-A +A

Aansprakelijkheid ouders

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend

Immanuel Kant: 'De mens is het enige wezen dat opvoeding nodig heeft.'

rechtsleer: de aansprakelijkheid van ouders en onderwijzers in dossiers tijdschrift van de vrede en de politie rechters 2007

 

uittreksel uit het burgerlijk wetboek:

Art. 1384
Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.
[De vader en de moeder zijn aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen.]
De meesters en zij die anderen aanstellen, voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.
De onderwijzers en de ambachtslieden, voor de schade door hun leerlingen en leerjongens veroorzaakt gedurende de tijd dat deze onder hun toezicht staan.
De hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders, onderwijzers en ambachtslieden bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten.

Artikel 1384, lid 2 B.W. stelt jegens de vader en de moeder een weerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid in. De aansprakelijkheid kan weerlegd worden door het bewijs te leveren dat de feiten die aan de grondslag liggen van de schade niet het gevolg is van een gebrek aan toezicht of een tekortkoming in de opvoeding van hun minderjarig kind. Vanzelfsprekend kan daarnaast ook overmacht worden ingeroepen (Cass. AR 8308, 23 februari 1989).

Commentaar:

Toezicht:

Toezicht betekent niet dat de ouders ononderbroken en voortdurend naar de kinderen dienen te kijken en hen geen enkel moment uit het oog mogen verliezen. Rb. Antwerpen 22 december 1999, A.J.T. 1999-00, 754.
 

Ouders:

Om de aansprakelijkheid van de ouders weerhouden dient er steeds een door de wet vastgestelde afstamming (desnoods adoptief) band tussen de dader van het schadelijk feit en de personen die aangesproken worden, bestaan. Derhalve kunnen niet worden aangesproken in de zin van artikel 1384 tweede Burgerlijk Wetboek: de zorg ouder, meeouder, stiefouders, grootouders, broers en zusters, om zijn tantes, voogd en toeziende voogd, instellingen of personen belast met toezicht op het kind.

Het feit dat het ouderlijk gezag exclusief aan een ouder werd toegekend, belet niet dat de andere ouder ook kan aangesproken worden op grond van artikel 1384 lid twee B.W. Ook de echtscheiding doet geen afbreuk aan de aansprakelijkheid op grond van artikel 1384 lid twee Burgerlijk Wetboek. Een ouder wordt ook vermoed aansprakelijk te zijn, zelfs wanneer de minderjarige niet materieel onder zijn bewaring staat op het ogenblik van het schadeverwekkend feit.

Zelfs wanneer de kinderen op het ogenblik van het schade verwekkend tijd onder toezicht van derden staan, blijft nog de aansprakelijkheid van de ouders gelden.

minderjarige:

De aansprakelijkheid van artikel 1384 tweede lid Burgerlijk Wetboek geldt enkel ten aanzien van minderjarigen. Ingevolge de wet van 19 januari 1990, impliceert dit een persoon van minder dan 18 jaar. Op de vraag of de aansprakelijkheid ook geldt ten aanzien van de ontvoogde minderjarige en de verlengde minderjarigen bestaat verdeeldheid in de rechtsleer (zie de aansprakelijkheid van ouders en onderwijzers in dossiers tijdschrift van de vrederechters, 2007, pagina 26 en volgende) .

Fout

Opdat de ouders aansprakelijk zouden zijn moet er sprake zijn van een onrechtmatige daad maar niet noodzakelijk begaan door iemand die schuldbekwaam is.

Indien het kind de jaren des onderscheids nog niet heeft bereikt en een onrechtmatige daad stelt, spreekt men van een objectief onrechtmatige daad.

Het kind is dan niet aansprakelijk maar alsdan geldt wel het vermoeden van aansprakelijkheid van de ouders.

Ook geesteszieke kinderen kunnen een objectieve onrechtmatige daad stellen, die resulteert in de ouderlijke aansprakelijkheid meebrengt.

Evenwel kunnen ook voor geesteszieke kinderen de ouders proberen het tegenbewijs van goede opvoeding en toezicht te leveren.

Indien een geestesziek kind op basis van art. 1386bis BW wordt aangesproken, en in billijkheid slechts tot een gedeeltelijke schadevergoeding wordt veroordeeld, kunnen de ouders zich daarop niet beroepen om ook slechts een gedeeltelijke schadevergoeding te betalen.

de aansprakelijkheid in solidum van de ouders

Indien er geen sprake is van een fout in hoofde van het slachtoffer betalen zij de volledige schadevergoeding.

Ouders en kinderen zijn in solidum aansprakelijk: elk van hen is in principe gehouden tot volledige schadevergoeding van het slachtoffer.

Wanneer de jeugdrechtbank in het kader van een maatregel omwille van een als misdrijf omschreven feit ook een burgerlijke vordering moet beoordelen, moet zij de jongere en de burgerlijk verantwoordelijken hoofdelijk veroordelen tot de schade.

het verweerder van de ouders-tegenbewijs door de ouders

Het vermoeden in hoofde van ouders kan worden weerlegd middels artikel 1384 vijfde lid van het B.W. stellende dat de aansprakelijkheid ophoudt indien de ouders bewijzen dat zij de onrechtmatige daad van hun kind niet hebben kunnen beletten

Cassatie stelde (Cass. 23 februari 1989, Pas. 1989, I, 649; J.T. 1989, 235) dat het bewijs van overmacht niet de enige mogelijkheid is om het vermoeden van aansprakelijkheid te weerleggen. Het volstaat om aan te tonen dat de ouders hebben voldaan aan hun plicht tot toezicht en (dus dubbele voorwaarde) dat hen geen enkel gebrek in de opvoeding kan worden verweten.

Dat de ouders op het ogenblik van de feiten niet bij hun kind aanwezig waren en dus ook geen toezicht konden uitoefenen maakt geen afdoend verweer uit. Goed toezicht uitoefenen impliceert ervoor zorgen in de buurt te zijn of dat een derde die toezicht kan uitoefenen in de buurt is (Brussel 15 januari 1988, R.G.A.R..,1989, 11541).

Maar anderzijds neemt de rechtspraak wel  aan dat kinderen die door jeugdrechter zijn toevertrouwd aan een instelling (Antwerpen 23 februari 1984, R.G.A.R.1989 nr. 11007; Brussel 20 januari 1994, Journ.Dr.Jeun. 1994, nr 133, 62). of kinderen die op school (Cass. 21 december 1989, Pas., 1990, I, 501; Cass. 23 februari 1989, J.T. 1989, 235.), dan wel internaat verblijven niet onder het toezicht van de ouders kunnen staan.

Vanuit dezelfde gedachte zal in een echtscheiding of feitelijke scheiding de ouder bij wie het kind niet verblijft gemakkelijker kunnen aantonen dat hij niet is tekortgeschoten in zijn toezicht.

De vereiste van toezicht neemt af met de leeftijd. Een negenjarig kind mag alleen buiten met de bal spelen bij een autoweg (Luik 21 februari 1994, Bull. Ass. 1994, 452) en een zeventienjarige moet alleen kunnen uitgaan zonder dat dit een gebrek aan toezicht uitmaakt (Brussel 15 december 1983, R.G.A.R.,1985, nr. 10944).

De goede opvoeding:

Basisidee: het welopgevoede kind begaat geen enkele fout

in de rechtspraak zijn twee strekkingen:

1. het schadeverwekkend gedrag op zich beschouwd als bewijs van een slechte opvoeding met een onweerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid tot gevolg.
2. vaststelling dan wel veronderstelling dat ouders toch hun best doen of verschuiving van de oorzaak naar het aan het milieu waarin de jongeren vertoeven.In deze optie zijn de ouders niet aansprakelijk.

Rechtspraak:

•Bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van de ouders zou het voor deze nuttig kunnen zijn om de dossiers te kunnen inzien die in het kader van de jeugdbeschermingsmaatregelen werden aangelegd, dit teneinde aan te tonen dat hen een fout in de opvoeding om het toezicht kan worden ten lastegelegd.

De ouders hebben evenwel geen inzage in deze dossiers op grond van de art. 48, 51, 55 en 77 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.

Aan het arbitragehof met de vraag voorgelegd in hoeverre deze bepalingen niet strijdig zijn met de grondwet. het arbitragehof heeft op deze vraag ontkennend geantwoord.

(Arbitragehof nr. 153/2004, 15 september 2004 (prejudiciële vraag).

• Hof van Cassatie, 3e Kamer – 4 juni 2012, RW 2014-2015, 59 

Samenvatting:

De aansprakelijkheid van de ouders voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen vereist dat de schade werd veroorzaakt door een objectief onrechtmatige daad van de minderjarige. De afwezigheid van schuld ingevolge de jeugdige leeftijd van de minderjarige of een andere grond van ontoerekenbaarheid, zoals morele dwang, blijft hierbij buiten beschouwing.

De opzettelijke fout bedoeld in art. 8, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst, kan niet worden ingeroepen tegen de persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor degene die deze fout begaat en hiervoor verzekerd is.

De bij zijn ouders inwonende minderjarige die een opzettelijke daad heeft begaan, is een verzekerde en geen derde in de zin van art. 41 Wet Landverzekeringsovereenkomst in het raam van de door de ouders gesloten gezinsaansprakelijkheidsverzekering.

Tekst arrest

AR nrs. C.10.0734.N, C.11.0177.N en C.12.0070.N

NV M.V. t/ J.C. e.a.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 11 februari 2010.

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Voeging

1. De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Ze dienen te worden gevoegd.

Middel van de eiseres I

Eerste onderdeel

2. Art. 8, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat niettegenstaande enig andersluidend beding, de verzekeraar niet verplicht kan worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.

De opzettelijke fout zoals bedoeld in voormeld art. 8, eerste lid, kan niet worden ingeroepen tegen degene die voor de persoon die deze begaat, burgerrechtelijk aansprakelijk is en hiervoor verzekerd is.

3. De appelrechters oordelen dat:

– over de persoonlijke aansprakelijkheid van de vierde verweerster reeds uitspraak werd gedaan in het arrest van het Hof van Assisen te Brugge van 31 mei 2005;

– de derde verweerder medeaansprakelijk is voor de aanslag gepleegd op de eerste verweerder en de eiseres ingevolge deze opzettelijke fout zijn persoonlijke burgerrechtelijke aansprakelijkheid niet moet dekken;

– de vierde verweerster eveneens aansprakelijk is op grond van art. 1384, tweede lid BW voor de daden van de derde verweerder;

– de vierde verweerster het op haar rustend vermoeden van fout in de opvoeding of gebrek in het toezicht niet weerlegt.

4. Door op deze gronden te oordelen dat de eiseres niet kan gehouden zijn dekking te verlenen wat de persoonlijke burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de vierde verweerster betreft, maar dat zij er wel toe gehouden is dekking te verlenen voor de kwalitatieve aansprakelijkheid van de vierde verweerster als burgerrechtelijk aansprakelijke voor de derde verweerder, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
...

