer, onder de vaststelling dat de wettelijke voorwaarden tot het afleveren van het bevel tot aanhouding ten laste van de verdachte voorhanden waren op dat tijdstip.

Integendeel, alsdan bij het niet aanvechten van deze beslissing van de raadkamer, de beslissing tot aanhouding in kracht van gewijsde treedt, zodat de regelmatigheid van het verleende aanhoudingsbevel, noch de lichtvaardigheid ervan, nimmer meer ter discussie kan worden gesteld. Minstens uit artikel 4 en 8 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis volgt dat na de eerste verschijning die regelmatigheid of lichtvaardigheid van het verleende bevel tot aanhouding niet meer onderzocht kan worden.
Het bestreden arrest stelt op p. 2 vast dat de raadkamer bij de eerste verschijning op 14 juni 1985 het bevel tot aanhouding niet bevestigde, niet omdat de wettelijke voorwaarden tot het afleveren ervan niet voldaan waren, maar "om reden dat de voorwaarden van het bevel tot aanhouding niet meer bestonden", terwijl dit strookt met het voor eensluidend verklaard afschrift van de voormelde beschikking van de raadkamer, waaruit blijkt dat inderdaad, eensdeels, beslist werd "dat de beweegredenen van het bevel tot aanhouding niet meer bestaan", maar dat daarentegen voordien geoordeeld werd, anderdeels, "dat de wettelijke voorwaarden tot het afleveren van het bevel tot aanhouding ten laste van (de verweerder) voorhanden waren".

Aldus de aanhouding van de verweerder, die noodzakelijkerwijs enkel op bevel van de onderzoeksrechter kon worden bevolen, bij beschikking van de raadkamer van 14 juni 1985 in overeenstemming met de wet werd bevonden, wat uitsluit dat de Staat bij gebreke aan begane tekortkoming door de onderzoeksrechter aansprakelijk kan worden verklaard voor dit wettig bevonden optreden van haar orgaan.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing, dat eiser aansprakelijk is en 3.000,00 euro, meer de vergoedende interest sedert zijn aanhouding op 11 juni 1985 dient te betalen aan verweerder als schadevergoeding op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, omdat "(zijn) aanhouding lichtvaardig is geweest", niet wettig verantwoordt, nu het niet de onderzoekers zijn die tot zijn aanhouding konden overgaan, maar enkel en uitsluitend een rechter (schending van artikel 12 van de gecoördineerde Grondwet) middels een aanhoudingsbevel, afgeleverd door de onderzoeksrechter, die oordeelde dat voldaan was aan de wettelijke voorwaarden (schending van de artikelen 1, 2, 3, 4 en 8 van de wet van 20 april 1874 op de voorlopige hechtenis) en dat zijn geldigheid heeft behouden nu het niet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm, zoals dat het geval is geweest met het bevel tot aanhouding van 11 juni 1985 van de verweerder, waarvan de wettigheid tot het afleveren ervan bij de eerste verschijning door de raadkamer op 14 juni 1985 werd bevestigd zonder dat dit oordeel bestreden werd, hetgeen elke aansprakelijkheid van de eiser uitsluit, doordat vaststaat dat de onderzoeksrechter geen enkele fout beging, laat staan overging tot een lichtvaardige aanhouding (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De fout van een magistraat waarvoor de Staat, op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.

2. Wanneer de betwiste handeling, zoals te dezen, bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm. Hiermede moet de toestand worden gelijkgesteld waarin de benadeelde buiten zijn toedoen tegen de litigieuze handeling geen rechtsmiddel kan aanwenden omdat de beslissing zelf ingetrokken is en de gelaedeerde juridisch geen aantoonbaar belang meer heeft om nog te vragen dat de litigieuze beslissing zou worden opzij geschoven.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerder bij gebrek aan belang geen rechtsmiddel kon aanwenden tegen de beslissing van de raadkamer dat de wettelijke voorwaarden tot het afleveren van het bevel tot aanhouding ten laste van de verweerder voorhanden waren nu de raadkamer besliste dat de aanhouding niet langer kon worden gehandhaafd.

4. Het middel dat er in deze omstandigheden van uitgaat dat elke aansprakelijkheid van de eiser is uitgesloten nu het aanhoudingsbevel zijn geldigheid heeft behouden omdat het niet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm, kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.

• arrest Hof van Cassatie 25/03/2010 NJW 239, 227 met noot

samenvatting

De fout van een magistraat waarvoor de Staat, op basis van de artikelen 1382 en 1383 B.W., aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is iets niet te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen; wanneer de betwiste handeling van een magistraat bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm (1). (1) Cass., 5 juni 2008 (2 arresten), AR C.06.0366.N en C.07.0073.N, A.C., 2008, nrs. 347 en 349.

Tekst arrest

Nr. C.09.0403.N
D. B.,
eiser,
tegen
1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 115,
2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid en Sociale zaken, met kantoor te 1040 Brussel, Handelsstraat 78-80,
verweerders,
ter zitting bijgestaan door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 maart 2009 gewezen door het hof van beroep te Brussel.
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wetsbepalingen
- de artikelen 1350, 3°, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 20, 21, 23, 24, 25, 26, 1073, 1082, tweede lid, en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek;
- artikel 1°, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van de schuldvorderingen ten laste of ten bate van de Staat en van de Provinciën, zoals van toepassing voor de opheffing ervan bij wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de rijkscomptabiliteit van de federale staat;
- artikel 100, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, zoals van toepassing voor de opheffing ervan bij wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de rijkscomptabiliteit van de federale staat;
- de artikelen 6, 2°, 13 en 23 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren;
- de artikelen 25, eerste lid, 31, 32 en 48 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, zoals van kracht voor de vervanging ervan bij artikel 1 van Protocol nr. 11, ondertekend te Straatsburg op 11 mei 1994 en goedgekeurd bij wet van 27 november 1996 (hierna de artikelen 25, eerste lid, 31, 32 en 48 (oud) EVRM).
.
Aangevochten beslissing

De appelrechters beslissen dat de vordering van eiser tot betaling van schadevergoeding wegens materiële en morele schade wegens één jaar onrechtmatige schorsing, verjaard is en derhalve niet ontvankelijk is, op grond van de volgende motieven:

"4.2.1. De verjaring
De vordering van (de eiser) gericht tegen de Belgische Staat op grond van aansprakelijkheid voor ambtsfouten van magistraten en personen die met rechtsprekende opdracht belast waren, is onderworpen aan de verjaringsregels van artikel 100 en volgende van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit.

Artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (KB van 17 juli 1991, dat artikel 1 overneemt van de wet van 16 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën) bepaalt:

Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen:

1° de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan;

2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overlegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd;

3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan.

Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de tienjarige verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de deposito- en consignatiekas.

Artikel 101 bepaalt:

‘De verjaring wordt gestuit overeenkomstig de regels van het gemeen recht'.
Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen geldt deze verjaringstermijn van vijf jaar in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat (zie Cass., 14 april 2003, C.00.0167.N; Cass. 11 februari 2005, C.03.0545.N, www.cass.be).

In een arrest van 20 februari 2002 herhaalde het Grondwettelijk Hof zijn standpunt uit zijn arresten nrs. 32/96, 75/97, 5/99 en 85/2001, waarin het had geoordeeld ‘dat de wetgever, door de vorderingen gericht tegen de Staat aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, een maatregel heeft genomen die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Er werd immers geoordeeld dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was omdat de Staat op een bepaald ogenblik zijn rekeningen moet kunnen afsluiten: het is een verjaring van openbare orde, die noodzakelijk is in het licht van een goede comptabiliteit (Pasin. 1846, p. 287)'. Het Grondwettelijk Hof hield ook nadien vast aan dit standpunt.
In het arrest 32/96 van 15 mei 1996 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de vijfjarige verjaringstermijn niet redelijk verantwoord is in zoverre hij van toepassing is op vorderingen tot vergoeding van schade uit werken die door de Staat werden uitgevoerd, ten aanzien van personen die in de onmogelijkheid verkeren om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade die zij hebben geleden pas na het verstrijken van die termijn tot uiting is gekomen. De laattijdige klachten vinden hun verklaring meestal niet in de nalatigheid van de schuldeiser, maar in het feit dat de schade zich laattijdig manifesteert.

Met betrekking tot de vorderingen uit aansprakelijkheid in het algemeen oordeelde het Grondwettelijk Hof in het arrest van 20 februari 2002 (nr. 42/2002) dat de redenering uit arrest 32/96 niet geldt ten aanzien van de aanvragers van schadevergoeding van wie de situatie niet vergelijkbaar is met die ‘van personen die zich in de onmogelijkheid bevinden om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat hun schade pas na het verstrijken van de termijn tot uiting is gekomen'.

In zijn arresten van 18 oktober 2006 (nr. 153/2006) en 20 juni 2007 (nr. 90/2007) oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 100 eveneens discriminerend is, in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld.

Anders dan (de eiser) voorhoudt, bevond hij zich niet in een situatie waarbij de toepassing van de bijzondere verjaringsregels van artikel 100 strekt tot ongelijke behandeling zoals geoordeeld door het Grondwettelijk Hof.
(De eiser) verkeerde met name niet in de onmogelijkheid om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade pas na het verstrijken van die termijn tot uiting was gekomen. Hij kende in elk geval de schade ten laatste bij de beslissing van het Hof van Cassatie van 9 december 1994. Dat de precieze omvang van de schade pas nadien zou vaststaan, is zonder belang voor de bepaling van de aanvang van de verjaringstermijn. In geval van een onrechtmatige overheidsdaad, komt in de regel de schuldvordering tot stand op het ogenblik waarop de schade ontstaat of waarop haar toekomstige verwezenlijking, naar redelijke verwachting, vaststaat. Dat de omvang van de schade op dat tijdstip nog niet precies vaststaat doet hieraan geen afbreuk.

(De eiser) kende in 1994 uiteraard ook de identiteit van de aansprakelijke persoon; het was op dat ogenblik in 1994 niet betwist dat de Belgische Staat gehouden kan zijn wegens fouten van de rechterlijke macht.
Ten slotte was voor (de eiser) in 1994 ook de fout evident. In zijn conclusies verwijst (de eiser) naar de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer vanaf het arrest Borgers van 29 oktober 1991 en voordien, het arrest Debled van 22 september 1994 en Vermeulen van 20 februari 1996), met betrekking tot de rol van het openbaar ministerie en het ontbreken van de mogelijkheid van een repliek in het licht van artikel 6, §1, EVRM. De fout is begaan in 1993 en 1994; het onrechtmatig karakter is niet pas ontstaan met de beoordeling door de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in op 16 april 1998 of door het Comité van ministers van de Raad van Europa van 15 juli 1999, en is ook niet pas ontdekt in 2002.

(De eiser) laat gelden dat de voorwaarden voor zijn vordering tot vergoeding van rechterlijke ambtsfouten pas vervuld waren met de beslissing van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 15 juli 1999. De vordering uit aansprakelijkheid van de Belgische Staat voor fouten van magistraten begaan in de rechtsprekende functie is in beginsel alleen ontvankelijk indien de litigieuze akte bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm en derhalve geen gezag van gewijsde meer heeft. (De eiser) stelt dat hij pas door de beslissing van het Comité van ministers van de Raad van Europa van 15 juli 1999 aan de Belgische Staat een beslissing kon tegenwerpen die weliswaar niet de onrechtmatige beslissingen van 1993 en 1994 ongedaan maakte, maar die de Belgische Staat niettemin als verdragsluitende partij moest eerbiedigen.

De stelling van de laatste zin klopt, maar dat vormt geen beletsel voor het tijdig instellen van een vordering. Zoals (de eiser) zelf uiteen zet, veronderstelt een ontvankelijke vordering tot vergoeding van rechterlijke ambtsfouten dat het gezag van gewijsde van de litigieuze akte is weggenomen, maar moet daarop uitzondering gemaakt worden voor onder meer het geval een beroep op het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of het Comité van ministers van de Raad van Europa.

Niets weerhield (de eiser) om te dagvaarden in schadevergoeding zonder een uitspraak in "Straatsburg" af te wachten. De situatie is niet ongelijk aan die van de eiser in schadevergoeding uit een onwettige bestuurshandeling die dagvaardt vooraleer de Raad van State uitspraak heeft gedaan over zijn beroep tot nietigverklaring van de bestuurshandeling. Tot voor de wijziging van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek door de wet van 25 juli 2008 was dat overigens de handelswijze van een normaal zorgvuldig persoon. Vooraleer de Raad van State uitspraak heeft gedaan is een behandeling door de burgerlijke rechter weliswaar voorbarig (al hoeft de burgerlijke rechter voor de beoordeling van de subjectieve rechten niet te wachten op het oordeel van de Raad van State met betrekking tot het objectief contentieux).

Uit het bovenstaande volgt dat het nationale recht geen beletsel vormt tegen de bescherming van de vordering van (de eiser) tot schadevergoeding begrepen als eigendom in de zin van artikel 1, eerste aanvullend protocol, EVRM.
Uit het bovenstaande volgt ook dat de eerste prejudiciële vraag die (de eiser) voorstelt te stellen aan het Grondwettelijk Hof niet relevant is voor de beoordeling van de vordering. De vordering kon immers wel degelijk ingeleid worden op de ‘ontvankelijke of gegronde wijze'. Het (hof van beroep) is niet gehouden tot het stellen van een prejudiciële vraag die niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen (artikel 26, §2, Bijzondere Wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989).
Anders dan (de eiser) voorhoudt is zijn vordering tot schadevergoeding hangende de procedure in Straatsburg geen voorwaardelijke vordering in de zin van artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek.

De verjaringstermijn ving dus aan op 1 januari 1994 (het arrest van het Hof van Cassatie dateert van 9 december 1994). Er zijn geen daden van stuiting of schorsing; het beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geldt niet als dusdanig, net zoals die niet het geval was voor een beroep hij de Raad van State tot bij de wet van 25 juli 2008.

De Belgische Staat laat terecht gelden dat zijn betaling overeenkomstig de beslissing van het Comité van ministers van de Raad van Europa niet kan gelden als een erkenning; de Belgische Staat kon bezwaarlijk anders als verdragsluitende partij.

De dagvaarding van 19 december 2002 is dus gedaan na het verstrijken van de verjaringstermijn. De vordering is niet ontvankelijk". (bestreden arrest, pagina 4, laatste alinea tot en met pagina 8, vierde alinea).

Grieven

1. Krachtens artikel 1, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, thans artikel 100, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, zoals van toepassing voor de opheffing ervan bij wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de rijkscomptabiliteit van de federale staat, zijn verjaard en voorgoed vervallen ten voordele van de Staat, onverminderd de vervallenverklaringen uitgesproken door andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschiedde binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.

Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen geldt die verjaringstermijn in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat.
Met toepassing van deze bepaling begint de vijfjarige verjaringstermijn voor de buitencontractuele aansprakelijkheid aldus te lopen van de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan dat recht is ontstaan.

2. De Staat kan in de regel op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk.
gesteld worden voor de schade ten gevolge van een door een rechter of een ambtenaar van het openbaar ministerie begane fout.

De fout van een magistraat waarvoor de Staat op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.
Wanneer de betwiste handeling bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Iedere eindbeslissing heeft immers gezag van gewijsde vanaf de uitspraak (de artikelen 23 en 24 van het Gerechtelijk Wetboek). Dit gezag van gewijsde verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld (artikel 25 van het Gerechtelijk Wetboek) en verhindert eveneens dat de inhoud van de beslissing tussen partijen in vraag gesteld wordt (artikel 1350, 3°, van het Burgerlijk Wetboek). Dit gezag van gewijsde blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt (artikel 26 van het Gerechtelijk Wetboek).

Voor de intrekking, wijziging, vernietiging of herroeping van de litigieuze rechtshandeling bestaat er geen vergoedbare schade. De benadeelde beschikt dus maar over een recht op vergoeding tegen de staat vanaf het ogenblik van intrekking, wijziging, vernietiging of herroeping van de beslissing (de artikelen 1350, 3°, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en 23 tot 26 van het Gerechtelijk Wetboek).

Hieruit volgt dat de vijfjarige verjaringstermijn voor de buitencontractuele aansprakelijkheid van de staat wegens het foutief handelen van een magistraat in zijn rechtsprekende functie pas begint te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de foutieve rechtsprekende handeling is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen.

3. Uit de artikelen 6, 2°, en 13 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren, 2 en 23 tot 26 van het Gerechtelijk Wetboek vloeit voort dat de beslissing van de Raad van beroep van de Orde der geneesheren die een individuele maatregel oplegt om de overtreding van de regels van de geneeskundige plichtenleer te voorkomen of te doen eindigen een jurisdictionele uitspraak is die met gezag van gewijsde bekleed is. Uit de artikelen 23 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren, 23 tot 26, 1073, 1082, tweede lid, en 1110 van het Gerechtelijk Wetboek vloeit verder voort dat de arresten van het Hof van Cassatie waarbij het cassatieberoep tegen een beslissing van de Raad van Beroep van de Orde van geneesheren wordt verworpen gezag van gewijsde heeft. Dit gezag van gewijsde heeft tot gevolg dat na de verwerping van het cassatieberoep, noch de beslissing van de Raad van Beroep, noch deze van het Hof van Cassatie in vraag kunnen worden gesteld (artikel 1350, 3°, van het Burgerlijk Wetboek).

Hoewel tegen de beslissing Raad van beroep en het arrest van het Hof van Cassatie geen rechtsmiddel meer openstaat in de zin van de artikelen 20 en 21 van het Gerechtelijk Wetboek, kan het gezag van deze beslissingen wel ongedaan gemaakt worden na een verzoekschrift overeenkomstig artikel 25, eerste lid (oud), EVRM. Indien dit verzoekschrift ontvankelijk is, stelt de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (hierna "de Commissie") een rapport op betreffende de feiten en geeft zij haar mening omtrent de vraag of de geconstateerde feiten een schending van de zijde van de betrokken Staat betekenen van de verplichtingen die krachtens het Verdrag op deze rusten (artikel 31, 1° (oud), EVRM).
Indien, binnen drie maanden na de datum van overleggen van het rapport aan het Comité van ministers, de zaak niet aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is voorgelegd (hierna ‘het Europees Hof') overeenkomstig artikel 48 van het Verdrag, neemt het Comité van ministers een beslissing over de vraag of het Verdrag al dan niet geschonden is (artikel 32, 1° (oud), EVRM). Hetzelfde gebeurt indien de zaak door de klagende partij toch aan het Europees Hof is voorgelegd, doch het Europees Hof beslist dat het de zaak niet zal behandelen omdat de zaak niet een ernstig vraagstuk betreft dat de interpretatie of toepassing van het Verdrag raakt en niet om een andere reden behandeling door het Europees Hof rechtvaardigt (artikel 48, inzonderheid tweede lid (oud) EVRM).
Overeenkomstig artikel 32, 4° (oud), EVRM verbinden de Hoge Verdragsluitende partijen zich elke beslissing welke het Comité van ministers bij toepassing van artikel 32 (oud) EVRM moge nemen, als voor hen bindend te beschouwen.

Dit houdt in dat de Staat gebonden is door een beslissing waarbij een schending van het Verdrag wordt vastgesteld en gehouden is om deze beslissing uit te voeren. Dit houdt meteen in dat een beslissing van het Comité van ministers genomen overeenkomstig de artikelen 32 en 48 (oud) EVRM, waarbij de schending van het Verdrag wordt vastgesteld, tot gevolg heeft dat de beslissing van de nationale rechter, die de verdragsbepalingen schond, ophoudt gezag van gewijsde te hebben.
Hieruit volgt dat het recht op vergoeding van de schade geleden ingevolge de met de bepalingen van het EVRM strijdige beslissing pas ontstaat op het ogenblik waarop het Comité van ministers overeenkomstig de artikelen 32 en 48 (oud) EVRM de schending van het Verdrag vaststelt en de beslissing van de nationale rechters ophouden gezag van gewijsde te hebben.
Er anders over beslissen zou in strijd zijn met de wezenlijke regel van de rechterlijke organisatie en met de opdracht gegeven aan de hoven en rechtbanken.

4. Terzake blijkt uit het bestreden arrest dat
- de raad van beroep van de Orde van geneesheren eiser bij beslissing van 15 november 1993 veroordeeld heeft tot de tuchtstraf van een jaar schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen,
- het cassatieberoep tegen deze beslissing werd verworpen bij arrest van het Hof van 9 december 1994,
- de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens bij beslissing van 16 april 1998 de schending vaststelde van artikel 6, §1, EVRM zowel in de procedure voor het Hof van Cassatie als in de procedure voor de Raad van Beroep, het Comité van ministers bij beslissing van 15 juli 1999, genomen overeenkomstig de artikelen 32 en 48 (oud) EVRM, het advies van de Commissie overnam en een schending van artikel 6, §1, EVRM vaststelde.
Daar de beslissing van de raad van beroep van de Orde der geneesheren van 15 november 1993 en het arrest van het Hof van Cassatie van 9 december 1994, pas op het ogenblik van de voor de Belgische Staat bindende beslissing van het Comité van ministers van 15 juli 1999 ophielden gezag van gewijsde te hebben nu deze beslissing en dit arrest pas op 15 juli 1999 werden ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen, beschikte eiser pas op 15 juli 1999 over een recht op vergoeding tegen de staat en begon de vijfjarige verjaringstermijn voor de buitencontractuele aansprakelijkheid pas te lopen vanaf 1 januari 1999.
Door te beslissen dat zowel fout, schade als oorzakelijk verband vast stonden vanaf het arrest van het Hof van Cassatie van 9 december 1994, waarbij het cassatieberoep tegen de beslissing van de Raad van Beroep van 15 november 1993 werd verworpen, en dat derhalve de verjaringstermijn begon te lopen van 1 januari 1994, hoewel het gezag van gewijsde van de beslissing van 15 november 1993 en van het arrest van 9 december 1994 pas ongedaan werden gemaakt door de beslissing van het Comité van ministers van 15 juli 1999, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. De fout van een magistraat waarvoor de Staat, op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is iets niet te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.

2. Wanneer de betwiste handeling bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.
Hiermee moet worden gelijkgesteld de toestand waarin, vóór de wijziging van het EVRM door het Elfde Protocol, het Comité van ministers van de Raad van Europa in een beslissing heeft vastgesteld dat de litigieuze handeling een schending inhoudt van het EVRM of van de toegevoegde protocollen.
Vóór die beslissing waarbij de bedoelde schending is vastgesteld, bestaat er geen vergoedbare schade.

3. Het arrest stelt vast:
- het Hof van Cassatie heeft op 9 december 1994 het cassatieberoep verworpen tegen de beslissing van de Raad van Beroep van 15 november 1993 waarin geoordeeld werd dat aan de eiser een tuchtsanctie van een jaar schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen moet opgelegd worden;
- het Comité van ministers van de Raad van Europa stelt bij beslissing van 15 juli 1999 een schending vast van artikel 6, §1, EVRM, zowel in de procedure voor het Hof van Cassatie als in de procedure voor de Raad van Beroep.

Het arrest oordeelt dat de eiser zijn vordering tot schadevergoeding reeds in 1994 kon instellen aangezien de schade ten laatste bij de beslissing van het Hof van Cassatie van 9 december 1994 vaststond en de fout begaan is in 1993 en 1994.
Het beslist aldus dat de vergoedbare schade ontstaan is vóór de beslissing van het Comité van ministers die de schending van het EVRM heeft vastgesteld en schendt aldus de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Dirix, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 25 maart 2010 uitgesproken door waarnemend voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Nog dit: 

Hof van Beroep Brussel, 03/09/2013 AR 2010AR1553
NOOT Aloïs Van Oevelen onder dit arrest in RW 2014-2015, 1573: Dwingt het Grondwettelijk Hof het Hof van Cassatie tot een verfijning van zijn Anca-rechtspraak?

I. De feiten en de voorafgaande rechtspleging
II. De uitspraak van het Grondwettelijk Hof
III. Belang en gevolgen van het geannoteerde arrest


samenvatting

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT op basis van artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.