Middel van de eisers II

Eerste onderdeel

6. Art. 1384, tweede lid BW bepaalt dat de vader en de moeder aansprakelijk zijn voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen.

Deze aansprakelijkheid vereist dat de schade werd veroorzaakt door een objectief onrechtmatige daad van de minderjarige. De afwezigheid van schuld ingevolge de jeugdige leeftijd van de minderjarige of een andere grond van ontoerekenbaarheid, zoals morele dwang, blijft hierbij buiten beschouwing.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
...

Middel van de eiser III
...

11. Art. 41, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verzekeraar die de schadevergoeding heeft betaald, in de rechten en rechtsvorderingen van de verzekerde of de begunstigde treedt tegen de aansprakelijke derden.

12. De bij zijn ouders inwonende minderjarige die een opzettelijke daad heeft begaan, is een verzekerde en geen derde in het raam van de door de ouders gesloten gezinsaansprakelijkheidsverzekering.

13. De appelrechters oordelen dat:

– de eiser een opzettelijke fout heeft begaan waarvoor de verweerster geen dekking moet verlenen;

– de verweerster dekking moet verlenen aan M.P., moeder van de eiser, op grond van haar kwalitatieve aansprakelijkheid;

– de verweerster die gehouden is het slachtoffer te vergoeden, gesubrogeerd is in de rechten van M.P. tegen de eiser;

– de eiser zich niet kan beroepen op de uitsluiting van het subrogatoir verhaal van de verzekeraar op de bloedverwanten in neerdalende lijn zoals bepaald in art. 41, vierde lid Wet Landverzekeringsovereenkomst.

14. De appelrechters die aldus te kennen geven dat de eiser geen verzekerde is, maar een derde in de met de verweerster gesloten verzekeringsovereenkomst en de eiser veroordeelt om de verweerster te vrijwaren voor een zevende van de bedragen waartoe zij wordt veroordeeld, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

•• Pol. Brussel: 16 december 1998, T. Pol. , 2008,11:

Aansprakelijkheid inrichtende macht na vaststelling dat geknoeid was met aanwezigheidslijsten, een kind dat nadien een auto stal en schade veroorzaakte. Medeverantwoordelijkheid van ouders en risicoaanvaarding van de passagier die in het voertuig plaatsnam.
 

•• Cass. (2e k.) AR P.02.0095.N, 12 november 2002 NjW 2002, afl. 15, 534;  R.W. 2006-07, afl. 18, 758

De wetsbepaling volgens dewelke de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, het recht behoudt om toezicht te houden op de opvoeding van het kind, hieromtrent bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie kan inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank kan wenden staat niet in de weg aan de toepassing van het vermoeden van aansprakelijkheid, in zoverre dit op een fout in de opvoeding berust, op de ouder die aldus slechts een beperkt recht op persoonlijk contact heeft (art. 374, lid 4 en 1384, lid 2 B.W.).

Wanneer het kind op het ogenblik van het schade verwekkende feit op school is, dan ontsnappen de ouders aan hun aansprakelijkheid, gezien op dat ogenblik de school verantwoordelijk is op grond van de aansprakelijkheid van de onderwijzers. (Cass., 22 september 1978, Arr. Cass., 1978, 96; Pas., 1979, I, 108).

Het vermoeden van aansprakelijkheid uit artikel 1384, lid 2 B.W. berust ofwel op een fout in de opvoeding ofwel op een fout in de bewaking. Beide fouten moeten niet noodzakelijk samen bestaan ( Cass. AR 8373, 28 september 1989; Cass. AR 8595, 21 december 1989; Cass. AR P.94.1363.F, 5 april 1995).

De aard van de gepleegde feiten kan wijzen op een gebrek aan opvoeding. Wanneer het kind derhalve onder de bewaking staat van een derde en een schade verwekkend feit pleegt, kunnen de ouders aansprakelijk gesteld worden niettegenstaande zij geen toezicht uitoefenden, maar omdat uit omstandigheden van de zaak een gebrek aan opvoeding bleek.(Cass., 20 april 1982, Arr. Cass., 1982, 1003; R.W., 1983-84, 2977; Pas., 1982, I, 944; Cass., 30 mei 1984, Arr. Cass., 1983-84; 1286; Pas., 1984, I, 1200); Cass., 28 april 1987, Arr. Cass., 1986-87, 1138; Pas., 1987, I, 1004; R.W., 1987-88, 434.

Ouders kunnen perfect aansprakelijk worden gesteld op grond van artikel 1384 tweede lid van het Burgerlijk Wetboek voor een geestesonbekwaam kind. Op grond van artikel 1386 bis Burgerlijk Wetboek kan een geestesonbekwame  minderjarige veroordeeld worden om een deel van de schade te betalen.dit belet niet dat de ouders worden aangesproken om de volledige aansprakelijkheid te vergoeden.

Wanneer een minderjarige met toepassing van artikel 1386bis B.W. veroordeelt wordt om slechts een deel van de door hem veroorzaakte schade te betalen, kan de rechtbank niet op die grond de vergoeding beperken die op grond van artikel 1384, tweede lid, B.W. ten laste komt van de ouders ( Cass. AR 8744, 18 oktober 1990).

Om de aansprakelijkheid van de ouders te weerhouden op grond van art. 1384, tweede lid B.W dient niet alleen een fout in de opvoeding of in het toezicht te worden bewezen maar tevens een oorzakelijk verband tussen de vermoedelijke fout en de veroorzaakte schade ( Cass. (2e k.) AR P.99.0652.F, 20 oktober 1999).

Nadat de ouders zijn aangesproken op grond van artikel 1384 tweede lid Burgerlijk Wetboek,  kunnen zij een verhaal uitoefenen t.a.v. hun kinderen. Ingevolge art. 22 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874 is de verzekeraar die de schade heeft betaald gesubrogeerd in alle rechten van de verzekerde en kan bij derhalve een verhaal uitoefenen tegen het kind dat de schade heeft veroorzaakt ( Cass. (1e k.) AR C.96.0161.N, 20 januari 2000).

Ook de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent kan worden aangesproken op grond van art. 1384, tweede lid in zoverre er een fout in de opvoeding wordt weerhouden.( Cass. (2e k.) AR P.02.0095.N, 12 november 2002).

•Wanneer de ouder terzelfdertijd de werkgever is van het kind wordt zijn aansprakelijkheid ingevolge artikel 1384 tweede lid van het Burgerlijk Wetboek hierdoor niet verminderd. de werkgever-ouder kan zich dan ook niet bevrijden van de op hem rustende aansprakelijkheid op grond van artikel 1384, tweede lid B.W. door het bewijs te leveren dat hij zich bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet schuldig gemaakt heeft aan bedrog, zware schuld of gewoonlijk voorkomende lichte schuld ( Cass. (1e k.) AR C.00.0354.N, 14 februari 2003).

Een vrouw nam haar vijfjarig zoontje mee naar het café waar zij haar arbeidsovereenkomst uitvoerde. Tijdens haar werk bevond het kind zich in het woongedeelte van de werkgever. Het stichtte daar brand. De brandverzekeraar van de eigenaar van het pand, gesubrogeerd in de
rechten van de eigenaar, stelde tegen de moeder een aansprakelijkheidsvordering in. De moeder beriep zich op artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Het Hof wijst erop dat het vermoeden van aansprakelijkheid in artikel 1384, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek steunt op de verplichting van de ouders om hun kinderen een passende opvoeding te geven en er toezicht op te houden. Op grond hiervan oordeelt het Hof dat deze verplichting niets uit te staan heeft met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de ouder. De ouder kan zich bijgevolg niet bevrijden van de aansprakelijkheid op grond van artikel 1384, tweede lid, door te bewijzen dat hij zich bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst niet schuldig heeft gemaakt aan bedrog, zware schuld of gewoonlijk voorkomende lichte schuld.

Bij wijze van vergelijking kan worden verwezen naar een arrest van 25 januari 1993. Dat arrest betrof de aansprakelijkheid van de onderwijzer krachtens artikel 1384, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval maakt het toezicht wel deel uit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de onderwijzer.

•• Antwerpen 2 februari 2005, NjW 2005, afl. 128, 1207, noot JOCQUE, G.

Ingevolge de schade die opzettelijk werd veroorzaakt door een minderjarige, werden de ouders door de jeugdrechter op grond van artikel 1384 lid 2 B.W. veroordeeld om de schadelijders te vergoeden. De ouders vorderen van hun gezinsaansprakelijkheidsverzekeraar terugbetaling van hun uitgaven ten voordele van de schadelijders. Deze verzekeraar weigert dekking te verlenen gezien de schade opzettelijk werd veroorzaakt. Het hof van beroep oordeelt dat artikel 8 lid 1 Wet Landverzekeringsovereenkomst een persoonlijk verval van recht uitdrukt. Artikel 8 lid 1 Wet Landverzekeringsovereenkomst schrijft voor dat de verzekeraar niet verplicht kan worden dekking te verlenen aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt. De ouders die op grond van artikel 1384 lid 2 B.W. aansprakelijk zijn voor de door hun minderjarig kind opzettelijk veroorzaakte schade, kunnen aanspraak maken op dekking van hun gezinsaansprakelijkheidsverzekering. Het hof van beroep willigt de vordering van de ouders aldus in en veroordeelt de verzekeraar om zijn waarborg te verlenen.

•• Antwerpen 1 april 1987, R.G.A.R. 1989, nr. 11.449.

De moeder (weduwe) van de 17-jarige dief geeft geen blijk van een foutieve opvoeding als haar zoon blijkbaar een sporadisch onevenwicht vertoont.
Het toezicht over een 17-jarige, loontrekkende zoon, kan zich niet tot al zijn daden en zonder onderbreking in de tijd uitstrekken.

•• Brussel (jeugdkamer) 4 maart 1996, Verkeersrecht 1996, 179.

De diefstalverzekeraar van een motorrijtuig dat werd gestolen door een minderjarige kan van deze laatste en van zijn ouders de terugbetaling vorderen van zijn uitgaven, gedaan met het oog op de vergoeding van de schade aan dit voertuig, aangebracht door derden nadat het voertuig door de dader op de openbare weg was achtergelaten.

•• Brussel 30 juni 1989, Verkeersrecht 1990, 307, noot.

Ouders die hun 15-jarige zoon een lange tijd alleen laten en bovendien de autosleutels niet verbergen, getuigen van een gebrek aan toezicht en zijn dus aansprakelijk voor de schade die de zoon met de gezinswagen veroorzaakt.

•• Brussel 15 november 1988, Rev. trim. dr. fam. 1989, 198; , Verkeersrecht 1990, 89, noot.

De ouders zijn in beginsel krachtens art. 1384, lid 2 B.W. burgerrechtelijk aansprakelijk voor de fouten van hun geadopteerde zoon. De ouders slaagden erin het aansprakelijkheidsvermoeden om te keren, gezien zij niet moeten instaan voor de gevolgen van een verkeerde opvoeding door diegene die het kind vóór hen onder zijn hoede had.