Wanneer de betwiste handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Tekst arrest

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

A.R. nr. 2010/AR/1553

 

INZAKE VAN :

1) De heer A. W., wonende
2) De B.V. A.C.J. W., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 24 maart 2010,

TEGEN :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115,

geïntimeerde

abstract: Fouten van een magistraat-aansprakelijkheid van de staat

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT op basis van artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen. Wanneer de betwiste handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

__________________________________________________

De procedure voor de rechtbank van eerste aanleg

W. A. (hierna W.) en ACJ W. BV (hierna W. BV) hebben op 17 maart 2008 de BELGISCHE STAAT gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Zij verwezen, samengevat, naar:

- een gerechtelijk onderzoek door de BELGISCHE STAAT ten laste van eisers en anderen;
- een verklaring van W. op 3 december 2001 (PV 383401);
- twee overschrijvingen door W. vanuit Nederland op een rekening bij de FORTIS BANK te Maasmechelen op 2 augustus 2001 ten bedrage van 400.000 Nederlandse Gulden (NLG) en 125.000 NLG,

o met als oorsprong: een kredietovereenkomst van 21 februari 2001, toegestaan om aandelen van de moeder van W. in W. BV over te nemen;

o en met als reden: het beleggen van die gelden omdat die overname niet onmiddellijk werd gerealiseerd;
- het overmaken van de gelden, op aanraden van zijn persoonlijk adviseur, aan MASTERS BV met de bedoeling dat zij terugbetaald zouden worden met winst door wederverkoop van een onroerend goed;
- het beslag op die gelden op 21 september 2001 door de Belgische Justitie op grond van een vermoeden van een witwasmisdrijf;
- verscheidene verzoekschriften op grond van artikel 28 sexies § 4 van het Wetboek van Strafvordering, aan het parket van Tongeren met telkens een negatieve beslissing tot vrijgave;
- het oplopen van het negatief tot 38.856,21 euro op 10 februari 2004;
- de mededeling met een verzoekschrift van 10 januari 2004 dat de situatie onhoudbaar werd, vermits W. en W. BV niet de middelen hadden om aan te zuiveren;
- de standpunten ingenomen door de procureur des Konings te Tongeren, de Kamer van Inbeschuldigingstelling en de procureur-generaal dwars tegen de feiten van het dossier in;
- de beslissing van de procureur des Konings te Tongeren om na jaren aandringen het onderzoek af te ronden en over te gaan tot dagvaarding voor de correctionele rechtbank te Tongeren;
- de inleiding ten gronde op 12 oktober 2006, zonder dagvaarding van W. en W. BV;
- een verzoekschrift op die zitting door W. en W. BV om de geblokkeerde gelden vrij te geven;
- de vrijspraak en de beslissing van de correctionele rechtbank van Tongeren dat het verzoek van de tussenkomende partij om opheffing te bevelen van het gelegde beslag gegrond is;
- een ten onrechte strafrechtelijk beslag gedurende meer dan vijf jaar;
- de grove fouten begaan door de BELGISCHE STAAT:
o het onterecht beslag;
o het handhaven zonder grond gedurende meer dan vijf jaar;
o het niet vervolgen van W. en W. BV wat duidt op willekeur;
o de vrijspraak en de afwezigheid van hoger beroep door het parket;
- de gehoudenheid van de BELGISCHE STAAT om de onherstelbaar geworden schade te vergoeden op grond van artikelen 1382 en volgende van het burgerlijk wetboek;
- de schade die gelijk is aan de gederfde winst die bij de aanwending van de gelden het doel was en die zeker 30 % zou bedragen, minstens de intresten;
- niet alle gelden konden worden gerecupereerd omdat andere schuldeisers op hun gelden wachtten;
- de gehoudenheid van de BELGISCHE STAAT tot terugbetaling van de intresten op 238.234,61 euro vanaf 2 augustus 2001 tot bij de vrijgave op 17 april 2007, de gederfde winst (30 % of 71.470,383 euro), de intresten daarop vanaf één jaar later dit is vanaf 3 augustus 2002, de intresten op het beslagen bedrag vanaf 2 augustus 2001 tot de terugbetaling ervan op 15 april 2007 op 195.000 euro, het verschil in kapitaal dat terugbetaald werd of 43.234,61 euro, alles meer intresten tot de dag van de terugbetaling.

De rechtbank van eerste aanleg besliste met een vonnis van 24 maart 2010, samengevat:

- de vordering is ontvankelijk;
- het beslag is niet onzorgvuldig gelegd;
- de handhaving van het beslag was niet onrechtmatig;
- er wordt geen fout bewezen;
- het oorzakelijk verband is evenmin bewezen;
- de BELGISCHE STAAT heeft recht op een rechtsplegingsvergoeding van 5.000 euro.

Dit vonnis werd betekend op 1 juni 2010.

Het hoger beroep

W. en W. BV stelden hoger beroep in met een verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie van het hof op 4 juni 2010.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

Beoordeling

W. en W. BV achten de BELGISCHE STAAT aansprakelijk omdat haar aangestelden fouten hebben begaan die schade hebben veroorzaakt. Zij menen dat het beslag op de rekening van MASTERS BV onrechtmatig is gelegd en onrechtmatig is gehandhaafd, en dat het onderzoek te lang heeft geduurd.

Het beslag werd gelegd op 10 augustus 2001.

De BELGISCHE STAAT houdt terecht voor - met verwijzing naar artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit - dat de vordering in aansprakelijkheid die gesteund wordt op een fout begaan in 2001, verjaart na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin de fout is begaan, dit is, in dit geval, per 31 december 2005. W. en W. BV hebben gedagvaard op 17 maart 2008, dit is na 31 december 2005.

De wet kent enkel verjaringstuitende werking toe aan een gerechtsdeurwaardersexploot en aan een schulderkenning door de STAAT. Verzoeken tot opheffing in de zin van artikel 28 sexies § 4 W. Sv. beantwoorden daaraan niet en hebben dus geen verjaringstuitende werking.

De vordering van W. en W. BV is verjaard in de mate dat zij steunt op een beweerd onrechtmatig beslag.

Het handhaven van het beslag blijkt uit beslissingen van de procureur des Konings en van de Kamer van Inbeschuldigingstelling in antwoord op verzoeken tot opheffing van het beslag vanaf februari 2004, en het onderzoek is afgesloten met een vonnis van 8 december 2006. In de mate dat bij het handhaven onrechtmatig zou zijn gehandeld en dat het onderzoek te lang heeft geduurd, is tijdig gedagvaard op 17 maart 2008, en schorst het instellen van de rechtsvordering de verjaring totdat een definitieve beslissing is gewezen.

De vordering van W. en W. BV is niet verjaard in de mate dat zij steunt op het beweerd onrechtmatig handhaven van het beslag en op de duur van het onderzoek.

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT op basis van artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen. Wanneer de betwiste handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

De procureur des Konings wees de verzoeken tot opheffing van het beslag af omdat zijn ambt van oordeel was dat de noodwendigheden van het onderzoek het beslag vereisen en de wet in de teruggave of verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet. De Kamer van Inbeschuldigingstelling wees het hoger beroep tegen die beslissing af omdat het verzoek uitging van verzoekers die geen belang hadden omdat niet zij maar MASTERS BV de titularis was van de gelden op de bankrekening ("Dat in casu dient vastgesteld te worden dat de gelden door [W. en W. BV] overgeschreven werden op rekening van BV Masters N.N.P.C. ten einde deze aan te wenden voor de aankoop van onroerend goed en deze gelden derhalve, vanaf de overdracht ervan, tot het patrimonium van deze laatste behoren; dat zodoende verzoekers hun belang niet aantonen met betrekking tot de gevraagde maatregel vermits zij geen titularis van kwestieuze rekening zijn").

W. en W. BV tonen niet aan dat de procureur des Konings en/of de Kamer van Inbeschuldigingstelling met het afwijzen van de verzoeken tot opheffing van het beslag onrechtmatig hebben gehandeld in de aangegeven zin.

Abstractie gemaakt van de verjaring van de vordering in de mate dat zij steunt op de onrechtmatigheid van het leggen van het beslag, dient te worden vastgesteld dat het verzoek van de CFI aan de procureur des Konings gestaafd werd aan de hand van een verslag waarin op uitvoerige wijze de verdachte verrichtingen, de buitenlandse inlichtingen en de aanwijzingen van witwassen via de heer ROKS en MASTERS BV werden beschreven.

Uit het verslag van onderzoek betreffende ROKS Marcus blijkt immers dat ROKS bestuurder is van MASTERS BV, dat begin juli 2001 een persoon namens ROKS in een kantoor van FORTIS BANK in het gerechtelijk arrondissement Tongeren informeerde naar de modaliteiten en de mogelijkheden van het openen van een rekening met de melding dat enkele dagen later op deze rekening een bedrag van 50 miljoen US Dollars zou toekomen vanuit de VSA via een Zwitserse bank, afkomstig van een oliemaatschappij die beleggingen doet in onroerend goed, dat ROKS in het kantoor op 10 juli 2001 op naam van MASTERS BV een rekening opende en verklaarde de rekening te willen openen in België aangezien hij zich weldra zou vestigen in Brussel, dat ROKS op 20 juli 2001 vertelde dat een bedrag van ongeveer 500.000 NLG zou toekomen in het kader van een project in aanbouw in Kerkrade (warenhuis met drie appartementen) zich voorstellende als een projectontwikkelaar voor middelgrote projecten, dat op 3 augustus 2001 twee betalingen toekomen met in beide gevallen als opdrachtgever W. BV, zijnde, volgens ROKS, een eerste gedeelte van een globaal bedrag van 900.000 NLG, dat ROKS aanvankelijk verklaarde deze fondsen nodig te hebben voor de uitgifte van bankcheques aan verschillende notarissen waarvan hij de naam nog niet kon mededelen, dat hij na enkele dagen zijn instructies aan de bank veranderde nadat op 10 augustus 2001 een bedrag van 385.000 NLG is toegekomen via een overschrijving in opdracht van een rekening bij een Luxemburgse bank met als opdrachtgever "un de nos clients", en dat ROKS op 10 augustus 2001 wenste te beschikken over een bankcheque ten bedrage van 910.000 NLG aan order van de vennootschap BOEKHORST INVEST BV, zijnde een immobiliënagentschap met Bastiaan VAN GENT als enige aandeelhouder. Uit het verslag blijkt ook dat lastens ROKS Marcus een politioneel onderzoek loopt wegens onder meer onwettig openbaar aantrekken van spaargelden, economische delicten, oplichting, verduistering ... bij de Regiopolitie Limburg-Noord en Fiod Roermond; betrokkene zou via een niet-bestaand beleggingsfonds beleggers hebben aangetrokken en naderhand opgelicht en benadeeld voor een totaal bedrag van 30 miljoen NLG; dat onderzoek blijkt ook gelieerd aan een ander onderzoek met ernstige aanwijzingen van het witwassen van geld.

Een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou dezelfde beslissing tot het leggen van het beslag genomen hebben. De beslissing is in overeenstemming met de nationaalrechtelijke norm vervat in artikel 28 sexies § 4 W. Sv. en is niet strijdig met enige internationaalrechtelijke norm met rechtstreekse werking. Hetzelfde geldt voor het handhaven van het beslag dat bleek uit de beslissingen van de procureur des Konings tot afwijzing van de verzoeken tot opheffing. Voor het overige moet worden vastgesteld dat geen enkele beslissing met betrekking tot het afwijzen van de verzoeken tot opheffing bij een beslissing met kracht van gewijsde werd ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Het volstaat niet, zoals W. en W. BV voorhouden, dat het handhaven van het beslag onrechtmatig is omdat W. in zijn verklaring van 3 december 2001 uitlegde dat de gelden op de rekening van MASTERS BV wat hen betrof een legale oorsprong hadden, met name een kredietopening bij ABN AMRO op 21 februari 2001, en dat de overschrijving van die gelden naar de rekening van MASTERS BV een legale bestemming had, met name de voorgenomen aankoop en wederverkoop van een onroerend goed. Het onderzoek betrof immers de activiteiten van MASTERS BV en haar bestuurder ROKS ten aanzien waarvan ernstige aanwijzingen van witwassen voorhanden waren, zodat in het kader daarvan, in overeenstemming met artikel 28 sexies § 4 W. Sv., gelden die voorkwamen op de rekening van MASTERS BV in beslag konden worden genomen met mogelijkheid tot verbeurdverklaring in geval van veroordeling. De magistraat die dit beslag beveelt en handhaaft begaat te dezen geen fout, en die fout kan en mag ook niet afgeleid worden uit de loutere vaststelling dat, na onderzoek van het dossier door de rechtbank, vrijspraak volgt en opheffing van het beslag. Ook de vaststelling dat W. en W. BV zelf niet vervolgd werden, levert op zich niet het bewijs dat het leggen en het handhaven van het beslag onrechtmatig moeten zijn geweest, nu het beslag is gelegd op gelden van MASTERS BV omwille van ernstige aanwijzingen van witwassen door MASTERS BV en betrokken personen (ROKS, COENEN, VERWER).

Ten overvloede moet worden vastgesteld dat uit de verklaring van W. van 3 december 2001 blijkt dat de kredietopening voor 525.000 NLG werd toegestaan om aandelen van zijn moeder uit te kopen, maar dat deze intentie werd verlaten en dat op dat ogenblik, op aanraden van een persoonlijk adviseur, beslist werd iets te doen met het geld (sic) door het te beleggen, zonder dat W. wist om welke belegging het ging (sic), en zonder dat geschriften voorlagen met betrekking tot die belegging (sic) ("Op uw vraag moet ik U zeggen dat COENEN Marcel mij nooit verteld heeft welke belegging hij precies ging doen met mijn geld. Ik heb het echter ook nooit gevraagd. Ik weet tot op heden nog steeds niet welke belegging Marcel COENEN op het oog had. Op uw vraag moet ik U verder zeggen dat er nooit stukken zijn getekend inzake de belegging. Ik vond dit ook niet nodig. Ik bezit immers het bewijs, via mijn bank, dat ik mijn geld overgeschreven had en voor de rest vertrouwde ik volledig op Marcel COENEN, zoals reeds herhaaldelijk aangehaald. Ik hoorde niets meer van mijn investering tot ik plots een telefoontje kreeg van de politie, met de melding dat er blijkbaar problemen waren met de investering die ik gedaan had. Ik nam vervolgens contact op met Marcel COENEN en deze vertelde mij dat hij het zou proberen te regelen via een raadsman."). Een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou tot beslag zijn overgegaan en zou het beslag hebben gehandhaafd tot afsluiting van het onderzoek.

Ook de bewering dat het onderzoek te lang heeft geduurd wordt niet aangetoond, hoewel de bewijslast ligt bij W. en W. BV.

W. en W. BV bewijzen dus geen fout in hoofde van de BELGISCHE STAAT. Vermits de fout een constitutief bestanddeel is van de aansprakelijkheid, dienen, bij gebrek aan fout, de andere constitutieve bestanddelen van de aansprakelijkheid (de schade en het oorzakelijk verband tussen fout en schade) niet te worden beoordeeld.

De vordering van W. en W. BV is ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. W. en W. BV worden veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep. Gelet op het bedrag van de vordering, wordt de rechtsplegingsvergoeding bepaald op 5.000 euro. 

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten tot de kosten en begroot die in hoger beroep op 186 euro rolrechten en 5.000 euro rechtsplegingsvergoeding toekomende aan geïntimeerde.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel

• Grondwettelijk Hof, 30 juni 2014, RW 2014-2015,1573

Arrest nr. 99/2014

Onderwerp van de prejudiciële vragen

Bij vonnis van 16 januari 2013 (...) heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1. “Schendt art. 1382 BW, in die zin geïnterpreteerd dat het, om de aansprakelijkheid van de Staat in het geding te brengen wegens een fout van een magistraat in de uitoefening van zijn rechtsprekend ambt, de inachtneming oplegt van een aan die beslissing voorafgaande uitwissingsvoorwaarde en, bijgevolg, niet toepasbaar is wanneer de aansprakelijkheid van de Staat in het geding wordt gebracht wegens een fout van een magistraat in het raam van een jurisdictionele beslissing die niet vatbaar is voor beroep, art. 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 6 en 13 EVRM, in zoverre, in die zin geïnterpreteerd, het een onverantwoord verschil in het leven zou roepen tussen de personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een rechterlijke beslissing die vatbaar is voor beroep en diegenen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een rechterlijke beslissing die niet vatbaar is voor beroep?”;

2. “Schendt art. 1382 BW, in die zin geïnterpreteerd dat, om de aansprakelijkheid van de Staat in het geding te brengen wegens een fout van een magistraat in het raam van een jurisdictionele beslissing, de inachtneming oplegt van een aan die beslissing voorafgaande uitwissingsvoorwaarde, zelfs wanneer geen enkel beroep mogelijk is tegen die beslissing, art. 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 6 en 13 EVRM, in zoverre, in die zin geïnterpreteerd, het een onverantwoord onderscheid in het leven zou roepen tussen de personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een rechterlijke beslissing die vatbaar is voor beroep en diegenen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een rechterlijke beslissing die niet vatbaar is voor beroep?”.

...

In rechte

...

B.1.2. Opdat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie, vereist, in de interpretatie van de verwijzende rechter, die bepaling in beginsel dat de betwiste handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is herroepen, gewijzigd, vernietigd of ingetrokken wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Die interpretatie is gebaseerd op de ter zake relevante rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 19 december 1991, Arr.Cass. 1992, nr. 215; Cass. 8 december 1994, Arr.Cass., 1994, nr. 541; Cass. 5 juni 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 347; Cass. 27 juni 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 411; Cass. 25 maart 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 219).

Zo heeft het Hof van Cassatie geoordeeld:

“Dat in de huidige stand van de wetgeving de Staat, in de regel, op basis van art. 1382 en 1383 BW aansprakelijk kan worden verklaard voor de schade ten gevolge van een door een rechter of een ambtenaar van het openbaar ministerie begane fout, wanneer die magistraat binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden heeft gehandeld of ieder redelijk en voorzichtig mens moet aannemen dat hij binnen die grenzen heeft gehandeld; dat echter, indien die handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, de vordering tot vergoeding van de schade, in de regel, slechts ontvankelijk is als de litigieuze akte bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm en derhalve geen gezag van gewijsde meer heeft;

“Dat binnen die grenzen de aansprakelijkheid van de Staat voor de schadeverwekkende handeling van de rechterlijke macht niet strijdig is met de grondwettelijke of wettelijke bepalingen en evenmin onverenigbaar is met de beginselen van de scheiding der machten en van het gezag van het rechterlijk gewijsde; dat die aansprakelijkheid evenmin onverenigbaar is met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van de magistraten ervan, die de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de procedure van verhaal op de rechter willen beschermen, nu die onafhankelijkheid blijkbaar voldoende gewaarborgd is door de wettelijke onmogelijkheid om magistraten persoonlijk aansprakelijk te stellen buiten de gevallen waarin zij strafrechtelijk zijn veroordeeld en de gevallen waarin verhaal op de rechter mogelijk is” (Cass. 19 december 1991, voormeld).

“De fout van een magistraat waarvoor de Staat op basis van art. 1382 en 1383 BW aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.

“Wanneer de betwiste handeling, zoals te dezen, bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

“Vóór die intrekking, wijziging, vernietiging of herroeping bestaat er geen vergoedbare schade.

“Er anders over beslissen zou het gezag ondermijnen van de rechtsmiddelen en in strijd zijn met de wezenlijke regels van de rechterlijke organisatie en met de opdracht gegeven aan de hoven en rechtbanken” (Cass. 5 juni 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 349).

B.1.3. Uit de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vragen blijkt voorts dat de verplichting een voorafgaande uitwissing van de rechterlijke beslissing te verkrijgen, door de verwijzende rechter wordt geïnterpreteerd als een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de voor hem gebrachte herstelvordering, waarop in het onderhavige geval geen enkele uitzondering bestaat.

Het is in die interpretatie dat het Hof antwoordt op de prejudiciële vragen.

B.2.1. Het voor de verwijzende rechter hangende geschil heeft betrekking op een aansprakelijkheidsvordering die door de gemeente Schaarbeek tegen de Belgische Staat is gericht wegens vermeende fouten die de Raad van State zou hebben begaan bij het onderzoek van een beroep tot herziening dat door die gemeente is ingesteld tegen de beslissing van het Rechtscollege van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, dat het beroep van de vernoemde gemeente waarin werd betwist dat een gemeenteraadslid aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldeed, had verworpen.

Volgens de gemeente Schaarbeek zou de Raad van State zich er ten onrechte van hebben onthouden een toetsing met volle rechtsmacht uit te voeren, zijn beslissing niet correct hebben gemotiveerd en de termijn bedoeld in art. 9 van het KB van 15 juli 1956 “tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet” hebben geschonden.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat, volgens de verwijzende rechter, de gemeente Schaarbeek de vernietiging van het arrest van de Raad van State niet kon verkrijgen door de uitoefening van de beschikbare rechtsmiddelen.

B.2.2. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval.

B.3.1. Aan het Hof worden vragen gesteld over de verenigbaarheid van art. 1382 BW met art. 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval gelezen in samenhang met art. 6 en 13 EVRM, in zoverre die bepaling een onverantwoord verschil in behandeling zou instellen tussen, enerzijds, de slachtoffers van een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie die, tegen de in het geding zijnde rechterlijke beslissing, over daadwerkelijke rechtsmiddelen beschikken, en, anderzijds, de slachtoffers van een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie die ofwel niet beschikken over rechtsmiddelen tegen de in het geding zijnde rechterlijke beslissing (eerste prejudiciële vraag) ofwel de onregelmatigheid die, volgens hen, die beslissing nietig maakt, niet nuttig kunnen doen gelden ter staving van de rechtsmiddelen waarover zij formeel beschikken (tweede prejudiciële vraag).

B.3.2. Het arrest van de Raad van State waarvan sprake voor de verwijzende rechter kon, binnen de grenzen bepaald bij art. 158 van de Grondwet en bij art. 33 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State, het voorwerp uitmaken van een voorziening in cassatie alsook, binnen de grenzen die respectievelijk zijn vastgelegd bij art. 31 van dezelfde gecoördineerde wetten en bij art. 17 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het voorwerp uitmaken van een vordering tot herziening en intrekking.

B.3.3. Daaruit volgt dat de eerste prejudiciële vraag, in zoverre zij betrekking heeft op een vergelijking die klaarblijkelijk niet relevant is voor de oplossing van het geschil dat voor de verwijzende rechter hangende is, geen antwoord behoeft.

B.4.1. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht twee categorieën van slachtoffers van een fout begaan in het kader van de uitoefening van rechtsprekende functies te vergelijken naargelang zij al dan niet eenzelfde grief van onwettigheid nuttig kunnen aanvoeren in het kader van de rechtsmiddelen die tegen de betwiste rechterlijke beslissing openstaan. Art. 1382 BW, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter, legt de verplichting op in beide gevallen de voorafgaande uitwissing van de betwiste beslissing te verkrijgen.

Daaruit volgt dat de vergelijking in de prejudiciële vraag in werkelijkheid betrekking heeft op de verenigbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van een identieke behandeling van die beide categorieën van rechtzoekenden.

B.4.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de beschouwde maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.5.1. De beperking van de grieven die kunnen leiden tot de verbreking, de intrekking of de herziening van een arrest van de Raad van State is als zodanig niet onredelijk, zelfs indien daaruit volgt dat bepaalde onregelmatigheden, die zijn begaan naar aanleiding van die beslissing, niet kunnen leiden tot de vernietiging ervan.

Het behoort tot de logica zelf van een stelsel van rechtsmiddelen dat, wat de draagwijdte ervan betreft, rekening wordt gehouden met het bijzonder gezag van de in laatste aanleg gewezen beslissingen, die in beginsel door hogere rechtscolleges worden genomen.

B.5.2. Het Hof moet bepalen of de wetgever, door in dergelijke omstandigheden de verplichting op te leggen van de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing opdat de aansprakelijkheid van de Staat in het geding zou kunnen worden gebracht, twee categorieën van slachtoffers die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, zonder redelijke verantwoording op dezelfde wijze zou hebben behandeld.

B.6. Gelet op de aard en de gevolgen van de in het geding zijnde maatregel, bevinden de beide categorieën van personen die worden vergeleken, zich in wezenlijk verschillende situaties.

Alleen de eerste daarvan beschikt immers over een beroep dat het mogelijk maakt daadwerkelijk de vernietiging van de betwiste rechterlijke beslissing te verkrijgen. In de interpretatie van de verwijzende rechter is de voorafgaande uitwissing van die beslissing echter een noodzakelijke voorwaarde voor het in het geding brengen van de aansprakelijkheid van de Staat, zelfs wanneer de rechtsmiddelen die tegen die beslissing beschikbaar zijn, het niet mogelijk maken de uitwissing ervan wegens de aangevoerde fout te verkrijgen.

B.7.1. Uit de door het Hof van Cassatie gegeven interpretatie van art. 1382 BW blijkt dat de voorwaarde van voorafgaande uitwissing van de in het geding zijnde rechterlijke beslissing ertoe strekt de rechtszekerheid te waarborgen en de coherentie van het jurisdictionele bestel te vrijwaren.

B.7.2. Het beginsel van rechtszekerheid, dat inherent is aan de interne rechtsorde, alsook aan de rechtsorde van de Europese Unie en aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (zie het arrest nr. 125/2011 van 7 juli 2011, overweging B.5.4), verzet zich ertegen dat een geschil tot in het oneindige wordt voortgezet, zij het in andere vormen. De herstelvordering die bij de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid is ingesteld, strekt er echter, niettegenstaande de vergoedende aard ervan, noodzakelijkerwijs toe de in het geding zijnde rechterlijke beslissing of de procedure die daartoe heeft geleid, te betwisten.

B.7.3. De coherentie van het jurisdictionele bestel verzet zich er bovendien tegen dat de door een rechterlijke instantie begane onwettigheden op een andere wijze worden gesanctioneerd dan door het aanwenden van de rechtsmiddelen.

B.8.1. De coherentie van het jurisdictionele bestel en de rechtszekerheid vrijwaren zijn wettige doelstellingen.