• • Gent 13 mei 2004, T. Verz. 2006, afl. 2, 249; , NjW 2004, afl. 90, 1279, noot BOONE, I.

Tijdens een motorcrosswedstrijd mist een jonge bestuurder de bocht en verwondt hierbij een vijftal toeschouwers. Er werd een fout in hoofde van de minderjarige weerhouden. Er werd eveneens een fout weerhouden in hoofde van de organisatoren gezien zij onvoldoende veiligheidsvoorschriften inachtnamen. De ouders van de minderjarige piloot worden niet aansprakelijk gesteld. Het behoort aan de ouders het tegenbewijs van de vermoede fout in de opvoeding of toezicht te leveren. Daarbij zijn de plicht van opvoeding noch de vereiste van voldoende toezicht resultaatverbintenissen, maar inspanningsverbintenissen (artikel 1384 tweede lid B.W.). De ouders leveren het vereiste tegenbewijs, aangezien blijkt dat het schadeveroorzakende kind een gewone schoollopende tienjarige jongen is, die sport uitoefende onder deskundige begeleiding. Het loutere feit dat deze jongen tijdens een oefensessie een ernstige behendigheidsfout beging, doet hieraan geef afbreuk.

•• Luik (20e k.) nr. 2000/RG/1159, 28 mei 2003, T. Verz. 2004, afl. 4, 772.

Er ontstaat een brand in een woning nadat twee kinderen van 5 jaar en speelden met lucifers en stichten zo brand in een gebouw. De ouders waren afwezig en het toezicht was toevertrouwd aan een babysit van 14 jaar.

Het gedrag dat erin bestaat stiekem lucifers te pakken en te proberen verschillende voorwerpen aan te steken, alvorens een teddybeer in brand te steken, wijst erop dat de kinderen van vijf jaar wisten hoe ze lucifers konden gebruiken, wat een tekortkoming in de opvoedingsplicht aantoont, aangezien de ouders niet voldoende de aandacht van hun kinderen op het mogelijke gevaar gevestigd hebben.
De babysit die op de twee kinderen moest letten, kan dan weer geen fout in het toezicht verweten worden, want zij diende niet op ieder ogenblik bij beide kinderen aanwezig te zijn, zodat het feit dat zij niet gemerkt had dat de kinderen de lucifers weggenomen hadden, geen schuldig gedrag is.
Wat de in de brandpolis opgenomen clausule met betrekking tot de afstand van verhaal betreft, die geldt maar:
- in zoverre de aansprakelijke persoon niet door een aansprakelijkheidsverzekering gedekt is;
- voor zover de aansprakelijke niet zelf verhaal kan nemen op enige andere aansprakelijke.

•• Rb. Brugge (10e k.) 11 januari 2001, Verkeersrecht 2002, afl. 4, 128.

Een 10-jarig kind, dat voor de eerste maal op een rijdier plaats neemt voor een proefritje, beschikt niet over de vereiste deskundigheid of bekwaamheid om zonder begeleiding een wildvreemd rijdier te berijden. De eigenaar dient zijn rijdier op een drukke paardenmarkt te begeleiden teneinde een proefritje in goede banen te leiden. Het maken van een proefrit door hun kind, waarbij de ouders er terecht op mochten vertrouwen dat de eigenaar als professionele paardenverkoper zijn eigen rijdier zou begeleiden, kan niet worden aangemerkt als een tekortkoming in de opvoedings- en toezichtplicht.

•• Rb. Brugge 20 januari 2000, Verkeersrecht 2001, 18.

Een minderjarige die manifeste inbreuken begaat op de verkeersreglementering geeft door zijn gedrag uiting van een tekortkoming in de opvoeding.

•• Rb. Doornik (1e k. B) 1 april 1999, T. Verz. 2004, afl. 2, 339.

Er ontstaat een brand in een hangar waar strobalen opgestapeld zijn doordat een veertienjarig meisje een sigarettenpeuk op de grond had gegooid  en waarna een vriendin tevergeefs trachtte de sigaret te doven.

De vriendin treft  geen schuld. De schade is het gevolg van een daad van het meisje dat rookte. Een 14-jarige beschikt over het noodzakelijke onderscheidingsvermogen om in te zien dat het gevaarlijk is om een sigarettenpeuk in het stro te gooien, en de mogelijke gevolgen daarvan in te schatten.
Er is sprake van burgerlijke aansprakelijkheid op grond van artikel 1382 B.W. en er is burgerlijke aansprakelijkheid van de ouders op grond van artikel 1384 B.W. wegens opvoedkundig verzuim. De vader, de moeder en het minderjarige kind zijn elk voor een derde aansprakelijk. Aangezien de moeder het hoederecht over het meisje heeft, zal de verzekeringsonderneming die namens de moeder optreedt, de aansprakelijkheid voor 2/3de op zich nemen.
Artikel 45 Wet Landverzekeringsovereenkomst is niet toepasselijk.

•• Rb. Brussel 30 juni 1998, T. Verz. 1999, 107, noot BELLEMANS, C.

Het vrijwillige beschadigen van een voertuig door een minderjarig kind leidt tot de aansprakelijkheid van de ouders niet alleen op basis van art.
1382 B.W. in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun
kind maar eveneens op basis van art. 1384, lid 2 B.W. in hun hoedanigheid
van ouders belast met de opvoeding van dit kind.
Gezien het flagrante gebrek aan opvoeding, heeft het geen belang dat dit kind al dan niet onder toezicht van de school is.

•• Rb. Veurne 12 mei 1989, Verkeersrecht 1990, 91.

Een kind dat op ongeveer 8 m van een oversteekplaats voor voetgangers plots de rijbaan overloopt zonder rekening te houden met een zeer dicht genaderd en goed zichtbaar voertuig en met diens vertragingsmogelijkheden, vormt een totaal onvoorzienbare en onvermijdbare hindernis in de zin van art. 10.1.3º Wegcode.

Een kind van 7 jaar is nog niet tot 'de jaren des onderscheids' gekomen; in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van het kind, kunnen de ouders van het kind dus niet worden aangesproken.

Als de grootmoeder toelating geeft aan het kind om de rijbaan over te lopen, terwijl een wagen vlakbij was, begaat zij een fout in oorzakelijk verband met de veroorzaakte aanrijding. De ouders zijn geenszins aansprakelijk op grond van art. 1384, lid 2 B.W.

•• Rb. Nijvel 22 november 1988, T. Verz. 1990, 535, noot J.R.

Als een 16-jarige jongen in afwezigheid van zijn ouders de motorfiets van zijn ouders wegneemt en gedurende de er opvolgende rit een ongeval veroorzaakt, zijn de ouders voor deze onrechtmatige daad van hun zoon aansprakelijk op grond van art. 1384, lid 2 B.W.

Het verhaal van de verzekeraar uit hoofde van een ongeval veroorzaakt door een persoon die niet gemachtigd is om het verzekerde voertuig te besturen kan, bij toepassing van art. 25, laatste lid van het modelcontract, slechts worden uitgeoefend tegen de verzekerde die het ongeval veroorzaakt heeft.

•• Rb. Luik 21 maart 1988, T. Verz. 1989, 469, noot J.R.

Een 19-jarige jongeman maakt van de afwezigheid van zijn ouders gebruik om de auto van zijn ouders weg te nemen en ermee te vluchten naar Parijs. Gezien de totale onvoorzienbaarheid van een dergelijke situatie voor de ouders in kwestie, kunnen zij niet aansprakelijk zijn in het kader van art. 1384, lid 2 B.W. als de zoon een ongeval veroorzaakt met de wagen.

De verhaalsvordering van de verzekeraar, op basis van art. 25, 6 modelcontract W.A.M., is gegrond wanneer het voertuig bestuurd werd door een persoon die niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden om dat voertuig te mogen besturen.

•• Rb. Marche-en-Famenne 12 oktober 1987, T. Verz. 1988, 696.

Een minderjarige veroorzaakt een verkeersongeval met zijn moto, maar het blijkt dat hij geen geldig rijbewijs bezit. Op grond van art. 1384 B.W. zijn de ouders aansprakelijk voor de veroorzaakte schade, tenzij zij bewijzen dat ze hun plicht tot toezicht en goede opvoeding hebben volbracht. Het feit dat zij zich niet hebben bekommerd om de vraag of hun zoon al dan niet een rijbewijs had, is een reden om het vermoeden van aansprakelijkheid niet om te keren.

•• Vred. Antwerpen (4) nr. 03A240, 6 juni 2005, T. Verz. 2006, afl. 2, 264.

Een vierjarig kind trekt zich op aan panelen die op een meter hoogte gestapeld staan in een doe het zelf zaak. Een aantal van die panelen vallen omver en het kind wordt gekwetst.
De aansprakelijkheid van de uitbater van de doe-het-zelf zaak wordt afgewezen (zowel op grond van 1384 lid 1 als op grond van 1382 BW). Dat vóór dergelijke panelen géén afsluiting geplaatst wordt, is vrij logisch: de klanten worden geacht de panelen zelf van de rekken te kunnen nemen. Op zich houdt dit helemaal géén intrinsiek gebrek van de panelen in noch kan het van de Doe-het-zelf zaak als foutief bestempeld worden deze panelen op die manier aan te bieden.
De ouders worden geacht bijzonder onvoorzichtig te zijn geweest door hun vierjarig kind "los" te hebben laten lopen in een doe-het-zelf zaak.

•• Politierechtbank te Brugge – 22 november 2004, R.W. 2007-2008, 208

Burgerlijke rechtspleging – Hoedanigheid – Ouders gedagvaard in hun hoedanigheid van wettige beheerders over de persoon en de goederen van hun minderjarige kinderen – Gevolg – Geen aansprakelijkheidsvordering tegen ouders in eigen naam – Mogelijkheid tot uitbreiding van de vordering op grond van art. 807 Ger. W.

Wanneer ouders in de de dagvaarding uitsluitend worden aangesproken in de hoedanigheid van ouders als wettige beheerders over de persoon en de goederen van hun minderjarig kind, wordt uitsluitend het minderjarig kind aangesproken, dat op het ogenblik van de dagvaarding nog minderjarig was en vertegenwoordigd werd door zijn ouders. Alsdan is de vordering niet gericht tegen de ouders in eigen naam, op wie krachtens art. 1384, tweede lid, B.W. een vermoeden van eigen aansprakelijkheid rust. Op grond van art. 807 Ger. W. is het niet mogelijk om tegen een verweerder een vordering in te stellen in een andere hoedanigheid dan die waarin hij werd gedagvaard.

1. Voornaamste feitelijke elementen en antecedenten

Op 5 juni 2001 omstreeks 16.00 u deed zich te Brugge langsheen de Maalsesteenweg ter hoogte van het kruispunt met de Vredestraat een aanrijding voor tussen een personenwagen Seat Ibiza, eigendom van R.T. (eiseres) en bestuurd door Van De C.W. (niet inzake), en een damesfiets Oxford, bestuurd door de destijds minderjarige G.L., geboren op 20 juni 1985 (gedinghernemende verwerende partij), dochter van de oorspronkelijk verwerende partijen. Het was zonnig weer, de zichtbaarheid was goed en het wegdek lag er droog bij.

De Maalsesteenweg is een openbare weg binnen de bebouwde kom, waar aan maximum 50 km per uur gereden mag worden. Hij omvat een rijbaan, die is onderverdeeld in drie rijstroken, één voor elke rijrichting, en een middenste rijstrook die dient om in te halen en voor te sorteren. Langs weerszijden van de rijbaan is er eerste een parkeerstrook in kasseien en daarnaast een fietspad.

De Maalsesteenweg is een voorrangsweg (verkeersbord B9). Gezien in de rijrichting naar Brugge is de Vredestraat een ondergeschikte weg aan de linkerkant (verkeersbord B1 en dwarsstreep gevormd door witte driehoeken die conform art. 76.2 Wegverkeersreglement op het wegdek is geschilderd).

L.G., geboren op 20 juni 1985 en dus bijna zestien jaar oud, reed op haar fiets in de richting Brugge, en zij reed daarbij op het fietspad aan de linkerkant, gezien in haar rijrichting. Zij verklaarde in verband met het eigenlijke ongeval in essentie dat ze wist dat ze rechts moest rijden, maar de Maalsesteenweg was volgens haar dermate gevaarlijk om over te steken, dat ze altijd tot aan het verkeerslicht rijdt om dan veilig te kunnen oversteken. Haar moeder had haar trouwens opgelegd om enkel over te steken aan de verkeerslichten en niet te midden van de straat. Ze fietste aan een normale snelheid, toen ze de Vredestraat passeerde. Uit het niets kwam plots een wagen uit de Vredestraat en het kwam tot een aanrijding. Zij viel en werd gewond.

De heer W.C. bestuurde de personenwagen Seat, ingeschreven op naam van mevrouw T.R. Hij zette in essentie uiteen dat hij vanuit de Vredestraat de Maalsesteenweg wilde oprijden naar rechts in de richting Sijsele. Hij diende het fietspad te dwarsen. Op het ogenblik dat hij op het fietspad was, werd hij aangereden door een fietser die van rechts kwam. Hij had de fietser niet opgemerkt, aangezien deze uit de verkeerde richting kwam.

De heer C. werd ambtshalve gedagvaard uit hoofde van het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen aan L.G. en een overtreding van art. 12.3.1, al. 2a, Wegverkeersreglement (en daarnaast ook voor vluchtmisdrijf). Hij werd door de Politierechtbank te Brugge, 7e kamer, blijkbaar veroordeeld voor de onopzettelijke slagen en verwondingen en de miskenning van de voorrangsregel en vrijgesproken voor het vluchtmisdrijf. Het vonnis wordt door de partijen niet voorgelegd, maar de inhoud ervan blijkt uit het vonnis dat in beroep werd geveld door de Correctionele Rechtbank te Brugge, rechtsprekend in beroep. De Correctionele Rechtbank bevestigde het vonnis van de Politierechtbank in al zijn schikkingen.

Mevrouw R. lijkt zich neer te leggen bij de beslissing van de Correctionele Rechtbank dat de heer C. de voorrangsregels heeft genegeerd, maar zij neemt het standpunt in dat ook mejuffrouw G. een fout heeft begaan die in causaal verband staat met het ongeval en met de schade aan haar wagen. Zij heeft de schade aan de wagen, vermeerderd met de accessoria, uiteindelijk begroot op 887,38 euro in hoofdsom. Zij meent dat de aansprakelijkheid verdeeld moet worden 4/5 ten laste van mejuffrouw G. en 1/5 ten laste van de heer C., en zij maakt dus aanspraak op betaling van 4/5 van haar schade, zijnde 709,92 in hoofdsom.

2. De hoedanigheid van verweerders

Als iemand het slachtoffer is of beweert te zijn van een onrechtmatige daad die werd gepleegd door een minderjarige met onderscheidingsvermogen (dat L.G., nagenoeg zestien jaar oud, onderscheidingsvermogen had, kan onmogelijk betwist worden), kan hij schadevergoeding vorderen tegen de ouders in eigen naam als burgerlijk aansprakelijken voor de daden van hun kind, en dit op grond van het wettelijk weerlegbaar vermoeden van eigen aansprakelijkheid van die ouders (art. 1384, tweede lid, B.W.). De ouders kunnen aan die eigen aansprakelijkheid ontkomen door te bewijzen dat ze noch een fout in de opvoeding, noch een fout in het toezicht hebben begaan. In dit geval gaat het, zoals gezegd, om een vordering tegen de ouders in eigen naam op grond van hun eigen (vermoede) aansprakelijkheid, en het slachtoffer kan, indien de vordering wordt toegekend, zijn schade verhalen op het eigen vermogen van de ouders, maar niet op het vermogen van het kind.

Het wettelijk ingestelde vermoeden van eigen aansprakelijkheid van de ouders belet niet dat de persoonlijke aansprakelijkheid van de minderjarige met onderscheidingsvermogen integraal blijft bestaan, zodat de benadeelde zich ook op grond van art. 1382 B.W. tegen het kind zelf kan keren. Doordat het kind minderjarig is, wordt het in recht echter vertegenwoordigd door zijn ouders als wettige beheerders over de persoon en de goederen van de minderjarige. Als de vordering wordt toegekend, kan het slachtoffer zijn schade verhalen op het eigen vermogen van het kind, maar niet op het vermogen van de ouders.

De benadeelde kan beide vorderingen natuurlijk cumuleren en een veroordeling nastreven zowel ten laste van de ouders, als ten laste van het kind.

In casu hebben de partijen in hun conclusies wel gedebatteerd over de eigen aansprakelijkheid van de dochter enerzijds en de eigen aansprakelijkheid van de ouders anderzijds, maar zij zijn daarbij volkomen voorbijgegaan aan de vraag tegen wie eiseres in de dagvaarding heeft gevorderd. Zij heeft vader en moeder G. gedagvaard «in hun hoedanigheid van ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen over en de goederen beheren van hun minderjarige dochter». Eiseres heeft dus, blijkens de dagvaarding, de ouders uitsluitend aangesproken in hun hoedanigheid van ouders als wettige beheerders over de persoon en de goederen van hun kind. Zij heeft met andere woorden uitsluitend het kind aangesproken, dat op het ogenblik van de dagvaarding nog minderjarig was en vertegenwoordigd werd door zijn ouders. Eiseres heeft haar vordering niet gericht tegen de ouders in eigen naam op grond van het wettelijk vermoeden van eigen aansprakelijkheid dat in art. 1384, tweede lid, B.W. is vastgelegd.

De hele discussie die partijen in conclusies voeren over de kwestie of de ouders er al of niet in slagen dat wettelijk vermoeden te weerleggen, is dus volstrekt overbodig: de ouders worden niet in eigen naam aangesproken op grond van dat wettelijk vermoeden. Eiseres vordert uitsluitend tegen het kind, en indien de vordering geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard wordt, zal eiseres uitsluitend het eigen vermogen van het kind kunnen aanspreken en niet dat van de ouders.

In dit verband zij eraan herinnerd dat de rechtspraak in die zin gevestigd is dat het onmogelijk is om een vordering met toepassing van art. 807 Ger. W. tegen een gedaagde in te stellen in een andere hoedanigheid dan die waarin hij is gedagvaard (Cass. 26 oktober 1995, R.W. 1996-97, 158, waar het ging om een vordering die oorspronkelijk werd gericht tegen de ouder als burgerlijk aansprakelijke op grond van art. 1384, tweede lid, B.W. en nadien in conclusies ook werd ingesteld tegen de ouder als wettige beheerder op grond van art. 1382 B.W.).

Zelfs als men zou aannemen dat in casu de moeder, hoewel zij enkel gedagvaard werd in haar hoedanigheid van ouder als wettige beheerder, zonder meer het debat aangaat over haar aansprakelijkheid als ouder als burgerlijk aansprakelijke, dan nog geldt dat niet voor de vader: hij werd uitsluitend gedagvaard in zijn hoedanigheid van ouder als wettige beheerder over de persoon en de goederen van zijn kind en niet in eigen naam. Hij heeft ervoor gekozen het debat niet aan te gaan, maar dat kan onmogelijk tot gevolg hebben dat de rechtbank hem zou kunnen veroordelen in een andere hoedanigheid dan die waarin hij gedagvaard is.

Deze Rechtbank dient vast te stellen dat huidige eiseres bijgevolg louter de veroordeling vordert van de destijds minderjarige dochter van de oorspronkelijke verweerders, thans gedinghernemende verwerende partij, zodat de oorspronkelijke verweerders door de gedingherneming uit het debat wegvallen en buiten zaak dienen te worden gesteld.

•• HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 25 oktober 2007 NJW 176, 128

Samenvatting:

De ouders van een minderjarige, die een verkrachting had gepleegd worden aansprakelijk gesteld op grond van artikel 1384 B.W. De ouders hebben immers de onrechtmatige handeling niet kunnen beletten. Het positieve tegenbewijs dat de onrechtmatige handeling een externe oorzaak heeft die volledig buiten de invloedssfeer ligt waarin ouders via toezicht en opvoeding over de daden van hun kinderen impact kunnen hebben, kan niet worden geleverd. Dit arrest werd evenwel op kritiek onthaald omdat het arrest erop neerkomt dat van zodra de fout van de minderjarige vaststaat hieruit de aansprakelijkheid van de ouders volgt, zonder mogelijkheid om alsnog het gebrek aan fout  in de opvoeding of het toezicht te kunnen inroepen en waardoor de enige ontsnappingsmogelijkheid het inroepen zou zijn van een externe oorzaak die dan zeer ruim geïnterpreteerd geen enkele band mag hebben met het ouderschap. Een en ander lijkt neer te komen op een objectieve aansprakelijkheid die strijdig is met de tekst van artikel 1384 lid 2 B.W. en de interpretatie hieraan gegeven door het Hof van Cassatie. Zie Evelien de Kezel, Ouderlijke aansprakelijkheid nieuwe stijl, Hof van beroep interpreteert art 1384 lid 2 BW à la Française, in Juristenkrant  12 maart 2008, pagina 3.

Tekst van het arrest

Aansprakelijkheid van de ouders

De eerste rechter heeft de ouders van  ... burgerlijk aansprakelijk verklaard voor de daden van hun minderjarige zoon, en dit op grond van de wettelijke bepaling van artikel 1384 al. 2 Burgerlijk wetboek.

De ouders van ...komen hiertegen in beroep en beweren dat zij geen fout treffen in de opvoeding noch in het toezicht over hun zoon, en dat zij dus niet aansprakelijk kunnen worden gesteld, hierbij steunend op de traditionele rechtspraak waaruit volgt dat het aansprakelijkheidsstelsel van de ouders steunt op een weerlegbaar vermoeden van fout in hoofde van de ouders hetzij in het toezicht dat zij moeten uitoefenen over hun minderjarig kind op het ogenblik van de feiten, hetzij meer algemeen een fout in de opvoeding.