B.8.2. In zoverre de in het geding zijnde bepaling het mogelijk maakt te beletten dat de partij die in een proces in het ongelijk wordt gesteld, de regelmatigheid van de rechterlijke beslissingen waarbij zij wordt afgewezen, in voorkomend geval tot in het oneindige, betwist, wordt daarmee de doelstelling van rechtszekerheid die men ermee wenst te verwezenlijken, op relevante wijze nagestreefd.

B.8.3. Daarentegen waarborgt de in het geding zijnde bepaling niet op voldoende relevante wijze de coherentie van het jurisdictionele bestel.

Hoewel een dergelijke doelstelling redelijkerwijs kan worden nagestreefd door het verbod dat aan de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid, is opgelegd om het bestaan van een fout in de beslissing die is aangenomen – of in de rechtspleging die is gevoerd – door een rechterlijke instantie die hiërarchisch hoger staat dan die rechter of die tot een andere rechtsorde behoort, alleen te beoordelen, dient immers te worden vastgesteld dat de aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie ontvankelijk is zodra de betwiste rechterlijke beslissing door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Het is daarentegen niet vereist dat de voor de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid aangevoerde fout de onwettigheid vormt die de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing heeft verantwoord (Cass. 27 juni 2008, voormeld).

Meer nog, er is geoordeeld dat een dergelijke aansprakelijkheidsvordering ontvankelijk is wanneer de vermeende foutieve beslissing is ingetrokken, zonder dat enig gebrek is vastgesteld dat de wettigheid ervan aantast, voor zover het slachtoffer, wegens die intrekking, “juridisch geen aantoonbaar belang meer heeft om nog te vragen dat de litigieuze beslissing zou worden opzijgeschoven” (Cass. 5 juni 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 347).

B.8.4. Niettegenstaande de inachtneming van de voorwaarde inzake de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing, is het dus niet uitgesloten dat de rechter, die uitspraak doet over de aansprakelijkheid, zich dient uit te spreken over een onregelmatigheid begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie die niet is gesanctioneerd door middel van de uitoefening van de rechtsmiddelen.

B.9.1. Uit de in overweging B.1.2 vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt bovendien dat de in het geding zijnde maatregel er ook toe strekt de inachtneming van het gezag van gewijsde te waarborgen alsook de verplichting op te leggen de beschikbare rechtsmiddelen uit te putten.

Die doelstellingen zijn legitiem. Het Hof moet er echter voorts in het bijzonder op toezien dat zij met de in het geding zijnde maatregel op relevante en evenredige wijze worden nagestreefd.

B.9.2. In dat opzicht gaat het feit in alle gevallen te eisen dat een arrest van de Raad van State uit de juridische ordening verdwenen is teneinde het mogelijk te maken dat de Staat aansprakelijk wordt gesteld, verder dan hetgeen noodzakelijk is om de verplichte eerbiediging van het beginsel van het gezag van gewijsde te waarborgen.

Wanneer, zoals in de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, de genoemde beslissing slechts een relatief gezag van gewijsde heeft, verzet de verplichte eerbiediging van dat gezag zich er in elk geval niet tegen dat een nieuw proces wordt gevoerd waarvan het voorwerp niet identiek is.

B.9.3. De handhaving van de voorwaarde van de voorafgaande uitwissing in gevallen waarin, zoals te dezen, geen enkel rechtsmiddel tegen de rechterlijke beslissing doeltreffend was, kan bovendien niet redelijk worden verantwoord door de doelstelling die erin bestaat ervoor te zorgen dat de beschikbare rechtsmiddelen worden uitgeput.

B.10. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling te dezen een relevante maatregel is teneinde de rechtszekerheid te waarborgen.

B.11. Het Hof dient derhalve nog te beoordelen of de in het geding zijnde bepaling een billijk evenwicht tot stand heeft gebracht tussen het recht van het slachtoffer om toegang te hebben tot een rechter teneinde de vergoeding van zijn schade te verkrijgen, en het vereiste van de rechtszekerheid, die de in het geding zijnde bepaling wenst te vrijwaren.

B.12. Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut. Zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat art. 6 EVRM niet is geschonden door bepalingen die het slachtoffer van een fout begaan door de organen van de Staat in zekere mate beletten de vergoeding van zijn schade te verkrijgen, ongeacht of die bepalingen materiële beperkingen van het in het geding zijnde burgerlijk recht of zelfs echte procedurele hinderpalen voor de verdediging in rechte van dat recht vormen (EHRM, Grote Kamer, 19 december 2005, Roche t/ Verenigd Koninkrijk, §§ 119 e.v.; EHRM 28 mei 1985, Ashingdane t/ Verenigd Koninkrijk, §§ 59 e.v.; EHRM, Grote Kamer, 14 december 2006, Markovic t/ Italië, §§ 92 e.v.).

B.13.1. Ten aanzien van het belang van de doelstellingen die ermee worden nagestreefd, kan ervan worden uitgegaan dat met de in het geding zijnde bepaling op algemene wijze een billijk evenwicht tussen de op het spel staande belangen tot stand is gebracht door te vereisen dat de Staat niet aansprakelijk kan worden gesteld zolang de betwiste rechterlijke beslissing niet is uitgewist door middel van de beschikbare rechtsmiddelen.

B.13.2. Wanneer, zoals te dezen, de aangevoerde fout is begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie en wanneer die fout, wegens de beperkte rechtsmiddelen, niet kan leiden tot de herroeping, de vernietiging, de wijziging of de intrekking van haar beslissing, wordt aan het slachtoffer echter tegelijkertijd het recht ontzegd om de Staat aansprakelijk te stellen en de mogelijkheid om de vermeende onregelmatigheid die door die rechtsprekende instantie zou zijn begaan aan een jurisdictionele beoordeling te onderwerpen.

Het Hof dient te bepalen of een dergelijk gevolg, dat eigen is aan de fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, evenredig is ten opzichte van de nagestreefde doelstelling.

B.14. Bij ontstentenis van elke kans om de onregelmatigheid, die zogenaamd zou zijn begaan door de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, door middel van de beschikbare rechtsmiddelen te laten sanctioneren, is het recht voor de persoon die zich door die onregelmatigheid geschaad acht om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen in een rechtsstaat van des te crucialer belang.

Het is immers precies in een dergelijk geval – wanneer er geen dienstige rechtsmiddelen bestaan aan het einde waarvan de betwiste beslissing kan worden vernietigd, hetgeen het meestal mogelijk maakt de schade van de bij die beslissing afgewezen partij ten minste grotendeels, te vermijden of te herstellen – dat het recht om een herstelvordering in te stellen – laatste redmiddel om niet de genoegdoening voor zijn aanspraak voor de rechterlijke instantie waarvan de beslissing wordt bekritiseerd, maar enkel een schadeloosstelling te verkrijgen – het meest noodzakelijk is.

B.15. Zolang de betwiste beslissing niet is uitgewist, kan het feit te beletten dat het slachtoffer van een fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie, de aansprakelijkheid van de Staat in het geding kan brengen, ten opzichte van de nagestreefde doelstelling onevenredige gevolgen met zich meebrengen.

B.16. De noodzaak een evenwicht tussen het rechtszekerheidsbeginsel, enerzijds, en het recht op toegang tot de rechter, anderzijds, te vrijwaren vereist echter dat de Staat slechts aansprakelijk kan worden gesteld indien de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie een voldoende gekwalificeerde schending begaat van de toepasselijke rechtsregels.

B.17. In dat opzicht dient erop te worden gewezen dat de onmogelijkheid om ten laste van de Staat de vergoeding te verkrijgen van een door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie begane lichtere fout zolang de in het geding zijnde beslissing niet is uitgewist, geen onevenredige aantasting van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals het is gewaarborgd bij art. 6 en 13 EVRM, met zich meebrengt.

B.18.1. Zonder dat het noodzakelijk is zich af te vragen of het voor de verwijzende rechter hangende geschil betrekking heeft op een recht, dat – wat meer is – van burgerlijke aard is, in de zin van art. 6 EVRM (zie in dat verband echter EHRM, Grote Kamer, 19 oktober 2005, Roche t/ Verenigd Koninkrijk, §§ 116 e.v.; EHRM, beslissing, 13 oktober 2009, Panjeheighalehei t/ Denemarken), volstaat het immers vast te stellen dat het door dat artikel gewaarborgde recht op toegang tot de rechter niet absoluut is en, zoals in overweging B.12 in herinnering is gebracht, impliciet aanvaarde grenzen kent.

Tot die aanvaardbare beperkingen behoren de maatregelen waarbij aan sommige slachtoffers het recht wordt ontzegd om vergoeding te verkrijgen voor de schade veroorzaakt door een fout van de overheid voor zover “een hele reeks van burgerlijke rechtsvorderingen” niet “aan de bevoegdheid van de rechtbanken” is onttrokken en voor zover “uitgebreide groepen of categorieën van personen” niet “van elke burgerrechtelijke aansprakelijkheid” zijn vrijgesteld (EHRM, Grote Kamer, 14 december 2006, voormeld, § 97).

B.18.2. De regel krachtens welke, zolang de betwiste beslissing niet is uitgewist, alleen de voldoende gekwalificeerde schending, door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, van de toepasselijke rechtsregels, het mogelijk maakt de Staat aansprakelijk te stellen wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie, beperkt zich er echter toe “de contouren te preciseren van de delictuele aansprakelijkheid” van de Staat (ibid., § 112) zonder “een onschendbaarheid, in de feiten of in de praktijk” te verankeren “wegens het vermeend absolute of algemene karakter ervan”, aangezien hij “slechts” betrekking heeft “op één aspect van de uitoefening van de bevoegdheden en plichten van de overheid en niet in die zin kan worden beschouwd dat hij tot gevolg heeft gehad een hele reeks van burgerlijke rechtsvorderingen willekeurig aan de bevoegdheid van de rechtbanken te onttrekken” (EHRM, Grote Kamer, 10 mei 2001, Z. e.a. t/ Verenigd Koninkrijk, § 98).

Ten aanzien van art. 6 EVRM beperkt die regel zich er dus toe “de omvang van de controle die een rechter kan uitoefenen op” een jurisdictionele handeling te beperken.

B.19. Wat vervolgens de inachtneming van art. 13 EVRM betreft, wijst het Hof er allereerst op dat de voor de verwijzende rechter bekritiseerde beslissing van de Raad van State betrekking heeft op een betwisting van electorale aard, die buiten het toepassingsgebied van art. 6 EVRM valt.

Zonder dat het noodzakelijk is te bepalen of een ander van de bij het EVRM of de Aanvullende Protocollen ervan gewaarborgde rechten kon zijn geschonden door de in het geding zijnde beslissing van de Raad van State, volstaat het bovendien vast te stellen dat de procedurele waarborgen ten aanzien van de toegang tot een daadwerkelijk rechtsmiddel, vervat in art. 13 EVRM, minder strikt zijn dan die welke zijn vastgelegd bij art. 6 van het Verdrag en dat ze dus in elk geval niet door de in het geding zijnde bepaling zoals geïnterpreteerd in overweging B.16 kunnen zijn geschonden (EHRM 12 januari 2010, Grieks-katholieke parochie Sâmbata Bihor t/ Roemenië, § 85; EHRM 15 juli 2003, Ernst e.a. t/ België, §§ 80-81).

B.20.1. Hoewel een lichte fout even aanzienlijke schade met zich kan meebrengen als een zware fout, dient ten aanzien van de afzonderlijk gelezen art. 10 en 11 van de Grondwet rekening te worden gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend.

Het nastreven van een billijk evenwicht tussen het rechtszekerheidsbeginsel, enerzijds, en het recht op toegang tot de rechter, anderzijds, kan aldus verantwoorden dat het recht op de volledige vergoeding van de schade veroorzaakt door een fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie slechts wordt gewaarborgd, zonder de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing te vereisen, indien de rechterlijke instantie op voldoende gekwalificeerde wijze een toepasselijke rechtsregel heeft geschonden.

B.20.2. Vereisen dat de fout begaan door de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie aantoonbaar en ernstig is, maakt het bovendien mogelijk het risico op vergissingen te verminderen bij de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid en die ermee is belast de onwettigheid van de beslissing die is genomen of van de procedure die is gevolgd door een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie alleen te beoordelen, vergissingen die zelf aanleiding zouden kunnen geven tot een opeenvolging van aansprakelijkheidsvorderingen.

B.21. Rekening houdend met de noodzaak om de waarborgen te harmoniseren die zijn toegekend door het recht van de Europese Unie, enerzijds, en door het interne recht, anderzijds, houdt het Hof rekening met de rechtspraak van het Hof van Justitie, krachtens welke de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie die op voldoende gekwalificeerde wijze een bepaling van het recht van de Europese Unie schendt die ten doel heeft aan de particulieren rechten te verlenen, de Staat aansprakelijk maakt tegenover de particulier die aantoont dat die schending hem een nadeel heeft berokkend, waarbij de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering, die door de lidstaten kunnen worden bepaald in het kader van hun procedurele autonomie, bovendien de uitoefening van een dergelijk voorrecht niet “in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk” mogen maken (zie: HvJ 30 september 2003, Köbler, C-224/01, punten 34, 47 en 53-59, en, over de grenzen van de procedurele autonomie van de lidstaten: HvJ 12 december 2013, Test Claimants in the Franked Investment Income Group Litigation, C-362/12, punten 31-32).

B.22. Het Hof van Justitie dat moest preciseren wat het verstond onder een voldoende gekwalificeerde schending van de rechtsregels van de Unie, heeft geoordeeld:

“Om te bepalen of aan die voorwaarde is voldaan, dient de nationale rechter bij wie een schadevordering aanhangig is, rekening te houden met alle elementen die de aan hem voorgelegde situatie kenmerken.

“Die elementen zijn onder meer: de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de vraag of de schending opzettelijk is begaan, de al dan niet verschoonbaarheid van de rechtsdwaling, het eventueel door een gemeenschapsinstelling ingenomen standpunt en de schending door de betrokken rechter van zijn verplichting om op grond van artikel 234, derde alinea EG, een prejudiciële vraag te stellen.

“In ieder geval is een schending van het gemeenschapsrecht voldoende gekwalificeerd, wanneer ’s Hofs rechtspraak op het gebied bij het nemen van de betrokken beslissing kennelijk is miskend (zie, in deze zin: arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 57)” (HvJ 30 september 2003, voormeld, punten 54-56; EHRM, Grote Kamer, 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo, C-173/03, punt 32).

Teneinde het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen, staat het aan de aansprakelijkheidsrechter rekening te houden met dergelijke elementen teneinde te bepalen of de door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie begane fout, buiten de toepassingssfeer van het recht van de Europese Unie, een voldoende gekwalificeerde schending vormt van de toepasselijke rechtsregels.

B.23. Daaruit volgt dat art. 1382 BW niet verenigbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie volgens welke het, zolang de in het geding zijnde rechterlijke beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, het niet mogelijk maakt de Staat aansprakelijk te stellen wegens een fout begaan in de uitoefening van haar rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, wanneer die rechterlijke instantie de toepasselijke rechtsregels op voldoende gekwalificeerde wijze heeft geschonden, terwijl die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen die beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen.

B.24. Het Hof doet echter opmerken dat de in het geding zijnde bepaling een andere interpretatie kan krijgen volgens welke het feit dat de betwiste beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd niet tot gevolg heeft te beletten dat de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid de Staat kan veroordelen wegens een fout begaan door een rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie en die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, wanneer die fout een voldoende gekwalificeerde schending vormt van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen.

B.25. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling verenigbaar met art. 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 6 en 13 EVRM.

NOOT Aloïs Van Oevelen onder dit arrest in RW 2014-2015, 1573: Dwingt het Grondwettelijk Hof het Hof van Cassatie tot een verfijning van zijn Anca-rechtspraak?

I. De feiten en de voorafgaande rechtspleging
II. De uitspraak van het Grondwettelijk Hof
III. Belang en gevolgen van het geannoteerde arrest

GwH, 23/02/2017, R.A.B.G., 2017/18, p. 1411-1429

Samenvatting

De artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek schenden niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 146 en 160 ervan, met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.

Tekst arrest

(V.G., P.R. en L.A. / Belgische Staat - Rolnr.: 29/2017)

(Advocaten: Mr. M. Denys, Mr. H. Vandenberghe, Mr. M. Verwilghen en Mr. J. Vanpraet)

In zake: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het hof van beroep te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof,

(…)

wijst na beraad het volgende arrest:

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
a. Bij arrest van 21 december 2015 in zake V.G. en P.R. tegen de Belgische Staat en anderen, in zake het Vlaams Gewest tegen V.G. en P.R., in aanwezigheid van de stedenbouwkundige inspecteur van het Vlaams Gewest en anderen en in zake V.G. en P.R. tegen de Belgische Staat en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 december 2015, heeft het hof van beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en met artikel 14, 1. van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan die de beweerde fout beging zelf de uitlegging van het foutbegrip, toegepast op haar beweerd eigen foutief handelen, decisief kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden?

2. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang, in het licht van het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, artikel 13 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 146 en 160 van de Grondwet, artikel 6, 1. van het EVRM en artikel 14, 1. van het BUPO-Verdrag en het algemene rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, doordat de beslissing van de bodemrechter aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens het rechtsprekend handelen of nalaten van het Hof van Cassatie ter beoordeling kan worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van die cassatierechter in het algemeen of op het punt van de uitlegging van de voorschriften die de aansprakelijkheidsvordering beheersen?”

b. Bij arrest van 23 december 2015 in zake L.A. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 december 2015, heeft het hof van beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en met artikel 14, 1. van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie, het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan die de beweerde fout beging zelf de uitkomst van het geding kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden?

2. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang, in het licht van het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, artikel 13 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 146 en 160 van de Grondwet, artikel 6, 1. van het EVRM en artikel 14, 1. van het BUPO-Verdrag en het algemene rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, doordat de beslissing van de bodemrechter aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens het rechtsprekend handelen of nalaten van het Hof van Cassatie ter beoordeling moet worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van die cassatierechter in het algemeen of op punten van de uitlegging van de voorschriften die de aansprakelijkheidsvordering beheersen?”

Die zaken, ingeschreven onder de nrs. 6323 en 6324 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

Memories en memories van antwoord zijn ingediend door:

- V.G. en P.R., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Denys, advocaat bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 6323);

- L.A., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Vandenberghe, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. M. Verwilghen, advocaat bij de balie te Brugge (in de zaak nr. 6324);

- de ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet, advocaat bij de balie te Brugge (in de zaken nrs. 6323 en 6324).

Bij beschikking van 16 november 2016 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen 7 dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 december 2016 en de zaken in beraad zullen worden genomen.

Ingevolge het verzoek van de partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 7 december 2016 de dag van de terechtzitting bepaald op 21 december 2016.

Op de openbare terechtzitting van 21 december 2016:

- zijn verschenen:

. Mr. M. Denys, voor V.G. en P.R.;

. Mr. J. Vanpraet, voor de ministerraad;

- hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet verslag uitgebracht;

- zijn de voornoemde advocaten gehoord;

- zijn de zaken in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen
In het eerste geschil ten gronde moet het hof van beroep te Brussel zich onder meer uitspreken over de vordering van V.G. en P.R., die de Belgische Staat aansprakelijk stellen voor schade die ze ondergingen ingevolge het beweerde foutieve handelen van het Hof van Cassatie. Bij het instellen van een cassatieberoep tegen een arrest van 14 november 2007 van het hof van beroep te Antwerpen over een bouwinbreuk, waarbij de appellanten werden veroordeeld voor het in stand houden van een aanzienlijke uitbreiding van een chalet zonder voorafgaande vergunning terwijl het perceel in natuurgebied ligt, heeft de advocaat van de appelanten op 14 februari 2008 een memorie neergelegd op de griffie van het Hof van Cassatie. Bij een arrest van 1 april 2008 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de memorie niet ontvankelijk was omdat geen melding werd gemaakt van de hoedanigheid van de ondertekenaar en heeft het het beroep verworpen. De appellanten zijn van oordeel dat zij wegens overdreven formalisme verhinderd werden om effectief toegang te krijgen tot de rechter en hun het recht op een eerlijk proces werd ontzegd. De appellanten hebben ook een verzoekschrift ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin ze een schending van artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens aanvoeren.

In het tweede geschil ten gronde moet het hof van beroep te Brussel zich onder meer uitspreken over de vordering van L.A., die de Belgische Staat aansprakelijk stelt voor schade die hij onderging ingevolge het vermeende foutieve handelen van het Hof van Cassatie. Ingevolge de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken dat de appellant het grondgebied diende te verlaten binnen 30 dagen om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, heeft de strafuitvoeringsrechtbank het verblijfsrecht van de appellant als precair bestempeld en hem de voorwaardelijke invrijheidstelling ontzegd. Tegen die beslissing heeft de appellant cassatieberoep ingesteld. Hij voerde met name aan dat de bestreden beslissing de artikelen 16 en 28 van de richtlijn nr. 2004/38/EG schond en verzocht om het Hof van Justitie van de Europese Unie hierover te bevragen. Het Hof van Cassatie heeft dat verzoek verworpen omdat het werd geformuleerd in een laattijdig processtuk. De appellant meent dat het Hof van Cassatie een fout heeft begaan door het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie zonder motivering te weigeren.

In beide gevallen dient de rechter ten gronde te onderzoeken of het Hof van Cassatie een fout kan worden verweten bij het uitoefenen van zijn rechtsprekende taak. Volgens het Hof van Cassatie kan in het geval waarin een betwiste handeling die gesteld is door een magistraat het rechtstreekse voorwerp is van de rechtsprekende functie, de Staat in de regel alleen aansprakelijk worden gesteld als die handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm. Vooraleer dat “wissen” is voltrokken, kan er volgens het Hof van Cassatie geen vergoedbare schade bestaan. In beide bodemgeschillen stelt de verwijzende rechter vast dat de appellanten aan de uitwissingsvoorwaarde niet kunnen voldoen, aangezien er in de omstandigheden van de gedingen vooralsnog geen wettelijke mogelijkheid bestaat om een rechtspleging tot intrekking of herroeping van het arrest van het Hof van Cassatie in te leiden. Uit het arrest nr. 99/2014 van het Hof leidt de verwijzende rechter evenwel af dat de ontstentenis van uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing niet belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen die beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen.

De verwijzende rechter stelt zich de vraag of het feit dat hij zelf onderworpen is aan het toezicht door het Hof van Cassatie niet problematisch is in het licht van, ten eerste, de gelijke behandeling van procespartijen die de Belgische Staat aansprakelijk stellen wegens foutief handelen van een overheidsinstantie en, ten tweede, zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De verwijzende rechter acht het dan ook aangewezen om het Hof hierover prejudiciële vragen te stellen, vooraleer hij zich uitspreekt over de ontvankelijkheid van de vordering ten laste van de Belgische Staat wegens de beweerde fout in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie.

III. In rechte
- A -
A.1. L.A., appellant in het geschil in de zaak nr. 6324, is allereerst van oordeel dat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn. De aangevoerde grondwetsbepalingen waarborgen dat de beoordeling van de burgerlijke rechten in de regel voorbehouden is aan de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Aldus behoren aansprakelijkheidsvorderingen tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken en worden dergelijke vorderingen behandeld conform de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1078 van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof is dan ook bevoegd om te oordelen over de grondwettigheid van die bepalingen in het licht van het arrest nr. 99/2014. Bovendien missen de prejudiciële vragen geen juridische grondslag en draagt het antwoord op de prejudiciële vragen bij tot een oplossing van het geschil ten gronde door een regelmatig procesverloop te verzekeren.

A.2.1. L.A. stelt vast dat wanneer een aansprakelijkheidsvordering wordt ingeleid vanwege een beweerde onzorgvuldigheid in een arrest van het Hof van Cassatie, het Hof van Cassatie bij een eventueel cassatieberoep noodzakelijkerwijze betrokken is. Ten eerste zal het Hof van Cassatie dienen te oordelen of het bestreden arrest of vonnis de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek wettig heeft toegepast op de aangevoerde feiten en derhalve wettig de aansprakelijkheid van de Belgische Staat voor een arrest van het Hof van Cassatie heeft kunnen vaststellen of ontkennen. Ten tweede dient het Hof van Cassatie de inhoud en reikwijdte van het specifieke foutbegrip in te vullen om de aansprakelijkheid te beoordelen van een uitspraak van een rechtscollege dat oordeelt in laatste aanleg, zoals geformuleerd in het arrest nr. 99/2014. Op die manier onderscheidt het Hof van Cassatie zich van de andere rechtscolleges waarvan de aansprakelijkheid wordt aangekaart. De rechtzoekende bevindt zich bijgevolg in een grondig verschillende situatie wanneer hij zich richt tot de rechter ten gronde dan wel tot het Hof van Cassatie. De positie van het Hof van Cassatie bij de behandeling van dergelijke aansprakelijkheidsvorderingen dient verder te worden omschreven. Hiervoor verwijst L.A. naar zijn overwegingen over de tweede prejudiciële vraag.

A.2.2. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag meent L.A. dat een schijn van partijdigheid van het Hof van Cassatie aanwezig kan zijn, wanneer het oordeelt over een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat wegens fouten begaan door het Hof van Cassatie. L.A. acht het aangewezen dat het Hof van Cassatie oordeelt over de aansprakelijkheidsvordering betreffende zijn eigen uitspraak in een volledig andere samenstelling dan de samenstelling die geleid heeft tot de bestreden beslissing. Dit zal evenwel niet altijd voldoende zijn om in alle situaties de schijn van partijdigheid op te vangen. Bijkomende procedurele waarborgen overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn in dat geval vereist. Aldus dient de mogelijkheid te worden geopend voor de verzoeker in cassatie om de rechtsvraag te laten beoordelen in voltallige zitting. Daarnaast zou kunnen worden voorzien dat ook het parket-generaal bij het Hof van Cassatie een dergelijk verzoek ambtshalve tot het Hof kan richten. Tevens dient erin te worden voorzien dat in dergelijke zaken het Openbaar Ministerie bij het Hof van Cassatie een verplicht voorafgaand schriftelijk gemotiveerd advies dient te geven, zodat de partijen een standpunt kunnen innemen. Via een grondwetsconforme interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen kan worden tegemoetgekomen aan de terechte bezorgdheid die in het verwijzingsarrest tot uiting werd gebracht.

A.3. V.G. en P.R., appellanten in het geschil ten gronde in de zaak nr. 6323, sluiten zich aan bij de overwegingen van L.A. Daar voegen ze aan toe dat, in tegenstelling tot wat de ministerraad beweert, de prejudiciële vragen wel degelijk ontvankelijk zijn. De artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek preciseren de concrete procedure. De prejudiciële vragen hebben dan ook betrekking op de toepassing van die bepalingen in het licht van het arrest nr. 99/2014, meer bepaald de concrete gevolgen voor de behandeling van de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering. De procedure in haar geheel beschouwend, stelt de verwijzende rechter zich terecht de vraag of de vereiste toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter is gewaarborgd. Daarenboven zijn V.G. en P.R. van mening dat het antwoord op de prejudiciële vragen ongetwijfeld kan bijdragen tot een oplossing van het geschil ten gronde door een regelmatig procesverloop te verzekeren. De verwijzende rechter haalt immers terecht aan dat er zich een ernstig probleem op het vlak van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht voordoet.

De in het geding zijnde bepalingen bieden geenszins voldoende garantie op een onafhankelijke uitspraak door een anders samengestelde kamer van het Hof van Cassatie. V.G. en P.R. menen dan ook dat een beslissing door de algemene vergadering van het Hof van Cassatie een oplossing kan bieden teneinde de noodzakelijke onafhankelijkheid in het raam van de beoordeling te kunnen waarborgen. Enkel een beslissing gedragen door de algemene vergadering lijkt in casu in overeenstemming te zijn met het recht op een eerlijk proces en met het gelijkheidsbeginsel.

A.4.1. De ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vragen onontvankelijk zijn en geen antwoord behoeven. In de eerste plaats komen de vragen in wezen neer op een kritiek op de Grondwet zelf, wat buiten de rechtsmacht van het Hof ligt. De bevoegdheid van het Hof van Cassatie om als cassatierechter op te treden in aansprakelijkheidsvorderingen tegen de Belgische Staat wegens fouten begaan door rechtsprekende organen volgt immers uit de artikelen 144, 145, 146 en 147 van de Grondwet, die handelen over de verdeling van de rechtsmacht en de bevoegdheden binnen de rechterlijke macht. De aansprakelijkheidsvordering tegen de overheid wegens fouten begaan door de rechtelijke macht betreft een geschil over burgerlijke rechten in de zin van artikel 144, eerste lid van de Grondwet, ten aanzien waarvan de grondwetgever de rechtsmacht zelf heeft toebedeeld aan de hoven en rechtbanken. De rechtsmacht waarover de organen van de rechterlijke macht beschikken om uitspraak te doen over de aansprakelijkheid van de Belgische Staat berust dus op een keuze van de grondwetgever.

A.4.2. In de tweede plaats meent de ministerraad dat de prejudiciële vragen niet bijdragen aan de oplossing van het geschil ten gronde, aangezien ze een zuiver hypothetisch karakter hebben. De prejudiciële vragen hebben immers betrekking op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van (de raadsheren van) het Hof van Cassatie, terwijl de geschillen hangende zijn voor het hof van beroep. Het is bovendien onzeker of het Hof van Cassatie zich ooit over een van die geschillen zal moeten uitspreken. Het hof van beroep is dan ook in de mogelijkheid om uitspraak te doen over de aansprakelijkheidsvordering zonder dat de prejudiciële vragen moeten worden beantwoord. Hierdoor onderscheiden de voorliggende prejudiciële vragen zich van de prejudiciële vragen die werden voorgelegd aan het Hof in zijn arrest nr. 99/2014 van 30 juni 2014. Die prejudiciële vragen hadden immers betrekking op de materiële invulling van het aansprakelijkheidscriterium van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en waren niet zuiver hypothetisch.

A.4.3. In de derde plaats stelt de ministerraad dat de tweede prejudiciële vraag juridische grondslag mist, aangezien de vraag berust op een verkeerd begrip van de rol van het Hof van Cassatie ten aanzien van de rechter ten gronde. De omstandigheid dat het Hof van Cassatie arresten kan verbreken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, ontneemt de rechter ten gronde niet zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid om zich een objectief oordeel te vormen over de zaak ten gronde. Die onafhankelijkheid wordt onder meer gewaarborgd door de artikelen 151, § 1, 152, 154 en 155 van de Grondwet, alsook door artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens. Dat een vonnis of een arrest hervormd of verbroken kan worden, is overigens inherent aan een rechtssysteem met een dubbele aanleg en een voorziening in cassatie en tast de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter niet aan. Het Hof van Cassatie treedt ook niet in de beoordeling van de zaken zelf, wat maakt dat het Hof van Cassatie het bodemarrest niet kan hervormen, doch louter toezicht houdt op de naleving van de wet.

A.4.4. In de vierde plaats vindt de ministerraad dat de opgeworpen artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek kennelijk geen betrekking hebben op het geschil ten gronde. Die bepalingen bevatten geen regels van materieel recht en hebben evenmin betrekking op de concrete ontvankelijkheids- en toelaatbaarheidsvoorwaarden van de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering. Die artikelen hebben alleen betrekking op de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, het hof van beroep en het Hof van Cassatie. Die bevoegdheidsregels vormen de concretisering van de rechtsmacht die de Grondwet toekent aan de hoven en rechtbanken om uitspraken te doen over burgerlijke rechten. Het staat evenwel buiten kijf dat de verwijzende rechter over de rechtsmacht en de bevoegdheid beschikt om zich uit te spreken omtrent een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie. De verwijzende rechter heeft in beide zaken het hoger beroep dan ook ontvankelijk verklaard. Aangezien de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op de grondwettigheid van de bevoegdheid van het hof van beroep om al dan niet uitspraak te doen over het aanhangig gemaakte geschil, zijn de prejudiciële vragen onontvankelijk in zoverre ze betrekking hebben op de artikelen 602 en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek. In zoverre ze betrekking hebben op artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 608 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de prejudiciële vragen hoe dan ook onontvankelijk aangezien die bepalingen de bevoegdheid regelen van respectievelijk de rechtbank van eerste aanleg en het Hof van Cassatie, en dus vreemd zijn aan het bodemgeschil voor het hof van beroep.

A.5.1. Ten gronde is de ministerraad van oordeel dat de prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag meent hij allereerst dat de te vergelijken categorieën van personen gelijk worden behandeld en het gelijkheidsbeginsel bijgevolg niet wordt geschonden. Het Hof van Cassatie treedt immers niet op een meer decisieve wijze in de beoordeling van de eigen beweerde fout, dan van de beweerde fout van andere rechtsprekende organen van de Staat.

A.5.2. Bovendien zijn de situaties van beide categorieën van personen niet wezenlijk verschillend, zodat geen aanleiding bestaat tot een ongelijke behandeling. Het is immers inherent aan de grondwettelijke verdeling van rechtsmacht dat organen van de rechterlijke macht uitspraak doen omtrent een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat wegens rechtsprekende handelingen, zo ook uitzonderlijk doch noodzakelijk het Hof van Cassatie. Op de grondwettelijke rechtsmachtverdeling, die inhoudt dat de hoven en de rechtbanken van de rechterlijke orde uitspraak doen over geschillen inzake burgerlijke rechten, zijn geen uitzonderingen door de Grondwet of de wet toegestaan, ook niet wanneer dat burgerlijk geschil verband houdt met de aansprakelijkheid van de Belgische Staat vanwege een jurisdictioneel optreden van het Hof van Cassatie.

Ook zijn de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de rechter en het recht op een eerlijk proces gewaarborgd wanneer het Hof van Cassatie uitspraak doet over de aansprakelijkheid van de Staat wegens rechtsprekende handelingen van het Hof van Cassatie, net zoals dat het geval is wanneer andere rechtscolleges uitspraak doen. De prejudiciële vraag vertrekt van het foute uitgangspunt dat de procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie, het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan dat de beweerde fout beging zelf in de beoordeling kan treden, terwijl dat niet het geval zou zijn voor de andere rechtsprekende organen van de Staat. Zowel de fout als de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter dienen te worden beoordeeld op het niveau van de individuele magistraat en niet op het niveau van de overkoepelende rechterlijke instantie. Met de veronderstelling dat hetzelfde orgaan in de beoordeling zal treden van een eigen beweerde fout wordt eraan voorbijgegaan dat het Hof van Cassatie niet als entiteit uitspraak doet over de toepassing en de interpretatie van de wet. Daarenboven wordt er geen rekening gehouden met de wisselende samenstelling van het Hof van Cassatie en met de omstandigheid dat het zelf ook de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter hoort te eerbiedigen. Overeenkomstig die beginselen kan een raadsheer in het Hof van Cassatie die reeds uitspraak deed in een bepaalde zaak, niet opnieuw uitspraak doen in dezelfde zaak. De nieuwe uitspraak dient dus te gebeuren door een volledig anders samengestelde zetel. Een dergelijke garantie wordt geboden door artikel 292 van het Gerechtelijk Wetboek. Anders dan de rechter ten gronde lijkt te veronderstellen, is het dus niet het orgaan dat de beweerde fout beging dat zelf de uitlegging van het foutbegrip, toegepast op zijn beweerde eigen foutieve handelen, decisief kan beïnvloeden, maar een anders samengesteld rechtscollege. Van een wezenlijk verschillende situatie van de te vergelijken categorieën is dus geen sprake.

A.5.3. Zelfs indien zou worden aangenomen dat beide categorieën zich in een wezenlijk andere positie bevinden, dan nog meent de ministerraad dat er een redelijke verantwoording bestaat voor de gelijke behandeling van de wezenlijk verschillende situaties. De gelijke behandeling is ingegeven vanuit de legitieme doelstelling om met het oog op de rechtszekerheid, de eenheid van rechtspraak en de coherentie van het jurisdictionele bestel een rechtssysteem te organiseren waarbij rechtsmiddelen worden beoordeeld door een hoger rechtscollege en uiteindelijk door een laatste rechter en waarin noodzakelijkerwijs steeds een bijzonder gezag wordt toegekend aan de in laatste aanleg gewezen beslissingen.

Het Hof van Cassatie bekleedt een unieke plaats in de rechterlijke organisatie en beschikt over een beperkte en specifieke bevoegdheid. Het mag overeenkomstig artikel 147 van de Grondwet immers niet in de beoordeling van de zaak zelf treden en doet dus geen uitspraak ten gronde. Het Hof van Cassatie doet aldus niet rechtstreeks uitspraak over de eigen eerdere uitspraak, maar doet enkel uitspraak over de vraag of de bodemrechter die eerdere uitspraak van het Hof van Cassatie al dan niet terecht als een “gekwalificeerde fout” heeft gekwalificeerd. Het Hof van Cassatie gaat enkel na of de feiten die door de rechter ten gronde worden vastgesteld en waarop hij zijn beslissing grondt, de door de rechter daaruit in rechte afgeleide gevolgtrekkingen verantwoorden.

De specifieke rol en aard van de controle van het Hof van Cassatie moet ook volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in rekening worden gebracht bij de beoordeling van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van magistraten van het Hof van Cassatie. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft reeds verscheidene malen geoordeeld dat de omstandigheid dat een magistraat van het Hof van Cassatie zitting neemt bij de behandeling van twee opeenvolgende voorzieningen in het kader van dezelfde strafzaak, niet noodzakelijk strijdig is met het beginsel van de onpartijdigheid van de rechter. Het onafhankelijkheids- en onpartijdigheidsbeginsel wordt dus niet geschonden wanneer andere magistraten van hetzelfde rechtscollege uitspraak doen over het al dan niet foutieve handelen in een zaak die eerder door dat rechtscollege werd behandeld.

Bovendien wordt de bevoegdheid van het Hof van Cassatie verder beperkt doordat het enkel moet nagaan of de bodemrechter al dan niet terecht de eerdere uitspraak als een “gekwalificeerde” fout heeft aangemerkt. Het arrest nr. 99/2014 wijst bovendien op de begrensde beoordelingsbevoegdheid van de rechter ten gronde die uitspraak moet doen over de aansprakelijkheid wegens een fout begaan door de in laatste aanleg rechtsprekende instanties. Bijgevolg wordt ook de beoordelingsbevoegdheid van het Hof van Cassatie beperkt. De eerste prejudiciële vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

A.6.1. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag is de ministerraad allereerst van oordeel dat in zoverre de prejudiciële vraag betrekking heeft op de artikelen 146 en 160 van de Grondwet, niet valt in te zien hoe die bepalingen geschonden kunnen zijn. Zij hebben immers geen betrekking op de hoven en rechtbanken en, in het bijzonder, het Hof van Cassatie. Daarnaast meent de ministerraad dat er voldoende waarborgen zijn om de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid te waarborgen en herhaalt in dit kader zijn overwegingen ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag.

A.6.2. Uit de prejudiciële vraag blijkt bovendien op geen enkele manier in welk opzicht de omstandigheid dat het Hof van Cassatie toezicht uitoefent op de rechter ten gronde de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van die rechter in het gedrang zou kunnen brengen. De onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter worden grondwettelijk gewaarborgd door artikel 151, § 1 van de Grondwet. Dat een vonnis of een arrest hervormd of verbroken kan worden, tast de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van een lagere rechter niet ipso facto aan en is inherent aan een rechtssysteem met een dubbele aanleg en een voorziening in cassatie. De omstandigheid dat de aansprakelijkheid betrekking heeft op een fout van een magistraat van het Hof van Cassatie leidt niet tot een ander besluit. Het Hof van Cassatie zal in dit geval zelf de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid respecteren en in voorkomend geval zitting houden met een wisselende zetel.

A.6.3. Indien het Hof toch zou aannemen dat eenzelfde rechter optreedt in eenzelfde zaak, merkt de ministerraad in ondergeschikte orde op dat niet elk optreden van een rechter in dezelfde zaak automatisch partijdig is. Dit is enkel het geval indien het optreden van de rechter ten gronde of van het Hof van Cassatie van die aard zou zijn dat de indruk wordt gewekt dat ze zich reeds een oordeel hadden gevormd over de bestreden beslissing. Het enkele feit dat een rechter in dezelfde zaak reeds eerder bepaalde beslissingen heeft genomen, volstaat niet om te spreken van objectieve partijdigheid. De tweede prejudiciële vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

A.7. In ondergeschikte orde merkt de ministerraad nog op dat een grondwetsconforme interpretatie van de artikelen vermeld in de prejudiciële vragen mogelijk is. De bepalingen kunnen immers zo worden gelezen dat wanneer het Hof van Cassatie een zaak behandelt waarin de aansprakelijkheid van de Belgische Staat in het geding is ten gevolge van een handeling van één of meer magistraten van het Hof van Cassatie, enkel magistraten wier handeling niet ten grondslag ligt aan de aansprakelijkheidsvordering, uitspraak kunnen doen over de zaak.

- B -
B.1. In de geschillen ten gronde moeten de verwijzende rechters zich uitspreken over een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, wegens een beweerde fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie.

In de zaak nr. 6323 wordt het Hof van Cassatie een fout verweten wegens de weigering een memorie in aanmerking te nemen die in opdracht van de advocaat van een procespartij was ondertekend door een andere advocaat, doch waarbij die laatste haar hoedanigheid van advocaat niet had vermeld. In de zaak nr. 6324 wordt het Hof van Cassatie een fout verweten wegens miskenning van het Europees Unierecht omdat het zonder motivering zou hebben geweigerd een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, doordat de memorie waarin het verzoek daartoe werd gedaan, laattijdig zou zijn ingediend.

Vooraleer de verwijzende rechters zich uitspreken over de aansprakelijkheidsvorderingen, achten zij het aangewezen het Hof prejudiciële vragen te stellen. De rechter in de zaak nr. 6324 stelt in dezelfde verwijzingsbeslissing ook drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

B.2.1. Met betrekking tot de mogelijke aansprakelijkheid van de Staat voor een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie verwijzen de rechters ten gronde naar het arrest nr. 99/2014 van 30 juni 2014.

B.2.2. Bij dat arrest oordeelde het Hof:

“Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, zelfs al bestaat die fout in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en zelfs al maakt die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk de vernietiging ervan te verkrijgen.

Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij niet belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen.”

B.2.3. Volgens de verwijzende rechters kan er, gelet op het voormelde arrest, geen twijfel over bestaan dat een vordering zoals die welke door de partijen in de geschillen ten gronde werd ingesteld, in beginsel zou kunnen leiden tot een vaststelling van de aansprakelijkheid van de Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek voor een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie.

Niettemin rijzen volgens de verwijzende rechters vragen in het licht van het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, wanneer procespartijen die een dergelijke aansprakelijkheidsvordering instellen, worden geconfronteerd met het gegeven dat, wanneer tegen de beslissing van de burgerlijke rechter een voorziening in cassatie wordt ingesteld, het Hof van Cassatie zelf een beslissende invloed zou kunnen hebben in de beoordeling van zijn beweerde eigen foutieve handelen.

B.3.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek.

B.3.2. De artikelen 568, 602 en 608, vervat in het Derde Deel (“Bevoegdheid”) van het Gerechtelijk Wetboek bepalen:

“Art. 568. De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen.

Indien de verweerder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg betwist, kan de eiser, vóór de sluiting van de debatten, de verwijzing vorderen van de zaak naar de arrondissementsrechtbank, die uitspraak doet zoals bepaald is in de artikelen 641 en 642.

Wanneer de verweerder de rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg afwijst, ingevolge de toewijzing van het geschil aan scheidsrechters, geeft de rechtbank de zaak uit handen, zo daartoe grond bestaat.”

“Art. 602. Het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep:

1° tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen door de rechtbanken van eerste aanleg en door de rechtbanken van koophandel;

2° tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en door de voorzitter van de rechtbank van koophandel;

3° tegen beslissingen van het prijsgerecht;

4° tegen beslissingen gegeven door Belgische consuls in het buitenland;

5° tegen beslissingen inzake verkiezingen gegeven door het college van burgemeester en schepenen en door de hoofdbureaus.

In de gevallen van 3° en 4° is alleen het hof van beroep te Brussel bevoegd.”

“Art. 608. Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het Hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.”

B.3.3. De artikelen 1050 en 1073, vervat in het Boek III (“Rechtsmiddelen”) van het Vierde Deel (“Burgerlijke rechtspleging”) van het Gerechtelijk Wetboek, bepalen:

“Art. 1050. In alle zaken kan hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een verstekvonnis.

Tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te doen kan slechts hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.”

“Art. 1073. Behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, is de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.

Indien de eiser geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft in België, wordt de in het eerste lid bepaalde termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.

De termijn wordt met drie maanden verlengd ten behoeve van hen die zich, voor een openbare dienst niet op Belgisch grondgebied en buiten Europa bevinden, en ten behoeve van de zeelieden die afwezig zijn wegens scheepsdienst.”

Ten aanzien van de excepties
B.4.1. Volgens de ministerraad is het Hof niet bevoegd om de prejudiciële vragen te beantwoorden aangezien het aldus zou worden gevraagd te oordelen over de verdeling van de bevoegdheden binnen de rechterlijke macht, zoals die is vastgelegd in de artikelen 144, 145, 146 en 147 van de Grondwet.

Voorts voert de ministerraad aan dat de in het geding zijnde bepalingen kennelijk geen betrekking hebben op de geschillen ten gronde. Die bepalingen zouden slechts op algemene wijze de bevoegdheid omschrijven van de rechtbank van eerste aanleg, van het hof van beroep en van het Hof van Cassatie. Ze zouden geen betrekking hebben op de concrete ontvankelijkheids- en toelaatbaarheidsvoorwaarden van de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering.

B.4.2. De artikelen 144 en 145 van de Grondwet regelen de bevoegdheidsverdeling tussen de hoven en rechtbanken en de administratieve rechtscolleges. Artikel 146 van de Grondwet vereist dat alle rechtsprekende organen worden ingesteld krachtens een wet en verbiedt de oprichting van buitengewone rechtbanken of commissies. Artikel 147 van de Grondwet bepaalt dat het Hof van Cassatie niet in beoordeling van de zaken zelf treedt.

B.4.3. Volgens artikel 144 van de Grondwet behoren de geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de keuze van de grondwetgever om dergelijke geschillen aan de burgerlijke rechter voor te behouden, of over een verschil in behandeling of een beperking van een grondrecht voortvloeiende uit die keuze. Het Hof kan zich evenmin uitspreken over de bevoegdheid van het Hof van Cassatie zoals omschreven in artikel 147 van de Grondwet.

B.4.4. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt evenwel dat de rechters ten gronde beogen het Hof te ondervragen over de in de prejudiciële vragen vermelde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre zij op algemene wijze de bevoegdheid van de betrokken rechtscolleges bepalen, zonder daarbij in specifieke regels te voorzien voor het geval waarin ze kennis dienen te nemen van een vordering tegen de Belgische Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, wegens een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van de rechtsprekende functie. Hieruit vloeit voort dat het Hof niet wordt ondervraagd over grondwetsbepalingen, noch over keuzes van de grondwetgever die de in het geding zijnde bepalingen zouden weergeven, zodat het Hof bevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden.

B.5.1. Voorts voert de ministerraad aan dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven omdat zij een zuiver hypothetisch karakter zouden hebben. De zaken ten gronde zijn nog hangende voor het hof van beroep, zodat niet zou vaststaan dat een cassatieberoep zal worden ingesteld. Bijgevolg zou het antwoord op de vragen niet nuttig zijn voor de oplossing van de geschillen ten gronde.

B.5.2. Het staat in de regel aan het rechtscollege dat een prejudiciële vraag aan het Hof stelt, om te oordelen of het antwoord op die vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil dat het moet beslechten. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.5.3. De verwijzende rechters wensen van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepalingen, die het verloop van de rechtsgang van de hangende aansprakelijkheidsvorderingen bepalen, bestaanbaar zijn met de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen, in het licht van het voormelde arrest nr. 99/2014. Zij kunnen ervan uitgaan dat hierbij rekening moet worden gehouden met het verloop van de gehele rechtsgang, en inzonderheid met de rol van het Hof van Cassatie daarin (zie EHRM 16 januari 2007, Warsicka / Polen, § 34). Wanneer een aansprakelijkheidsvordering wordt ingesteld voor de burgerlijke rechtscolleges, is de voorziening in cassatie één van de rechtsmiddelen die de rechtzoekenden kunnen aanwenden teneinde hun rechten uit te putten. Bijgevolg kan niet worden besloten dat de antwoorden op de prejudiciële vragen klaarblijkelijk niet nuttig zijn voor de oplossing van de geschillen ten gronde.

B.6. De excepties worden verworpen.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag
B.7. In beide zaken wensen de verwijzende rechters van het Hof te vernemen of de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, 1. van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechterlijke beslissing van het Hof van Cassatie, het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan dat de beweerde fout beging zelf de uitlegging van het foutbegrip, toegepast op het beweerde eigen foutieve handelen, op beslissende wijze kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden.

B.8.1. Zoals is vermeld in B.2. zijn de prejudiciële vragen gerezen ingevolge het arrest nr. 99/2014 van het Hof. Volgens het arrest “(kan) de Staat aansprakelijk (…) worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen”.

B.8.2. Op die manier wordt rekening gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend. Een billijk evenwicht wordt zo gewaarborgd tussen het recht om toegang te hebben tot een rechter teneinde de vergoeding van zijn schade te verkrijgen en de rechtszekerheid (arrest nr. 99/2014, B.20.1.).

B.8.3. Tegen de beslissing van een burgerlijke rechter over de aansprakelijkheid van de Staat voor een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie kan een voorziening in cassatie worden ingesteld. Aldus bestaat de mogelijkheid dat het Hof van Cassatie zich moet uitspreken over een beslissing van de burgerlijke rechtscolleges betreffende de aansprakelijkheid van de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie zelf.

B.8.4. Om de prejudiciële vragen te beantwoorden, moet het Hof nagaan of de rechtsgang waarin het Hof van Cassatie een dergelijke beslissing kan nemen, bestaanbaar is met het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege.