Het hof wenst hierover de volgende bedenkingen te maken.

a. Principes

Er kan niet betwist worden dat de aansprakelijkheid van ouders voor de onrechtmatige daden van hun kinderen een essentieel pilaar is waarop onze rechtsstaat is gebouwd en dat deze regel essentieel de bescherming van de slachtoffers beoogt. Deze regel is ook een weerspiegeling van het feit dat het gezinsverband een basissteen is van onze maatschappij en dat de familiale solidariteit een fundamentele waarde is die moet worden vooropgesteld.

De principiële aansprakelijkheid van de ouders wordt bedongen in art. 1384 al. 2 B.W. Deze wetsbepaling stelt in de laatste alinea: "de hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders (...) bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft niet hebben kunnen beletten". Het Hof van Cassatie heeft herhaaldelijk en in een constante rechtspraak geoordeeld dat de aansprakelijkheid dat artikel 1384 2de lid B.W. ten aanzien van de ouders voor de onrechtmatige daad van hun minderjarige kinderen instelt, berust op een vermoeden van fout in het toezicht of in de opvoeding van de minderjarige.

Het bestaan van één
van die tekortkomingen is voldoende om de ouders aansprakelijk te verklaren zonder dat echter de aanvoering van beide fouten vereist is (Cass., 28 april 1987, R.W., 1987.- 88, 434). Volgens deze rechtspraak zou het laatste lid van het wetsartikel, hierboven geciteerd, van dit dubbel foutvermoeden een weerlegbaar vermoeden maken, waar­door de ouders de mogelijkheid hebben om
het tegenbewijs te leveren.

Het hof moet vaststellen dat men met deze theorie van de mogelijke weerlegging van het dubbel foutvermoeden (in toezicht en opvoeding) wordt geconfronteerd met een zeer onoverzichtelijke casuïstiek: daar waar de notie "gebrek aan toezicht" een concept is die min of meer duidelijk kan omlijnd worden, geeft het oordelen over de moge­lijke tekortkomingen in de opvoeding aan­leiding tot een rechtspraak die alle subjec­tieve richtingen uitgaat (H.. Vandenberghe, overzicht van rechtspraak, TPR, 1995, p. 1371 en TPR, 2000, p.1813).

Enerzijds trachten ouders (of BA-verzekeraars) ervan te overtuigen dat zij een goede opvoeding hebben gegeven aan hun kinde­ren of minstens dat zij niet zijn tekortgeko­men in de "verbintenis" die zij als ouders hebben opgenomen, welke door de recht­spraak inderdaad niet als een resultaatsverbintenis kan worden bestempeld. Gezien opvoeding een zeer complexe zaak is, en zich over vele jaren uitstrekt, is het duidelijk dat het leveren van een volledig bewijs van goede opvoeding omzeggens onmogelijk is en dat de verwachtingen van bewijsvoering dan ook redelijk en menselijk moe­ten zijn.

Anderzijds trachten de benadeelden van hun kant, om .deze argumentatie tegen te gaan, ergens een welbepaalde fout te be­schrijven in de manier waarop de ouders met hun kind zijn omgegaan, zonder nochtans enig inzicht of kennis te hebben van het leven van deze mensen en van de vele jaren tijdens dewelke de opvoeding van het kind normalerwijze heeft plaatsgevonden. Men weet bovendien dat de dossiers inzake de persoonlijkheid en het milieu van de minderjarige in jeugdbeschermingszaken niet aan de burgerlijke partijen ter kennis gebracht.

Ook wordt het gerecht ertoe geneigd, on­danks de bewijzen van alle goede daden van de ouders, een tekortkoming van de ouders te moeten uitzoeken en omschrijven om op gemotiveerde wijze de uitzonderingsregel te ontwijken. Met een dergelijke casuïstiek bestaat het gevaar dat de bewijslast eigenlijk wordt omgekeerd, wat niet wettelijk verant­woord is (H. Vandenberghe, overzicht van rechtspraak, TPR, z000, p.1813, nr. 112). Het hof meent bovendien dat • de manier waarop men dan een geïsoleerde daad van een kind tracht te koppelen aan een welomschreven fout van de ouders volledig kunst­matig is, vermits opvoeden een continu proces is waarbij zeer vele aspecten aan bod komen, en niet voor het minst de persoon­lijkheid en de geschiedenis van de ouders zowel als de persoonlijkheid en de geschiedenis van het kind.

Om zich te hoeden voor het gevaar van omkering van de bewijslast is het weliswaar de tendens geworden in de rechtspraak van een soepele bewijsvoering af te stappen en slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toepassing te maken van de uitzondering van de laatste alinea van artikel 1384 B.W. Daarvoor is de rechter ertoe geneigd kortom te stellen dat het feit zelf van de onrechtmatige handeling het bewijs uitmaakt dat er ergens iets fout is gelopen in de op­voeding van de minderjarige, wat ook voor kritiek vatbaar is, omdat hierdoor een onweerlegbaar vermoeden wordt gecreëerd en dit niet lijkt te kloppen met de vooropge
stelde theorie.

Evenwel, indien de motivatie van een strenge rechtspraak toch coherent moet blijven met de theorie van de weerlegging van het dubbele foutvermoeden, bekomt men een op intellectueel vlak zeer onbevredigende redenering.

Inderdaad, de rechtspraak heeft getracht beoordelingscriteria te geven van de "goede opvoeding', door deze bijvoorbeeld te defi­niëren als: 'deze waarbij alle gepaste middelen worden aangewend om de minderjarige een opleiding en ontwikkeling te geven, rekening houdend met de leeftijd van het kind en zijn persoonlijke mogelijkheden, het milieu waarin het leeft en de opleiding en activiteiten van zijn vader en_moeder;_alsmede_ met de actuele le­vensomstandigheden, zeden en gewoonten op het ogenblik van de feiten en de concrete situa­tie van de familie..." (Brussel, 23 april zoor, R.G.A.R., 2002, nr. r3.552) of nog "deze die aangepaste middelen aanwendt, niet alleen voor de opleiding en de ontwikkeling van de minderjarige in functie van zijn cultureel en sociaal-economisch milieu, maar ook voor zijn psychische en morele aanpassing aan de basis- regels van het leven in de maatschappij, dit laatste ongeacht de specificiteiten van het fami­liaal milieu" (vrije vertaling van Brussel, 21 juin 2oo4, JEU o169/o3.PER arrest nr. 116/2004).

Op grond hiervan zal een ouder het bewijs trachten te leveren van het aantal onderno­men démarches of van zijn medewerking bij hulpverleners, therapeuten, school enz... Aan niemand ontsnapt het nochtans dat het oordelen over de kwaliteit van de opvoeding op basis van deze zeer "uitwendige" gege­vens toch bijzonder kortzichtig is, daar waar de opvoeding op de eerste plaats in de (onvolmaakte) innige relatie en dialoog tus­sen ouders en kind gebeurt, vanaf de eerste dagen van het leven en er zoveel factoren kunnen tussenkomen die in ieder geval niet bewijsbaar zijn en die de moderne psy­chologie nooit onder de traditionele juridi­sche noemer van "fout" behandelt.

De redeneringen die moeten worden ge­voerd wanneer men zich vasthaakt aan de theorie van het dubbel foutvermoeden zijn dus onbevredigend omdat de boodschap naar de ouders toe zeer onduidelijk en frus­trerend is: enerzijds horen de ouders "als U kunt bewijzen dat U uw kind goed heeft opgevoed, ontsnapt u aan het aansprake­lijkheidsstelsel' maar anderzijds, wanneer in een redelijk strenge rechtspraak het ge­recht oordeelt dat ondanks alle inzet en goede wil waarmede de ouder zijn inspan­ningsverbintenis is nagekomen, het tegenbewijs niet wordt geleverd, het gerecht eigenlijk impliciet met de vinger wijst "U bent aansprakelijk want U heeft ergens wel een fout begaan".

Het hof meent dat deze rechtspraak ook aanleiding wordt voor discriminatie tussen enerzijds die ouders die de nodige intellectuele inzichten hebben over hoe zij hun kind best begeleiden naar volwassenheid, zij die cultureel en materieel in de moge­lijkheid zijn "de aangepaste middelen" aan te wenden en hiervan het bewijs te leveren en anderzijds de kansarme gezinnen in onze samenleving die omwille van intellectuele, morele, culturele, materiële beper­kingen, er niet toe komen om te handelen zoals een "normale goede ouder" in abstracto zou. doen.

Indien integendeel in concreto moet worden geoordeeld, moet men vaststellen dat er geen "normale" ouder bestaat, vermits de wijze van opvoeden sterk afhankelijk is van alle culturele, intellectuele, financiële sociaal-economische capaciteiten en omstan­digheden van de ouder zelf, ook van zijn eigen belevenis van zijn jeugdjaren en zijn banden met zijn verleden en dat het onmo­gelijk is voor een rechtscollege met zeker­heid te zeggen welke opvoedingsmethode voor die concrete ouder in die concrete om­standigheden als de goede zou worden beschouwd, om aan deze standaard het ver­moeden van fout van de ouder te kunnen toetsen..

Aan de andere kant, indien men zou aannemen dat elke ouder die op redelijke wijze bewijst "zijn best" te hebben gedaan in concreto met de mogelijkheden die hij heeft, kan ontsnappen aan de wettelijke aansprakelijkheid, dan zouden enkel die ouders die op manifeste wijze de opvoeding van hun kind aan hun laarzen vegen nog aansprake­lijk kunnen worden gesteld. Het aansprakelijkheidsstelsel van de ouders, basispilaar van onze rechtsstaat, zou het dan niet lang meer volhouden en de bescherming van de slachtoffers zou zeer serieus in het gedrang komen.

In onze maatschappij waarin de verhoudingen tussen kinderen en volwassenen in constante evolutie zijn en niet meer gelij­ken op de pedagogische inzichten van vroe­gere generaties, is het foutbegrip in de meeste gevallen niet meer aangepast en is er overigens geen lijn te trekken in de be­oordeling van de intrinsieke kwaliteiten van het "ouder-zijn".

Om maar niet te spreken van de vaststelling dat, op grond van één en dezelfde wettelijke bepaling (artikel 1384 B.W), de ontleding van de ouderlijke merites met een verschil­lende bril wordt benaderd naar gelang de aansprakelijkheidsvraag wordt gesteld in een zaak waarbij de feiten kunnen worden gekwalificeerd ais misdrijven, naar gelang er zich al dan niet een problematische op­voedingssituatie voordoet, dan wel in een louter burgerlijk dossier inzake onrechtmatige daad, waar het gaat om jongeren die een "normale" opvoeding genieten en een probleemloos parcours kennen (vb. een verkeersongeval)..