B.9.1. Het is van fundamenteel belang in een democratische rechtsstaat dat de hoven en rechtbanken het vertrouwen genieten van de rechtsonderhorigen en van de procespartijen in het bijzonder (EHRM (gr. k.), 6 mei 2003, Kleyn e.a. / Nederland, § 191; 9 november 2006, Sacilor Lormines / Frankrijk, § 60). Daartoe vereist artikel 6, 1. van het Europees verdrag voor de rechten van de mens dat de rechtscolleges waarop die bepaling van toepassing is, onpartijdig zijn.

Die onpartijdigheid dient op twee manieren te worden onderzocht. De subjectieve onpartijdigheid, die wordt vermoed tot het bewijs van het tegendeel, vereist dat de rechter in een zaak waarover hij dient te oordelen, niet vooringenomen is, noch vooroordelen heeft, en dat hij geen belang heeft bij de uitkomst ervan. De objectieve onpartijdigheid vereist dat er voldoende waarborgen zijn om ook een gerechtvaardigde vrees op die punten uit te sluiten (EHRM (gr. k.), 6 mei 2003, Kleyn e.a. / Nederland, § 191; (gr. k.), 15 oktober 2009, Micallef / Malta, § 93-97; (gr. k.), 23 april 2015, Morice / Frankrijk, § 73-78).

B.9.2. Wat de objectieve onpartijdigheid betreft, moet worden nagegaan of er, los van het gedrag van de rechters, aantoonbare feiten bestaan die twijfel doen ontstaan omtrent die onpartijdigheid. Een schending van het beginsel van onpartijdigheid veronderstelt geenszins het bewijs van partijdigheid; een schijn van partijdigheid kan volstaan (EHRM (gr. k.), 6 mei 2003, Kleyn e.a. / Nederland, § 191; (gr. k.), 15 oktober 2009, Micallef / Malta, § 98; (gr. k.), 23 april 2015, Morice / Frankrijk, § 78).

Het beginsel van onpartijdigheid kan worden geschonden wanneer aan een rechter een zaak ter beoordeling wordt voorgelegd waarvan hij reeds eerder in een andere hoedanigheid kennis heeft genomen. Evenwel is niet elk voorafgaand optreden van de rechter van die aard dat bij de rechtzoekende een gerechtvaardigde vrees van partijdigheid wordt opgewekt. Opdat het beginsel van onpartijdigheid kan zijn geschonden, moet dat optreden van de rechter van die aard zijn dat het de indruk kan wekken dat hij zich reeds een oordeel over de grond van de zaak heeft gevormd.

B.10.1. Wanneer het zich uitspreekt over de kwalificatie door de burgerlijke rechter van de betwiste handeling als een “voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels”, dient het Hof van Cassatie rekening te houden met de criteria uiteengezet in het arrest nr. 99/2014 van het Hof:

“B.20.1. Hoewel een lichte fout even aanzienlijke schade met zich kan meebrengen als een zware fout, dient ten aanzien van de afzonderlijk gelezen artikelen 10 en 11 van de Grondwet rekening te worden gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend.

Het nastreven van een billijk evenwicht tussen het rechtszekerheidsbeginsel, enerzijds, en het recht op toegang tot de rechter, anderzijds, kan aldus verantwoorden dat het recht op de volledige vergoeding van de schade veroorzaakt door een fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie slechts wordt gewaarborgd, zonder de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing te vereisen, indien de rechterlijke instantie op voldoende gekwalificeerde wijze een toepasselijke rechtsregel heeft geschonden.

B.20.2. Vereisen dat de fout begaan door de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, aantoonbaar en ernstig is, maakt het bovendien mogelijk het risico op vergissingen te verminderen bij de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid en die ermee is belast de onwettigheid van de beslissing die is genomen, of van de procedure die is gevolgd door een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie alleen te beoordelen, vergissingen die zelf aanleiding zouden kunnen geven tot een opeenvolging van aansprakelijkheidsvorderingen.

B.21. Rekening houdend met de noodzaak om de waarborgen die zijn toegekend door het recht van de Europese Unie, enerzijds, en door het intern recht, anderzijds, te harmoniseren, houdt het Hof rekening met de rechtspraak van het Hof van Justitie, krachtens welke de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie die een bepaling van het recht van de Europese Unie op voldoende gekwalificeerde wijze schendt die ten doel heeft aan de particulieren rechten te verlenen, de Staat aansprakelijk maakt tegenover de particulier die aantoont dat die schending hem een nadeel heeft berokkend, waarbij de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering, die door de lidstaten kunnen worden bepaald in het kader van hun procedurele autonomie, bovendien de uitoefening van een dergelijk voorrecht niet 'in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk' mogen maken (zie HvJ 30 september 2003, C-224/01, Köbler, punten 34, 47 en 53-59, en, over de grenzen van de procedurele autonomie van de lidstaten, HvJ 12 december 2013, C-362/12, Test Claimants in the Franked Investment Income Group Litigation, punten 31-32).

B.22. Het Hof van Justitie dat moest preciseren wat het verstond onder een voldoende gekwalificeerde schending van de rechtsregels van de Unie, heeft geoordeeld:

'Om te bepalen of aan die voorwaarde is voldaan, dient de nationale rechter bij wie een schadevordering aanhangig is, rekening te houden met alle elementen die de aan hem voorgelegde situatie kenmerken.

Die elementen zijn onder meer: de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de vraag of de schending opzettelijk is begaan, de al dan niet verschoonbaarheid van de rechtsdwaling, het eventueel door een gemeenschapsinstelling ingenomen standpunt en de schending door de betrokken rechter van zijn verplichting om op grond van artikel 234, derde alinea, EG, een prejudiciële vraag te stellen.

In ieder geval is een schending van het Gemeenschapsrecht voldoende gekwalificeerd, wanneer 's Hofs rechtspraak op het gebied bij het nemen van de betrokken beslissing kennelijk is miskend (zie, in deze zin, arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 57)' (HvJ 30 september 2003 voormeld, punten 54-56; (gr. k.), 13 juni 2006, C-173/03, Traghetti del Mediterraneo, punt 32).

Teneinde het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen, staat het aan de aansprakelijkheidsrechter rekening te houden met dergelijke elementen teneinde te bepalen of de door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie gemaakte fout, buiten de toepassingssfeer van het recht van de Europese Unie, een voldoende gekwalificeerde schending vormt van de toepasselijke rechtsregels.”

B.10.2. Wanneer het Europees Unierecht in het geding is, dient het Hof van Cassatie na te gaan of het aangewezen is om in voorkomend geval een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, in het bijzonder over de kwestie of een betwiste handeling het Unierecht op voldoende gekwalificeerde wijze heeft geschonden. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is “een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden [...] een vraag van Unierecht die voor haar rijst, te verwijzen, tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan” (HvJ 6 oktober 1982, C-283/81, Cilfit e.a., punt 21; HvJ (gr. k.), 18 oktober 2011, C-128/09, Boxus, punt 31).

B.10.3. Ten slotte dient het Hof van Cassatie, wanneer voldaan is aan de vereisten gesteld in artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, in voorkomend geval een prejudiciële vraag te stellen aan dat Hof, alvorens uitspraak te doen.

B.11. Wanneer het Hof van Cassatie zich uitspreekt over de wettigheid van een beslissing van een burgerlijke rechter betreffende de aansprakelijkheid van de Staat wegens een beweerde fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door die rechterlijke instantie zelf, kan evenwel twijfel ontstaan over zijn objectieve onpartijdigheid ingevolge de wijze waarop het Hof is samengesteld.

B.12.1. Het zou niet verenigbaar zijn met het recht op een onpartijdige rechter dat raadsheren die hebben deelgenomen aan de totstandkoming van een beslissing die aan de oorsprong ligt van een aansprakelijkheidsvordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, zich zouden uitspreken over de wettigheid van de beslissing van de rechter ten gronde over die vordering. In het bijzonder zouden die raadsheren zich mogelijk dienen uit te spreken over de vraag of de burgerlijke rechter hun eigen betwiste handeling al dan niet terecht als een “voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels” heeft gekwalificeerd (zie EHRM 29 juli 2004, San Leonard Band Club / Malta, § 61-64; 1 februari 2005, Indra / Slowakije, § 51-53; 24 juli 2012, Toziczka / Polen, § 40-44).

B.12.2. Raadsheren van het Hof van Cassatie kunnen worden gewraakt wegens wettige verdenking (art. 828, 1° Ger.W.). Iedere rechter die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden (art. 831 van hetzelfde wetboek; EHRM (gr. k.), 23 april 2015, Morice / Frankrijk, § 78). Dit laatste is het geval wanneer een raadsheer in het Hof van Cassatie uitspraak moet doen over een beslissing van de burgerlijke rechter waarbij deze uitspraak doet over een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek waarbij de aansprakelijkheid van de Staat betreffende een rechtsprekende handeling van het voormelde rechtscollege in het geding is en waarbij die raadsheer deel uitmaakte van de zetel die dat arrest had gewezen.

B.12.3. Overigens is het Hof van Cassatie, zoals ieder rechtscollege, ertoe gehouden het algemene rechtsbeginsel van de subjectieve en objectieve onpartijdigheid van de rechter te eerbiedigen. Dat beginsel impliceert bijgevolg dat het Hof van Cassatie de nodige maatregelen neemt die moeten verhinderen dat de raadsheren wier betwiste rechtsprekende handeling aan de oorsprong ligt van een aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat, zich zouden uitspreken over de beslissing van de burgerlijke rechter over die vordering.

B.12.4. Volgens artikel 133 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de 1ste kamer van het Hof van Cassatie kennis van de voorzieningen in burgerlijke zaken. De eerste voorzitter kan evenwel de zaak naar een andere kamer verwijzen wanneer de behoeften van de dienst dat rechtvaardigen. Aldus kan de onpartijdige samenstelling van het Hof worden gewaarborgd. Het reglement houdende de dienstregeling van het Hof, vastgesteld door de eerste voorzitter, bepaalt het aantal raadsheren aan elke kamer verbonden (art. 132 Ger.W.). De dienst der terechtzittingen wordt onder de raadsheren verdeeld door de kamervoorzitter (art. 317 van hetzelfde wetboek).

B.13. Rekening houdend met het bovenstaande doen de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek geen discriminatie ontstaan tussen procespartijen naargelang de aansprakelijkheid van de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie, dan wel wegens een fout begaan door een ander orgaan van de Staat in het geding is.

B.14. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag
B.15.1. Met de tweede prejudiciële vraag wensen de verwijzende rechters te vernemen of de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar zijn met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 146 en 160 ervan, met artikel 6, 1. van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, 1. van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemene rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, in zoverre de beslissing van de rechter ten gronde aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie ter beoordeling kan worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van het Hof van Cassatie.

B.15.2. Met de ministerraad dient te worden opgemerkt dat het Hof te dezen wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de bevoegdheden van de gewone hoven en rechtbanken, zodat niet valt in te zien in welk opzicht de artikelen 146 en 160 van de Grondwet zouden kunnen zijn geschonden.

B.16.1. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vorderen van een in laatste aanleg gewezen beslissing. Dat een vonnis of een arrest kan worden vernietigd, is inherent aan een rechtssysteem met een voorziening in cassatie en brengt de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter ten gronde niet in het geding.

B.16.2. Voor het overige wordt geen afbreuk gedaan aan de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen en beginselen om de redenen die zijn aangegeven in antwoord op de eerste prejudiciële vraag.

B.17. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht:

De artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek schenden niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 146 en 160 ervan, met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, 1. van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.

(…)

GwH, 23/02/2017, R.A.B.G., 2017/18, p. 1411-1429

Samenvatting

De artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek schenden niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 146 en 160 ervan, met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.

Tekst arrest

(V.G., P.R. en L.A. / Belgische Staat - Rolnr.: 29/2017)

(Advocaten: Mr. M. Denys, Mr. H. Vandenberghe, Mr. M. Verwilghen en Mr. J. Vanpraet)

In zake: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het hof van beroep te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof,

(…)

wijst na beraad het volgende arrest:

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
a. Bij arrest van 21 december 2015 in zake V.G. en P.R. tegen de Belgische Staat en anderen, in zake het Vlaams Gewest tegen V.G. en P.R., in aanwezigheid van de stedenbouwkundige inspecteur van het Vlaams Gewest en anderen en in zake V.G. en P.R. tegen de Belgische Staat en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 december 2015, heeft het hof van beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en met artikel 14, 1. van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan die de beweerde fout beging zelf de uitlegging van het foutbegrip, toegepast op haar beweerd eigen foutief handelen, decisief kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden?

2. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang, in het licht van het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, artikel 13 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 146 en 160 van de Grondwet, artikel 6, 1. van het EVRM en artikel 14, 1. van het BUPO-Verdrag en het algemene rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, doordat de beslissing van de bodemrechter aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens het rechtsprekend handelen of nalaten van het Hof van Cassatie ter beoordeling kan worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van die cassatierechter in het algemeen of op het punt van de uitlegging van de voorschriften die de aansprakelijkheidsvordering beheersen?”

b. Bij arrest van 23 december 2015 in zake L.A. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 december 2015, heeft het hof van beroep te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en met artikel 14, 1. van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie, het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan die de beweerde fout beging zelf de uitkomst van het geding kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden?

2. Schenden de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 uit het Gerechtelijk Wetboek in hun samenhang, in het licht van het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, artikel 13 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 146 en 160 van de Grondwet, artikel 6, 1. van het EVRM en artikel 14, 1. van het BUPO-Verdrag en het algemene rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, doordat de beslissing van de bodemrechter aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens het rechtsprekend handelen of nalaten van het Hof van Cassatie ter beoordeling moet worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van die cassatierechter in het algemeen of op punten van de uitlegging van de voorschriften die de aansprakelijkheidsvordering beheersen?”

Die zaken, ingeschreven onder de nrs. 6323 en 6324 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

Memories en memories van antwoord zijn ingediend door:

- V.G. en P.R., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Denys, advocaat bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 6323);

- L.A., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Vandenberghe, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. M. Verwilghen, advocaat bij de balie te Brugge (in de zaak nr. 6324);

- de ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet, advocaat bij de balie te Brugge (in de zaken nrs. 6323 en 6324).

Bij beschikking van 16 november 2016 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen 7 dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 december 2016 en de zaken in beraad zullen worden genomen.

Ingevolge het verzoek van de partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 7 december 2016 de dag van de terechtzitting bepaald op 21 december 2016.

Op de openbare terechtzitting van 21 december 2016:

- zijn verschenen:

. Mr. M. Denys, voor V.G. en P.R.;

. Mr. J. Vanpraet, voor de ministerraad;

- hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet verslag uitgebracht;

- zijn de voornoemde advocaten gehoord;

- zijn de zaken in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen
In het eerste geschil ten gronde moet het hof van beroep te Brussel zich onder meer uitspreken over de vordering van V.G. en P.R., die de Belgische Staat aansprakelijk stellen voor schade die ze ondergingen ingevolge het beweerde foutieve handelen van het Hof van Cassatie. Bij het instellen van een cassatieberoep tegen een arrest van 14 november 2007 van het hof van beroep te Antwerpen over een bouwinbreuk, waarbij de appellanten werden veroordeeld voor het in stand houden van een aanzienlijke uitbreiding van een chalet zonder voorafgaande vergunning terwijl het perceel in natuurgebied ligt, heeft de advocaat van de appelanten op 14 februari 2008 een memorie neergelegd op de griffie van het Hof van Cassatie. Bij een arrest van 1 april 2008 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de memorie niet ontvankelijk was omdat geen melding werd gemaakt van de hoedanigheid van de ondertekenaar en heeft het het beroep verworpen. De appellanten zijn van oordeel dat zij wegens overdreven formalisme verhinderd werden om effectief toegang te krijgen tot de rechter en hun het recht op een eerlijk proces werd ontzegd. De appellanten hebben ook een verzoekschrift ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin ze een schending van artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens aanvoeren.

In het tweede geschil ten gronde moet het hof van beroep te Brussel zich onder meer uitspreken over de vordering van L.A., die de Belgische Staat aansprakelijk stelt voor schade die hij onderging ingevolge het vermeende foutieve handelen van het Hof van Cassatie. Ingevolge de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken dat de appellant het grondgebied diende te verlaten binnen 30 dagen om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, heeft de strafuitvoeringsrechtbank het verblijfsrecht van de appellant als precair bestempeld en hem de voorwaardelijke invrijheidstelling ontzegd. Tegen die beslissing heeft de appellant cassatieberoep ingesteld. Hij voerde met name aan dat de bestreden beslissing de artikelen 16 en 28 van de richtlijn nr. 2004/38/EG schond en verzocht om het Hof van Justitie van de Europese Unie hierover te bevragen. Het Hof van Cassatie heeft dat verzoek verworpen omdat het werd geformuleerd in een laattijdig processtuk. De appellant meent dat het Hof van Cassatie een fout heeft begaan door het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie zonder motivering te weigeren.

In beide gevallen dient de rechter ten gronde te onderzoeken of het Hof van Cassatie een fout kan worden verweten bij het uitoefenen van zijn rechtsprekende taak. Volgens het Hof van Cassatie kan in het geval waarin een betwiste handeling die gesteld is door een magistraat het rechtstreekse voorwerp is van de rechtsprekende functie, de Staat in de regel alleen aansprakelijk worden gesteld als die handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm. Vooraleer dat “wissen” is voltrokken, kan er volgens het Hof van Cassatie geen vergoedbare schade bestaan. In beide bodemgeschillen stelt de verwijzende rechter vast dat de appellanten aan de uitwissingsvoorwaarde niet kunnen voldoen, aangezien er in de omstandigheden van de gedingen vooralsnog geen wettelijke mogelijkheid bestaat om een rechtspleging tot intrekking of herroeping van het arrest van het Hof van Cassatie in te leiden. Uit het arrest nr. 99/2014 van het Hof leidt de verwijzende rechter evenwel af dat de ontstentenis van uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing niet belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen die beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen.

De verwijzende rechter stelt zich de vraag of het feit dat hij zelf onderworpen is aan het toezicht door het Hof van Cassatie niet problematisch is in het licht van, ten eerste, de gelijke behandeling van procespartijen die de Belgische Staat aansprakelijk stellen wegens foutief handelen van een overheidsinstantie en, ten tweede, zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De verwijzende rechter acht het dan ook aangewezen om het Hof hierover prejudiciële vragen te stellen, vooraleer hij zich uitspreekt over de ontvankelijkheid van de vordering ten laste van de Belgische Staat wegens de beweerde fout in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie.

III. In rechte
- A -
A.1. L.A., appellant in het geschil in de zaak nr. 6324, is allereerst van oordeel dat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn. De aangevoerde grondwetsbepalingen waarborgen dat de beoordeling van de burgerlijke rechten in de regel voorbehouden is aan de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Aldus behoren aansprakelijkheidsvorderingen tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken en worden dergelijke vorderingen behandeld conform de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1078 van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof is dan ook bevoegd om te oordelen over de grondwettigheid van die bepalingen in het licht van het arrest nr. 99/2014. Bovendien missen de prejudiciële vragen geen juridische grondslag en draagt het antwoord op de prejudiciële vragen bij tot een oplossing van het geschil ten gronde door een regelmatig procesverloop te verzekeren.

A.2.1. L.A. stelt vast dat wanneer een aansprakelijkheidsvordering wordt ingeleid vanwege een beweerde onzorgvuldigheid in een arrest van het Hof van Cassatie, het Hof van Cassatie bij een eventueel cassatieberoep noodzakelijkerwijze betrokken is. Ten eerste zal het Hof van Cassatie dienen te oordelen of het bestreden arrest of vonnis de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek wettig heeft toegepast op de aangevoerde feiten en derhalve wettig de aansprakelijkheid van de Belgische Staat voor een arrest van het Hof van Cassatie heeft kunnen vaststellen of ontkennen. Ten tweede dient het Hof van Cassatie de inhoud en reikwijdte van het specifieke foutbegrip in te vullen om de aansprakelijkheid te beoordelen van een uitspraak van een rechtscollege dat oordeelt in laatste aanleg, zoals geformuleerd in het arrest nr. 99/2014. Op die manier onderscheidt het Hof van Cassatie zich van de andere rechtscolleges waarvan de aansprakelijkheid wordt aangekaart. De rechtzoekende bevindt zich bijgevolg in een grondig verschillende situatie wanneer hij zich richt tot de rechter ten gronde dan wel tot het Hof van Cassatie. De positie van het Hof van Cassatie bij de behandeling van dergelijke aansprakelijkheidsvorderingen dient verder te worden omschreven. Hiervoor verwijst L.A. naar zijn overwegingen over de tweede prejudiciële vraag.

A.2.2. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag meent L.A. dat een schijn van partijdigheid van het Hof van Cassatie aanwezig kan zijn, wanneer het oordeelt over een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat wegens fouten begaan door het Hof van Cassatie. L.A. acht het aangewezen dat het Hof van Cassatie oordeelt over de aansprakelijkheidsvordering betreffende zijn eigen uitspraak in een volledig andere samenstelling dan de samenstelling die geleid heeft tot de bestreden beslissing. Dit zal evenwel niet altijd voldoende zijn om in alle situaties de schijn van partijdigheid op te vangen. Bijkomende procedurele waarborgen overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn in dat geval vereist. Aldus dient de mogelijkheid te worden geopend voor de verzoeker in cassatie om de rechtsvraag te laten beoordelen in voltallige zitting. Daarnaast zou kunnen worden voorzien dat ook het parket-generaal bij het Hof van Cassatie een dergelijk verzoek ambtshalve tot het Hof kan richten. Tevens dient erin te worden voorzien dat in dergelijke zaken het Openbaar Ministerie bij het Hof van Cassatie een verplicht voorafgaand schriftelijk gemotiveerd advies dient te geven, zodat de partijen een standpunt kunnen innemen. Via een grondwetsconforme interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen kan worden tegemoetgekomen aan de terechte bezorgdheid die in het verwijzingsarrest tot uiting werd gebracht.

A.3. V.G. en P.R., appellanten in het geschil ten gronde in de zaak nr. 6323, sluiten zich aan bij de overwegingen van L.A. Daar voegen ze aan toe dat, in tegenstelling tot wat de ministerraad beweert, de prejudiciële vragen wel degelijk ontvankelijk zijn. De artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek preciseren de concrete procedure. De prejudiciële vragen hebben dan ook betrekking op de toepassing van die bepalingen in het licht van het arrest nr. 99/2014, meer bepaald de concrete gevolgen voor de behandeling van de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering. De procedure in haar geheel beschouwend, stelt de verwijzende rechter zich terecht de vraag of de vereiste toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter is gewaarborgd. Daarenboven zijn V.G. en P.R. van mening dat het antwoord op de prejudiciële vragen ongetwijfeld kan bijdragen tot een oplossing van het geschil ten gronde door een regelmatig procesverloop te verzekeren. De verwijzende rechter haalt immers terecht aan dat er zich een ernstig probleem op het vlak van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht voordoet.

De in het geding zijnde bepalingen bieden geenszins voldoende garantie op een onafhankelijke uitspraak door een anders samengestelde kamer van het Hof van Cassatie. V.G. en P.R. menen dan ook dat een beslissing door de algemene vergadering van het Hof van Cassatie een oplossing kan bieden teneinde de noodzakelijke onafhankelijkheid in het raam van de beoordeling te kunnen waarborgen. Enkel een beslissing gedragen door de algemene vergadering lijkt in casu in overeenstemming te zijn met het recht op een eerlijk proces en met het gelijkheidsbeginsel.

A.4.1. De ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vragen onontvankelijk zijn en geen antwoord behoeven. In de eerste plaats komen de vragen in wezen neer op een kritiek op de Grondwet zelf, wat buiten de rechtsmacht van het Hof ligt. De bevoegdheid van het Hof van Cassatie om als cassatierechter op te treden in aansprakelijkheidsvorderingen tegen de Belgische Staat wegens fouten begaan door rechtsprekende organen volgt immers uit de artikelen 144, 145, 146 en 147 van de Grondwet, die handelen over de verdeling van de rechtsmacht en de bevoegdheden binnen de rechterlijke macht. De aansprakelijkheidsvordering tegen de overheid wegens fouten begaan door de rechtelijke macht betreft een geschil over burgerlijke rechten in de zin van artikel 144, eerste lid van de Grondwet, ten aanzien waarvan de grondwetgever de rechtsmacht zelf heeft toebedeeld aan de hoven en rechtbanken. De rechtsmacht waarover de organen van de rechterlijke macht beschikken om uitspraak te doen over de aansprakelijkheid van de Belgische Staat berust dus op een keuze van de grondwetgever.

A.4.2. In de tweede plaats meent de ministerraad dat de prejudiciële vragen niet bijdragen aan de oplossing van het geschil ten gronde, aangezien ze een zuiver hypothetisch karakter hebben. De prejudiciële vragen hebben immers betrekking op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van (de raadsheren van) het Hof van Cassatie, terwijl de geschillen hangende zijn voor het hof van beroep. Het is bovendien onzeker of het Hof van Cassatie zich ooit over een van die geschillen zal moeten uitspreken. Het hof van beroep is dan ook in de mogelijkheid om uitspraak te doen over de aansprakelijkheidsvordering zonder dat de prejudiciële vragen moeten worden beantwoord. Hierdoor onderscheiden de voorliggende prejudiciële vragen zich van de prejudiciële vragen die werden voorgelegd aan het Hof in zijn arrest nr. 99/2014 van 30 juni 2014. Die prejudiciële vragen hadden immers betrekking op de materiële invulling van het aansprakelijkheidscriterium van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en waren niet zuiver hypothetisch.

A.4.3. In de derde plaats stelt de ministerraad dat de tweede prejudiciële vraag juridische grondslag mist, aangezien de vraag berust op een verkeerd begrip van de rol van het Hof van Cassatie ten aanzien van de rechter ten gronde. De omstandigheid dat het Hof van Cassatie arresten kan verbreken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, ontneemt de rechter ten gronde niet zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid om zich een objectief oordeel te vormen over de zaak ten gronde. Die onafhankelijkheid wordt onder meer gewaarborgd door de artikelen 151, § 1, 152, 154 en 155 van de Grondwet, alsook door artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens. Dat een vonnis of een arrest hervormd of verbroken kan worden, is overigens inherent aan een rechtssysteem met een dubbele aanleg en een voorziening in cassatie en tast de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter niet aan. Het Hof van Cassatie treedt ook niet in de beoordeling van de zaken zelf, wat maakt dat het Hof van Cassatie het bodemarrest niet kan hervormen, doch louter toezicht houdt op de naleving van de wet.

A.4.4. In de vierde plaats vindt de ministerraad dat de opgeworpen artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek kennelijk geen betrekking hebben op het geschil ten gronde. Die bepalingen bevatten geen regels van materieel recht en hebben evenmin betrekking op de concrete ontvankelijkheids- en toelaatbaarheidsvoorwaarden van de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering. Die artikelen hebben alleen betrekking op de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, het hof van beroep en het Hof van Cassatie. Die bevoegdheidsregels vormen de concretisering van de rechtsmacht die de Grondwet toekent aan de hoven en rechtbanken om uitspraken te doen over burgerlijke rechten. Het staat evenwel buiten kijf dat de verwijzende rechter over de rechtsmacht en de bevoegdheid beschikt om zich uit te spreken omtrent een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie. De verwijzende rechter heeft in beide zaken het hoger beroep dan ook ontvankelijk verklaard. Aangezien de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op de grondwettigheid van de bevoegdheid van het hof van beroep om al dan niet uitspraak te doen over het aanhangig gemaakte geschil, zijn de prejudiciële vragen onontvankelijk in zoverre ze betrekking hebben op de artikelen 602 en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek. In zoverre ze betrekking hebben op artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 608 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de prejudiciële vragen hoe dan ook onontvankelijk aangezien die bepalingen de bevoegdheid regelen van respectievelijk de rechtbank van eerste aanleg en het Hof van Cassatie, en dus vreemd zijn aan het bodemgeschil voor het hof van beroep.

A.5.1. Ten gronde is de ministerraad van oordeel dat de prejudiciële vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag meent hij allereerst dat de te vergelijken categorieën van personen gelijk worden behandeld en het gelijkheidsbeginsel bijgevolg niet wordt geschonden. Het Hof van Cassatie treedt immers niet op een meer decisieve wijze in de beoordeling van de eigen beweerde fout, dan van de beweerde fout van andere rechtsprekende organen van de Staat.

A.5.2. Bovendien zijn de situaties van beide categorieën van personen niet wezenlijk verschillend, zodat geen aanleiding bestaat tot een ongelijke behandeling. Het is immers inherent aan de grondwettelijke verdeling van rechtsmacht dat organen van de rechterlijke macht uitspraak doen omtrent een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat wegens rechtsprekende handelingen, zo ook uitzonderlijk doch noodzakelijk het Hof van Cassatie. Op de grondwettelijke rechtsmachtverdeling, die inhoudt dat de hoven en de rechtbanken van de rechterlijke orde uitspraak doen over geschillen inzake burgerlijke rechten, zijn geen uitzonderingen door de Grondwet of de wet toegestaan, ook niet wanneer dat burgerlijk geschil verband houdt met de aansprakelijkheid van de Belgische Staat vanwege een jurisdictioneel optreden van het Hof van Cassatie.

Ook zijn de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de rechter en het recht op een eerlijk proces gewaarborgd wanneer het Hof van Cassatie uitspraak doet over de aansprakelijkheid van de Staat wegens rechtsprekende handelingen van het Hof van Cassatie, net zoals dat het geval is wanneer andere rechtscolleges uitspraak doen. De prejudiciële vraag vertrekt van het foute uitgangspunt dat de procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie, het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan dat de beweerde fout beging zelf in de beoordeling kan treden, terwijl dat niet het geval zou zijn voor de andere rechtsprekende organen van de Staat. Zowel de fout als de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter dienen te worden beoordeeld op het niveau van de individuele magistraat en niet op het niveau van de overkoepelende rechterlijke instantie. Met de veronderstelling dat hetzelfde orgaan in de beoordeling zal treden van een eigen beweerde fout wordt eraan voorbijgegaan dat het Hof van Cassatie niet als entiteit uitspraak doet over de toepassing en de interpretatie van de wet. Daarenboven wordt er geen rekening gehouden met de wisselende samenstelling van het Hof van Cassatie en met de omstandigheid dat het zelf ook de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter hoort te eerbiedigen. Overeenkomstig die beginselen kan een raadsheer in het Hof van Cassatie die reeds uitspraak deed in een bepaalde zaak, niet opnieuw uitspraak doen in dezelfde zaak. De nieuwe uitspraak dient dus te gebeuren door een volledig anders samengestelde zetel. Een dergelijke garantie wordt geboden door artikel 292 van het Gerechtelijk Wetboek. Anders dan de rechter ten gronde lijkt te veronderstellen, is het dus niet het orgaan dat de beweerde fout beging dat zelf de uitlegging van het foutbegrip, toegepast op zijn beweerde eigen foutieve handelen, decisief kan beïnvloeden, maar een anders samengesteld rechtscollege. Van een wezenlijk verschillende situatie van de te vergelijken categorieën is dus geen sprake.

A.5.3. Zelfs indien zou worden aangenomen dat beide categorieën zich in een wezenlijk andere positie bevinden, dan nog meent de ministerraad dat er een redelijke verantwoording bestaat voor de gelijke behandeling van de wezenlijk verschillende situaties. De gelijke behandeling is ingegeven vanuit de legitieme doelstelling om met het oog op de rechtszekerheid, de eenheid van rechtspraak en de coherentie van het jurisdictionele bestel een rechtssysteem te organiseren waarbij rechtsmiddelen worden beoordeeld door een hoger rechtscollege en uiteindelijk door een laatste rechter en waarin noodzakelijkerwijs steeds een bijzonder gezag wordt toegekend aan de in laatste aanleg gewezen beslissingen.

Het Hof van Cassatie bekleedt een unieke plaats in de rechterlijke organisatie en beschikt over een beperkte en specifieke bevoegdheid. Het mag overeenkomstig artikel 147 van de Grondwet immers niet in de beoordeling van de zaak zelf treden en doet dus geen uitspraak ten gronde. Het Hof van Cassatie doet aldus niet rechtstreeks uitspraak over de eigen eerdere uitspraak, maar doet enkel uitspraak over de vraag of de bodemrechter die eerdere uitspraak van het Hof van Cassatie al dan niet terecht als een “gekwalificeerde fout” heeft gekwalificeerd. Het Hof van Cassatie gaat enkel na of de feiten die door de rechter ten gronde worden vastgesteld en waarop hij zijn beslissing grondt, de door de rechter daaruit in rechte afgeleide gevolgtrekkingen verantwoorden.

De specifieke rol en aard van de controle van het Hof van Cassatie moet ook volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in rekening worden gebracht bij de beoordeling van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van magistraten van het Hof van Cassatie. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft reeds verscheidene malen geoordeeld dat de omstandigheid dat een magistraat van het Hof van Cassatie zitting neemt bij de behandeling van twee opeenvolgende voorzieningen in het kader van dezelfde strafzaak, niet noodzakelijk strijdig is met het beginsel van de onpartijdigheid van de rechter. Het onafhankelijkheids- en onpartijdigheidsbeginsel wordt dus niet geschonden wanneer andere magistraten van hetzelfde rechtscollege uitspraak doen over het al dan niet foutieve handelen in een zaak die eerder door dat rechtscollege werd behandeld.

Bovendien wordt de bevoegdheid van het Hof van Cassatie verder beperkt doordat het enkel moet nagaan of de bodemrechter al dan niet terecht de eerdere uitspraak als een “gekwalificeerde” fout heeft aangemerkt. Het arrest nr. 99/2014 wijst bovendien op de begrensde beoordelingsbevoegdheid van de rechter ten gronde die uitspraak moet doen over de aansprakelijkheid wegens een fout begaan door de in laatste aanleg rechtsprekende instanties. Bijgevolg wordt ook de beoordelingsbevoegdheid van het Hof van Cassatie beperkt. De eerste prejudiciële vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

A.6.1. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag is de ministerraad allereerst van oordeel dat in zoverre de prejudiciële vraag betrekking heeft op de artikelen 146 en 160 van de Grondwet, niet valt in te zien hoe die bepalingen geschonden kunnen zijn. Zij hebben immers geen betrekking op de hoven en rechtbanken en, in het bijzonder, het Hof van Cassatie. Daarnaast meent de ministerraad dat er voldoende waarborgen zijn om de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid te waarborgen en herhaalt in dit kader zijn overwegingen ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag.

A.6.2. Uit de prejudiciële vraag blijkt bovendien op geen enkele manier in welk opzicht de omstandigheid dat het Hof van Cassatie toezicht uitoefent op de rechter ten gronde de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van die rechter in het gedrang zou kunnen brengen. De onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter worden grondwettelijk gewaarborgd door artikel 151, § 1 van de Grondwet. Dat een vonnis of een arrest hervormd of verbroken kan worden, tast de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van een lagere rechter niet ipso facto aan en is inherent aan een rechtssysteem met een dubbele aanleg en een voorziening in cassatie. De omstandigheid dat de aansprakelijkheid betrekking heeft op een fout van een magistraat van het Hof van Cassatie leidt niet tot een ander besluit. Het Hof van Cassatie zal in dit geval zelf de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid respecteren en in voorkomend geval zitting houden met een wisselende zetel.

A.6.3. Indien het Hof toch zou aannemen dat eenzelfde rechter optreedt in eenzelfde zaak, merkt de ministerraad in ondergeschikte orde op dat niet elk optreden van een rechter in dezelfde zaak automatisch partijdig is. Dit is enkel het geval indien het optreden van de rechter ten gronde of van het Hof van Cassatie van die aard zou zijn dat de indruk wordt gewekt dat ze zich reeds een oordeel hadden gevormd over de bestreden beslissing. Het enkele feit dat een rechter in dezelfde zaak reeds eerder bepaalde beslissingen heeft genomen, volstaat niet om te spreken van objectieve partijdigheid. De tweede prejudiciële vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

A.7. In ondergeschikte orde merkt de ministerraad nog op dat een grondwetsconforme interpretatie van de artikelen vermeld in de prejudiciële vragen mogelijk is. De bepalingen kunnen immers zo worden gelezen dat wanneer het Hof van Cassatie een zaak behandelt waarin de aansprakelijkheid van de Belgische Staat in het geding is ten gevolge van een handeling van één of meer magistraten van het Hof van Cassatie, enkel magistraten wier handeling niet ten grondslag ligt aan de aansprakelijkheidsvordering, uitspraak kunnen doen over de zaak.

- B -
B.1. In de geschillen ten gronde moeten de verwijzende rechters zich uitspreken over een aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, wegens een beweerde fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie.

In de zaak nr. 6323 wordt het Hof van Cassatie een fout verweten wegens de weigering een memorie in aanmerking te nemen die in opdracht van de advocaat van een procespartij was ondertekend door een andere advocaat, doch waarbij die laatste haar hoedanigheid van advocaat niet had vermeld. In de zaak nr. 6324 wordt het Hof van Cassatie een fout verweten wegens miskenning van het Europees Unierecht omdat het zonder motivering zou hebben geweigerd een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, doordat de memorie waarin het verzoek daartoe werd gedaan, laattijdig zou zijn ingediend.

Vooraleer de verwijzende rechters zich uitspreken over de aansprakelijkheidsvorderingen, achten zij het aangewezen het Hof prejudiciële vragen te stellen. De rechter in de zaak nr. 6324 stelt in dezelfde verwijzingsbeslissing ook drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

B.2.1. Met betrekking tot de mogelijke aansprakelijkheid van de Staat voor een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie verwijzen de rechters ten gronde naar het arrest nr. 99/2014 van 30 juni 2014.

B.2.2. Bij dat arrest oordeelde het Hof:

“Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, zelfs al bestaat die fout in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en zelfs al maakt die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk de vernietiging ervan te verkrijgen.

Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij niet belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen.”

B.2.3. Volgens de verwijzende rechters kan er, gelet op het voormelde arrest, geen twijfel over bestaan dat een vordering zoals die welke door de partijen in de geschillen ten gronde werd ingesteld, in beginsel zou kunnen leiden tot een vaststelling van de aansprakelijkheid van de Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek voor een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van zijn rechtsprekende functie.

Niettemin rijzen volgens de verwijzende rechters vragen in het licht van het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, wanneer procespartijen die een dergelijke aansprakelijkheidsvordering instellen, worden geconfronteerd met het gegeven dat, wanneer tegen de beslissing van de burgerlijke rechter een voorziening in cassatie wordt ingesteld, het Hof van Cassatie zelf een beslissende invloed zou kunnen hebben in de beoordeling van zijn beweerde eigen foutieve handelen.

B.3.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek.

B.3.2. De artikelen 568, 602 en 608, vervat in het Derde Deel (“Bevoegdheid”) van het Gerechtelijk Wetboek bepalen:

“Art. 568. De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen.

Indien de verweerder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg betwist, kan de eiser, vóór de sluiting van de debatten, de verwijzing vorderen van de zaak naar de arrondissementsrechtbank, die uitspraak doet zoals bepaald is in de artikelen 641 en 642.

Wanneer de verweerder de rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg afwijst, ingevolge de toewijzing van het geschil aan scheidsrechters, geeft de rechtbank de zaak uit handen, zo daartoe grond bestaat.”

“Art. 602. Het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep:

1° tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen door de rechtbanken van eerste aanleg en door de rechtbanken van koophandel;

2° tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en door de voorzitter van de rechtbank van koophandel;

3° tegen beslissingen van het prijsgerecht;

4° tegen beslissingen gegeven door Belgische consuls in het buitenland;

5° tegen beslissingen inzake verkiezingen gegeven door het college van burgemeester en schepenen en door de hoofdbureaus.

In de gevallen van 3° en 4° is alleen het hof van beroep te Brussel bevoegd.”

“Art. 608. Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het Hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.”

B.3.3. De artikelen 1050 en 1073, vervat in het Boek III (“Rechtsmiddelen”) van het Vierde Deel (“Burgerlijke rechtspleging”) van het Gerechtelijk Wetboek, bepalen:

“Art. 1050. In alle zaken kan hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een verstekvonnis.

Tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te doen kan slechts hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.”

“Art. 1073. Behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, is de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.

Indien de eiser geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft in België, wordt de in het eerste lid bepaalde termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.

De termijn wordt met drie maanden verlengd ten behoeve van hen die zich, voor een openbare dienst niet op Belgisch grondgebied en buiten Europa bevinden, en ten behoeve van de zeelieden die afwezig zijn wegens scheepsdienst.”

Ten aanzien van de excepties
B.4.1. Volgens de ministerraad is het Hof niet bevoegd om de prejudiciële vragen te beantwoorden aangezien het aldus zou worden gevraagd te oordelen over de verdeling van de bevoegdheden binnen de rechterlijke macht, zoals die is vastgelegd in de artikelen 144, 145, 146 en 147 van de Grondwet.

Voorts voert de ministerraad aan dat de in het geding zijnde bepalingen kennelijk geen betrekking hebben op de geschillen ten gronde. Die bepalingen zouden slechts op algemene wijze de bevoegdheid omschrijven van de rechtbank van eerste aanleg, van het hof van beroep en van het Hof van Cassatie. Ze zouden geen betrekking hebben op de concrete ontvankelijkheids- en toelaatbaarheidsvoorwaarden van de burgerlijke aansprakelijkheidsvordering.

B.4.2. De artikelen 144 en 145 van de Grondwet regelen de bevoegdheidsverdeling tussen de hoven en rechtbanken en de administratieve rechtscolleges. Artikel 146 van de Grondwet vereist dat alle rechtsprekende organen worden ingesteld krachtens een wet en verbiedt de oprichting van buitengewone rechtbanken of commissies. Artikel 147 van de Grondwet bepaalt dat het Hof van Cassatie niet in beoordeling van de zaken zelf treedt.

B.4.3. Volgens artikel 144 van de Grondwet behoren de geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Het Hof is niet bevoegd om zich uit te spreken over de keuze van de grondwetgever om dergelijke geschillen aan de burgerlijke rechter voor te behouden, of over een verschil in behandeling of een beperking van een grondrecht voortvloeiende uit die keuze. Het Hof kan zich evenmin uitspreken over de bevoegdheid van het Hof van Cassatie zoals omschreven in artikel 147 van de Grondwet.

B.4.4. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt evenwel dat de rechters ten gronde beogen het Hof te ondervragen over de in de prejudiciële vragen vermelde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre zij op algemene wijze de bevoegdheid van de betrokken rechtscolleges bepalen, zonder daarbij in specifieke regels te voorzien voor het geval waarin ze kennis dienen te nemen van een vordering tegen de Belgische Staat op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, wegens een fout begaan door het Hof van Cassatie in de uitoefening van de rechtsprekende functie. Hieruit vloeit voort dat het Hof niet wordt ondervraagd over grondwetsbepalingen, noch over keuzes van de grondwetgever die de in het geding zijnde bepalingen zouden weergeven, zodat het Hof bevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden.

B.5.1. Voorts voert de ministerraad aan dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven omdat zij een zuiver hypothetisch karakter zouden hebben. De zaken ten gronde zijn nog hangende voor het hof van beroep, zodat niet zou vaststaan dat een cassatieberoep zal worden ingesteld. Bijgevolg zou het antwoord op de vragen niet nuttig zijn voor de oplossing van de geschillen ten gronde.

B.5.2. Het staat in de regel aan het rechtscollege dat een prejudiciële vraag aan het Hof stelt, om te oordelen of het antwoord op die vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil dat het moet beslechten. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.5.3. De verwijzende rechters wensen van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepalingen, die het verloop van de rechtsgang van de hangende aansprakelijkheidsvorderingen bepalen, bestaanbaar zijn met de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen, in het licht van het voormelde arrest nr. 99/2014. Zij kunnen ervan uitgaan dat hierbij rekening moet worden gehouden met het verloop van de gehele rechtsgang, en inzonderheid met de rol van het Hof van Cassatie daarin (zie EHRM 16 januari 2007, Warsicka / Polen, § 34). Wanneer een aansprakelijkheidsvordering wordt ingesteld voor de burgerlijke rechtscolleges, is de voorziening in cassatie één van de rechtsmiddelen die de rechtzoekenden kunnen aanwenden teneinde hun rechten uit te putten. Bijgevolg kan niet worden besloten dat de antwoorden op de prejudiciële vragen klaarblijkelijk niet nuttig zijn voor de oplossing van de geschillen ten gronde.

B.6. De excepties worden verworpen.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag
B.7. In beide zaken wensen de verwijzende rechters van het Hof te vernemen of de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14, 1. van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre een procespartij die een gekwalificeerde fout verwijt aan de Belgische Staat wegens een rechterlijke beslissing van het Hof van Cassatie, het geding moet voeren in een rechtsgang waarin het orgaan dat de beweerde fout beging zelf de uitlegging van het foutbegrip, toegepast op het beweerde eigen foutieve handelen, op beslissende wijze kan beïnvloeden, terwijl in alle andere gevallen het orgaan van de Belgische Staat dat de aansprakelijkheid veroorzaakt niet in die beoordeling kan treden.

B.8.1. Zoals is vermeld in B.2. zijn de prejudiciële vragen gerezen ingevolge het arrest nr. 99/2014 van het Hof. Volgens het arrest “(kan) de Staat aansprakelijk (…) worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen”.

B.8.2. Op die manier wordt rekening gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend. Een billijk evenwicht wordt zo gewaarborgd tussen het recht om toegang te hebben tot een rechter teneinde de vergoeding van zijn schade te verkrijgen en de rechtszekerheid (arrest nr. 99/2014, B.20.1.).

B.8.3. Tegen de beslissing van een burgerlijke rechter over de aansprakelijkheid van de Staat voor een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie kan een voorziening in cassatie worden ingesteld. Aldus bestaat de mogelijkheid dat het Hof van Cassatie zich moet uitspreken over een beslissing van de burgerlijke rechtscolleges betreffende de aansprakelijkheid van de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie zelf.

B.8.4. Om de prejudiciële vragen te beantwoorden, moet het Hof nagaan of de rechtsgang waarin het Hof van Cassatie een dergelijke beslissing kan nemen, bestaanbaar is met het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege.

B.9.1. Het is van fundamenteel belang in een democratische rechtsstaat dat de hoven en rechtbanken het vertrouwen genieten van de rechtsonderhorigen en van de procespartijen in het bijzonder (EHRM (gr. k.), 6 mei 2003, Kleyn e.a. / Nederland, § 191; 9 november 2006, Sacilor Lormines / Frankrijk, § 60). Daartoe vereist artikel 6, 1. van het Europees verdrag voor de rechten van de mens dat de rechtscolleges waarop die bepaling van toepassing is, onpartijdig zijn.

Die onpartijdigheid dient op twee manieren te worden onderzocht. De subjectieve onpartijdigheid, die wordt vermoed tot het bewijs van het tegendeel, vereist dat de rechter in een zaak waarover hij dient te oordelen, niet vooringenomen is, noch vooroordelen heeft, en dat hij geen belang heeft bij de uitkomst ervan. De objectieve onpartijdigheid vereist dat er voldoende waarborgen zijn om ook een gerechtvaardigde vrees op die punten uit te sluiten (EHRM (gr. k.), 6 mei 2003, Kleyn e.a. / Nederland, § 191; (gr. k.), 15 oktober 2009, Micallef / Malta, § 93-97; (gr. k.), 23 april 2015, Morice / Frankrijk, § 73-78).

B.9.2. Wat de objectieve onpartijdigheid betreft, moet worden nagegaan of er, los van het gedrag van de rechters, aantoonbare feiten bestaan die twijfel doen ontstaan omtrent die onpartijdigheid. Een schending van het beginsel van onpartijdigheid veronderstelt geenszins het bewijs van partijdigheid; een schijn van partijdigheid kan volstaan (EHRM (gr. k.), 6 mei 2003, Kleyn e.a. / Nederland, § 191; (gr. k.), 15 oktober 2009, Micallef / Malta, § 98; (gr. k.), 23 april 2015, Morice / Frankrijk, § 78).

Het beginsel van onpartijdigheid kan worden geschonden wanneer aan een rechter een zaak ter beoordeling wordt voorgelegd waarvan hij reeds eerder in een andere hoedanigheid kennis heeft genomen. Evenwel is niet elk voorafgaand optreden van de rechter van die aard dat bij de rechtzoekende een gerechtvaardigde vrees van partijdigheid wordt opgewekt. Opdat het beginsel van onpartijdigheid kan zijn geschonden, moet dat optreden van de rechter van die aard zijn dat het de indruk kan wekken dat hij zich reeds een oordeel over de grond van de zaak heeft gevormd.

B.10.1. Wanneer het zich uitspreekt over de kwalificatie door de burgerlijke rechter van de betwiste handeling als een “voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels”, dient het Hof van Cassatie rekening te houden met de criteria uiteengezet in het arrest nr. 99/2014 van het Hof:

“B.20.1. Hoewel een lichte fout even aanzienlijke schade met zich kan meebrengen als een zware fout, dient ten aanzien van de afzonderlijk gelezen artikelen 10 en 11 van de Grondwet rekening te worden gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend.

Het nastreven van een billijk evenwicht tussen het rechtszekerheidsbeginsel, enerzijds, en het recht op toegang tot de rechter, anderzijds, kan aldus verantwoorden dat het recht op de volledige vergoeding van de schade veroorzaakt door een fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie slechts wordt gewaarborgd, zonder de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing te vereisen, indien de rechterlijke instantie op voldoende gekwalificeerde wijze een toepasselijke rechtsregel heeft geschonden.

B.20.2. Vereisen dat de fout begaan door de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, aantoonbaar en ernstig is, maakt het bovendien mogelijk het risico op vergissingen te verminderen bij de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid en die ermee is belast de onwettigheid van de beslissing die is genomen, of van de procedure die is gevolgd door een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie alleen te beoordelen, vergissingen die zelf aanleiding zouden kunnen geven tot een opeenvolging van aansprakelijkheidsvorderingen.