In deze laatste gevallen zal men inderdaad weinig geneigd zijn de ouders van hun wettelijke aansprakelijkheid te ontlasten ook al wijzen alle "uitwen- dige" tekenen ernaar dat zij niet tekort- schieten in de opvoeding van hun jongeren.

Een laatste bedenking van het hof is de volgende. Opvoeden is, in hoofde van een ouder, niet alleen "doen" maar ook "zijn" en bewerkstelligt een soort "alchemie" van zovele factoren. Ook het "voorbeeld zijn" heeft zijn impact op een kind. Indien een ouder oordeelt dat hij niet moet tussenkomen wanneer zijn kind een schade berokkent aan een derde, onder het motief dat hij een goede opvoeding heeft gegeven, is het niet onredelijk te denken dat dit op zichzelf al een bewijs kan zijn dat deze onder het niet nauw neemt met de waarde van de familiale solidariteit, en dat, door te verkiezen zowel het slachtoffer als zijn eigen kind met hun respectievelijk probleem in de kou te laten, hij een zeer negatief signaal geeft in de op- voeding van zijn kind daar waar men van de ouder mag verwachten dat hij door zijn voorbeeld de waarde van de familiale solidariteit zou meegeven.

Tot besluit is het hof van mening dat de fictie van het dubbel foutvermoeden niet meer aangepast is aan de hedendaagse realiteit

Ook in de rechtsleer is de malaise over deze theorie voelbaar. "Vele gedragingen van kinderen — vaak plots en onvoorspelbaar- waardoor schade aan derden wordt berokkend, houden in feite objectieve risico's in die bezwaarlijk nog in verband kunnen worden gebracht met een fout van de ouders" (P. Tavenier, Naar een objectieve aansprakelijkheid van de ouders voor de onrechtmatige daden van hun minderjarige kinderen? Beschouwingen bij het arrest Bertrand van het Franse Hof van Cassatie van 19 februari [1997], R.W, 1999-2000, 273, nr. 122).

Deze fictie steunt tevens op een illusie, namelijk dat een ouder een negatief feit zou kunnen bewijzen, zijnde de afwezigheid van enige tekortkoming in de opvoeding. 

Het dubbel foutvermoeden is een creatie van de rechtspraak doch sluit niet onmiddellijk aan bij de wettelijke bewoordingen. Artikel 1384 B.W. heeft het immers niet over het foutbegrip. 

De laatste alinea bepaalt: -de hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders (...) bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft niet hebben kunnen beletten. Het hof verwijst naar de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie die zijn ziens- wijze hierover grondig heeft gewijzigd en heeft geoordeeld in het arrest Bertrand van 19 februari [1997] dat enkel overmacht of de fout van het slachtoffer een ouder kan ontlasten van zijn aansprakelijkheid (P. De Tavernier, o.c.).

Het hof meent te mogen stellen dat, aan de ouder die meent dat hij valt onder de uitzonderingsbepaling van artikel 1384 B.W. omdat hij de schadeverwekkende daad "niet heeft kunnen beletten" geen negatief bewijs moet worden gevraagd (van de afwezigheid van enige tekortkoming in de opvoeding en in het toezicht), maar een positief bewijs, namelijk het bewijs dat de schadeverwekkende onrechtmatige daad een externe oor- zaak heeft die volledig buiten de invloedsfeer ligt waarin ouders via toezicht en op- voeding (opgevat in alle aspecten: nemen van ouderlijke beslissingen, voorbeeld geven, dialoog, bijstand, liefde en affectie, aanleren van sociale vaardigheden en norm- besef, kortom: zowel "doen" als "zijn", (...) over de daden van hun kinderen een impact kunnen hebben.

b. Toepassing

[...] werd op driejarige leeftijd samen met zijn oudere broer en zus door het echtpaar [...] geadopteerd

De ouders van ... wijzen erop hoe het met de tijd voor hen een onmogelijke zaak bleek te zijn de drie adoptiekinderen met hun specifieke geschiedenis aan het familiaal kader en het maatschappelijk leven te integreren en normale genegenheidsbanden te ontwikkelen. 

Zij leggen uit dat zij pas later hebben vernomen dat deze kinderen in Ecuador op straat hadden moeten overleven, en zeer zware traumatiserende belevenissen hadden gekend- in hun prille jeugd De kinderen vertoonden dermate overlevingsdrang en hechtenisstoornis dat Mevrouw ... jaan de eerste rechter nog heeft  verklaard dat de situatie hopeloos was en dat wat je ook mocht doen, die kinderen gedoemd waren om zich niet te integreren.

Er dient vervolgens te worden onderzocht of de ouders bewijzen dat de daden van hun zoon een oorzaak hebben die volledig buiten de sfeer ligt waarop opvoeding en toezicht een invloed kunnen hebben. In casu begint het "opvoedingsproces" reeds bij de beslissing van de adoptie en dient te worden nagegaan of de ouders daarbij reeds in de onmogelijkheid waren om te beletten wat er gebeurde.

Uit de argumenten van de ouders leidt men af dat zij immers van oordeel zijn dat de oorzaak van alles ligt in een verkeerd gelopen adoptie

- van kinderen die een tijd op straat hadden geleefd en dus een overlevingspatroon had- den ontwikkeld en alle persoonlijkheidsafwijkingen die daar het gevolg van kunnen zijn. Deze gegevens over het verleden van de kinderen zouden de ouders pas achteraf beetje bij beetje te weten gekomen zijn,

- van kinderen die te oud waren om zich nog te kunnen aanpassen,

- van drie kinderen (broers en zus) tegelijk, met het gevolg dat zij samen een sterke loyaliteitsband hadden ontwikkeld en zich als een gesloten groepje hebben opgesteld volledig afkerig van elke sociale, familiale en affectieve aanpassing, waarbij zij samen sterk stonden tegen de adoptieouders van wie de inspanningen gedoemd waren om te mislukken.

 Het hof meent dat het op de eerste plaats de ouders zijn die de beslissing hebben genomen voor deze risicovolle adoptie en ervoor hun verantwoordelijkheid dienen op te nemen naar de maatschappij toe

Het adoptiedossier en de verklaringen van kennissen en familieleden laten blijken dat het echtpaar [...] ogenschijnlijk zeer goed voorbereid was voor de adoptie van één kind, zich had geïnformeerd, boeken had gelezen, referentiepersonen had ontmoet Er blijkt evenwel nergens uit dat de beslissing om niet één kind maar drie kinderen tegelijk op te vangen waaronder de oudsten reeds een leeftijd hadden die niet alle garanties konden bieden voor succes, werd begeleid van enig specifiek onderzoek naar de bijkomende problemen van dergelijke meervoudige adoptie.

Deze beslissing blijkt pas in het voorbereidingsproces veel later te zijn tussengekomen. Het enige wat het echtpaar hiertoe blijkbaar zou hebben bewogen is hun bekommernis om broers en zus niet uit elkaar te trekken. Er blijkt nergens uit dat deze overigens genereuze en lofwaardige bedoeling serieus gebalanceerd werd met de problematiek van het groepsverband tussen de kinderen met cumulatie van de moeilijkheden, de onderlinge loyaliteiten, de leeftijd van de oudere kinderen.

Het bewijs dat het onrechtmatig gedrag van [...] een oorzaak heeft dat volledig vreemd is aan de invloedsfeer van de ouders (onder andere via ouderlijke beslissingen) wordt bijgevolg niet bijgebracht, zodat de wettellijke aansprakelijkheidsregel moet worden toegepast.

OM DEZE REDENEN HET HOF, jeugdkamer,

- Veroordeelt [....] zijn beide ouders in hun hoedanigheid van burgerlijk aansprakelij- ken voor hun minderjarige zoon en de nv f.. ] in haar hoedanigheid van verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van de ouders in solidum tot betaling aan [...] in zijn hoeda- nigheid van voogd ad hoc van de minderjarige [...] de som van 5.000 euro, te vermeer- deren met de gerechtelijke intresten, zulks onder voorbehoud van alle toekomstige schade die zich nog zou manifesteren ais gevolg van de feiten bedoeld in de tenlastelegging A van de dagvaarding en zulks solidair met elke andere uit hoofde van dezelfde feiten veroordeelde persoon...."

• Hof van Cassatie 11/12/2009, RW 2011-2012, 1808

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 april 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Brusse...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

De in art. 1384, tweede lid BW bedoelde aansprakelijkheid van de vader en de moeder bestaat zodra de schade werd veroorzaakt door de objectief onrechtmatige daad van hun minderjarig kind dat geen onderscheidingsvermogen bezat.

De objectief onrechtmatige daad is de daad waardoor aan een derde schade wordt berokkend, die door een minderjarige wordt gesteld en die hij niet het recht had te stellen.

Het Hof dient na te gaan of de door de rechter op onaantastbare wijze vastgestelde feiten de gevolgen wettigen die hij er in rechte uit afleidt, met name of die gevolgtrekkingen het begrip objectief onrechtmatige daad niet miskennen.

Het arrest vermeldt:

– “Volgens de verschillende versies is het niet mogelijk te weten of M. “de glazen deur op S. dichtgeklapt” heeft (...) dan wel of M. “S. in de ruit geduwd” heeft (...) of “hem op de glazen deur geduwd heeft” (...);

– “Heeft M. de glazen deur van de kamer van zijn neefje S. dichtgeklapt omdat hij hem wilde opsluiten? Heeft hij zijn neefje op de glazen deur geduwd omdat hij hem zijn stuk speelgoed niet wou teruggeven?

– “De ouders van S. moeten het bewijs leveren dat M. een objectief onrechtmatige daad heeft gesteld, maar zij doen dit in deze zaak niet”;

– “Misschien heeft M. de glazen deur van zijn kamer tegen zijn neefje dichtgegooid; misschien heeft hij hem zelfs geduwd. De omstandigheden zijn echter niet omschreven en het bewijs dat het minderjarig kind een objectief onrechtmatige daad heeft begaan, is niet geleverd.

“De glasbreuk en de letsels van S. zijn het gevolg van een daad waarvan het bewijs van de “objectief onrechtmatige” aard in deze zaak niet met voldoende zekerheid wordt geleverd”.

Uit de twee hypotheses die het arrest in aanmerking neemt, volgt dat M., de zoon van de verzekerden van de verweerster, het schadeveroorzakend feit heeft gepleegd, ofwel omdat hij de deur op zijn neefje S. heeft dichtgegooid, ofwel omdat hij hem tegen die deur heeft geduwd.

Elk van die twee hypotheses impliceert dat het kind een daad heeft gesteld die het niet het recht had te stellen.

Door te oordelen dat “de glasbreuk en de letsels van S. het gevolg zijn van een daad waarvan het bewijs van de “objectief onrechtmatige” aard in deze zaak niet met voldoende zekerheid wordt geleverd”, louter op grond dat de eisers niet aantonen welke van de twee voornoemde gedragingen de schade heeft veroorzaakt, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.... 