B.21. Rekening houdend met de noodzaak om de waarborgen die zijn toegekend door het recht van de Europese Unie, enerzijds, en door het intern recht, anderzijds, te harmoniseren, houdt het Hof rekening met de rechtspraak van het Hof van Justitie, krachtens welke de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie die een bepaling van het recht van de Europese Unie op voldoende gekwalificeerde wijze schendt die ten doel heeft aan de particulieren rechten te verlenen, de Staat aansprakelijk maakt tegenover de particulier die aantoont dat die schending hem een nadeel heeft berokkend, waarbij de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering, die door de lidstaten kunnen worden bepaald in het kader van hun procedurele autonomie, bovendien de uitoefening van een dergelijk voorrecht niet 'in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk' mogen maken (zie HvJ 30 september 2003, C-224/01, Köbler, punten 34, 47 en 53-59, en, over de grenzen van de procedurele autonomie van de lidstaten, HvJ 12 december 2013, C-362/12, Test Claimants in the Franked Investment Income Group Litigation, punten 31-32).

B.22. Het Hof van Justitie dat moest preciseren wat het verstond onder een voldoende gekwalificeerde schending van de rechtsregels van de Unie, heeft geoordeeld:

'Om te bepalen of aan die voorwaarde is voldaan, dient de nationale rechter bij wie een schadevordering aanhangig is, rekening te houden met alle elementen die de aan hem voorgelegde situatie kenmerken.

Die elementen zijn onder meer: de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de vraag of de schending opzettelijk is begaan, de al dan niet verschoonbaarheid van de rechtsdwaling, het eventueel door een gemeenschapsinstelling ingenomen standpunt en de schending door de betrokken rechter van zijn verplichting om op grond van artikel 234, derde alinea, EG, een prejudiciële vraag te stellen.

In ieder geval is een schending van het Gemeenschapsrecht voldoende gekwalificeerd, wanneer 's Hofs rechtspraak op het gebied bij het nemen van de betrokken beslissing kennelijk is miskend (zie, in deze zin, arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 57)' (HvJ 30 september 2003 voormeld, punten 54-56; (gr. k.), 13 juni 2006, C-173/03, Traghetti del Mediterraneo, punt 32).

Teneinde het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen, staat het aan de aansprakelijkheidsrechter rekening te houden met dergelijke elementen teneinde te bepalen of de door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie gemaakte fout, buiten de toepassingssfeer van het recht van de Europese Unie, een voldoende gekwalificeerde schending vormt van de toepasselijke rechtsregels.”

B.10.2. Wanneer het Europees Unierecht in het geding is, dient het Hof van Cassatie na te gaan of het aangewezen is om in voorkomend geval een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, in het bijzonder over de kwestie of een betwiste handeling het Unierecht op voldoende gekwalificeerde wijze heeft geschonden. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is “een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden [...] een vraag van Unierecht die voor haar rijst, te verwijzen, tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan” (HvJ 6 oktober 1982, C-283/81, Cilfit e.a., punt 21; HvJ (gr. k.), 18 oktober 2011, C-128/09, Boxus, punt 31).

B.10.3. Ten slotte dient het Hof van Cassatie, wanneer voldaan is aan de vereisten gesteld in artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, in voorkomend geval een prejudiciële vraag te stellen aan dat Hof, alvorens uitspraak te doen.

B.11. Wanneer het Hof van Cassatie zich uitspreekt over de wettigheid van een beslissing van een burgerlijke rechter betreffende de aansprakelijkheid van de Staat wegens een beweerde fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door die rechterlijke instantie zelf, kan evenwel twijfel ontstaan over zijn objectieve onpartijdigheid ingevolge de wijze waarop het Hof is samengesteld.

B.12.1. Het zou niet verenigbaar zijn met het recht op een onpartijdige rechter dat raadsheren die hebben deelgenomen aan de totstandkoming van een beslissing die aan de oorsprong ligt van een aansprakelijkheidsvordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, zich zouden uitspreken over de wettigheid van de beslissing van de rechter ten gronde over die vordering. In het bijzonder zouden die raadsheren zich mogelijk dienen uit te spreken over de vraag of de burgerlijke rechter hun eigen betwiste handeling al dan niet terecht als een “voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels” heeft gekwalificeerd (zie EHRM 29 juli 2004, San Leonard Band Club / Malta, § 61-64; 1 februari 2005, Indra / Slowakije, § 51-53; 24 juli 2012, Toziczka / Polen, § 40-44).

B.12.2. Raadsheren van het Hof van Cassatie kunnen worden gewraakt wegens wettige verdenking (art. 828, 1° Ger.W.). Iedere rechter die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden (art. 831 van hetzelfde wetboek; EHRM (gr. k.), 23 april 2015, Morice / Frankrijk, § 78). Dit laatste is het geval wanneer een raadsheer in het Hof van Cassatie uitspraak moet doen over een beslissing van de burgerlijke rechter waarbij deze uitspraak doet over een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek waarbij de aansprakelijkheid van de Staat betreffende een rechtsprekende handeling van het voormelde rechtscollege in het geding is en waarbij die raadsheer deel uitmaakte van de zetel die dat arrest had gewezen.

B.12.3. Overigens is het Hof van Cassatie, zoals ieder rechtscollege, ertoe gehouden het algemene rechtsbeginsel van de subjectieve en objectieve onpartijdigheid van de rechter te eerbiedigen. Dat beginsel impliceert bijgevolg dat het Hof van Cassatie de nodige maatregelen neemt die moeten verhinderen dat de raadsheren wier betwiste rechtsprekende handeling aan de oorsprong ligt van een aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat, zich zouden uitspreken over de beslissing van de burgerlijke rechter over die vordering.

B.12.4. Volgens artikel 133 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de 1ste kamer van het Hof van Cassatie kennis van de voorzieningen in burgerlijke zaken. De eerste voorzitter kan evenwel de zaak naar een andere kamer verwijzen wanneer de behoeften van de dienst dat rechtvaardigen. Aldus kan de onpartijdige samenstelling van het Hof worden gewaarborgd. Het reglement houdende de dienstregeling van het Hof, vastgesteld door de eerste voorzitter, bepaalt het aantal raadsheren aan elke kamer verbonden (art. 132 Ger.W.). De dienst der terechtzittingen wordt onder de raadsheren verdeeld door de kamervoorzitter (art. 317 van hetzelfde wetboek).

B.13. Rekening houdend met het bovenstaande doen de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek geen discriminatie ontstaan tussen procespartijen naargelang de aansprakelijkheid van de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door het Hof van Cassatie, dan wel wegens een fout begaan door een ander orgaan van de Staat in het geding is.

B.14. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag
B.15.1. Met de tweede prejudiciële vraag wensen de verwijzende rechters te vernemen of de artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar zijn met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 146 en 160 ervan, met artikel 6, 1. van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, 1. van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemene rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, in zoverre de beslissing van de rechter ten gronde aan wie een aansprakelijkheidsvordering wegens een rechtsprekende handeling van het Hof van Cassatie ter beoordeling kan worden voorgelegd, wordt onderworpen aan het toezicht van het Hof van Cassatie.

B.15.2. Met de ministerraad dient te worden opgemerkt dat het Hof te dezen wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de bevoegdheden van de gewone hoven en rechtbanken, zodat niet valt in te zien in welk opzicht de artikelen 146 en 160 van de Grondwet zouden kunnen zijn geschonden.

B.16.1. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vorderen van een in laatste aanleg gewezen beslissing. Dat een vonnis of een arrest kan worden vernietigd, is inherent aan een rechtssysteem met een voorziening in cassatie en brengt de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter ten gronde niet in het geding.

B.16.2. Voor het overige wordt geen afbreuk gedaan aan de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen en beginselen om de redenen die zijn aangegeven in antwoord op de eerste prejudiciële vraag.

B.17. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht:

De artikelen 568, 602, 608, 1050 en 1073 van het Gerechtelijk Wetboek schenden niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 146 en 160 ervan, met de artikelen 6 en 13 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 14, 1. van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het algemeen rechtsbeginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.

(…)

p Brussel, 03/09/2013 AR 2010AR1553

samenvatting

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT op basis van artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.

Wanneer de betwiste handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Tekst arrest

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

A.R. nr. 2010/AR/1553

 

INZAKE VAN :

1) De heer A. W., wonende
2) De B.V. A.C.J. W., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 24 maart 2010,

TEGEN :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115,

geïntimeerde

abstract: Fouten van een magistraat-aansprakelijkheid van de staat

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT op basis van artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen. Wanneer de betwiste handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

__________________________________________________

De procedure voor de rechtbank van eerste aanleg

W. A. (hierna W.) en ACJ W. BV (hierna W. BV) hebben op 17 maart 2008 de BELGISCHE STAAT gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Zij verwezen, samengevat, naar:

- een gerechtelijk onderzoek door de BELGISCHE STAAT ten laste van eisers en anderen;
- een verklaring van W. op 3 december 2001 (PV 383401);
- twee overschrijvingen door W. vanuit Nederland op een rekening bij de FORTIS BANK te Maasmechelen op 2 augustus 2001 ten bedrage van 400.000 Nederlandse Gulden (NLG) en 125.000 NLG,

o met als oorsprong: een kredietovereenkomst van 21 februari 2001, toegestaan om aandelen van de moeder van W. in W. BV over te nemen;

o en met als reden: het beleggen van die gelden omdat die overname niet onmiddellijk werd gerealiseerd;
- het overmaken van de gelden, op aanraden van zijn persoonlijk adviseur, aan MASTERS BV met de bedoeling dat zij terugbetaald zouden worden met winst door wederverkoop van een onroerend goed;
- het beslag op die gelden op 21 september 2001 door de Belgische Justitie op grond van een vermoeden van een witwasmisdrijf;
- verscheidene verzoekschriften op grond van artikel 28 sexies § 4 van het Wetboek van Strafvordering, aan het parket van Tongeren met telkens een negatieve beslissing tot vrijgave;
- het oplopen van het negatief tot 38.856,21 euro op 10 februari 2004;
- de mededeling met een verzoekschrift van 10 januari 2004 dat de situatie onhoudbaar werd, vermits W. en W. BV niet de middelen hadden om aan te zuiveren;
- de standpunten ingenomen door de procureur des Konings te Tongeren, de Kamer van Inbeschuldigingstelling en de procureur-generaal dwars tegen de feiten van het dossier in;
- de beslissing van de procureur des Konings te Tongeren om na jaren aandringen het onderzoek af te ronden en over te gaan tot dagvaarding voor de correctionele rechtbank te Tongeren;
- de inleiding ten gronde op 12 oktober 2006, zonder dagvaarding van W. en W. BV;
- een verzoekschrift op die zitting door W. en W. BV om de geblokkeerde gelden vrij te geven;
- de vrijspraak en de beslissing van de correctionele rechtbank van Tongeren dat het verzoek van de tussenkomende partij om opheffing te bevelen van het gelegde beslag gegrond is;
- een ten onrechte strafrechtelijk beslag gedurende meer dan vijf jaar;
- de grove fouten begaan door de BELGISCHE STAAT:
o het onterecht beslag;
o het handhaven zonder grond gedurende meer dan vijf jaar;
o het niet vervolgen van W. en W. BV wat duidt op willekeur;
o de vrijspraak en de afwezigheid van hoger beroep door het parket;
- de gehoudenheid van de BELGISCHE STAAT om de onherstelbaar geworden schade te vergoeden op grond van artikelen 1382 en volgende van het burgerlijk wetboek;
- de schade die gelijk is aan de gederfde winst die bij de aanwending van de gelden het doel was en die zeker 30 % zou bedragen, minstens de intresten;
- niet alle gelden konden worden gerecupereerd omdat andere schuldeisers op hun gelden wachtten;
- de gehoudenheid van de BELGISCHE STAAT tot terugbetaling van de intresten op 238.234,61 euro vanaf 2 augustus 2001 tot bij de vrijgave op 17 april 2007, de gederfde winst (30 % of 71.470,383 euro), de intresten daarop vanaf één jaar later dit is vanaf 3 augustus 2002, de intresten op het beslagen bedrag vanaf 2 augustus 2001 tot de terugbetaling ervan op 15 april 2007 op 195.000 euro, het verschil in kapitaal dat terugbetaald werd of 43.234,61 euro, alles meer intresten tot de dag van de terugbetaling.

De rechtbank van eerste aanleg besliste met een vonnis van 24 maart 2010, samengevat:

- de vordering is ontvankelijk;
- het beslag is niet onzorgvuldig gelegd;
- de handhaving van het beslag was niet onrechtmatig;
- er wordt geen fout bewezen;
- het oorzakelijk verband is evenmin bewezen;
- de BELGISCHE STAAT heeft recht op een rechtsplegingsvergoeding van 5.000 euro.

Dit vonnis werd betekend op 1 juni 2010.

Het hoger beroep

W. en W. BV stelden hoger beroep in met een verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie van het hof op 4 juni 2010.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

Beoordeling

W. en W. BV achten de BELGISCHE STAAT aansprakelijk omdat haar aangestelden fouten hebben begaan die schade hebben veroorzaakt. Zij menen dat het beslag op de rekening van MASTERS BV onrechtmatig is gelegd en onrechtmatig is gehandhaafd, en dat het onderzoek te lang heeft geduurd.

Het beslag werd gelegd op 10 augustus 2001.

De BELGISCHE STAAT houdt terecht voor - met verwijzing naar artikel 100, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit - dat de vordering in aansprakelijkheid die gesteund wordt op een fout begaan in 2001, verjaart na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin de fout is begaan, dit is, in dit geval, per 31 december 2005. W. en W. BV hebben gedagvaard op 17 maart 2008, dit is na 31 december 2005.

De wet kent enkel verjaringstuitende werking toe aan een gerechtsdeurwaardersexploot en aan een schulderkenning door de STAAT. Verzoeken tot opheffing in de zin van artikel 28 sexies § 4 W. Sv. beantwoorden daaraan niet en hebben dus geen verjaringstuitende werking.

De vordering van W. en W. BV is verjaard in de mate dat zij steunt op een beweerd onrechtmatig beslag.

Het handhaven van het beslag blijkt uit beslissingen van de procureur des Konings en van de Kamer van Inbeschuldigingstelling in antwoord op verzoeken tot opheffing van het beslag vanaf februari 2004, en het onderzoek is afgesloten met een vonnis van 8 december 2006. In de mate dat bij het handhaven onrechtmatig zou zijn gehandeld en dat het onderzoek te lang heeft geduurd, is tijdig gedagvaard op 17 maart 2008, en schorst het instellen van de rechtsvordering de verjaring totdat een definitieve beslissing is gewezen.

De vordering van W. en W. BV is niet verjaard in de mate dat zij steunt op het beweerd onrechtmatig handhaven van het beslag en op de duur van het onderzoek.

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT op basis van artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen. Wanneer de betwiste handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

De procureur des Konings wees de verzoeken tot opheffing van het beslag af omdat zijn ambt van oordeel was dat de noodwendigheden van het onderzoek het beslag vereisen en de wet in de teruggave of verbeurdverklaring van de betrokken goederen voorziet. De Kamer van Inbeschuldigingstelling wees het hoger beroep tegen die beslissing af omdat het verzoek uitging van verzoekers die geen belang hadden omdat niet zij maar MASTERS BV de titularis was van de gelden op de bankrekening ("Dat in casu dient vastgesteld te worden dat de gelden door [W. en W. BV] overgeschreven werden op rekening van BV Masters N.N.P.C. ten einde deze aan te wenden voor de aankoop van onroerend goed en deze gelden derhalve, vanaf de overdracht ervan, tot het patrimonium van deze laatste behoren; dat zodoende verzoekers hun belang niet aantonen met betrekking tot de gevraagde maatregel vermits zij geen titularis van kwestieuze rekening zijn").

W. en W. BV tonen niet aan dat de procureur des Konings en/of de Kamer van Inbeschuldigingstelling met het afwijzen van de verzoeken tot opheffing van het beslag onrechtmatig hebben gehandeld in de aangegeven zin.

Abstractie gemaakt van de verjaring van de vordering in de mate dat zij steunt op de onrechtmatigheid van het leggen van het beslag, dient te worden vastgesteld dat het verzoek van de CFI aan de procureur des Konings gestaafd werd aan de hand van een verslag waarin op uitvoerige wijze de verdachte verrichtingen, de buitenlandse inlichtingen en de aanwijzingen van witwassen via de heer ROKS en MASTERS BV werden beschreven.

Uit het verslag van onderzoek betreffende ROKS Marcus blijkt immers dat ROKS bestuurder is van MASTERS BV, dat begin juli 2001 een persoon namens ROKS in een kantoor van FORTIS BANK in het gerechtelijk arrondissement Tongeren informeerde naar de modaliteiten en de mogelijkheden van het openen van een rekening met de melding dat enkele dagen later op deze rekening een bedrag van 50 miljoen US Dollars zou toekomen vanuit de VSA via een Zwitserse bank, afkomstig van een oliemaatschappij die beleggingen doet in onroerend goed, dat ROKS in het kantoor op 10 juli 2001 op naam van MASTERS BV een rekening opende en verklaarde de rekening te willen openen in België aangezien hij zich weldra zou vestigen in Brussel, dat ROKS op 20 juli 2001 vertelde dat een bedrag van ongeveer 500.000 NLG zou toekomen in het kader van een project in aanbouw in Kerkrade (warenhuis met drie appartementen) zich voorstellende als een projectontwikkelaar voor middelgrote projecten, dat op 3 augustus 2001 twee betalingen toekomen met in beide gevallen als opdrachtgever W. BV, zijnde, volgens ROKS, een eerste gedeelte van een globaal bedrag van 900.000 NLG, dat ROKS aanvankelijk verklaarde deze fondsen nodig te hebben voor de uitgifte van bankcheques aan verschillende notarissen waarvan hij de naam nog niet kon mededelen, dat hij na enkele dagen zijn instructies aan de bank veranderde nadat op 10 augustus 2001 een bedrag van 385.000 NLG is toegekomen via een overschrijving in opdracht van een rekening bij een Luxemburgse bank met als opdrachtgever "un de nos clients", en dat ROKS op 10 augustus 2001 wenste te beschikken over een bankcheque ten bedrage van 910.000 NLG aan order van de vennootschap BOEKHORST INVEST BV, zijnde een immobiliënagentschap met Bastiaan VAN GENT als enige aandeelhouder. Uit het verslag blijkt ook dat lastens ROKS Marcus een politioneel onderzoek loopt wegens onder meer onwettig openbaar aantrekken van spaargelden, economische delicten, oplichting, verduistering ... bij de Regiopolitie Limburg-Noord en Fiod Roermond; betrokkene zou via een niet-bestaand beleggingsfonds beleggers hebben aangetrokken en naderhand opgelicht en benadeeld voor een totaal bedrag van 30 miljoen NLG; dat onderzoek blijkt ook gelieerd aan een ander onderzoek met ernstige aanwijzingen van het witwassen van geld.

Een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou dezelfde beslissing tot het leggen van het beslag genomen hebben. De beslissing is in overeenstemming met de nationaalrechtelijke norm vervat in artikel 28 sexies § 4 W. Sv. en is niet strijdig met enige internationaalrechtelijke norm met rechtstreekse werking. Hetzelfde geldt voor het handhaven van het beslag dat bleek uit de beslissingen van de procureur des Konings tot afwijzing van de verzoeken tot opheffing. Voor het overige moet worden vastgesteld dat geen enkele beslissing met betrekking tot het afwijzen van de verzoeken tot opheffing bij een beslissing met kracht van gewijsde werd ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Het volstaat niet, zoals W. en W. BV voorhouden, dat het handhaven van het beslag onrechtmatig is omdat W. in zijn verklaring van 3 december 2001 uitlegde dat de gelden op de rekening van MASTERS BV wat hen betrof een legale oorsprong hadden, met name een kredietopening bij ABN AMRO op 21 februari 2001, en dat de overschrijving van die gelden naar de rekening van MASTERS BV een legale bestemming had, met name de voorgenomen aankoop en wederverkoop van een onroerend goed. Het onderzoek betrof immers de activiteiten van MASTERS BV en haar bestuurder ROKS ten aanzien waarvan ernstige aanwijzingen van witwassen voorhanden waren, zodat in het kader daarvan, in overeenstemming met artikel 28 sexies § 4 W. Sv., gelden die voorkwamen op de rekening van MASTERS BV in beslag konden worden genomen met mogelijkheid tot verbeurdverklaring in geval van veroordeling. De magistraat die dit beslag beveelt en handhaaft begaat te dezen geen fout, en die fout kan en mag ook niet afgeleid worden uit de loutere vaststelling dat, na onderzoek van het dossier door de rechtbank, vrijspraak volgt en opheffing van het beslag. Ook de vaststelling dat W. en W. BV zelf niet vervolgd werden, levert op zich niet het bewijs dat het leggen en het handhaven van het beslag onrechtmatig moeten zijn geweest, nu het beslag is gelegd op gelden van MASTERS BV omwille van ernstige aanwijzingen van witwassen door MASTERS BV en betrokken personen (ROKS, COENEN, VERWER).

Ten overvloede moet worden vastgesteld dat uit de verklaring van W. van 3 december 2001 blijkt dat de kredietopening voor 525.000 NLG werd toegestaan om aandelen van zijn moeder uit te kopen, maar dat deze intentie werd verlaten en dat op dat ogenblik, op aanraden van een persoonlijk adviseur, beslist werd iets te doen met het geld (sic) door het te beleggen, zonder dat W. wist om welke belegging het ging (sic), en zonder dat geschriften voorlagen met betrekking tot die belegging (sic) ("Op uw vraag moet ik U zeggen dat COENEN Marcel mij nooit verteld heeft welke belegging hij precies ging doen met mijn geld. Ik heb het echter ook nooit gevraagd. Ik weet tot op heden nog steeds niet welke belegging Marcel COENEN op het oog had. Op uw vraag moet ik U verder zeggen dat er nooit stukken zijn getekend inzake de belegging. Ik vond dit ook niet nodig. Ik bezit immers het bewijs, via mijn bank, dat ik mijn geld overgeschreven had en voor de rest vertrouwde ik volledig op Marcel COENEN, zoals reeds herhaaldelijk aangehaald. Ik hoorde niets meer van mijn investering tot ik plots een telefoontje kreeg van de politie, met de melding dat er blijkbaar problemen waren met de investering die ik gedaan had. Ik nam vervolgens contact op met Marcel COENEN en deze vertelde mij dat hij het zou proberen te regelen via een raadsman."). Een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, in dezelfde omstandigheden geplaatst, zou tot beslag zijn overgegaan en zou het beslag hebben gehandhaafd tot afsluiting van het onderzoek.

Ook de bewering dat het onderzoek te lang heeft geduurd wordt niet aangetoond, hoewel de bewijslast ligt bij W. en W. BV.

W. en W. BV bewijzen dus geen fout in hoofde van de BELGISCHE STAAT. Vermits de fout een constitutief bestanddeel is van de aansprakelijkheid, dienen, bij gebrek aan fout, de andere constitutieve bestanddelen van de aansprakelijkheid (de schade en het oorzakelijk verband tussen fout en schade) niet te worden beoordeeld.

De vordering van W. en W. BV is ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. W. en W. BV worden veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep. Gelet op het bedrag van de vordering, wordt de rechtsplegingsvergoeding bepaald op 5.000 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten tot de kosten en begroot die in hoger beroep op 186 euro rolrechten en 5.000 euro rechtsplegingsvergoeding toekomende aan geïntimeerde.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel

• Grondwettelijk Hof, 30 juni 2014, RW 2014-2015,1573

Arrest nr. 99/2014

Onderwerp van de prejudiciële vragen

Bij vonnis van 16 januari 2013 (...) heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1. “Schendt art. 1382 BW, in die zin geïnterpreteerd dat het, om de aansprakelijkheid van de Staat in het geding te brengen wegens een fout van een magistraat in de uitoefening van zijn rechtsprekend ambt, de inachtneming oplegt van een aan die beslissing voorafgaande uitwissingsvoorwaarde en, bijgevolg, niet toepasbaar is wanneer de aansprakelijkheid van de Staat in het geding wordt gebracht wegens een fout van een magistraat in het raam van een jurisdictionele beslissing die niet vatbaar is voor beroep, art. 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 6 en 13 EVRM, in zoverre, in die zin geïnterpreteerd, het een onverantwoord verschil in het leven zou roepen tussen de personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een rechterlijke beslissing die vatbaar is voor beroep en diegenen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een rechterlijke beslissing die niet vatbaar is voor beroep?”;

2. “Schendt art. 1382 BW, in die zin geïnterpreteerd dat, om de aansprakelijkheid van de Staat in het geding te brengen wegens een fout van een magistraat in het raam van een jurisdictionele beslissing, de inachtneming oplegt van een aan die beslissing voorafgaande uitwissingsvoorwaarde, zelfs wanneer geen enkel beroep mogelijk is tegen die beslissing, art. 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 6 en 13 EVRM, in zoverre, in die zin geïnterpreteerd, het een onverantwoord onderscheid in het leven zou roepen tussen de personen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een rechterlijke beslissing die vatbaar is voor beroep en diegenen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een rechterlijke beslissing die niet vatbaar is voor beroep?”.