Rechtsleer:

• Overzicht rechtspraak Kwalitatieve aansprakelijkheid TPR 2011-2, 349

Commentaar: 

Objectieve aansprakelijkheid van de ouders wordt terug een subjectieve aansprakelijkheid. Een evolutie:

De aansprakelijkheid van ouders voor hun kinderen wordt omschreven in art. 1384, tweede lid BW
De ouders zijn voor hun kinderen niet aansprakelijk:

Wanneer zij geen fout in opvoeding en toezicht hebben begaan (Cass. 20 oktober 1999, Arr.Cass. 1999, 1305, JLMB 2000, 80, RW 2001-02 (verkort), 1028, noot).

Ouders zijn niet aansprakelijk wanneer zij zelf niet toerekeningsvatbaar (P. De Tavernier, De buitencontractuele aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door minderjarigen, Antwerpen, Intersentia, 2006, 365-366 en 368;(Luik 25 september 1985, JL 1986, 338).

Maar behoudens de situatie waarin de ouder zelf niet toerekeningsvatbaar is, hoe kan hij dan bewijzen geen fout te hebben begaan of nalatigheid zou hebben gesteld in opvoeding of toezicht die een normale voorzichtige ouder, als een bonus pater familias in gelijkaardige omstandigheden niet had gesteld (P. De Tavernier, o.c., 368). Zij moeten met andere woorden aantonen dat zij zich hebben gedragen als een bonus pater familias.

Uit de rechtspraak is de stelling gegroeid dat dit bewijs van een negatief feit kan geleverd worden, door:
1. Het bewijs van een degelijk toezicht over de kinderen tijdens de feiten, en
2. Het bewijs dat zij hun kinderen goed hebben opgevoed.
(zie bv.: Cass. 24 mei 1982, Arr.Cass. 1981-82, 1179, Pas. 1982, I, 1114; Cass. 30 mei 1984, Arr.Cass. 1983-84, 1286, JT 1984, 587, Pas. 1984, I, 1200, Rev.trim.dr.fam. 1985, 379; Cass. 28 april 1987, Arr.Cass. 1986-87, 1138, Pas. 1987, I, 1004, RGAR 1990, nr. 11.653, RW 1987-88, 434, Verkeersrecht 1987, 239; Cass. 21 december 1989, Arr.Cass. 1989-90, 560, J.dr.jeun. 1990, 37, noot D. Philippe, JLMB 1990, 1228, Pas. 1990, I, 501, RW 1990-91, 538, noot, Verkeersrecht1990, 151; Cass. 5 april 1995, Arr.Cass. 1995, 377, Pas. 1995, I, 390, RGAR 1997, nr. 12.712, RW1996-97, 851, Verkeersrecht 1995, 255; Cass. 20 oktober 1999, Arr.Cass. 1999, 1305, JLMB 2000, 80, RW 2001-02, 1028, noot; Cass. 4 maart 2015, hier geannoteerd).

Dat deze criteria niet of nauwelijks hanteerbaar zijn in de praktijk volgt reeds uit de onbeantwoordbare vragen die eruit voortvloeien:

• Wat is een goede opvoeding?
• Hoe wordt een goede opvoeding bewezen?
• Dienen kinderen onder voortdurende bewaking te staan als hondjes aan de leiband? En zo ja is dit dan juist niet een wijze van slechte opvoeding door de kinderen niet te leren omgaan met zelfstandigheid en verantwoordelijkheid, zonder voortdurend toezicht.

Dat hieruit de meest bizarre tegenstrijdige rechtspraak volgt kan men niet de rechter maar wel de wetgever verwijten: zie E. Monteroen A. Pütz, “La responsabilité des parents à la croisée des chemins” in La responsabilité des parents. Les dossiers du journal des Juges de Paix et de Police, Brussel, die Keure, 2006, (39) 49).

Het hof van beroep diende te oordelen over een ongeval veroorzaakt door het feit dat kind losse niet vastgeknoopte veters had Gent 11 juni 2009, nr. 2006/AR/2413, juridat 20090611-11).

Het hof van beroep oordeelde dat wie zijn kind laat rondlopen met schoenen waarvan de veters niet zijn dichtgeknoopt, aan dat kind geen goede opvoeding hebben gegeven:”

1. B.-C. betwisten niet dat, toen het ongeval gebeurde, hun zoon T. skateschoenen droeg. In conclusies verduidelijken zij dat het gaat om sportschoenen met hoge en dikke wanden, waarbij het de gewoonte is de veters niet vast te binden, maar in de zijkant tussen de wand en de voet te stoppen.
2. Het hof treedt de eerste rechter bij waar hij heeft geoordeeld dat de toen tienjarige T. B. een onrechtmatige daad heeft begaan door met dergelijk schoeisel te voetballen.
3. Ook een kind van die leeftijd moet er zich van bewust zijn dat voetballen met los zittende schoenen, waarvan de veters niet zijn dichtgebonden, het risico inhoudt dat bij een trapbeweging een schoen kan los komen.
4. Dat het dragen van skateschoenen met niet dichtgeknoopte veters een modeverschijnsel is en talrijke jongeren hun schoenen op die manier dragen, doet geen afbreuk aan het feit dat op een dergelijke wijze deelnemen aan het voetbalspel een onverantwoord risico inhoudt.
5. Het gaat er niet om dat leerlingen die voetballen tijdens de speeltijd een speciaal schoeisel zouden moeten aantrekken. Ze moeten er wel voor zorgen dat hun schoenen behoorlijk vast om hun voeten zitten (ingeval het gaat om schoenen met veters, door deze vast te maken) en niet dermate los zitten dat ze bij het spel kunnen afvliegen.
6. De opmerking van B.-C. dat naderhand: "de school een richtlijn heeft uitgevaardigd, of minstens een feitelijk gedrag heeft gestipuleerd, waarbij het niet meer toegelaten werd op de speelplaats te voetballen met niet gebonden schoenen" en dat het voetballen met skateschoenen zelfs werd verboden, houdt de bevestiging in dat men (spijtig genoeg pas na het incident waarvan A. V. het slachtoffer was) de risico's van het spelen met niet-vastgemaakte schoenen heeft ingezien en dat maatregelen konden getroffen worden om deze risico's te vermijden”.

Kan men niet enkel glimlachen wanneer we in een arrest van het Hof van Beroep te Gent moeten lezen, dat een kind met losse veters (terwijl blijkbaar losse veters een cultverschijnsel geworden zijn bij jongeren) hun kind een slechte opvoeding hebben gegeven. Uit het feit dat een kind met losse veters loopt terwijl de ouders het niet zien, kan toch niet afgeleid dat de ouders hun kind niet gewezen hebben op het dichtmaken van de veters. (R. Verstegen, “Aansprakelijkheid voor losse schoenveters” in Over grenzen. Liber amicorum Herman Cousy, Antwerpen, Intersentia, 2011, 785).

Maar moeten ouders uit alle pedagogische boeken het gevolg trekken dat ze op een avond hun kinderen op de schoot moeten nemen en hen uitleggen dat ze hun veters moeten dichtknopen en waarom. Elke ouder weet dat de dag nadien de kinderen dit alweer vergeten zijn, laat staan de 1001 andere zaken die de ouders aan de kinderen dienen te leren.

Het is een illusie dat ouders kinderen (ten volle en volledig) opvoeden of kunnen opvoeden.

Opvoeding zoals vele leerprocessen en queesten kennen geen universele methode, laat staan een algemeen erkend handboek met stappenplannen. Kinderen zijn geen gedresseerde hondjes. Bijtende honden (die blijven bijten) zijn meestal slecht opgevoed al hebben ze net als alle kindjes ooit eens gebeten.

Opvoeding van mensen door ouders bestaat niet in een opsomming van geboden en verboden, maar uit een proces van trial and error. Kinderen moeten fouten begaan om uit deze fouten te leren en daartoe hebben zij een verregaande vrijheid nodig die voortdurend toezicht uitsluit.

En wat is een goede opvoeding. Welke regels behelst dit. Is luisteren en gehoorzaamheid een goede eigenschap of een slechte (wanneer men met volwassenen in contact komt). Is een goede opvoeding een goed christen mens te zijn, is dit een goede moslim te zijn, is dit leven volgens een ethisch filosofisch model. Maar welk model of boek bevat alle universele regels van de bonus pater familas over opvoeding van kinderen.?

De goede opvoeding staat bovendien niet garant voor het gedrag van de kinderen en garandeert niet dat deze geen onrechtmatige daden zullen stellen. Wanneer een minderjarige van 9 jaar een feestje geeft en de muziek zo luid zette, zonder de buren te storen, maar waarbij de dag later wel blijkt dat 10 van zijn vriendjes blijvende gehoorschade hebben, is dit normaal gezien toch geen gebrek aan opvoeding.

De beste opvoeding kan niet verhinderen dat een kind eens een sigaret probeert, waarna de peuk door onoplettendheid en onwetendheid schade brand veroorzaakt de peuk een ietse pietsje te weinig werd uitgeduwd en dan in een papiertje verstopt.
(C. Mélotte, “La responsabilité du fait des enfants” in J. Wildemeerschen J. Loly(eds.), Responsabilités autour et alentours du mineur, (149) 168; E. Monteroen A. Pütz, o.c., in La responsabilité des parents. Les dossiers du journal des Juges de Paix et de Police, 51-52).

Kinderen zijn noch eigendom, noch roofdieren in een kooi, noch gedresseerde gevangen of gekweekte aapjes. Zij doen invloeden op in hun omgeving die net zo sterk of zelfs sterker zijn dan die van de ouders. Wanneer een groepje kinderen beslist om een deugnieterij uit te steken, bv. een krant vol hondenpoep in brand steken aan de voordeur van een humeurige kind-onvriendelijke buur, die het vuur uitstampt en met zijn voet in de hondenpoep belandt, doen alle jongeren van de groep (welke opvoeding zij ook kregen) mee aan deze grap en onrechtmatige daad.

Bij het onderzoek naar groepsverkrachting gepleegd door een groep jongens van 14 tot 16 jaar wordt vastgesteld dat de opvoeding van de kinderen zelden of nooit een remmende of stimulerende (bij slechte opvoeding) was, de recidive uitzonderlijk klein en de schade bij het slachtoffer immens.

Mensen hebben steeds samengeleefd met honden als roedeldieren en instinctief in het gezin, op school, ontstaat een roedel met een strijd om een plaatsje in de hierarchie, een strijd om te stijgen in de hierarchie of om verlies aan positie te vermijden. Dit gaat gepaard met rituelen, maar ook met geweld en opgelegde rolmodellen. Bij de meeste kinderen verloopt dit probleemloos, maar veel heeft te maken met chance en met de personen en gelegenheden die het pad van kind kruisen of niet kruisen.

Ouders hebben een invloed op het gedrag van un kinderen, maar de invloed wordt zwaar overschat.
Wanneer we artikel 1384 BW op een zinvolle manier willen invullen, dienen we tot de conclusie te komen dat het bewijs van een goede opvoeding niet te leveren is.
Zo niet vervallen we in een totaal inconsistente rechtspraak met rechtsonzekerheid tot gevolg (J.-L. Fagnart, “La responsabilité civile des parents”, J.dr.jeun. 1997, (362) 368).

De enige uitweg lijkt op het eerste zicht een objectieve aansprakelijkheid van de ouders voor de onrechtmatige daden van hun kinderen die gedekt wordt door een (verplichte) verzekering BA, de zogeheten familiale verzekering met een franchise van 500 euro (hierdoor worden de klassieke misbruiken vermeden) en kan vooral in het belang van de verzekerde de premie zeer laag gehouden.

Laat ons de kinderen in onze gemeenschap, onze kinderen heten, waarbij we de risico’s mutualiseren en dus tot een zeer kleine bijdrage herleiden, uit respect voor de rechtszekerheid in de rechtstaat, uit bezorgdheid voor een snelle vergoeding van de slachtoffers en uit bekommernis tot rechtszekerheid in de rechtstaat die niet tot een farce mag uitgroeien

Dit pleidooi wordt gedeeld door de rechtsleer: in P. De Tavernier. De Tavernier, De buitencontractuele aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door minderjarigen, Antwerpen, Intersentia, 2006, 607; T. Vansweevelten B. Weyts, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 370-373; contra: H. Vandenbergheen M. Muylle, “Aansprakelijkheid van de ouders voor minderjarige kinderen. Een stand van zaken” in F. Baudoncq, M. Debaene en S. Snaet (eds.), De aansprakelijkheid van ouders en onderwijzers, Brugge, die Keure, 2007, (49) 69).

Maar de wet is voorlopig niet aangepast. De benadering van de rechtspraak wel. Zo stellen we vast dat in de recente rechtspraak de aansprakelijkheid van de ouders voor hun kinderen vaak wordt weerhouden en de bevrijdingsgronden worden verworpen.

Hoger hebben we reeds gesteld dat het bewijs van goede opvoeding een onmogelijk bewijs is. Wanneer de rechter hieruit de juiste conclusie trekt, krijgen we ondanks de wet, maar niet tegen de wet toch een objectieve aansprakelijkheid van de ouders voor hun kinderen.

Aldus zijn er twee strekkingen in de rechtspraak.

Zo is er de rechtspraak die zeer terughoudend is tegenover de bevrijding van de aansprakelijkheid van de ouders en laat deze toe met alle mogelijke middelen hun goede opvoeding te bewijzen, tot het bewijs van vroomheid toe. Deze strekking meent dat het art. 1384 dient gelezen op een wijze waardoor deze bepaling inhoud krijgt, waardoor de goede opvoeding kan en mag beoordeeld en gemeten worden.

Meer zelfs een goede opvoeding is volgens deze stelling het geheel van goede inspanningen van een ouder om van zijn kind een bewust, verantwoordelijk, eerlijk, voorzichtig en verstandig ouder te maken, eraan toevoegend dat dit een inspanningsverbintenis is en geen resultaatsverbintens.
(B. Dubuisson, V. Callewaert, B. De Coninck en G. Gathem, La responsabilité civile. Chronique de jurisprudence 1996-2007. Volume 1: Le fait générateur et le lien causal, Brussel, Larcier, 2009, 101 en de aldaar vermelde rechtspraak).

Zo is er de andere rechtspraak die omwille van de onmogelijkheid van het bewijs van goede opvoeding en de irrelevantie van de argumenten die ouders in dergelijke discussies aanhalen, ouders voor hun kinderen aansprakelijk dienen gesteld, behoudens het bewijs van overmacht te leveren.

Logisch is de gedachtengang die door deze rechtspraak gemaakt wordt. Het bewijs van goede opvoeding kan niet geleverd. Het bewijs van een gebrekkige opvoeding echter wel en dit op het ogenblik dat het kind een onrechtmatige daad stelt, die precies het gebrek aan opvoeding aantoont.

Zou men niet verder kunnen gaan door te stellen dat ouders die de schade veroorzaakt door hun kinderen weigeren te vergoeden aan de slachtoffers een daad stellen die in de perceptie van het kind een spoor achterlaat dat tot een slechte opvoeding aanleiding geeft en het kind aanleert dat onrechtmatige daden kunnen gepleegd worden zonder dat de dader of zij die voor hem verantwoordelijk zijn de schade vergoeden en het slachtoffer in de kou laten staan.
(bv.: Antwerpen 2 april 1998, Intercontact 1999, 125; Gent 6 september 1995, RW 1997-98, 1387; Bergen 12 juni 1995, RGAR 1997, nr. 12.732; Rb. Namen 30 juni 1995, De Verz. 1995, 638, noot M. Lambert).

In een arrest van 1989 (Cass. 23 februari 1989,Arr.Cass. 1988-89, 721, JT 1989, 235, Pas. 1989, I, 649, RGAR 1990, nr. 11.620, RW 1989-90, 645, noot, Verkeersrecht 1989, 212) stelde het Hof van Cassatie dat het bewijs van de overmacht niet de enige vorm is die het tegenbewijs van de ouders kan uitmaken.

Het Hof vervolgde dat het voor de ouders daarentegen “noodzakelijk maar voldoende” is om het bewijs te leveren dat ze niet tekort zijn geschoten in hun verplichting tot toezicht en het bieden van een goede opvoeding.

Uit dit arrest zijn vele verkeerde conclusies getrokken.

Het arrest stelt niets meer en niets minder dan de wettelijke bepalingen van artikel 1384 BW en kan ook niet anders. Indien het Hof van Cassatie anders had geoordeeld had zij de wet herschreven.

Het arrest dient gelezen in die zin dat de ouders aan hun aansprakelijkheid ontsnappen door het bewijs te leveren van voldoende toezicht en goede opvoeding.

Hoe dit bewijs moet geleverd worden en dat in het plerumque fit dit bewijs de facto niet kan geleverd worden zegt het Hof van Cassatie niet.

Stel dat ouders in een afgesloten ruimte met camerabegluring in alle plaatsen jaren kinderen opvoeden en pedagogen bevestigen de goede opvoeding dan is dit bewijs misschien geleverd of juist niet door het gebrek aan sociaal contact.

Anderzijds zijn er kinderen die zich gedragen als engelen, nooit tegenspreken, nooit vuile kleren hebben, goede punten op school halen, een 10 voor opvoeding, godsdienst en bijbelstudie hebben en door iedereen geprezen worden voor hun perfectie dit kan misschien een bewijs zijn van goede opvoeding, al is het lezen van godsdienstige geschriften waarin tot verkrachting, slavernij en moord wordt aangezet en tot het stellen van irrationeel gedrag en het geloof erin, volgens mij een bewijs van slechte opvoeding, en weet niemand wat achter de gesloten muren van het huis en de slaapkamers gebeurt, hetgeen misschien juist de oorzaak kan zijn voor de irrationele heilige braafheid van het kind.

We stellen in de rechtspraak dan ook een duidelijke evolutie vast naar de de facto objectivering van de aansprakelijkheid van ouders voor hun kinderen (P. De Tavernier, De buitencontractuele aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door minderjarigen, Antwerpen, Intersentia, 2006, 377 Brussel 23 oktober 2007, RGAR 2010, nr. 14.652;
• Brussel 25 oktober 2007, NJW 2008, 128, noot M. Rom;
• Brussel 24 juni 2009, JT 2009, 616, RGAR 2009, nr. 14.554, noot C. Dalcq;
• Brussel 3 juni 2009, RAJe 2010, afl. 2, 8;
• Brussel 18 januari 2010, RAJe 2010, afl. 2, 12;
• Brussel 4 november 2014, nr. J/380/2014, onuitg.).
Deze rechtspraak overweegt ook dat een goede opvoeding geen enkele garantie biedt dat een kind geen onrechtmatige daad stelt.

Het brein van een kind en het normen en waardenbesef is zelfs nog niet volgroeid op 16 jarige leeftijd, waardoor opvoeding geen volledige impact heeft op de daden van het kind. Overigens dit wordt ook in het jeugdrecht erkend alwaar kinderen strafrechtelijk geen verantwoordelijkheid dragen.

Kinderen krijgen is een risico, kinderen opvoeden is een risico, kinderen zijn een risico.

Terecht stellen deze arresten aan dat het foutvermoeden van de ouders een illusie is gebaseerd, omdat dat van ouders het bewijs van een negatief feit vergt, hetgeen principieel onmogelijk is zeker niet over de volledige duur van de opvoeding.

Hoe zouden ouders kunnen aantonen dat zij niet zijn tekortgeschoten in de opvoeding? Op het eerste zicht niet of toch:

Voorbeeld:

Een kind van 1 jaar wordt tijdens de kerstdagen op de arm van tante Irma genomen. De tante komt dicht bij de kaars. De baby gooit de kaars om en die valt op de pruik van tante Irma die vuur vat als een fakkel. De minderjarige Kevin gooit zijn anorak op haar hoofd om de brand te blussen, maar door de synthetische stoffen ontstaat een reuzenfakkel waardoor tante Irma in rook opgaat en finaal ook het hele huis en alle aanwezigen uit het huis vluchten.


En welke stelling dient aangenomen wanneer de onrechtmatige daad van het kind totaal vreemd is aan opvoeding en toezicht?

Hierbij kunnen we even stilstaan bij het laatste lid van art. 1384:

“De hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders, onderwijzers en ambachtslieden bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten”.

Cass. 4 maart 2015, juridat:

art. 1384, tweede lid BW. voorziet niet in een objectieve aansprakelijkheid. Immers: het laatste lid stelt :

De hierboven geregelde aansprakelijkheid houdt op, indien de ouders, bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten”

In dit arrest stelt het Hof van Cassatie dat de aansprakelijkheid van de ouders geen objectieve aansprakelijkheid is, maar wel aansprakelijkheid op basis van foutvermoeden. Volgens het Hof van Cassatie van 4 maart 2015 volstaat het dan ook dat de ouders gewoon bewijzen dat ze geen fout hebben begaan, zonder dat zij het bewijs van overmacht dienen te leveren.

Dit arrest lijkt een einde te maken aan de opmars van de objectieve aansprakelijkheid van ouders voor hun kinderen en maakt aldus een einde aan de stelling dat ouders aansprakelijk zijn voor de onrechtmatige daad van hun kinderen, behoudens overmacht, gegeven dat een bewijs in opvoeding en toezicht de facto of slechts zeer zelden kan bewezen worden.

Nieuwe doctrine:

Ouders ontlopen volgens het cassatie arrest van 04/03/2015 hun aansprakelijkheid, mits zij bewijzen dat de onrechtmatige daad van hun kind die aanleiding gaf tot de schade, niet het gevolg is van een fout in het toezicht of de opvoeding van hun kind.
 

Gerelateerd
0
Aangemaakt op: wo, 15/07/2009 - 15:15
Laatst aangepast op: do, 11/05/2017 - 13:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.