...

In rechte

...

B.1.2. Opdat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie, vereist, in de interpretatie van de verwijzende rechter, die bepaling in beginsel dat de betwiste handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is herroepen, gewijzigd, vernietigd of ingetrokken wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Die interpretatie is gebaseerd op de ter zake relevante rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 19 december 1991, Arr.Cass. 1992, nr. 215; Cass. 8 december 1994, Arr.Cass., 1994, nr. 541; Cass. 5 juni 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 347; Cass. 27 juni 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 411; Cass. 25 maart 2010, Arr.Cass. 2010, nr. 219).

Zo heeft het Hof van Cassatie geoordeeld:

“Dat in de huidige stand van de wetgeving de Staat, in de regel, op basis van art. 1382 en 1383 BW aansprakelijk kan worden verklaard voor de schade ten gevolge van een door een rechter of een ambtenaar van het openbaar ministerie begane fout, wanneer die magistraat binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden heeft gehandeld of ieder redelijk en voorzichtig mens moet aannemen dat hij binnen die grenzen heeft gehandeld; dat echter, indien die handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, de vordering tot vergoeding van de schade, in de regel, slechts ontvankelijk is als de litigieuze akte bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm en derhalve geen gezag van gewijsde meer heeft;

“Dat binnen die grenzen de aansprakelijkheid van de Staat voor de schadeverwekkende handeling van de rechterlijke macht niet strijdig is met de grondwettelijke of wettelijke bepalingen en evenmin onverenigbaar is met de beginselen van de scheiding der machten en van het gezag van het rechterlijk gewijsde; dat die aansprakelijkheid evenmin onverenigbaar is met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van de magistraten ervan, die de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de procedure van verhaal op de rechter willen beschermen, nu die onafhankelijkheid blijkbaar voldoende gewaarborgd is door de wettelijke onmogelijkheid om magistraten persoonlijk aansprakelijk te stellen buiten de gevallen waarin zij strafrechtelijk zijn veroordeeld en de gevallen waarin verhaal op de rechter mogelijk is” (Cass. 19 december 1991, voormeld).

“De fout van een magistraat waarvoor de Staat op basis van art. 1382 en 1383 BW aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.

“Wanneer de betwiste handeling, zoals te dezen, bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

“Vóór die intrekking, wijziging, vernietiging of herroeping bestaat er geen vergoedbare schade.

“Er anders over beslissen zou het gezag ondermijnen van de rechtsmiddelen en in strijd zijn met de wezenlijke regels van de rechterlijke organisatie en met de opdracht gegeven aan de hoven en rechtbanken” (Cass. 5 juni 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 349).

B.1.3. Uit de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vragen blijkt voorts dat de verplichting een voorafgaande uitwissing van de rechterlijke beslissing te verkrijgen, door de verwijzende rechter wordt geïnterpreteerd als een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de voor hem gebrachte herstelvordering, waarop in het onderhavige geval geen enkele uitzondering bestaat.

Het is in die interpretatie dat het Hof antwoordt op de prejudiciële vragen.

B.2.1. Het voor de verwijzende rechter hangende geschil heeft betrekking op een aansprakelijkheidsvordering die door de gemeente Schaarbeek tegen de Belgische Staat is gericht wegens vermeende fouten die de Raad van State zou hebben begaan bij het onderzoek van een beroep tot herziening dat door die gemeente is ingesteld tegen de beslissing van het Rechtscollege van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, dat het beroep van de vernoemde gemeente waarin werd betwist dat een gemeenteraadslid aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldeed, had verworpen.

Volgens de gemeente Schaarbeek zou de Raad van State zich er ten onrechte van hebben onthouden een toetsing met volle rechtsmacht uit te voeren, zijn beslissing niet correct hebben gemotiveerd en de termijn bedoeld in art. 9 van het KB van 15 juli 1956 “tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld bij artikel 76bis van de gemeentekieswet” hebben geschonden.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat, volgens de verwijzende rechter, de gemeente Schaarbeek de vernietiging van het arrest van de Raad van State niet kon verkrijgen door de uitoefening van de beschikbare rechtsmiddelen.

B.2.2. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval.

B.3.1. Aan het Hof worden vragen gesteld over de verenigbaarheid van art. 1382 BW met art. 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval gelezen in samenhang met art. 6 en 13 EVRM, in zoverre die bepaling een onverantwoord verschil in behandeling zou instellen tussen, enerzijds, de slachtoffers van een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie die, tegen de in het geding zijnde rechterlijke beslissing, over daadwerkelijke rechtsmiddelen beschikken, en, anderzijds, de slachtoffers van een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie die ofwel niet beschikken over rechtsmiddelen tegen de in het geding zijnde rechterlijke beslissing (eerste prejudiciële vraag) ofwel de onregelmatigheid die, volgens hen, die beslissing nietig maakt, niet nuttig kunnen doen gelden ter staving van de rechtsmiddelen waarover zij formeel beschikken (tweede prejudiciële vraag).

B.3.2. Het arrest van de Raad van State waarvan sprake voor de verwijzende rechter kon, binnen de grenzen bepaald bij art. 158 van de Grondwet en bij art. 33 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State, het voorwerp uitmaken van een voorziening in cassatie alsook, binnen de grenzen die respectievelijk zijn vastgelegd bij art. 31 van dezelfde gecoördineerde wetten en bij art. 17 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het voorwerp uitmaken van een vordering tot herziening en intrekking.

B.3.3. Daaruit volgt dat de eerste prejudiciële vraag, in zoverre zij betrekking heeft op een vergelijking die klaarblijkelijk niet relevant is voor de oplossing van het geschil dat voor de verwijzende rechter hangende is, geen antwoord behoeft.

B.4.1. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht twee categorieën van slachtoffers van een fout begaan in het kader van de uitoefening van rechtsprekende functies te vergelijken naargelang zij al dan niet eenzelfde grief van onwettigheid nuttig kunnen aanvoeren in het kader van de rechtsmiddelen die tegen de betwiste rechterlijke beslissing openstaan. Art. 1382 BW, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter, legt de verplichting op in beide gevallen de voorafgaande uitwissing van de betwiste beslissing te verkrijgen.

Daaruit volgt dat de vergelijking in de prejudiciële vraag in werkelijkheid betrekking heeft op de verenigbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van een identieke behandeling van die beide categorieën van rechtzoekenden.

B.4.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet zich ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de beschouwde maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.5.1. De beperking van de grieven die kunnen leiden tot de verbreking, de intrekking of de herziening van een arrest van de Raad van State is als zodanig niet onredelijk, zelfs indien daaruit volgt dat bepaalde onregelmatigheden, die zijn begaan naar aanleiding van die beslissing, niet kunnen leiden tot de vernietiging ervan.

Het behoort tot de logica zelf van een stelsel van rechtsmiddelen dat, wat de draagwijdte ervan betreft, rekening wordt gehouden met het bijzonder gezag van de in laatste aanleg gewezen beslissingen, die in beginsel door hogere rechtscolleges worden genomen.

B.5.2. Het Hof moet bepalen of de wetgever, door in dergelijke omstandigheden de verplichting op te leggen van de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing opdat de aansprakelijkheid van de Staat in het geding zou kunnen worden gebracht, twee categorieën van slachtoffers die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, zonder redelijke verantwoording op dezelfde wijze zou hebben behandeld.

B.6. Gelet op de aard en de gevolgen van de in het geding zijnde maatregel, bevinden de beide categorieën van personen die worden vergeleken, zich in wezenlijk verschillende situaties.

Alleen de eerste daarvan beschikt immers over een beroep dat het mogelijk maakt daadwerkelijk de vernietiging van de betwiste rechterlijke beslissing te verkrijgen. In de interpretatie van de verwijzende rechter is de voorafgaande uitwissing van die beslissing echter een noodzakelijke voorwaarde voor het in het geding brengen van de aansprakelijkheid van de Staat, zelfs wanneer de rechtsmiddelen die tegen die beslissing beschikbaar zijn, het niet mogelijk maken de uitwissing ervan wegens de aangevoerde fout te verkrijgen.

B.7.1. Uit de door het Hof van Cassatie gegeven interpretatie van art. 1382 BW blijkt dat de voorwaarde van voorafgaande uitwissing van de in het geding zijnde rechterlijke beslissing ertoe strekt de rechtszekerheid te waarborgen en de coherentie van het jurisdictionele bestel te vrijwaren.

B.7.2. Het beginsel van rechtszekerheid, dat inherent is aan de interne rechtsorde, alsook aan de rechtsorde van de Europese Unie en aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (zie het arrest nr. 125/2011 van 7 juli 2011, overweging B.5.4), verzet zich ertegen dat een geschil tot in het oneindige wordt voortgezet, zij het in andere vormen. De herstelvordering die bij de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid is ingesteld, strekt er echter, niettegenstaande de vergoedende aard ervan, noodzakelijkerwijs toe de in het geding zijnde rechterlijke beslissing of de procedure die daartoe heeft geleid, te betwisten.

B.7.3. De coherentie van het jurisdictionele bestel verzet zich er bovendien tegen dat de door een rechterlijke instantie begane onwettigheden op een andere wijze worden gesanctioneerd dan door het aanwenden van de rechtsmiddelen.

B.8.1. De coherentie van het jurisdictionele bestel en de rechtszekerheid vrijwaren zijn wettige doelstellingen.

B.8.2. In zoverre de in het geding zijnde bepaling het mogelijk maakt te beletten dat de partij die in een proces in het ongelijk wordt gesteld, de regelmatigheid van de rechterlijke beslissingen waarbij zij wordt afgewezen, in voorkomend geval tot in het oneindige, betwist, wordt daarmee de doelstelling van rechtszekerheid die men ermee wenst te verwezenlijken, op relevante wijze nagestreefd.

B.8.3. Daarentegen waarborgt de in het geding zijnde bepaling niet op voldoende relevante wijze de coherentie van het jurisdictionele bestel.

Hoewel een dergelijke doelstelling redelijkerwijs kan worden nagestreefd door het verbod dat aan de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid, is opgelegd om het bestaan van een fout in de beslissing die is aangenomen – of in de rechtspleging die is gevoerd – door een rechterlijke instantie die hiërarchisch hoger staat dan die rechter of die tot een andere rechtsorde behoort, alleen te beoordelen, dient immers te worden vastgesteld dat de aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie ontvankelijk is zodra de betwiste rechterlijke beslissing door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Het is daarentegen niet vereist dat de voor de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid aangevoerde fout de onwettigheid vormt die de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing heeft verantwoord (Cass. 27 juni 2008, voormeld).

Meer nog, er is geoordeeld dat een dergelijke aansprakelijkheidsvordering ontvankelijk is wanneer de vermeende foutieve beslissing is ingetrokken, zonder dat enig gebrek is vastgesteld dat de wettigheid ervan aantast, voor zover het slachtoffer, wegens die intrekking, “juridisch geen aantoonbaar belang meer heeft om nog te vragen dat de litigieuze beslissing zou worden opzijgeschoven” (Cass. 5 juni 2008, Arr.Cass. 2008, nr. 347).

B.8.4. Niettegenstaande de inachtneming van de voorwaarde inzake de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing, is het dus niet uitgesloten dat de rechter, die uitspraak doet over de aansprakelijkheid, zich dient uit te spreken over een onregelmatigheid begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie die niet is gesanctioneerd door middel van de uitoefening van de rechtsmiddelen.

B.9.1. Uit de in overweging B.1.2 vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt bovendien dat de in het geding zijnde maatregel er ook toe strekt de inachtneming van het gezag van gewijsde te waarborgen alsook de verplichting op te leggen de beschikbare rechtsmiddelen uit te putten.

Die doelstellingen zijn legitiem. Het Hof moet er echter voorts in het bijzonder op toezien dat zij met de in het geding zijnde maatregel op relevante en evenredige wijze worden nagestreefd.

B.9.2. In dat opzicht gaat het feit in alle gevallen te eisen dat een arrest van de Raad van State uit de juridische ordening verdwenen is teneinde het mogelijk te maken dat de Staat aansprakelijk wordt gesteld, verder dan hetgeen noodzakelijk is om de verplichte eerbiediging van het beginsel van het gezag van gewijsde te waarborgen.

Wanneer, zoals in de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, de genoemde beslissing slechts een relatief gezag van gewijsde heeft, verzet de verplichte eerbiediging van dat gezag zich er in elk geval niet tegen dat een nieuw proces wordt gevoerd waarvan het voorwerp niet identiek is.

B.9.3. De handhaving van de voorwaarde van de voorafgaande uitwissing in gevallen waarin, zoals te dezen, geen enkel rechtsmiddel tegen de rechterlijke beslissing doeltreffend was, kan bovendien niet redelijk worden verantwoord door de doelstelling die erin bestaat ervoor te zorgen dat de beschikbare rechtsmiddelen worden uitgeput.

B.10. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling te dezen een relevante maatregel is teneinde de rechtszekerheid te waarborgen.

B.11. Het Hof dient derhalve nog te beoordelen of de in het geding zijnde bepaling een billijk evenwicht tot stand heeft gebracht tussen het recht van het slachtoffer om toegang te hebben tot een rechter teneinde de vergoeding van zijn schade te verkrijgen, en het vereiste van de rechtszekerheid, die de in het geding zijnde bepaling wenst te vrijwaren.

B.12. Het recht op toegang tot de rechter is niet absoluut. Zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat art. 6 EVRM niet is geschonden door bepalingen die het slachtoffer van een fout begaan door de organen van de Staat in zekere mate beletten de vergoeding van zijn schade te verkrijgen, ongeacht of die bepalingen materiële beperkingen van het in het geding zijnde burgerlijk recht of zelfs echte procedurele hinderpalen voor de verdediging in rechte van dat recht vormen (EHRM, Grote Kamer, 19 december 2005, Roche t/ Verenigd Koninkrijk, §§ 119 e.v.; EHRM 28 mei 1985, Ashingdane t/ Verenigd Koninkrijk, §§ 59 e.v.; EHRM, Grote Kamer, 14 december 2006, Markovic t/ Italië, §§ 92 e.v.).

B.13.1. Ten aanzien van het belang van de doelstellingen die ermee worden nagestreefd, kan ervan worden uitgegaan dat met de in het geding zijnde bepaling op algemene wijze een billijk evenwicht tussen de op het spel staande belangen tot stand is gebracht door te vereisen dat de Staat niet aansprakelijk kan worden gesteld zolang de betwiste rechterlijke beslissing niet is uitgewist door middel van de beschikbare rechtsmiddelen.

B.13.2. Wanneer, zoals te dezen, de aangevoerde fout is begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie en wanneer die fout, wegens de beperkte rechtsmiddelen, niet kan leiden tot de herroeping, de vernietiging, de wijziging of de intrekking van haar beslissing, wordt aan het slachtoffer echter tegelijkertijd het recht ontzegd om de Staat aansprakelijk te stellen en de mogelijkheid om de vermeende onregelmatigheid die door die rechtsprekende instantie zou zijn begaan aan een jurisdictionele beoordeling te onderwerpen.

Het Hof dient te bepalen of een dergelijk gevolg, dat eigen is aan de fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, evenredig is ten opzichte van de nagestreefde doelstelling.

B.14. Bij ontstentenis van elke kans om de onregelmatigheid, die zogenaamd zou zijn begaan door de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, door middel van de beschikbare rechtsmiddelen te laten sanctioneren, is het recht voor de persoon die zich door die onregelmatigheid geschaad acht om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen in een rechtsstaat van des te crucialer belang.

Het is immers precies in een dergelijk geval – wanneer er geen dienstige rechtsmiddelen bestaan aan het einde waarvan de betwiste beslissing kan worden vernietigd, hetgeen het meestal mogelijk maakt de schade van de bij die beslissing afgewezen partij ten minste grotendeels, te vermijden of te herstellen – dat het recht om een herstelvordering in te stellen – laatste redmiddel om niet de genoegdoening voor zijn aanspraak voor de rechterlijke instantie waarvan de beslissing wordt bekritiseerd, maar enkel een schadeloosstelling te verkrijgen – het meest noodzakelijk is.

B.15. Zolang de betwiste beslissing niet is uitgewist, kan het feit te beletten dat het slachtoffer van een fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie, de aansprakelijkheid van de Staat in het geding kan brengen, ten opzichte van de nagestreefde doelstelling onevenredige gevolgen met zich meebrengen.

B.16. De noodzaak een evenwicht tussen het rechtszekerheidsbeginsel, enerzijds, en het recht op toegang tot de rechter, anderzijds, te vrijwaren vereist echter dat de Staat slechts aansprakelijk kan worden gesteld indien de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie een voldoende gekwalificeerde schending begaat van de toepasselijke rechtsregels.

B.17. In dat opzicht dient erop te worden gewezen dat de onmogelijkheid om ten laste van de Staat de vergoeding te verkrijgen van een door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie begane lichtere fout zolang de in het geding zijnde beslissing niet is uitgewist, geen onevenredige aantasting van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals het is gewaarborgd bij art. 6 en 13 EVRM, met zich meebrengt.

B.18.1. Zonder dat het noodzakelijk is zich af te vragen of het voor de verwijzende rechter hangende geschil betrekking heeft op een recht, dat – wat meer is – van burgerlijke aard is, in de zin van art. 6 EVRM (zie in dat verband echter EHRM, Grote Kamer, 19 oktober 2005, Roche t/ Verenigd Koninkrijk, §§ 116 e.v.; EHRM, beslissing, 13 oktober 2009, Panjeheighalehei t/ Denemarken), volstaat het immers vast te stellen dat het door dat artikel gewaarborgde recht op toegang tot de rechter niet absoluut is en, zoals in overweging B.12 in herinnering is gebracht, impliciet aanvaarde grenzen kent.

Tot die aanvaardbare beperkingen behoren de maatregelen waarbij aan sommige slachtoffers het recht wordt ontzegd om vergoeding te verkrijgen voor de schade veroorzaakt door een fout van de overheid voor zover “een hele reeks van burgerlijke rechtsvorderingen” niet “aan de bevoegdheid van de rechtbanken” is onttrokken en voor zover “uitgebreide groepen of categorieën van personen” niet “van elke burgerrechtelijke aansprakelijkheid” zijn vrijgesteld (EHRM, Grote Kamer, 14 december 2006, voormeld, § 97).

B.18.2. De regel krachtens welke, zolang de betwiste beslissing niet is uitgewist, alleen de voldoende gekwalificeerde schending, door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, van de toepasselijke rechtsregels, het mogelijk maakt de Staat aansprakelijk te stellen wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie, beperkt zich er echter toe “de contouren te preciseren van de delictuele aansprakelijkheid” van de Staat (ibid., § 112) zonder “een onschendbaarheid, in de feiten of in de praktijk” te verankeren “wegens het vermeend absolute of algemene karakter ervan”, aangezien hij “slechts” betrekking heeft “op één aspect van de uitoefening van de bevoegdheden en plichten van de overheid en niet in die zin kan worden beschouwd dat hij tot gevolg heeft gehad een hele reeks van burgerlijke rechtsvorderingen willekeurig aan de bevoegdheid van de rechtbanken te onttrekken” (EHRM, Grote Kamer, 10 mei 2001, Z. e.a. t/ Verenigd Koninkrijk, § 98).

Ten aanzien van art. 6 EVRM beperkt die regel zich er dus toe “de omvang van de controle die een rechter kan uitoefenen op” een jurisdictionele handeling te beperken.

B.19. Wat vervolgens de inachtneming van art. 13 EVRM betreft, wijst het Hof er allereerst op dat de voor de verwijzende rechter bekritiseerde beslissing van de Raad van State betrekking heeft op een betwisting van electorale aard, die buiten het toepassingsgebied van art. 6 EVRM valt.

Zonder dat het noodzakelijk is te bepalen of een ander van de bij het EVRM of de Aanvullende Protocollen ervan gewaarborgde rechten kon zijn geschonden door de in het geding zijnde beslissing van de Raad van State, volstaat het bovendien vast te stellen dat de procedurele waarborgen ten aanzien van de toegang tot een daadwerkelijk rechtsmiddel, vervat in art. 13 EVRM, minder strikt zijn dan die welke zijn vastgelegd bij art. 6 van het Verdrag en dat ze dus in elk geval niet door de in het geding zijnde bepaling zoals geïnterpreteerd in overweging B.16 kunnen zijn geschonden (EHRM 12 januari 2010, Grieks-katholieke parochie Sâmbata Bihor t/ Roemenië, § 85; EHRM 15 juli 2003, Ernst e.a. t/ België, §§ 80-81).

B.20.1. Hoewel een lichte fout even aanzienlijke schade met zich kan meebrengen als een zware fout, dient ten aanzien van de afzonderlijk gelezen art. 10 en 11 van de Grondwet rekening te worden gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend.

Het nastreven van een billijk evenwicht tussen het rechtszekerheidsbeginsel, enerzijds, en het recht op toegang tot de rechter, anderzijds, kan aldus verantwoorden dat het recht op de volledige vergoeding van de schade veroorzaakt door een fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie slechts wordt gewaarborgd, zonder de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing te vereisen, indien de rechterlijke instantie op voldoende gekwalificeerde wijze een toepasselijke rechtsregel heeft geschonden.

B.20.2. Vereisen dat de fout begaan door de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie aantoonbaar en ernstig is, maakt het bovendien mogelijk het risico op vergissingen te verminderen bij de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid en die ermee is belast de onwettigheid van de beslissing die is genomen of van de procedure die is gevolgd door een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie alleen te beoordelen, vergissingen die zelf aanleiding zouden kunnen geven tot een opeenvolging van aansprakelijkheidsvorderingen.

B.21. Rekening houdend met de noodzaak om de waarborgen te harmoniseren die zijn toegekend door het recht van de Europese Unie, enerzijds, en door het interne recht, anderzijds, houdt het Hof rekening met de rechtspraak van het Hof van Justitie, krachtens welke de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie die op voldoende gekwalificeerde wijze een bepaling van het recht van de Europese Unie schendt die ten doel heeft aan de particulieren rechten te verlenen, de Staat aansprakelijk maakt tegenover de particulier die aantoont dat die schending hem een nadeel heeft berokkend, waarbij de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering, die door de lidstaten kunnen worden bepaald in het kader van hun procedurele autonomie, bovendien de uitoefening van een dergelijk voorrecht niet “in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk” mogen maken (zie: HvJ 30 september 2003, Köbler, C-224/01, punten 34, 47 en 53-59, en, over de grenzen van de procedurele autonomie van de lidstaten: HvJ 12 december 2013, Test Claimants in the Franked Investment Income Group Litigation, C-362/12, punten 31-32).

B.22. Het Hof van Justitie dat moest preciseren wat het verstond onder een voldoende gekwalificeerde schending van de rechtsregels van de Unie, heeft geoordeeld:

“Om te bepalen of aan die voorwaarde is voldaan, dient de nationale rechter bij wie een schadevordering aanhangig is, rekening te houden met alle elementen die de aan hem voorgelegde situatie kenmerken.

“Die elementen zijn onder meer: de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel, de vraag of de schending opzettelijk is begaan, de al dan niet verschoonbaarheid van de rechtsdwaling, het eventueel door een gemeenschapsinstelling ingenomen standpunt en de schending door de betrokken rechter van zijn verplichting om op grond van artikel 234, derde alinea EG, een prejudiciële vraag te stellen.

“In ieder geval is een schending van het gemeenschapsrecht voldoende gekwalificeerd, wanneer ’s Hofs rechtspraak op het gebied bij het nemen van de betrokken beslissing kennelijk is miskend (zie, in deze zin: arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 57)” (HvJ 30 september 2003, voormeld, punten 54-56; EHRM, Grote Kamer, 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo, C-173/03, punt 32).

Teneinde het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen, staat het aan de aansprakelijkheidsrechter rekening te houden met dergelijke elementen teneinde te bepalen of de door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie begane fout, buiten de toepassingssfeer van het recht van de Europese Unie, een voldoende gekwalificeerde schending vormt van de toepasselijke rechtsregels.

B.23. Daaruit volgt dat art. 1382 BW niet verenigbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie volgens welke het, zolang de in het geding zijnde rechterlijke beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, het niet mogelijk maakt de Staat aansprakelijk te stellen wegens een fout begaan in de uitoefening van haar rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, wanneer die rechterlijke instantie de toepasselijke rechtsregels op voldoende gekwalificeerde wijze heeft geschonden, terwijl die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen die beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen.

B.24. Het Hof doet echter opmerken dat de in het geding zijnde bepaling een andere interpretatie kan krijgen volgens welke het feit dat de betwiste beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd niet tot gevolg heeft te beletten dat de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid de Staat kan veroordelen wegens een fout begaan door een rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie en die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, wanneer die fout een voldoende gekwalificeerde schending vormt van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen.

B.25. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling verenigbaar met art. 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 6 en 13 EVRM.

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 14:14
Laatst aangepast op: za, 23/12/2017 - 10:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.